Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


01: Voorwoord

Dovnload 314.29 Kb.

01: Voorwoord



Pagina3/5
Datum05.12.2018
Grootte314.29 Kb.

Dovnload 314.29 Kb.
1   2   3   4   5

07 De nachtwaak

01. De zusters en broeders die met de nachtwaak zijn belast moeten vooral zorgen dat zij de dienst nauwkeurig overnemen en dat zij geheel op de hoogte zijn van hun verplichtingen en zeer doordrongen van hun verantwoordelijkheid.


02. Gedurende de nachtwaak behoort zoveel mogelijk rust te heersen en worden overbodige gesprekken vermeden, de deuren zacht geopend en gesloten, pantoffels met vilten zolen gedragen en alles vermeden wat gedruis veroorzaakt.
03. Nooit mag eigenmachtig worden gehandeld; de hulp van de hoofdverpleging en van de afdelingsgeneesheer moet, indien nodig, steeds worden ingeroepen.
04. Vóór het begin van de dienst moet de wacht in het bezit zijn van de sleutels om bij onverhoopte ongevallen, bijvoorbeeld brand, de patiënten in veiligheid te kunnen brengen en de brandblusmiddelen in werking te stellen.
05. Bij het eindigen van de nachtdienst word een rapport opgemaakt van de vermeldingswaardige voorgevallen.
06. In geen geval mag een zuster of broeder zelfstandig met de nachtwaak worden belast, voordat hij enige tijd onder bevoegde werkzaam te zijn geweest en het bewijs te hebben geleverd voor die taak ten volle berekend te zijn.
07. Er word streng op toegezien dat de deuren, bijvoorbeeld die welke de afdelingen van de zusterskamers scheiden, geen knippen bevinden, zodat bij brand en andere ongevallen de patiënten zich ook langs die weg kunnen verwijderen.

07-1 De zitwacht

01. De zogenaamde zitwacht houd nauwkeurig toezicht op de haar toevertrouwde patiënten, vooral op hen die de neiging tot zelfmoord vertonen, gevaarlijk voor hun omgeving zijn of uit een ander oogpunt voortdurend toezicht nodig hebben en tevens op nieuw aangekomen patiënten.
02. De zusters en broeders mogen zich gedurende de nachtwaak niet bezighouden met spannende lectuur of andere bezigheden die de aandacht van hun verplichtingen afleiden.
03. Zij mogen zich onder geen voorwendsel van de hun toevertrouwede zalen verwijderen, dan alleen wanneer zij door de loopwacht worden vervangen.
04. Voordat zij de dienst overnemen, behoren ze er voor te zorgen dat ze alle benodigdheden bij zich hebben.

07-2 De loopwacht.

01. De zogenaamde loopwacht behoort zich nauwkeurig rekenschap te geven van haar plichten en de omvang van haar taak.
02. De plichten der wacht blijven niet beperkt tot de aangegeven ronden: de zusters of broeders zijn verplicht toezicht te houden over de gehele afdeling.
03. De hun opgedragen ronden behoren zij stipt te vervullen. Wanneer ze daarvan moeten afwijken moet dit in het nachtrapport worden vermeld met opgave van reden.

04. Zodra de loopwacht de dienst heeft overgenomen behoort zij zicht van het volgende op de hoogte te stellen:

a. of alle deuren, ramen en zalen gesloten zijn.
b. of alle patiënten aanwezig zijn en in bed liggen.
c. of de nodige voorzieningen met het oog op vuur en licht zijn genomen.
d. of geen overtollig licht brand.
e. of de isoleerkamers en verdere vertrekken die door de afdelingsgeneesheer daartoe zijn aangewezen om speciaal toezicht op uit te oefenen, behoorlijk verlicht zijn.
f. of het vuur in de koffiehaard geen gevaar voor brand kan opleveren.
g. of de kranen van gas- en waterleiding zijn gesloten.
h. of op de afdeling ’s nachts het vastgestelde aantal broeders en zusters verblijven: met het oog op brandgevaar of andere ongevallen moet bij tijdelijke afwezigheid van zuster of broeders die op de afdeling verblijf houden, hun plaats door anderen worden ingenomen.
05. Gedurende de verdere dienst word nauwkeurig gelet op de temperatuur en de ventilatie der vertrekken.
06. Zodra het daglicht voldoende is worden de gaskranen gesloten.
07. Het aangewezen personeel word ’s morgen tijdig gewekt.
08. Er word nauwkeurig op toegezien dat de patiënten niet vóór de daarvoor bestemde tijd opstaan.
09. Gedurende de verschillende rondes word er nauwkeurig op toegezien of de patiënten hulp nodig h ebben, waarbij van de kijkgaatjes in de deuren geregeld gebruik gemaakt moet worden.
10: Speciaal toezicht moet worden uitgeoefend op:
a. op patiënten in isoleercellen
b. op patiënten in isoleerkamers
c. op toevallijders, ook of deze op een toevalkussen slapen
d. op onzindelijke lijders
e. op patiënten met neiging tot ontvluchting
f. op zieke en hulpbehoevende patiënten
g. op lijders met neiging tot onzedelijke handelingen en dergelijke.
11. Patiënten die behoefte hebben aan bijvoorbeeld drinken worden geholpen.
12. Daarbij word in het hoog gehouden dat men zich niet alleen waagt bij gevaarlijke patiënten, met inbegrip van patiënten die men nog niet voldoende kent.
08 Werkverschaffing

1. De werkverschaffing wordt zowel het belang van de inrichting als in het belang van de lijder zoveel mogelijk bevordert


2. Nooit mag echter enige dwang worden toegepast
3. De lijder wordt tot arbeid gemotiveerd door de overtuiging dat hij daardoor zijn eigen welzijn en terugkeer in de maatschappij bevordert.
4. Nooit mag men zich na een aanvankelijke mislukking ervan laten weerhouden om door te gaan in de mening dat de lijder onwillig of tot niets in staat is.
5. De beoordeling of iemand in staat is om te werken word altijd door de afdelingsgeneesheer gedaan.
6. Er wordt streng op toegezien dat de lijder geen nutteloos werk verricht of arbeid die slechte gewoonten aanleert, bijvoorbeeld geen papier of andere voorwerpen in stukjes scheuren.
7. Er wordt nauwkeurig op toegezien dat de patiënten niet meer werk doen dan in hun belang is. Er moet steeds rekening mee worden gehouden dat ze ziek zijn.
8. Bij het bepalen van de aard van de werkzaamheden werd er rekening gehouden met geschiktheid, neigingen (wensen) en kracht.
9. Patiënten mogen nooit werk doen dat niet door de afdelingsgeneesheer is goedgekeurd.
10. De patiënten horen altijd onder toezicht te werken.
11. Er wordt streng op toegezien dat zij zich geen voorwerpen meenemen of maken zoals bijvoorbeeld sleutels of scherp gereedschap dat gevaarlijk is.
12. Voordat de patiënten naar de afdeling gaan behoort er te worden gecontroleerd dat er geen gereedschap ontbreekt en dat de patiënten geen andere voorwerpen hebben meegenomen.
13. Iedereen die met het toezicht op de patiënten is belast, of het werk leidt, is verplicht goed op de hoogte te zijn van alle patiënten, zodat ongevallen voorkomen kunnen worden en het welzijn van de patiënt kan worden bewaakt.
14. Wanneer patiënten verschijnselen vertonen die wijzen op zelfmoord of de neiging tot ontvluchting of tot het toebrengen van schade aan anderen word hiervan onmiddellijk rapport opgemaakt. Deze lijders mogen nooit in gezelschap van andere patiënten werk doen, tenzij dit door de afdelingsgeneesheer nadrukkelijk is bepaald.
15. Voor dergelijke patiënten is arbeid onder speciaal toezicht vereist, bijvoorbeeld voor de mannen arbeid in de open lucht, bij vrouwen huiswerk enz.
16. Patiënten mogen nooit het werk van een ziekenverpleegster of verpleger doen.
17. De leiding blijft altijd in handen van de verpleging; het werk op een afdeling mag nooit afhankelijk zijn van één der patiënten, hoe goed deze werker of werkster ook is.
18. Toegewijde arbeiders onder de patiënten zijn een uitstekende voorbeeld om andere patiënten tot arbeid te motiveren.
19. Arbeid in de open lucht als het regent of bij slecht weer is verboden.
20. Gedurende de pauzes moet er voor gezorgd worden dat de patiënten voldoende kunnen rusten.
21. De patiënten moet zich wassen voordat zij weer op de afdeling komen.
22. Er wordt speciaal op gelet dat de patiënten die zich buiten de hekken begeven behoorlijk gekleed zijn en zich netjes gedragen.

23. De dienst wordt steeds nauwkeurig overgedragen en overgenomen.


24. Patiënten horen altijd onder begeleiding van en naar het werk te gaan.
25. Er word altijd voor gezorgd dat de werkende patiënten de hun toegedeelde tabak, sigaretten en werkboterhammen krijgen.

09 Ontspanning

01. Naast werkverschaffing is ontspanning als middel tot herstel van het grootste belang.


02. Ofschoon aan de bestaande bepalingen, met name aan de huisorde steeds streng de hand gehouden moet worden, daar elke afwijking nadelig werkt, sluit dit niet uit, dat steeds naar afwisseling moet worden gestreefd.
03. Het gestichtsleven mag geen tredmolen zijn. Het machinaal volgen van een sleur is af te keuren omdat de lijders zich niet alleen moeten aanpassen aan het gesticht, maar ook geschikt moeten worden gemaakt voor de maatschappij.
04. Het persoonlijk initiatief moet zoveel mogelijk tot zijn recht komen.
05. De patiënten moeten zoveel mogelijk zelfstandig worden gelaten in hun handelingen, zonder dat de belangen der inrichting en der patiënten hierdoor worden geschaad.
06. De patiënten moeten leren om zichzelf bezig te houden.
07. Behalve de middelen tot ontspanning, tot het leiden hunner gedachten in een gewenste richting, neemt de werkverschaffing een belangrijke plaats in.
08. Het verdiend de voorkeur, vooral voor de mannen, om de arbeid zoveel mogelijk buitenshuis te verrichten.
09. Daar de patiënten hersenzieken zijn, word er vooral op toegezien, dat zij niet te veel arbeiden en niet ten bate der inrichting worden geëxploiteerd.
10. Als middelen tot werkverschaffing komen in aanmerking:
- Schoenmaken en kleermaken
- Martrassen maken
- Matten maken en vlechten
- Stoelen matten
- Boekbinden
- Schilderen, timmeren en schrijnwerken
- Metselen en stukadoren
- Smeden en loodgieten
- Repareren van tin-, blik- en koperwerk
- Veld- en tuinarbeid
- Kruien en sjouwen
- Houtzagen
- Kantoorwerk
- Wassen, mangelen, drogen, vouwen en strijken
- Naaien, breien en stoppen
- Aardappelen schillen en groente schoonmaken
- Huis- en keukenwerk
11. Patiënten, die niet in staat zijn dergelijke arbeid te verrichten, kunnen leren zich bezig te houden met handenarbeid, z.g. Slojd (Sloyd of Slöjd, handenarbeid, houtwerken, papier vouwen etc)
12. Voor patiënten, vooral der hogere klassen, komen studie, lectuur, muziek en dergelijke in aanmerking.
13. Voor patiënten, die niet voldoende onderwijs hebben genoten of achterlijk zijn, word in de school door de onderwijzeres onderwijs gegeven.
14. Patiënten uit de hogere klassen kunnen in aanmerking komen voor het ontvangen van onderwijs door speciale docenten, bijvoorbeeld tekenen.
15. Er word streng op toegezien dat de patiënten geen arbeid verrichten die schadelijk voor hun is. Het maken van bijvoorbeeld fijn handwerk of het breien van spreien die op een bepaalde tijd af moeten zijn, werkt vaak ongunstig op zenuwziekten.
16. Het is aan de afdelingsgeneesheer om te bepalen welke arbeid een patiënt mag verrichten.
17. Het is geen regel dat een patiënt alleen arbeid mag verrichten die hij vroeger heeft gedaan.
18. Het verrichten van arbeid werkt niet alleen gunstig op de algemene toestand, maar ook op de geestestoestand in het bijzonder, bijvoorbeeld in het geval van chronische melancholie, waarin de lijders tijden achter elkaar niets doen en steeds vervuld zijn van hun ziekelijke toestand.
19. Op de afdeling wordt de gezelligheid bevordert door gemeenschappelijke lectuur en verhalen vertellen, gemeenschappelijke zangoefeningen, passende gezelschapsspellen en dergelijke.
20. Er wordt gezorgd voor geschikte lectuur die goed word voorgelezen. Er worden zoveel mogelijk korte verhalen gekozen die geen onderbreking nodig hebben.
21. Spannende lectuur zoals spookverhalen en dergelijke zijn uitdrukkelijk verboden.
22. Bij het kiezen en lezen van boeken word met de godsdienstige gezindheid van de patiënten rekening gehouden.
23. Bij de gezelschapsspellen wordt er op toegezien dat het spel niet beheerst word door de drang om te winnen.
24. Als middelen om buiten de afdeling tot ontspanning te komen nemen de volgende volksspelen een belangrijke plaats in: Kegelen, croquet, wielrijden, schaatsenrijden, sneeuwschoenenlopen, vissen en dergelijke.
25. Het bevorderen van muziekuitvoeringen en andere voorstellingen door patiënten en personeel word zoveel mogelijk bevorderd.
26. Het bijwonen der wekelijkse zangoefeningen in Musis Sacrum en het voordragen word zoveel mogelijk bevordert waarbij rekening word gehouden met persoonlijke talenten.
27. De zusters en broeders moeten met de patiënten meeleven. Het is dus gewenst dat zij de zangstukjes die in het “goudvinkje” zijn verzameld ten behoeve van de bewoners van het gesticht Meerenberg zo snel mogelijk aanleren.
28. Gedurende de wekelijkse en maandelijkse voorstellingen in Musis Sacrem wordt er voor gezorgd dat er voldoende broeders en zusters aanwezig zijn, dat de patiënten goed worden verdeeld en zodanig geplaatst dat zij bij onverhoopte ongevallen, bijvoorbeeld een toeval, gemakkelijk en zonder stoornis kunnen worden verwijdert.
29. De patiënten moet ook de gelegenheid krijgen om met hun familie te corresponderen en brieven te ontvangen.
30. Er wordt streng op toegezien, dat de correspondentie volgens aanwijzingen van de afdelingsgeneesheer plaats vind.
31. Het bezoek van de lijders moet zoveel mogelijk worden bevorderd, zodat de patiënten niet van hun naaste vervreemden.
32. Het ontvangen van bezoek en de duur daarvan wordt door de afdelingsgeneesheer geregeld.
33. Er wordt streng op toegezien dat de bezoekers aan de patiënt geen geld, lucifers of andere verboden voorwerpen meegeven, geen boodschappen op zich nemen en dat zij geen eet- of drinkwaren aan de patiënten geven buiten goedkeuring van de afdelingsgeneesheer.
34. Ook wanneer de afdelingsgeneesheer de bezoekers heeft toegestaan om met de patiënt te gaan wandelen word het nodige toezicht uitgeoefend.
35. De familie moet de patiënten van de afdeling halen en weer terugbrengen.
36. Wanneer de vrees bestaat dat zij de patiënt gaan ontvoeren, moet hiervan direct melding gemaakt worden.
37. Aangezien bewegen in de open lucht heilzaam werkt en een zittende levenswijze daarentegen ongunstig werkt, word het wandelen in de tuin zoveel mogelijk bevorderd.
38. Bij verblijf in de afdelingstuinen moeten de patiënten steeds onder toezicht staan.
39. De zusters of broeders die het toezicht uitoefenen behoren te weten welke patiënten in de tuin verblijven. Wanneer patiënten van andere afdelingen naar de tuin worden gebracht moet de zuster of broeder hiervan in kennis worden gesteld.
40. Er wordt nauwkeurig op toegezien dat de patiënten bomen en planten niet beschadigen en niet over het gras lopen en dergelijke.
41. Ook wordt er op toegezien dat de patiënten het helmgras op de omliggende duinen niet vertrappen.
42. Er word streng op toegezien dat de patiënten zich behoorlijk gedragen en geen gesprekken hebben met patiënten buiten de afrastering.
43. In de afdelingstuinen word er op toegezien dat de patiënten niet de gehele dag een en weer lopen of voortdurend op dezelfde plek onbeweeglijk blijven staan, leunen tegen vochtige oppervlakken, niet in de regen lopen of zonder hoofddeksel in de zon lopen en dergelijke.
44. Bij wandelen in het dorp word er op toegezien dat de patiënten niet in contact treden met de voorbijgangers, geen geld, lucifers of andere verboden voorwerpen ontvangen, briefen afgeven, opdrachten verlenen en meer van dergelijke dingen.
45. Er word streng op toegezien dat mannelijke en vrouwelijke patiënten niet samen wandelen. Wanneer zij elkander ontmoeten vervolgt ieder zijn eigen weg.
46. Bij wandelingen in het dorp word elke luidruchtigheid en wat verder aanstoot kan geven vermeden.
47. Bij ongunstige weersgesteldheid, bijvoorbeeld regen, keren de patiënten direct naar de afdeling terug.
48. Er word ten strengste voor gezorgd, dat de patiënten wanneer zij door het dorp wandelen, dus ook wanneer zij zich naar de werkplaatsen, Musis Sacrum, school of kerk bewegen, behoorlijk zijn gekleed en beschut tegen regen en koude.
49. In de winter bij gladde wegen mogen de gemeenschappelijke wandelingen niet plaats vinden, tenzij onder nadrukkelijke toestemming van de afdelingsgeneesheer.
50. Het wandelen van onrustige patiënten in het dorp mag alleen op speciaal voorschrift van de afdelingsgeneesheer plaatsvinden.
51. Dergelijke lijders moeten onder afzonderlijk toezicht blijven en nemen geen deel aan de gemeenschappelijke wandelingen.
52. Als regel geldt, dat deze patiënten op afzonderlijke uren wandelen.
53. Alleen deze patiënten mogen zich op voorschrift van de afdelingsgeneesheer rechtstreeks van de afdelingstuin naar het dorp begeven.
54. Wandelen buiten het dorp mogen alleen met speciale toestemming plaatsvinden.
55. In elk afzonderlijk geval wordt bepaald welke voorschriften hierbij in acht moeten worden genomen.
56. Hetzelfde geldt voor de rijtoeren, die de patiënten buiten de inrichting maken.
57. Bij het geven van verlof gedurende één of meer dagen, teneinde te kunnen beoordelen of de patiënt weer voor het maatschappelijke leven geschikt is, gelden eveneens dezelfde bepalingen.

10 Godsdienstoefeningen

01. Gedurende de godsdienstoefeningen behoort steeds een voldoende aantal zuster en broeders aanwezig te zijn.


02. De patiënten moeten doelmatig worden verdeeld wat de plaatsen betreft.
03. Met name word er voor gezorgd dat bijvoorbeeld toevallijders bij het optreden van een toeval de kerk kunnen verlaten zonder tot voor al te veel storing te zorgen.

11 Voorschriften in acht te nemen bij het baden.


A: Algemene voorschriften

01. Baden mogen nooit worden toegediend dan door broeders en zusters die volkomen op de hoogte zijn van de regels die daarbij in acht moeten worden genomen en van de gevaren waaraan de patiënten zijn blootgesteld.


02. Een patiënt mag nooit alleen in de badkamer verblijven: steeds moet er minstens één zuster of broeder aanwezig zijn, tenzij de afdelingsgeneesheer in bijzondere gevallen toestaat af te wijken van deze regel.
03. Steeds moeten bij het toedienen van baden twee zusters of broeders aanwezig zijn, behalve in gevallen waarin de afdelingsgeneesheer één voldoende acht.
04. Gedurende het baden word steeds de nodige kieschheid (discretie, eerbaarheid, fatsoen) in acht genomen.
05. Er wordt voor behoorlijke verwarming en ventilatie van de badkamer gezorgd door op gezette tijden het raam te openen en te sluiten.

B: bijzondere voorschriften

11-1 Vulling van het bad

1. Na afsluiting van de afvoerbuis wordt de koudwaterkraan geopend en vervolgens de warm waterkraan.


2. Zodra het bad voldoende water bevat om de thermometer te laten drijven, word deze er ingelegd om de temperatuur op te kunnen nemen.
3. Wanneer het badwater te heet is, moet de koudwaterkraan meer worden opengedraaid of de warmwaterkraan naar behoefte dichtgedraaid, terwijl bij lagere temperatuur van het badwater het tegenovergestelde moet gebeuren.
4. Ten opzichte van de grootte van de patiënt moet het bad meer of minder worden gevuld, zodanig dat het water reikt tot de hoogte van de oksels, wanneer de patiënt zich in zittende houding in het bad bevindt. Wanneer het bad hoger dan de okselhoogte reikt, krijgt de patiënt het benauwd en kan bovendien minder gemakkelijk gewassen worden. Reikt het lager dan bestaat het gevaar van te grote afkoeling.
5. Gedurende het vollopen van het bad wordt het badwater goed met hand en arm omgeroerd. Dit mengen mag niet met een zogenaamde badspaan of ander voorwerp, maar moet met hand en arm geschieden, omdat daarbij enigszins belangrijke afwijkingen in de temperatuur van het badwater reeds worden waargenomen en aldus verbranding kan worden voorkomen.
6. Wanneer het bad tot de goede hoogte is gevuld, word eerst de warmwaterkraan en daarna de koudwaterkraan gesloten, maar niet nadat men nog eens goed het water heeft omgeroerd en de temperatuur van het bad door het aflezen van de thermometer heeft gecontroleerd.
7. De koudwaterkraan mag eerst worden gesloten nadat de bovenrand van de badkuip voldoende is afgekoeld. Dit geld vooral voor de koperen baden. Met de hand moet worden bepaald of de rand voldoende is afgekoeld, zodat de patiënt zicht niet aan de rand kan branden.

11-2 De temperatuur van het bad.

1. Bij het opnemen der temperatuur van het badwater moet steeds gebruik gemaakt worden van een badthermometer.
2. Er word rekening mee gehouden dat het water dat uit de warmwaterkraan komt, vooral in ziekeninrichtingen, aan belangrijke schommelingen onderhevig kan zijn, afhankelijk ondermeer van de lengte van de toevoerende warmwaterbuizen.
3. De badthermometer mag alleen worden gebruikt om de temperatuur te bepalen, dus bijvoorbeeld niet om het bad te mengen. Hij moet evenals de andere thermometers voorzichtig worden behandeld, dus niet in het bad worden gegooid, omdat de minste schudding ten gevolge kan hebben dat hij niet meer juist aanwijst.
4. De badthermometer mag pas worden uitgenomen nadat de kranen volledig en goed zijn gesloten, dus geen water meer tot het bad kan toevloeien en nadat men zich er nogmaals met de thermometer van heeft verzekerd dat het bad de juiste temperatuur heeft.
5. De temperatuur bedraagt voor een reinigingsbad 30° Celsius, 24º Reamur, 86° fahrenheit.
Baden van hogere en lagere temperatuur, bijvoorbeeld kouden en warme baden mogen nimmer worden toegediend dan op voorschrift van de afdelingsgeneesheer. Het toedienen van baden tot één der rode deelstrepen, waarboven de letters K.B. en W.B. staan, wat betekend koud bad en warm bad, ter welker plaatse een temperatuur is aangegeven van 20°C, 16°R, 68°F voor het koude, en 32°C, 26°R en 90°F voor het warme bad, is dus uitdrukkelijk verboden, tenzij zulks door de afdelingsgeneesheer is voorgeschreven.
Uit vergelijking van de hierboven aangegeven temperatuur blijkt dat de temperatuur van het reinigingsbad zich tussen die van het koude en die van het warme bad bevindt.
6. De temperatuur word afgelezen terwijl de thermometer zich in het bad bevindt, daar de kwikkolom daalt zodra de thermometer er uit word genomen, tenzij een maximaalbadthermometer gebruikt mocht worden.

11-3 De Patiënt



1. De patiënt mag pas in het bad worden toegelaten, wanneer het bad helemaal klaar is. Van deze regel mag niet worden afgeweken zonder toestemming van de afdelingsgeneesheer.
2. Het is uitdrukkelijk verboden om de patiënt onmiddellijk na de maaltijd te baden.
3. Alle voorwerpen die voor het baden niet direct nodig zijn horen zich achter slot te bevinden. Bij storende patiënten is het dus aangewezen om ook de thermometer in het badkastje achter slot te bergen vóór de patiënt de badkamer betreedt.
4. Het uitkleden gebeurt volgens de bestaande regels zo snel mogelijk, om de patiënt voor onderkoeling te behoeden.
5. Het uit- en in het bad tillen van patiënten gebeurt met 2 personen, van wie de één de patiënt onder de armen en de ander hem onder de knieën neemt. Dit uit- en intillen moet vlug en handig gebeuren.
6. Het reinigen van de patiënt gebeurt volgens de daarvoor vastgestelde regels, waarbij elk lichaamsdeel afzonderlijk word gewassen, terwijl op handen, voeten, huidplooien, haren en nagels in het bijzonder word gelet.
7. Alle ruwheid wordt vermeden. Vooral bij het gebruik van badborstels moet hiermee rekening worden gehouden. Tevens moet voorkomen worden dat er zeep of zeepwater in de ogen, oren, neus of mond van de patiënt komt.
8. Bij patiënten die de neiging tot zelfdoding vertonen, met name het zichzelf verdrinken, word er voor gezorgd dat ze altijd rechtop zitten, zodanig dat ze nooit voorover of achterover kunnen vallen.
9. Patiënten die voortdurend de neiging vertonen in het bad te verdrinken mogen niet tot de badkamer worden toegelaten en moeten dus op een andere wijze worden gereinigd, tenzij de afdelingsgeneesheer in dit geval bijzondere voorschriften geeft.
10. Patiënten, die in het bad onwel worden, stoornissen vertonen van pols of ademhaling, bleek worden, een rood gelaat vertonen of flauw vallen moeten onmiddellijk uit het bad getild worden terwijl direct de hulp van de afdelingsgeneesheer word ingeroepen. Ondertussen word de patiënt horizontaal gelegd op een brancard of matras of dergelijke. Bij een bleek gelaat met het hoofd laag, bij een rood gelaat met het hoofd omhoog. In het laatste geval moet een doek met koud water op het hoofd gelegd worden en moet er voor toevoer van frisse lucht gezorgd worden.
Kan de patiënt niet onmiddellijk uit het bad worden getild, bijvoorbeeld tijdens een toeval, dan word het hoofd boven water gehouden en laat men ondertussen bad leeglopen.
Aan patiënten mag nooit een douche worden toegediend zonder medisch voorschrift.
11. Naast het bad bevindt zich een badkurk of ander voorwerp waarop de patiënt, als hij het bad verlaat, moet staan in plaats van op de vloer, terwijl onmiddellijk een laken krijgt omgeslagen om te sterke afkoeling te voorkomen.
12. Voor goed afdrogen word zorg gedragen, elk lichaamsdeel afzonderlijk. Alle ruwheid word hierbij vermeden.
13. Zorg worde gedragen dat het linnengoed behoorlijk is verwarmd en gedroogd: vooral bij zwakken en gevoeligen is dit van groot belang.
14. Gedurende het baden, met inbegrip van het aan- en uitkleden, word er voor gezorgd dat de patiënten niet zijn blootgesteld aan tocht door het nodeloos openen van raam of deur.
15. Bij het baden moet steeds de grootste “kieschheid” in acht worden genomen.
16. Na elk baad word de badkuip grondig gereinigd voor deze opnieuw in gebruik word gevuld om een andere patiënt te baden.

11-4 Na het baden

Zodra het baden is afgelopen wordt:

1 – De badkuip gereinigd


2 – De bad benodigdheden, nadat ze vooraf zijn schoongemaakt, ter bestemder plaatse gebracht (op de juiste plek opgeborgen)
3 – Het badkastje gesloten.
4 – Vooral zorggedragen dat nagelscharen en dergelijke gevaarlijke voorwerpen buiten bereik der patiënten blijven.
5 - De badkamer afgesloten.

11-5 Opleiding voor het toedienen van baden.

Afgezien van de cursus in Zieken- en krankzinnigenverpleging ontvangen de zusters en broeders praktisch onderwijs in de badkamer.
1) Door het bijwonen van het baden der patiënten door hiertoe bevoegden
2) Door hen daarbij bepaalde vragen te stellen waaruit blijkt dat zij van de bestaande regels voldoende op de hoogte zijn, zoomede (en ook van) de gevaren waaraan de patiënten zijn blootgesteld.
3) Speciaal moet worden gewezen op:
Gevaar van dood door verdrinking
Gevaar van verbranding
Gevaar van optreding van flauwten of andere vormen van onwelzijn
Gevaar van zich zelven of anderen letsel toe te brengen met nagelscharen of andere voorwerpen
Gevaar van optreden van angstaanvallen of aanvallen van razernij.
Gevaar van optreden van toevallen of soortgelijke aanvallen
4) Niemand mag met baden worden belast voor hij bewijzen heeft gegeven aan de afdelingsgeneesheer dat hij voldoende op de hoogte is van de bestaande regels en voorzorgen (voorschriften)
5) In geen geval mag een zuster of broeder zelfstandig met het baden worden belast alvorens hij enige tijd onder een daartoe bevoegde praktisch werkzaam te zijn geweest en de bewijzen te hebben gegeven voor die taak ten volle te zijn berekend (bekwaam is bevoegd :)

11-6 Toezicht op het baden.

1. Voortdurend behoort toezicht te worden uitgeoefend of de regels worden toegepast.
2. Van de minste afwijking word door de 1e verpleegster dan wel 1e verpleger de hoofverpleegster of hoofdverpleger in kennis gesteld, terwijl de hoofdverpleging van tekortkomingen de afdelingsgeneesheer, alsmede de 1e geneesheer-directeur in kennis stelt.
3. Nooit mag uit het oog worden verloren dat kleine afwijkingen grote gevolgen kunnen hebben.

12 Voorschriften in acht te nemen ter voorkoming van brand

1. Er moet steeds toezicht worden uitgeoefend op vuur en licht en dit toezicht nooit overlaten aan patiënten.


2. Wat het vuur betreft word nauwlettend toezicht uitgeoefend op:
Op het stoken van kachels en haarden in de theekeukens.
Op het voldoende en geregeld vegen van schoorstenen en kachelpijpen
Het aanmaken van kachels door middel van papier, ruwe carbol (ontsmettingsmiddel, fenol, soort alcohol) en dergelijke stoffen is verboden.
Papiermanden en andere ontvlambare voorwerpen mogen zich niet in de nabijheid van kachels en andere stookplaatsen bevinden.
Bij het plaatsen van matrassen en andere voorwerpen in drooglokalen worde de nodige voorzichtigheid betracht om brandgevaar te voorkomen.
Er moet streng toezicht worden uitgeoefend op werklieden die bij hun werkzaamheden vuur nodig hebben, bijvoorbeeld loodgieters. Voor en aleer deze werklieden vertrekken behoren zij wat zij gebruikt hebben op te ruimen of mee te nemen.
3. Wat het gaslicht betreft moet er nauwkeurig toezicht worden uitgeoefend op het sluiten der kranen.
Bij het vermoeden van een lek in de leiding, door bijvoorbeeld het bespeuren van een gaslucht, word onmiddellijk de hulp van een gasfitter ingeroepen en in geen geval met licht of lucifers getracht het lek te vinden.
In het algemeen worden gasontploffingen voorkomen door het afsluiten der kranen, het verwijderen van alle licht en vuur in het vertrek waar het lek word vermoed. Er moet nauwkeurig op worden toegezien dat de gaslichten niet uitwaaien of bij het temperen van de gasmeter niet uitgaan.
Wat betreft de gaskomforen en spirituslichten moet er op gelet worden dat er zich geen brandbare of ontvlambare stoffen in hun nabijheid bevinden. Het gebruik van papieren lampenkappen en andere voorwerpen die gevaar kunnen opleveren is nadrukkelijk verboden.
4. Er word steeds voor gezorgd dat de asbak behoorlijk is gesloten en er geen papieren of andere voorwerpen in bevinden die daar niet in thuis horen en kunnen ontvlammen.
5. Bij het aansteken van de lichten met waspitten of lichtstokken wordt er voorzichtig te werk gegaan omdat door te sterke bewegingen onder het lopen of door tocht vonken kunnen ontstaan. Ook op het doven van deze pitten of stokken wordt nauwkeurig toezicht gehouden en er tevens op gelet dat ze niet tegen het houtwerk worden gezet.
6. Bij het gebruik van lucifers word er nauwkeurig op toegezien dat de koppen er niet afvallen. Nooit mag men lucifers weggooien. Ze moeten steeds op een daarvoor aangewezen plaats worden weggegooid om brandgevaar te voorkomen. Papier of dergelijke stoffen mogen nooit voor het aansteken van licht of vuur worden gebruikt. Het is ten strengste verboden om brandende lucifers of papier op de grond met de voeten te doven. Vooral in de nabijheid van gordijnen en dergelijke stoffen moet men met vuur en licht zeer voorzichtig zijn.
7. Het gebruik van friseerijzers (krultang) en andere soortgelijke voorwerpen is uitdrukkelijk verboden.
8. Men moet vooral voorzichtig zijn met het gebruik van ontvlambare stoffen, zoals ether, collodium, benzine, petroleum, vet en dergelijke. Deze stoffen mogen nooit worden gebruikt als er vuur of licht in de nabijheid is.
9. De patiënten mogen niet in het bezit zijn van lucifers of andere voorwerpen, die brandgevaar kunnen opleveren. ‘Steeds worde hierop streng toegezien.’ De kleren van de patiënten moeten goed worden gecontroleerd, bij voorkeur in de avond wanneer de patiënten naar bed zijn of tijdens het baden.
10. Bij de mannen moet worden opgelet dat ze geen pijp roken zonder uit een pijp zonder dop, dat zij geen brandende of warme pijpen in hun zak doen, dat zij nooit met pijp of sigaar naar bed gaan, dat zij niet roken bij het verrichten van werkzaamheden, zoals het opmaken van bedden en dergelijke. Streng worde toegezien, dat de kleren van patiënten of andere voorwerpen die zij in hun bezit hebben, bijv. papier, niet met de gasvlam in aanraking kunnen komen.
Vooral bij toevallijders (epileptici) en suffe patiënten word nauwkeurig toezicht uitgeoefend. Het roken van een sigaar of pijp kan toch vooral bij deze lijders oorzaak zijn van het vlamvatten der kleding met alle gevolgen van dien.
11. Het zitten in de nabijheid van kachels kan voor deze patiënten dezelfde gevolg hebben.
12. Ook dient toezicht te worden uitgeoefend op lijders aan zwaarmoedigheid en andere patiënten die neiging tot zelfverminking vertonen, bijv. door het in vlam en vuur steken van één of ander lichaamsdeel.
13. Hetzelfde geldt voor patiënten die neiging tot brandstichting vertonen. Deze patiënten trachten op allerlei wijze hun doel te bereiken, bijv. wanneer zij in een isoleerkamer of isoleercel verpleegd worden door het gaslicht te bereiken om brand te stichten.
14. Bij het intreden der nachtwaak wordt nauwlettend toezicht uitgeoefend, dat alle overtollige “licht en vuur is uitgedoofd, de gaskranen behoorlijk zijn gesloten en dat de vertrekken die afgesloten moeten wezen, dit ook inderdaad zijn.

13 Maatregelen te nemen bij het uitbreken van brand.

1a) Onmiddellijk alarmeren


1b) Zorgdragen voor de veiligheid der patiënten;
1c) De brand trachten te blussen met de dichtstbijzijnde extincteurs (brandblusser), rolspuitjes of binnenwaterleiding.

2. Wat de patiënten betreft zorgt men ervoor dat deze zo spoedig mogelijk in de benedenzalen of buitentuinen worden verzameld en in veiligheid gebracht. Vooral denkt men er aan om isoleerkamers, cellen en andere vertrekken waar patiënten verblijven zo spoedig mogelijk te ontsluiten. Hierbij word vermeden opschudding en verwarring te veroorzaken. Opgewekte of gevaarlijke patiënten houdt men apart van de anderen. Iedereen moet op de hoogte zijn van de wegen waarlangs patiënten het snelst en gemakkelijkst in veiligheid worden gebracht.


3. Wat het alarmeren betreft moet het centrale kantoor worden gewaarschuwd én de hulp van de afdelingsgeneesheer worden ingeroepen.
4. Wat de brandblusmiddelen betreft behoort iedereen op de hoogte te zijn van de manier waarop deze werken.
5. Bovendien moet iedereen de sleuteltjes van de brandkasten bij zich dragen.
6. Er moet altijd voor gezorgd worden dat voldoende hulp aanwezig is met het oog op het optreden van brand of andere ongevallen. Gedurende de nacht behoort steeds het vastgestelde aantal zusters en broeders op de afdeling aanwezig te zijn. Bij afwezigheid wegens verlof of ziekte van één der zusters of broeders die op de afdeling verblijft, behoort die plaats dus tijdelijk te worden ingenomen door een zuster of broeder die des nachts buiten de afdeling verblijf houdt.

14 Maatregelen te nemen om ontvluchting te voorkomen.

A. Algemene maatregelen:

1. Ten einde ontvluchting te voorkomen, moet de dienst steeds nauwkeurig worden overgegeven en overgenomen van dergelijke ogenblikken maken de lijders veelal gebruik om te ontvluchten, bijv. des avonds bij het intreden der nachtwake
2. Er moet steeds nauwlettend op worden toegezien dat alle patiënten aanwezig zijn, zowel in de dag- als nachtverblijven; dikwijls blijven de patiënten die willen ontvluchten op het dag- of nachtverblijf achter, teneinde van de gelegenheid gebruik te maken om te ontvluchten zodra die zich aandient.
8. Er moet nauwkeurig toezicht worden uitgeoefend op het gesloten zijn van deuren, ramen, hekken, ventilatiekanalen en op de daarvoor aangewezen vertrekken, bijv. de badkamers.
4. Het verplegend personeel zorgt er voor de sleutels op zodanige wijze te dragen, dat de patiënten ze niet afhandig kunnen maken; nimmer mogen zij de sleutels uit handen geven.
5. Ook in de nacht letten zij hier nauwlettend op en zorgen er wel steeds voor dat zij de sleutels bij de hand hebben, om bij brandgevaar of andere omstandigheden onmiddellijk te kunnen gebruiken. 6. ‘s avonds wordt het licht op tijd aangestoken want bij schemerdonker ontvluchten de patiënten gemakkelijk.
7. Er word streng toezicht uitgeoefend dat werklieden geen ladders, kleren of andere voorwerpen onbeheerd laten liggen.
8. De dienst moet zodanig worden ingedeeld dat er altijd toezicht wordt uitgeoefend, zowel in de dagverblijven en afdelingstuinen als in de corridors (gangen) en andere vertrekken.
9. Geregeld wordt gecontroleerd of het juiste aantal patiënten aanwezig is, in het bijzonder gedurende de maaltijden.
10. Speciaal toezicht word uitgeoefend op patiënten van wie men weet dat zij neiging hebben om te vluchten vertonen en ook op nieuwe patiënten aangezien men deze nog niet kent. Deze patiënten mogen nooit zonder toezicht blijven.
11. Voor patiënten die permanent vluchtgedrag vertonen moeten speciale voorschriften door de afdelingsgeneesheer worden opgesteld, vooral wanneer zij in de afdelingstuin of de binnenplaats willen wandelen en dergelijke.
12. Van patiënten die de vluchtgedrag vertonen moet de kleding nauwlettend worden gecontroleerd, in het bijzonder op valse sleutels, geld, uitbreekwerktuigen of andere middelen. Meermalen is het voorgekomen dat dergelijke patiënten brandstichten om vervolgens in de verwarring te kunnen ontsnappen.
13. Dit is in het bijzonder het geval met patiënten die z.g. uit- en inbreken. Dit dat zijn patiënten, die op allerlei manieren het verblijf waarin zij zich bevinden proberen af te breken, bijv. de muren of deuren, om te kunnen ontvluchten en daarna in één of andere lokaliteit inbreken om kleding, geld of andere zaken te stelen.
14. Patiënten die trachten uit te klimmen geeft men een slappe matras.

B. Het verblijf in de plaats

а. De Wandelingen

Afgezien van de algemene maatregelen word er voor gezorgd dat:

1. Er is steeds een voldoende aantal verpleegsters of verplegers de patiënten gedurende de wandeling begeleidt
2. Dat aan iedere verpleegster of verpleger een bepaald aantal patiënten wordt aangewezen waarvoor zij verantwoordelijk zijn
3. Dat de patiënten zoveel mogelijk bij elkaar blijven en niet in te lange rijen en/of te ver uit elkaar lopen
4. Dat bepaalde patiënten zich niet afscheiden
5. Dat er zich in de laatste rij steeds een verpleegster of verpleger bevindt.
6. Speciaal toezicht moet worden uitgeoefend op patiënten met de neiging om te vluchten, te verstoppen, zelfmoord te willen plegen, gewelddadig optreden en soortgelijke omstandigheden. In die gevallen moeten speciale voorschriften aan de afdelingsgeneesheer worden gevraagd.
7. Alleen met goedvinden van de afdelingsgeneesheer mogen patiënten onder begeleiding van hun familie in de plaats wandelen.

b. Buitenwerk (in de zin van arbeid)

Hierbij gelden dezelfde bepalingen als bij het wandelen. Er moet vooral worden gezorgd voor een doelmatige verdeling van de patiënten onder de vaste werklieden of buitenwerkers. De buitenwerkende patiënten mogen nooit zonder toezicht zijn, tenzij op voorschrift van de afdelingsgeneesheer. Bij het naar de kerk gaan, naar Musis Sacrum (theater, podium), bij ijsvermaak en soortgelijke omstandigheden gelden dezelfde bepalingen zoals bij het wandelen aangegeven.


15 Maatregelen te nemen bij ontvluchting.

1. Zodra een patiënt ontvlucht is, moeten hiervan in kennis worden gesteld:


a. De afdelingsgeneesheer
b. De huismeester
c. De 1e geneesheer-directeur.
2. Inmiddels worden door de hoofdverpleging de nodige maatregelen genomen om de patiënt op te sporen en te achterhalen
8. Ondertussen wordt er voor gezorgd dat het toezicht op de andere patiënten voldoende blijft.
4. Ten einde het opsporen te vergemakkelijken, moet men steeds op de hoogte zijn van de juiste adressen van de familieleden of kennissen waar de patiënten heen zou kunne gaan.
5. Voor patiënten die hun eigen kleren dragen is een nauwkeurige opgave van de kleding nodig, terwijl in het algemeen een nauwkeurig signalement gegeven dient te worden. Op bijzondere kentekenen zoals lichamelijke afwijkingen en dergelijke, vooral als die terstond in het oog vallen, wordt in het bijzonder de aandacht gevestigd.
6. Wanneer een patiënt achterhaald is, word steeds met de nodige tact opgetreden en nimmer geweld gebruikt.
7. Zo nodig wordt de hulp van de politie ingeroepen om de patiënt naar het gesticht te doen terugkeren.
8. Gedurende het terugbrengen wordt de patiënt zo mogelijk gevraagd op welke wijze en waarom hij ontvlucht is, zodat herhaling voorkomen kan worden.
9. Bij terugkeer van de patiënt wordt extra nauwkeurig toezicht uitgeoefend, daar het meermalen is voorgekomen dat een patiënt onmiddellijk na terugkeer wederom ontvluchtte of hiertoe pogingen aanwendde.
10. Onmiddellijk wordt de afdelingsgeneesheer van de terugkeer in kennis gesteld, evenals de 1ste Geneesheer-Directeur en de huismeester, wanneer zulks nog niet is geschied.

16 Maatregelen ter voorkoming van zelfmoord.

1. Patiënten met neiging tot zelfmoord moeten onder voortdurend toezicht staan. Zij mogen geen enkel ogenblik en onder geen enkel voorwendsel uit het oog verloren worden. De verpleegster of verpleger laat zijn aandacht nooit afleiden.


2. Wanneer patiënten met neiging tot zelfmoord op de ziekenzaal worden verpleegd, moeten zij zo worden geplaatst dat men ze voortdurend in het oog kan houden.
3. Wanneer zelfmoordzuchtigen in een afzonderingskamer verblijven, kan hiervoor alleen een vertrek met gladde wanden in aanmerking komen waar gevaar voor ophanging, ontvluchting en dergelijke is uitgesloten. In dit geval is speciaal toezicht volstrekt nodig.
4. Wanneer zelfmoordzuchtigen zich in de afdelingstuin bevinden of in de plaats wandelen, wordt speciaal toezicht op hen uitgeoefend.
5. Wanneer patiënten die van de zucht tot zelfmoord worden verdacht over de trap gaan, wordt er voor gezorgd dat zij zich niet naar beneden kunnen laten vallen.
6. Wanneer zelfmoordzuchtigen gaan werken wordt er ook voor gezorgd dat zij niet in het bezit zijn van voorwerpen waarmede zij zichzelf letsel kunnen toebrengen.
7. Het toezicht wordt steeds zodanig uitgeoefend dat het niet hinderlijk is voor den patiënt. Juist door in het oog lopend toezicht wordt de neiging tot zelfmoord opgewekt.
8. Vooral gedurende de overgangstijden van de dag, bijv. kort vóór of na het opstaan, het naar bed gaan, de schemering, de verschillende maaltijden, het naar de kerk gaan of op de gemeenschappelijke wandelingen, maken zelfmoordzuchtigen vaak gebruik om weg te sluipen en zelfmoord te plegen. Hiermede worde steeds rekening gehouden en de dienst in het algemeen nauwkeurig overgegeven en overgenomen.
9. Ook wordt er op gelet dat patiënten zich niet verstoppen, bijv. op het privaat (toilet), teneinde zelfmoord te plegen.
10. Om zelfmoord te voorkomen worden alle voorwerpen die daarvoor in aanmerking komen opgeborgen.
11. De kleding, het bed en hetgeen de patiënt toebehoort, wordt steeds nauwkeurig nagekeken. Er wordt speciaal op gelet dat de patiënten niet in het bezit zijn van gevaarlijke voorwerpen, bijv. scherpe werktuigen als messen, Scharen en spijkers, verder lucifers, touwen, banden bijv. om de vlechten te binden en dergelijke. Ten strengste wordt er op gelet dat de patiënten bijv. geen touwen gebruiken om hunne kleding op te houden.
12. Bij het baden en in het algemeen bij het reinigen der patiënten word er op gelet dat zij geen gevaarlijke voorwerpen verstoppen of verstopt hebben in mond, okselholten, anus en dergelijke.
13. Steeds zij men er aan indachtig, dat de patiënten zich schade kunnen toebrengen met hun hals- en zakdoeken, kleding en beddengoed, door hiervan bijv. repen te maken, of de haarspelden of baleinen uit het korset te gebruiken of de stalen veren van de matrassen. Ook de haarvlechten en nagels kunnen voor dergelijke doeleinde gebruikt worden, net als het zeegras, waarvan zij stroppen kunnen maken of dat zij kunnen inslikken.
14. Geneesmiddelen, met inbegrip van verbandmiddelen en dergelijke moeten steeds achter slot zijn in het daarvoor bestemde medicijnkastje.
15. Hetzelfde geldt voor huishoudelijke middelen als poetsolie, zeep, inkt, schoensmeer en dergelijke.
16. Bij het verrichten van arbeid door de patiënten wordt er nauwlettend op toegezien dat zij niet in het bezit blijven van gevaarlijke voorwerpen, als scharen, messen, naalden, repen linnen en dergelijke. Alvorens de patiënten zich bijv. van het schilhuis naar de afdeling begeven, moet de zuster of broeder zich overtuigen dat het getal aardappelmessen voltallig is en achter slot zijn geborgen.
17. Het is ten strengste dat patiënten worden belast met het wegbrengen van gevaarlijke voorwerpen, als bijlen, zeisen, grepen, zagen, verfstoffen en dergelijke.
18. Ten strengste wordt er op toegezien dat patiënten, belast met het vervoer van het zogenaamde afval, zich hieruit geen schadelijke voorwerpen toe-eigenen.
19. Men houdt er steeds rekening mee dat patiënten die lijden aan zelfmoordzucht, voorwerpen kunnen bemachtigen die in het bezit zijn van een medepatiënt.
20. Het is ten strengste is het verboden dat vuurwapens op de plaats worden gebruikt, uitgezonderd door de beambten aan wie dit is toegestaan.
21. Het personeel draagt er steeds zorg voor dat gevaarlijke voorwerpen op een zodanige wijze worden gedragen dat patiënten deze niet kunnen wegnemen.
22. De werklieden mogen het materiaal dat zij bij hun werkzaamheden nodig hebben nooit onbeheerd laten staan. Een afdeling mag nooit als tijdelijke of blijvende werkplaats worden gebruikt. Na het verrichten van werkzaamheden dient alles behoorlijk te worden opgeruimd; na het inzetten van glas bijv. mogen er bijvoorbeeld geen scherven blijven liggen.
23. Om ongevallen te voorkomen, mag het personeel niet in het bezit zijn van Schietwapens en dergelijke gevaarlijke voorwerpen.
24. Bij het scheren van patiënten en dergelijke omstandigheden wordt de uiterste voorzichtigheid in acht genomen en streng toezicht uitgeoefend.
25. Leerboeken van het personeel en dergelijke mogen nooit onder ogen van patiënten komen. Evenmin mogen de zusters of broeders over zelfmoord of dergelijke ten aanhoore van patiënten (in de nabijheid van ) spreken
26. Bij het ontvangen van bezoek wordt met het bovenstaande evenzeer rekening gehouden en in het algemeen alles vermeden, wat de drang tot zelfmoord kan opwekken of versterken. De ondervinding leert, dat ongewenste toespraak bijv. in gevallen van melancholie, de angst doet toenemen en daardoor Schadelijk kan werken.
27. Deze regels gelden niet alleen voor zelfmoordzuchtigen, maar ook voor de nieuw opgenomen patiënten, zolang men die nog niet voldoende kent.

17 Maatregelen te nemen bij poging tot zelfmoord.

1. De hulp van de afdelingsgeneesheer wordt onmiddellijk ingeroepen.


2. Tegelijkertijd worden de maatregelen genomen om de levensgeesten weder op te wekken of in het algemeen de dood van de patiënt te voorkomen.
3. Hierbij komt in aanmerking genomen (Hiermee wordt bedoeld …)
a. Het bevorderen van de ademhaling
b. Het bevorderen van de hartwerking
c. Het bevorderen van de hersenwerking
d. Het voorkomen van bloedverlies.
4. Steeds houdt men in gedachte dat spoedig ingrijpen volgens de bestaande voorschriften het leven van den lijder kan redden, maar dat verkeerd handelen gemakkelijk de dood van de patiënt ten gevolge kan hebben.

18 Maatregelen bij gevaar van dood door verdrinking

1. Het bovenlichaam van de lijder moet worden ontkleed.


2. De patiënt wordt op de buik gelegd met het voorhoofd op de rechter-voorarm en de opgerolde kleding op de maagstreek. Daarna word een krachtige druk op de rug uitgeoefend ter hoogte van de maagstreek om het ingeslikte water zoveel mogelijk te verwijderen.
3. Daarna wordt patiënt op de rug gelegd met de opgerolde kleding onder de schouders en worden mond en neus van modder en andere stoffen ontdaan.
4. Vervolgens wordt de tong uit de mond getrokken.
5. Daarna gaat men tot de kunstmatige ademhaling over. Men knielt men aan het hoofdeinde van den lijder, pakt zijn armen beet boven de elleboog en brengt deze langzaam en gelijkmatig, terwijl zij gestrekt worden, achter het hoofd (naast het hoofd ? )
6. Na een korte pauze worden de armen weer naar beneden gebracht en zacht en vast terzijde tegen de ribben der borstkas aangedrukt.
7. Dit opheffen en weer naar beneden brengen der armen word regelmatig voortgezet omstreeks 15 maal in de minuut, dus als het ware de natuurlijke ademhaling nagebootst.
8. Om de regelmatigheid van de bewegingen te bevorderen wordt bij het opheffen van 1 tot 2 geteld en bij het naar beneden brengen van 3 tot 4.
9. Met de kunstmatige ademhaling wordt doorgegaan tot de komst van den afdelingsgeneesheer. Het kan gebeuren dat pas na urenlange toepassing van deze methode de ademhaling weer begint.
10. Het lichaam word ondertussen in warme dekens gewikkeld en de ledematen worden krachtig gewreven.

NB: mocht een klas ijverige leerlingen deze methodiek gaan uitproberen dan hoor ik graag het resultaat. Volgens mij moeten de armen niet achter maar naast het hoofd worden gebracht. Wellicht een taal issue. Uit het feit dat melding word gemaakt dat pas na uren de ademhaling weer begint, mogen we afleiden dat er op dit gebied nog heel was onkunde aanwezig was.



19 Maatregelen te nemen bij zakken door het ijs.

Teneinde de patiënt te redden gaat men languit op het ijs liggen, liefst op een ladder of plank wanneer deze bij de hand is, en schuift men een dergelijk voorwerp naar de patiënt toe om zich daaraan vast te houden. De plank of ladder wordt gebruikt om te voorkomen, dat men zelf door het ijs zakt.




20 Maatregelen te nemen bij gevaar voor verstikking.

1. De lijder wordt zo snel mogelijk in de frisse lucht gebracht.


2. Spannende (knellende) kledingstukken worden losgemaakt.
3. De kunstmatige ademhaling word toegepast.
4. De hartwerking word bevorderd door met een natte doek op de hartstreek te slaan.
5. Bij verstikking door gas worden ramen en deuren opengezet, zo nodig de ruiten verbrijzelen en de oorzaak van de storing opsproren en wegnemen.
6. In dit laatste geval wordt het gebruik van vuur en licht vermeden om ontploffing te voorkomen.
1   2   3   4   5

  • 08 Werkverschaffing
  • 10 Godsdienstoefeningen
  • 11 Voorschriften in acht te nemen bij het baden.
  • 12 Voorschriften in acht te nemen ter voorkoming van brand
  • 13 Maatregelen te nemen bij het uitbreken van brand.
  • 14 Maatregelen te nemen om ontvluchting te voorkomen.
  • 15 Maatregelen te nemen bij ontvluchting.
  • 16 Maatregelen ter voorkoming van zelfmoord.
  • 17 Maatregelen te nemen bij poging tot zelfmoord.
  • 18 Maatregelen bij gevaar van dood door verdrinking
  • 19 Maatregelen te nemen bij zakken door het ijs.
  • 20 Maatregelen te nemen bij gevaar voor verstikking.

  • Dovnload 314.29 Kb.