Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


01: Voorwoord

Dovnload 314.29 Kb.

01: Voorwoord



Pagina5/5
Datum05.12.2018
Grootte314.29 Kb.

Dovnload 314.29 Kb.
1   2   3   4   5

30 Speciale Verpleging.

1. Speciaal toezicht word uitgeoefend op patiënten met ongewenste gewoonten. Patiënten bijv. die alles in de mond steken mogen geen enkel ogenblik uit het oog verloren worden.


2. Patiënten die zwak ter been zijn en telkens opstaan, worden, om vallen te voorkomen, op een daarvoor bestemde ziekenstoel aan tafel geschoven zodat zij niet kunnen opstaan zonder dat de stoel wordt verplaatst.

3. Patiënten met onzedelijke neigingen vereisen voortdurend toezicht. Er word op toegezien dat zij zich niet afzonderen, ook niet met andere patiënten, bijv. op het toilet


4. ‘s Nachts worden zij zodanig geplaatst dat toezicht kan worden uitgeoefend.
5. Onzedelijke gesprekken, ongewenste uitdrukkingen, houdingen en gebaren worden ten strengste tegengegaan.
6. De verbeelding word niet in een ongewenste richting geleid.
7. Voor deze lijders is arbeid in de open lucht gewenst.
8. Diéet en vooral de darmfunctie worden geregeld.
9. Voor deze patiënten is slapen op een hard matras met niet te zware of warme bedekking in een luchtig vertrek aangewezen.
10. Lang slapen is voor deze patiënten niet goed.
11. Het slapen met de handen boven de dekens is voor deze lijders gewenst.

12. Bij prikkelbare en twistzieke patiënten en in het algemeen bij querulanten (ruziezoekers) vermijd men zoveel mogelijk alles wat een slecht invloed kan hebben.


13. Geduld en tact en een zachte maar vaste hand zijn vooral bij deze lijders een eerste vereiste.
14. Alles wat onrechtmatig schijnt word moet ten strengste worden vermeden.
15. Patiënten die een slecht invloed op elkaar hebben worden van elkaar verwijderd
16. Vooral bij het verplegen van patiënten die raisonneren (redetwisten, tegenwerpingen maken), blijft men steeds neutraal. Men toont vooral niet dat men zich gekwetst voelt aangezien dergelijke patiënten hierin juist vaak een aanleiding vinden om op dezelfde wijze door te gaan.
17. Patiënten die door hun schreeuwen en luidruchtigheid storend zijn voor hun omgeving vereisen vooral in de chronische gevallen een zorgvuldige verpleging. Als algemene regel geldt dat men deze patiënten steeds als zijn op die manier storend zijn, afzonderlijk verpleegt. Maar tevens blijf je steeds proberen hen weer gemeenschappelijk te verplegen. Ongewenst is het om chronische schreeuwers, ondanks hun voortdurend schreeuwen, steeds weer bij de overige patiënten toe te laten, bijv. in de tuin, aangezien er die manier geen verandering ten gunste verwachten maar juist het tegenovergestelde

18. Bij lijders aan melancholie is voortdurend toezicht nodig.


19. Steeds is men er aan indachtig, dat deze patiënten, wegens hun neiging tot moord en zelfmoord, zelfverminking, tot voedselweigering en het optreden van onlust- of angstuitbarstingen (raptus) en aanvallen van woede (furor) gepaard met gewelddadig optreden, gevaarlijk zijn zowel voor zichzelf als voor de omgeving. Deze lijders doden bijv. hun vrouw en kinderen en plegen daarop zelfmoord, om zich en hun gezin aan de aardse ellende te onttrekken.
20. Door het vermijden van alle schadelijke prikkels, speciaal door het toepassen van bedrust, wordt dit vermeden.
21. Het redeneren met dergelijke patiënten, het verschaffen van z.g. afleiding werkt in deze gevallen ongunstig.
22. Het optreden tegenover deze lijders is altijd uiterst langzaam en gelijkmatig. Het haastig optreden, door de patiënt bijv. Snel aan tafel te willen brengen, hem snel te voeren, dus ook bij de onbeweeglijke vorm, kan een hevige aanval van woede tot gevolg hebben waarin de patiënt bijv. zijne kleren verscheurt, alles in zijn omgeving vernielt, of zich op den verpleger werpt om deze te vermoorden.
23. Bij patiënten die zich voortdurend aan anderen vastklemmen, make men de handen langzaam los en verwijdert zich Zodra de handen los zijn.
24. Streng toezicht worde uitgeoefend op patiënten die zich ten gevolge van hun zelfbeschuldigingswaan door andere patiënten willen laten mishandelen.

25. Patiënten die lijden aan zwaarmoedigheid, die geruimen tijd onbeweeglijk op dezelfde plaats blijven staan, vertonen dikwijls zwelling en roodheid der benen, soms gepaard gaande met zweervorming. Hierop worde dus toegezien en te lang staan vermeden. Ook zijn deze lijders dikwijls gevaarlijk voor zichzelf en hun omgeving bij ondoelmatige verpleging.


26. In de chronische gevallen kan het aanwenden van doelmatige arbeid vooral in de open lucht zijn aangewezen. Ook in die gevallen is permanent toezicht noodzakelijk.
27. Op ontlasting en urinelozing worde nauwkeurig toegezien. Een gevulde blaas of ophoping van rectum met faeces kan een uitbarsting van onlust tot gevolg e hebben.

28. Bij lijders aan manie is men kalm en Zacht in het optreden en vermijd zoveel mogelijk alles wat tot een aanval van drift of furor kan aanleiding geven.


29. Een dergelijke aanval treedt op wanneer de patiënt in zijn vrijheid van handelen wordt beperkt. 30. Afleiding is in de regel voldoende om het optreden van een dergelijke aanval te voorkomen.
31. Bij deze lijders is over het algemeen rust voorgeschreven, speciaal bedrust.
32. In vele gevallen werkt arbeid in de open lucht gunstig.
33. In de sterkere graden is afzonderlijke verpleging van de lijder noodzakelijk, daar de ziekelijke bewegingsdrang zich uit in Scheuren, vernielen, zich naakt uitkleden, smeren en dergelijke.
34. In andere gevallen is zeer nauwkeurig toezicht nodig omdat de lijders op andere wijze storend voor hun omgeving zijn, bijv. stelen, luidruchtig zijn en dergelijke.

35. Patiënten die lijden aan manie en aan melancholie hebben dikwijls verminderd pijngevoel; daarom moeten zij nauwkeurig worden geobserveerd. Beklemde breuken, wonden en andere aandoeningen kunnen aanwezig zijn zonder dat de patiënten klachten uiten of ziekteverschijnselen op de voorgrond treden.


36. In cyclische gevallen geldt voor het maniakaal en melancholisch tijdperk hetzelfde, als wat boven is vermeld.
37. Daar de insania cyclica zich dikwijls op neurasthenische gronden ontwikkelt, gelden voor de meeste van dergelijke gevallen dezelfde voorschriften als bij laatstgenoemde ziekte.
38. Bij lijders aan neurasthenie worden zoveel mogelijk alle prikkels die op de lijders inwerken, vermeden. Aangezien deze prikkels per individu verschillen, komt hier de individuele verpleging ten volle tot haar recht.

39. Lijders aan neurasthenie verlangen voortdurend dat over hun toestand gesproken wordt, wat hun in werkelijkheid veelal verlichting geeft, terwijl bij melancholie juist de tegenovergestelde uitwerking wordt waargenomen.


40. Wanneer verschijnselen van neurasthenie in het herstellingstijdperk van acute vormen van krankzinnigheid optreden, gelden dezelfde regels.
41. Bovenstaande gevallen stellen aan de verpleging dikwijls de hoogste eisen en behoeven speciale voorschriften van de afdelingsgeneesheer.
42. Hevige gemoedsuitingen treden vaak op wanneer de verpleging niet aan de gestelde eisen voldoet.
43. In zulk een toestand zijn de patiënten dikwijls gevaarlijk voor zichzelf of hun omgeving.
44. Voortdurend en nauwlettend toezicht is in menig geval noodzakelijk met het oog op hun gevaarlijke of verkeerde neigingen.

45. Lijders aan idiotie vereisen in ieder geval in de sterkere graden een voortdurende verzorging; in de lichtere graden is een nauwkeurige kennis van deze toestand nodig.


46. In de lichtere graden is werkzaamheid vooral in de open lucht voor deze patiënten aangewezen. De afdelingsgeneesheer bepaalt de aard der werkzaamheden.
47. Deze patiënten behoren zowel op school onderwijs te genieten, als voor het vak, waarvoor zij zullen worden opgeleid.

48. Speciaal toezicht word uitgeoefend op patiënten met gevaarlijke neigingen, bijv. brandstichten en dergelijke.


49. Vooral word er voor gezorgd dat deze patiënten niet in het bezit zijn van lucifers omdat zij graag met vuur spelen en op die manier brand stichten zonder het gevaar er van in te zien.
50. Sommige van deze patiënten lijden aan aanvallen van blinde woede wanneer zij menen onrechtmatig te zijn bejegend, bijvoorbeeld wanneer hun een boterham wordt ontnomen. Zij zijn dan hoogst gevaarlijk voor hun omgeving.
51. Weer andere lijders tonen een aanvalsgewijze neiging tot scheuren. Het bestrijden van deze neiging stelt hoge eisen en kost dikwijls veel tijd.

52. Lijders aan zedelijke idiotie vereisen een streng toezicht wegens hun neiging tot misdadige handelingen.


53. Deze patiënten dient men nauwkeurig in de gaten te houden en goed te kennen, te meer omdat zij al snel door hebben hoe ze hunne onmaatschappelijke neigingen moeten verbergen.

54. De lijders aan dwangzin moet men nauwkeurig kennen, vooral wanneer de hen beheersende dwangvoorstellingen hen gevaarlijk voor zichzelf of hun omgeving maken.


55. Bovendien treden bij deze lijders in de regel verschillende zenuwstoornissen op, die een speciale verpleging behoeven.

56. De lijders aan waanzin zijn vooral gedurende de acute perioden onder invloed van de hun beheersende waandenkbeelden, dikwijls heftig in hun optreden en gevaarlijk voor zichzelf en hun omgeving, en verdienen dus nauwkeurig toezicht. Zo kan een patiënt, in de waan dat hij Jezus Christus is, zich eigenhandig kruisigen.


57. De hallucinaties zijn dikwijls van imperatieven aard. Zo hoort de patiënt zich bijvoorbeeld toeroepen dat hij zijn vijand moet vermoorden en geeft aan die gebiedende stem gehoor.
58. Patiënten, die dissimuleren, moeten nauwkeurig worden waargenomen. Wanneer zij zich onbespied wanen, bijv. zich op het privaat bevinden, gedragen zij zich dikwijls vreemdsoortig, houden alleenspraken, spreken tegen den muur, lachen luide of dergelijke. Zij zijn veelal gepreoccupeerd en vervuld van de hen beheersende denkbeelden.
59. Terwijl de lijder aan dwangzin zijn ideeën als ziekelijk erkent, is hiervan geen sprake bij de lijder aan waanzin.
60. Daar het niet mogelijk is de patiënt van het ziekelijke karakter van zijn ideeën te overtuigen, vermijd men om hierover met hem te spreken. Praat er zoveel mogelijk om heen.
61. Dergelijke lijders moeten worden afgeleid door arbeid en anderszins, om de gedachten in een andere richting te brengen.
62. Ten strengste moet worden vermeden dat de waan wordt gevoed, door bijv. met de patiënt mee te praten.
63. Nauwkeurig moet er op worden toegezien dat de patiënten zich maatschappelijk gedragen, zich bijv. niet vreemdsoortig kleden en dergelijke.
64. Met de individualiteit van den lijder moet nauwkeurig rekening worden gehouden; lijders aan vervolgingswaanzin bijv. winden zich hevig op, wanneer in hun omgeving wordt gelachen of fluisterend gesproken.
65. Door den patiënt nauwkeurig te leren kennen, kan men veelal zijn vertrouwen winnen en hem daardoor in de gewenste richting leiden.

66. Patiënten die lijden aan verwardheid stellen aan de verpleging de hoogste eisen.


67. Deze patiënten vertonen zowel "stoornissen van de algemene lichaamstoestand als van den geestestoestand in het bijzonder. Zij moeten dus zeer nauwkeurig worden geobserveerd en verpleegd.
68. Daar bij deze lijders de minste prikkel ongunstig werkt en zij bovendien meestal zeer onrustig zijn, is afzonderlijke verpleging gemeenlijk aangewezen.
69. De patiënten moeten echter meteen op de gemeenschappelijke ziekenzaal worden geplaatst zodra hun toestand dit gedoogt (toelaat).
70. Op het hoogtepunt der ziekte kunnen zij gevaarlijk zijn, zowel voor zichzelf als voor hun omgeving. Patiënten die bijvoorbeeld lijden aan de puerperalen vorm (het kraambed betreffende) tonen dikwijls de neiging om zelfmoord te plegen en tegelijkertijd om hun kind te vermoorden, terwijl zij bovendien door hunne onbehoorlijke taal, hun neiging om zich te ontbloten (zoals de kunstterm luidt: te exhibitioneren) en het verdenken van hun echtgenoot van onzedelijke handelingen, hoge eisen aan de verpleging stellen.
71. Zij zijn meestal onzindelijk, smeren en scheuren en moeten daarom zorgvuldig worden verpleegd. Vooral moet voor goede voeding worden gezorgd. Vloeibaar voedsel is in de regel aangewezen. Deze patiënten lijden vaak aan voedselweigering of moeten gevoerd worden, daar zij in de verwarden toestand waarin zij verkeren geen voedsel tot zich nemen.
72. Vooral in de overgang der eigenlijke ziekte tot het herstellingstijdperk en gedurende het laatste stadium word er nauwkeurig op toegezien dat geen schadelijke prikkels kunnen inwerken, bijv. schel licht, dessins van behangsel en vloerkleed en dergelijke.
73. Bij deze patiënten werkt bezoek van familie soms gunstig. Na een dergelijk bezoek geven de patiënten zich in menig geval wederom rekenschap van hun omgeving en treedt soms het herstellingstijdperk in.
74. Het ligt vooral op de weg der verpleegster, om deze patiënten in het overgangstijdperk op de goede weg te helpen, hun duidelijk te maken, dat zij ziek zijn geweest, waar zij zich bevinden enzovoort.

75. Bij de lijders aan dementie gelden dezelfde regelen als bij idiotie.


76. Bovendien vereisen de overige aanwezige verschijnselen de nodige aandacht. Lijders aan dementia senilis zijn bijv. zwak ter been en vertonen dikwijls wegens de aanwezigen angst en onrust verschijnselen van uitputting zodat aan de verpleging soms de hoogste eisen worden gesteld.
77. De verpleegster is er steeds van doordrongen, dat het schijnbare beeld der dementia kan optreden, wanneer patiënten niet behoorlijk worden verpleegd en te veel aan zich zelf worden overgelaten. Zulke gevallen worden niet oneigenlijk met de naam van gestichtsdementie bestempeld.

78. Lijders aan dementia paralytica stellen hoge eisen.


79. In het tijdperk van opgewektheid vereisen zij voortdurend toezicht, wegens gevaar voor zichzelf en hun omgeving, te meer omdat zij in dit stadium geen gevaar zien. In dit tijdperk zijn zij ook dikwijls storend door hun verzamelzucht, hun neiging tot scheuren, vernielen, smeren en dergelijke.
80. In het laatste tijdperk vereisen zij een zeer zorgvuldige verpleging, wegens hun grote hulpbehoevendheid en het gevaar van optreden van doorliggen, oorbloedgezwellen en andere verschijnselen.
81. Bij het optreden van paralytische aanvallen moeten de lijders onmiddellijk te bed worden gebracht, mauwkeurig geobserveerd en de hulp van den afdelingsgeneesheer worden ingeroepen.

82. Bij het optreden van een epileptisch insult moet de patiënt op een rustbank of op den grond worden neergelegd, op den rug, met een hoofdkussen onder het hoofd, de spannende kledingstukken losgemaakt, met uitzondering van de breukband, die juist goed moet blijven zitten; door het leggen van kussens onder het hoofd en zo nodig onder de ledematen word er voor gezorgd dat de patiënt zich niet kan verwonden.


83. Om verstikkingsgevaar te voorkomen, moet de mond worden leeggemaakt wanneer zich daarin eten, tabak of andere zaken bevinden.
84. Na den aanval word de slaap bevorderd, vooral bij prikkelbare patiënten.
85. Toevallijders moeten zich ‘s nachts onder speciaal toezicht bevinden.
86. Zij moeten, in plaats van op een gewoon veren kussen, op een z.g. Meerenbergsch- of toevalkussen slapen, bestaande uit stramien en opgevuld met paardenhaar, opdat zij, wanneer zij zich tijdens een toeval in bewusteloze toestand omdraaien en met de mond op het kussen komen te liggen, kunnen blijven ademhalen en niet stikken.
87. Toevallijders moeten zodanig geplaatst worden dat ongevallen zoveel mogelijk worden voorkomen, zij bijv. niet van een trap of ladder, of in het water of vuur kunnen vallen. Ook bij het baden moet de nodige voorzichtigheid in acht worden genomen.
88. Toevallijders mogen niet op een afdeling worden geplaatst waar zij aan het gevaar blootstaan om bij het optreden van een toeval van de trappen te vallen.

89. Toevallijders mogen niet zodanig worden geplaatst dat zij aan het gevaar blootstaan door de ruiten te vallen.


90. Men is vooral voorzichtig met patiënten, die lijden aan habituele ontwrichting, welke in de regel in het schoudergewricht optreedt, en in het algemeen met toevallijders, die ten gevolge van een val zich telkens ernstig verwonden.
91. Patiënten, die gedurende een toeval aan het gevaar blootstaan uit het bed te vallen, plaatse men in een diepe krib.
92. Deze krib moet bij patiënten, die gedurende het kramptijdperk aan het gevaar blootstaan zich te verwonden, gematelasseerd zijn (doorgestikt of gewatteerd).
98. Bij toevallijders met periodische vlagen van opgewektheid, die gevaarlijk voor zichzelf en hun omgeving zijn, let men op de verschijnselen die aan de vlagen voorafgaan teneinde de nodige voorzorgen te kunnen nemen.
94. Deze lijders worden zoo geplaatst, dat zij onder nauwkeurig toezicht staan en gewelddadig optreden worde voorkomen.
95. Bedverpleging is in dergelijke gevallen meestal aangewezen.
96. Bij status epilepticus en hevige aanvallen van epilepsie word, zodra ernstige verschijnselen optreden, geneeskundige hulp ingeroepen.
97. In het algemeen let men bij de toevallijder op het gebruik van voedsel; toevallijders kauwen in de regel slecht en lijden dikwijls aan een trage stoelgang.

98. Lijders aan hysterie moet men goed kennen, om het optreden van ongewenste verschijnselen, bijv. het optreden een heftige gemoedsreactie en haar gevolgen te voorkomen.


99. De geringste prikkel kan ongunstig werken en de stemming doen omslaan.
100. Steeds houdt men er rekening mee dat deze patiënten dikwijls lust hebben om hun omgeving te prikkelen of de onderdrukte te spelen en dat het geduld der verpleegster dikwijls hard op de proef wordt gesteld.
101. Er word voor gezorgd dat geen ongewenste suggesties op de patiënt inwerken.
102. Bij het optreden van bloedbraken, blaaskramp, voedselweigering, bij scheuren, vernielen, het uiten van obscene taal en dergelijke, trede men in het algemeen passief op en houdt men zich niet te veel met de patiënten bezig; deze lijders hebben de neiging om ostentatief op te treden.

103. Bij lijders aan alcoholvergiftiging is streng toezicht nodig, daar zij dikwijls hoogst gevaarlijk voor zichzelf en hun omgeving zijn.


104. Bovendien trachten deze patiënten zich op allerlei manieren sterke drank te verschaffen, door diefstal, inbraak, omkoping en dergelijke. Soms drinken zij Eau de Cologne, mondwaters, politoer en dergelijke.

105. Bij periodieke gevallen is men uiterst voorzichtig in de omgang met patiënten, daar zij veelal, bijv. bij de mania periodica, hoogst prikkelbaar zijn en de patiënten zich bij een volgende aanval gemeenlijk herinneren, hoe zij bij een vorigen aanval zijn verpleegd; wanneer zij grieven hebben over vroegere verzorging, zijn zij dan zeer moeilijk te verplegen.


31 Het vervoer der patiënten

1. Zieke patiënten en zij die zwak ter been zijn en niet kunnen lopen, worden per brancard vervoerd. 2. Zorg er voor dat de patiënt gemakkelijk ligt, met een kussen onder het hoofd en voldoende bedekt.


3. De verpleegsters of verplegers plaatsen zich bij het vervoer zodanig, dat de langste het hoofdeinde der brancard draagt.
4. De brancard worde voorzichtig, zonder ruk, op commando opgenomen en neergezet.
5. De verpleegsters of verplegers moeten gedurende het vervoer gelijkmatig lopen, om schokken te voorkomen.
6. In de regel verdient het de voorkeur, dat één verpleegster naast de brancard loopt om te voorkomen dat patiënt er af valt.
7. Dit is bepaald nodig, wanneer een der ledematen verwond of gebroken is, teneinde dit deel rustig te kunnen houden.
8. Bij het op- en afgaan van een trap moet het hoofd het hoogste worden gehouden.
9. Een afzonderlijke verpleegster of verpleger zorgt voor het openen en dicht doen der deuren.
10. Wanneer er geen brancard beschikbaar is kan de patiënt door twee verpleegsters of verplegers worden gedragen; deze plaatsen zich ter weerszijden van patiënt, waarop de ene verpleegster of verpleger de rechter en de andere de linkerarm onder het bekken van de patiënt brengt, beide elkanders hand omvatten, zodanig dat het bekken van patiënt op hun vlakke hand komt te liggen. Vervolgens wordt de patiënt in de hoogte geheven en zijn lendenen met de andere arm omvat, terwijl de patiënt zijn armen om de hals der verpleegsters of verplegers slaat. Wanneer dit niet mogelijk is, kunnen de verpleegsters of verplegers de patiënts armen boven de elleboog vasthouden. 11. Bij het Vervoer van opgewekte patiënten word alle strijd vermeden.
12. Zorg er voor dat er voldoende verpleegsters of verplegers aanwezig zijn. Op die wijze wordt bij tactvol optreden bijna altijd agressief optreden van den patiënt vermeden.
13. Geweld word nooit met geweld gekeerd.
14. Verpleegsters of verplegers mogen zich nimmer aan gevaar blootstellen. Zij moeten er van doordrongen zijn, dat niet moed maar tact een eerste vereiste is.
15. Wanneer verplaatsing van den lijder maar een andere afdeling nodig is, als hij bijv. geïsoleerd moet worden, wacht men tot voldoende hulp aanwezig is en ga hem zolang uit de weg.
16. Te veel hulp is ongewenst. Een der verpleegsters of verplegers behoort de leiding op zich te nemen en de anderen op te dragen wat zij te doen hebben.
17. Men mag echter de patiënten nimmer stelselmatig vrezen en hen toegeven, daar zij op die wijze meer en meer gevaarlijk worden.
18. Om de patiënt te vervoeren, plaatse men ter weerszijden van hem een verpleegster of een verpleger, die elk een pols omvat, de één met de linker- de ander met de rechterhand, terwijl zij met de andere hand of de arm boven de elleboog omvatten, of deze om de lendenen slaan, om patiënt op die wijze te geleiden.
19. De verpleegster of verpleger houdt de arm waarmee zij de pols van patiënt vasthoudt, los, maakt met andere woorden de bewegingen, die hij maken wil eniger mate mede, zonder dat hij de gelegenheid heeft om zijn omgeving te verwonden. Op die manier vermoeit de patiënt zich wel maar de verpleegster of verpleger niet.

20. Zoo nodig plaatst zich een derde verpleegster of verpleger achter de patiënt, die zijn platte hand op de schouderstreek plaatst, om de patiënt, als hij bij het voortgaan weerstand biedt, voort te duwen.


21. Eén verpleegster of een verpleger behoort aanwezig te zijn, om de deuren te openen en te sluiten.
22. De lijder worde steeds met de volle hand aangevat en alle ongewenste druk voorkomen. Hierdoor toch kunnen onderhuidse bloedingen en nagelverwondingen optreden.
23. Bij patiënten, die neiging tonen tot krabben, moeten de nagels geregeld worden kort gehouden; bij lijders, die neiging tonen tot trappen, worden vóór het vervoer de schoenen uitgetrokken.
24. Als regel die nimmer vergeten word, geldt, dat iedereen weet wat hij te doen heeft en daarvan niet afwijkt. Door bijv. den pols niet flink vast te houden, staat men aan het grote gevaar bloot, dat de patiënt een hand vrij krijgt en de patiënt zou dan de gelegenheid hebben om de verpleegster of de verpleger de tanden uit de mond te slaan, de haren uit te trekken en dergelijke.
25. Bij patiënten, die neiging tonen tot bijten, is men uiterst voorzichtig en voorkomt bijv. het bijten door het hoofd van de patiënt ter weerszijden met de platte hand vast te houden met de duim achter en de overige vingers vóór de oren terwijl men achter de lijder staat.
26. Patiënten die zich laten vallen moeten worden gedragen waarvoor minstens twee verpleegsters nodig zijn en waarbij overigens de regels worden gevolgd die in het voorafgaande zijn aangegeven. 27. Alle ruwheid wordt vermeden. Door het plaatsen bijv. van de knie op de borst kunnen hoogst ernstige breuken van ribben en borstbeen optreden, door ruw aanvatten van het oor oorbloedgezwellen en anderszins.
28. De zusters en broeders zorgen er voor dat zij geen horlogeketting of ander voorwerp dragen waarmee zij de patiënt bij het vervoer kunnen verwonden of pijn kunnen doen.
29. Wanneer een verwonding is opgetreden moet hiervan de afdelingsgeneesheer onmiddellijk in kennis worden gesteld.
30. Bij verplaatsing van een lijder naar elders, bijv. maar een ander krankzinnigengesticht, moet vooraf worden gezorgd voor doelmatige vervoermiddelen. Bij vervoer per rijtuig overtuigt men zich vooraf of de koetsier de weg kent en weet wie hij vervoert.
31. Bij vervoer per spoor moet de stationschef tijdig kennis ontvangen zodat een afzonderlijk compartiment beschikbaar is.
32. Bij ongevallen moet door de politie hulp worden verleend en kan deze dus worden ingeroepen. 33. De zuster of broeder, die met het vervoer is belast, moet de stukken, die bij de overplaatsing moeten worden overgelegd, met name de rechterlijke machtiging, op zodanige wijze dragen, dat deze wanneer hulp nodig is onmiddellijk kunnen worden getoond zonder dat patiënt ze echter kan afnemen.
34. Vóór het vertrek word de patiënt kort en bondig meegedeeld hij heen wordt gebracht.
35. Zorg er voor dat de patiënt niets bij zich heeft waarmee hij schade kan toebrengen.
36. Wil de patiënt niet in het rijtuig gaan en houdt hij het lichaam stijf, dan worden beide portieren opengezet. Vervolgens wordt de patiënt in het rijtuig geschoven waarop de verpleegster, die vooraf in het rijtuig heeft plaatsgenomen, haar platte hand op de dijen vlak onder de lies plaatst en door druk de patiënt beweegt het lichaam te buigen en te gaan zitten.
37. Wanneer gedurende het vervoer patiënt telkens wil opstaan, nemen één of twee verpleegsters tegenover hem plaats en voorkomen het opstaan door de platte hand op de dij onder de liesstreek te plaatsen en zo de dijen naar beneden te drukken.

88. Zo nodig kunnen de handen op dezelfde wijze worden vastgehouden als boven is aangegeven voor het vervoer in het gesticht.


39. In de regel levert het vervoer geen problemen op, vooral wanneer men patiënt weet bezig te houden, hem bijv. een sigaar of Eau-de-Cologne geeft of dergelijke.
40. Bij het vervoer zorgt men dat patiënt niet uit het portier of raampje ontvlucht. Patiënten die daartoe neiging vertonen, plaatst men vooral niet voor het open raam en laat men zo nodig in het midden van de coupé tussen de verpleegsters plaats nemen.
41. Bij aankomst word de patiënt behoorlijk direct overgedragen. Tot die tijd draagt men de verantwoordelijkheid.
42. Ook bij het uitstappen uit het rijtuig zorgt men dat patiënt niet kan ontvluchten.

32 Hulp bij stervenden.

1) De verpleegster of verpleger behoort de verschijnselen van de naderende dood en van de zogenaamde doodstrijd (agone) te kennen :

a. Om de hulp van den afdelingsgeneesheer te kunnen inroepen
b. Om te zorgen dat geestelijke bijstand tijdig kan worden ingeroepen;
c. Om de patiënt de laatste Ogenblikken te kunnen verlichten.

2) De kentekenen zijn de navolgende:

a. Verzwakking der hartwerking, waarbij de pols allengs klein en frequent wordt, ten slotte niet meer te tellen en te voelen is
b. Onvoldoende ademhaling; deze wordt allengs oppervlakkiger, moeilijker en ongelijkmatiger. Vóór het optreden van den dood volgt, na een groot aantal zwakke ademhalingen, als laatste meestal een diepe expiratie;
c. het koud worden van handen en voeten wegens onvoldoende hartwerking en ademhaling; de temperatuur daalt soms verscheidene graden, bijv. bij patiënten die lijden aan amentia en dementia paralytica. Bij sommige patiënten blijft de temperatuur belangrijk verhoogd en stijgt zelfs nog na den dood, bijv. bij status epilepticus;
d. Allengs optredende verlamming der verschillende spieren en zenuwgroepen, wegens onvoldoende werking van het centrale zenuwstelsel; de willekeurige spieren vertonen bij beweging een eigenaardig beven. Voedsel, dat in deze periode wordt gegeven, valt met een klokkend geluid door de verlamde slokdarm in de maag. Dikwijls treedt onwillekeurige ontlasting en urinelozing op;
e. Ophoping in de luchtpijp en haar aftakkingen van slijm vanwege de geringe gevoeligheid der slijmvliezen in verband met de onvoldoende ademhaling en de optredende verlamming der spieren, waardoor eigenaardig gereutel optreedt, dat met de naam van tracheaalreutelen wordt bestempeld
f. Het optreden van het gelaat van Hippocrates: het gelaat valt in, de neus wordt koud en spits, de neusvleugels vallen samen, de ogen zijn gebroken, het bovenooglid hangt naar beneden, het hoornvlies wordt dof en slap, terwijl door het maar beneden zakken der onderkaak de mond openstaat;
g. Het koud worden der huid, welke met kleverig zweet wordt bedekt.

3. Niet zelden ontbreken deze verschijnselen na langdurige ziekten, speciaal bij lijders aan chronische krankzinnigheid voor een belangrijk deel.

4. Sommige patiënten vertonen tot aan den dood dezelfde gelaatsuitdrukking, volstrekt geen doodstrijd.

5. Bij andere lijders kan de doodstrijd dagen en zelfs weken duren, bijv. bij lijders aan phthisis pulmonum.

6. De verpleegster zorgt bij stervende patiënten:

a. Voor gemakkelijke ligging; daar het lichaam geheel passief wordt en maar beneden zakt, wordt de ademhaling belemmerd. Wanneer door doelmatige ligging niet daarin wordt voorzien


b. Voor bevochtiging van het slijmvlies van mond en lippen; daar de onderkaak naar beneden zakt en de mond dus open is, worden de slijmvliezen droog
c. Voor het verwijderen van slijm dat zich achter in de keel heeft opgehoopt, door middel van een penseel met gaas omwoeld of anderszins
d. Voor het afdrogen en verfrissen van gelaat en handen, vooral wanneer zich koud zweet verzameld heeft
e. Voor het afweren van vliegen en andere insecten; zo nodig wordt het gelaat met een zacht gaas bedekt.

7. Bij het inroepen van geestelijken bijstand word er voor gezorgd dat vooraf de nodige voorbereidende maatregelen worden genomen.

8. Bij Israëlische patiënten moet steeds een geloofsgenoot tijdig aanwezig zijn waarvoor z.g. wakers of waaksters zijn aangewezen.

9. Bij het toelaten van familieleden word er voor gezorgd dat niet luid wordt gesproken en de patiënt niet wordt gekweld door ongewenste besprekingen of uitingen. Hou er rekening mee dat het bewustzijn tot het laatste ogenblik behouden kan blijven en dat zelfs vóór de dood nog een z.g. helder ogenblik kan optreden.

10. Tot de laatste ogenblikken vóór de dood kunnen bijv. lijders aan melancholie vervuld blijven van de hen beheersende zelfbeschuldigingswaan, lijders aan dementia paralytica absurde grootheidsdenkbeelden uiten.

11. Stervende lijders worden zoo mogelijk in een afzonderlijk vertrek verpleegd. Waar dit niet mogelijk is, wordt het ledikant door een bedscherm omgeven.



33 Het afleggen van het lijk.

Het afleggen mag niet geschieden vóór het lijk is geschouwd, m.a.w. de dood door de afdelingsgeneesheer is geconstateerd.

2. Zodra de kentekenen van den dood optreden word de hulp van de afdelingsgeneesheer ingeroepen.

3. Deze kentekenen zijn:


a. Stilstand van ademhaling en hartwerking
b. Opheffing der reflex- en directe prikkelbaarheid
c. Verslapping der spieren
d. Afkoeling van het lichaam
e. Verbleking der huid
f. Dofheid der ogen
g. Afplatting van het deel, waarop het lichaam rust
h. Het optreden van lijkvlekken, d. z. blauw-rode, diffuse plekken op de afhangende of laagste delen van het lichaam;
i. Lijkverstijving;
k. ontbinding of rotting, welke eerst later optreedt, waarbij de spieren weder slap worden en diffuse, vuil-groene verkleuringen meest in de onderbuikstreek optreden.

4. Meteen na het overlijden moeten de oogleden zacht worden gesloten, de mond gesloten bijv. door het leggen van een doek onder de kin doch niet door een doek om het hoofd te binden, aangezien hierdoor bij schijndood de ademhaling belemmerd zou kunnen worden. Ook wordende benen gebogen. Bij R.K. patiënten verdient het de voorkeur, de handen op de borst te vouwen.

5. Nadat het lijk geschouwd is, wordt patiënt ontkleed, gewassen en zo nodig de nagels geknipt en het haar gevlochten.

6. Het lijk worde op een ondoordringbare stof gelegd, aangezien er wegens de verlamming der sluitspieren ontlasting en urine kunnen uitlopen.

7. Uit de mond vloeit dikwijls vocht dat dient te worden opgevangen om verontreiniging te voorkomen.

8. Nadat het lijk is aangekleed wordt het in plaats van met een wollen deken met een paar lakens, die op de daarvoor aangegeven wijze zijn geplooid, bedekt en het hoofd zo nodig toegedekt.

9. Op het laken word een krans van levend groen gelegd, of bij R. K. patiënten een kruis.

10. De kamer, waarin zich het lijk bevindt, moet worden afgesloten.

11. Het vervoer naar het lijkenhuis moet ‘s avonds geschieden, als de patiënten zich naar bed hebben begeven. Wanneer dit eerder plaats moet vinden word hiervoor een weg gekozen waar zich geen patiënten bevinden.

12. Het vervoer van het lijk geschiede onder behoorlijk toezicht.

13. Wanneer de familie de wens te kennen geeft om het lijk te zien nadat het reeds naar het lijkenhuis is gebracht, is het gewenst dat hierbij een verpleegster of verpleger aanwezig is die zich ervan overtuigd dat het lijk behoorlijk op de katafalk is neergelegd.

14. Om verwisseling van lijken te voorkomen word aan pols of voet van het lijk vóór het brengen naar het lijkenhuis een kaartje bevestigd op de daarvoor aangewezen wijze, behelzende naam, godsdienst, afdeling en tijdstip van overlijden.



34 Voorschriften voor alle bewoners van het Gesticht Meerenberg.

1. Orde regeert de Wereld, en wie zich aan tucht Onderwerpt, dien heeft God lief.



Alle voorschriften der Directie zullen stipt worden opgevolgd








2. Alle bewoners van het Gesticht vormen één huisgezin.

Geen vreemde wordt toegang verleend zonder toestemming van de Directeur






3. Door rust en kalmte gedijt het leven en geneest de zieke

In de gehele omtrek van het gesticht is rust en stilte algemene wet. Luid roepen, schreeuwen, met deuren slaan enz. is verboden






4. Vrede bouwt open twist breekt af.

Deze regel geldt overal en dus ook in ons huis






5. Niemand zal onrecht Onderwinden, noch onrecht doen.

Meent iemand zich over onrecht te moeten beklagen, dan kan hij zich tot de Directie wenden






6. Reinheid verhoogt het genot des levens

Een ieder betrachte dit voorschrift wel.






7. Matigheid behoudt lichaam en ziel.

Eten en drinken geschiedt overeenkomstig de bepalingen op de daarvoor vastgestelde uren






8. Die niet werkt zal ook niet eten en na gedane arbeid is het goed rusten

Ieder volgt deze lessen op en houdt zich ijverig bezig met het aangegeven werk op de daarvoor bestemde uren. Arbeid en uitspanning wisselen geregeld af. Des Zondags in de voormiddag is er algemene godsdienstoefening.






9. De morgenstond heeft goud in den mond en des avonds rusten mensen en dieren

De vastgestelde dagverdeling word stipt opgevolgd






10. Hij die heerst over zijn geest is sterker dan hij die een stad inneemt.

Ieder mens is vatbaar Voor toenemende verbetering. Aansporing tot en oefening in zelfbestuur en zelfbeheersing is daartoe een zeer vermogend middel. Een ieder is verplicht daartoe werkzaam te zijn, voor zichzelf en voor anderen.





11. Heb God lief boven alles, en Uw naasten als U zelf


Gelijk in ieder christelijk huisgezin, is ook hier de betrachting van dit voorschrift de eerste plicht van allen








12. Gelijk gij wilt dat U de mensen doen, doe gij hen desgelijks.

Iedereen betoont dus overal en altijd: welwillendheid, hulpvaardigheid, vriendelijkheid, zachtmoedigheid en vergevingsgezindheid.







13. Alles wat gij denkt, God Weet het. Alles wat gij spreekt, God hoort het. Alles wat gij doet, God ziet het.

Niemand vergeet dit ooit !

35 Instructie voor de Verplegers en Verpleegsters.

Art. 1. De verplegers en verpleegsters zijn onder toezicht van de hoofdverpleger of de hoofdverpleegster belast met het verplegen der lijders en het schoonhouden der lokalen die tot de afdeling behorende.


Art. 2. De voorschriften van de afdelingsgeneesheer volgen zij stiptelijk op.
Art. 3. Zij zijn verplicht de opdracht der boven hen gestelde verplegers en verpleegsters op te volgen. Art. 4. Zij zijn verplicht de vastgestelde kleding te dragen en de daaromtrent bestaande bepalingen stipt na te leven.
Art. 5. Zij zijn gehouden de sleutel op de voorgeschrevene wijze te dragen en mogen die in geen geval aan anderen afgeven. Bij het gaan met verlof overhandigen zij de sleutel aan de voorportier en nemen die bij terugkomst wederom in ontvangst.
Art. 6. Zij zijn onderworpen aan de vastgestelde bepalingen voor de huisorde. De voorschriften omtrent de scheiding der beide seksen worden stiptelijk nageleefd.
Art. 7. Aanvraag om verlof geschiedt door tussenkomst van de hoofdverpleger of hoofdverpleegster. De verpleegsters, die met de laatste trein van Haarlem te Santpoort-Meerenberg zijn aankomen, kunnen zich onder geleide van de daarvoor aangewezen beambte naar het Gesticht begeven.
Art. 8. Zij mogen zich nimmer van de afdeling begeven zonder verlof en behoren de dienst behoorlijk te hebben overgegeven.
Art. 9. Zij vervullen hun betrekking met ijver en nauwgezetheid, zorgen voor een liefderijke verpleging der patiënten en voor de handhaving van orde en reinheid, vermijden alles wat door woord of daad aanstoot kan geven, of aanleiding tot onaangenaamheden, door bijv. in tegenwoordigheid der verpleegden over hun toestand te spreken of hen op enigerlei wijze te kwetsen.
Art. 10. Zij mogen niet onnodig hun krachten verspillen, behoren voor hun gezondheid te waken, op de vastgestelde tijden rust te nemen, van de buitenlucht te genieten, naar bed te gaan en dergelijke. Zij mogen hun verlof vakantie niet besteden om zich in te spannen door bijv. elders hulp te verlenen. Art. 11. Zij moeten er van doordrongen zijn, dat bij hun plaatsing op een afdeling en hun verplaatsing naar een andere afdeling, allereerst met de belangen der verpleegden rekening gehouden wordt en dat deze belangen steeds worden vooropgesteld. Daarom zijn zij stipte gehoorzaamheid verschuldigd, stellen steeds hun plichten boven hun rechten en vervullen ten allen tijde hun taak met gelijkmatigheid en blijmoedigheid.
Art. 12. Zij houden zich in de gangen en de portalen buiten noodzakelijkheid niet op en zorgen, dat te dien opzichte de huisorde worde gehandhaafd.
Art. 13. Zij waken tegen vernielzucht en alle overdaad, het vertrappen van helm op de duinen, het vernielen van planten en heestergewassen, meubilair enz. en zorgen voor een goed onderhoud van alles wat tot de inventaris behoort.
Art. 14. Zij bevorderen zoveel mogelijk de onderling goede verstandhouding.
Art. 15. Zij zien toe dat van de bibliotheek doelmatig gebruik wordt gemaakt en de boeken in goede staat worden gehouden.
Art. 16. Zij zorgen dat bij de maaltijden de daaromtrent bestaande bepalingen stiptelijk worden nageleefd en zoals gebruikelijk is, wordt voorgebeden en gedankt. Streng worde toegezien, dat niemand in zijne godsdienstige gevoelens worde gekrenkt.

Art. 17. Zij zijn aansprakelijk en verantwoordelijk voor de goede vervulling der werkzaamheden, die hun zijn opgedragen. Zij mogen geen werkzaamheden verrichten, bijv. baden of geneesmiddelen toedienen, spijzen verdelen, hulp verlenen aan geïsoleerde patiënten, met de verpleegden wandelen, dan na alvorens zich van de daarbij in acht te nemen regelen en voorzorgen nauwkeurig op de hoogte te hebben gesteld.


Art. 18. Zij zijn verplicht de cursus in zieken- en krankzinnigenverpleging bij te wonen en zich bovendien zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van alles, wat tot hun taak behoort, bijv. wat de verlichting, de verwarming, de ventilatie betreft en het verlenen van hulp bij plotselinge ongevallen zoals verwondingen, bloedingen, verdrinking, ophanging, enz.
Art. 19. Zij zijn meer in het bijzonder verplicht zich op de hoogte te stellen van de regels die in acht moeten genomen worden om het uitbreken van besmettelijke ziekten, ontvluchting, zelfmoord en andere ongevallen te voorkomen. Zij worden op gezette tijden op de hoogte gesteld van de maatregelen te nemen bij brand, met name het bedienen der extincteurs, het afsluiten der gaskranen en de plaats waar zich de noodkaarsen bevinden. Zij zorgen in de allereerste plaats voor de verpleegden en nemen de bestaande voorschriften in acht.
Art. 20. Zij zijn verplicht de hoofdverpleger of de hoofdverpleegster dagelijks mededeling te doen van hetgeen vermeldenswaardig is voorgekomen. Onverminderd hun verplichting om van gewichtige νoorvallen onmiddellijk kennis te geven.
Art. 21. Het is hun uitdrukkelijk verboden inlichtingen omtrent verpleegden aan anderen dan de boven hen gestelde beambten en bevoegde autoriteiten te verstrekken.
Art. 22. Zij zijn gehouden toe te zien, dat de verpleegden steeds onder behoorlijk toezicht zijn.
Art. 23. Zij zijn verplicht alle opmerkingen, die in het belang van een goede verpleging kunnen geacht worden, bij de hoofdverpleging in te brengen, bijv. wanneer zij bemerken dat verpleegden in het bezit zijn van geld, lucifers, enz. Zij zien toe, dat bij bezoek aan verpleegden de daaromtrent bestaande bepalingen streng worden nageleefd.
Art. 24. Onverminderd de taak, die aan iedere verpleger en iedere verpleegster persoonlijk is opgedragen, zijn zij allen verplicht toe te zien, dat de daarvoor aangewezene lokalen, deuren en hekken gesloten zijn en dat geen voorwerpen, die voor de verpleegden gevaar kunnen opleveren, zoals scherpe voorwerpen, geneesmiddelen, sleutels, enz. onbeheerd of niet behoorlijk achter slot zijn.
Art. 25. Zij zijn verplicht toe te zien, dat werklieden en andere personen, die zich tijdelijk op de afdeling bevinden, zich volgens de desbetreffende voorschriften gedragen en stellen van iedere tekortkoming de Hoofdverpleging onmiddellijk in kennis.
Art. 26. Zij bevorderen niet alleen door woord, maar bovenal door voorbeeld het verrichten van arbeid door de verpleegden.
Art. 27. Zij kunnen alle klachten en bezwaren vrijelijk ten allen tijde bij de Directie inbrengen, na alvorens door bemiddeling van de hoofdverpleging hiertoe de wens te hebben te kennen gegeven. De Directie stelt zich steeds bereid hem met raad en daad bij te Staan.


Handboek der Krankzinnigenverpleging, Jacob van Deventer, 1897
www.hetoudegesticht.nl / www.netperk.eu / Copyright©Netperk2016
1   2   3   4   5

  • 31 Het vervoer der patiënten
  • 32 Hulp bij stervenden.
  • 33 Het afleggen van het lijk.
  • 34 Voorschriften voor alle bewoners van het Gesticht Meerenberg.
  • 35 Instructie voor de Verplegers en Verpleegsters.
  • Copyright © Netperk2016

  • Dovnload 314.29 Kb.