Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


1. 1 Etymologie zedelijk ¬ moralis (Cicero) ¬ êthikos: ‘wat het êthos betreft’ Ethos: gewone verblijfplaats v dieren = gewoonte, zede: geheel v gedragsvormen en -regels die geordend samenleven mogelijk maken = gezindheid, innerlijke houding

Dovnload 203.55 Kb.

1. 1 Etymologie zedelijk ¬ moralis (Cicero) ¬ êthikos: ‘wat het êthos betreft’ Ethos: gewone verblijfplaats v dieren = gewoonte, zede: geheel v gedragsvormen en -regels die geordend samenleven mogelijk maken = gezindheid, innerlijke houding



Pagina1/3
Datum13.11.2017
Grootte203.55 Kb.

Dovnload 203.55 Kb.
  1   2   3

HOOFDSTUK 1
WAT IS ETHIEK ?
1- Begripsomschrijving
1.1 Etymologie
zedelijk ¬ moralis (Cicero) ¬ êthikos: ‘wat het êthos betreft’
Ethos: gewone verblijfplaats v dieren = gewoonte, zede: geheel v gedragsvormen en -regels die geordend samenleven mogelijk maken
= gezindheid, innerlijke houding: zedelijke gesteldheid een bep gewoonte aan te nemen
adj: synoniemen Û subst: zie 1.3
1.2 Het morele (zedelijke, ethische): 3 criteria
het morele: praktische dimensie, domein vh geregelde menselijke gedrag
a-moreel vs (im)moreel criteria:
- Verantwoordelijkheid:
1- action: wat we doen, reden, waartoe, verstaan, teleologisch
2- event: wat er gebeurt, oorzaak, waardoor, verklaren, mechanistisch  verantwoordelijk
1 en 2 complementair: morele handeling Û enkel 2: geconditioneerd of arbitrair:
subjectieve willekeur
mens weet zich aangesproken + gebonden door betekenis die willekeur overstijgt
 kan in morele zin goed/kwaad handelen

- Onvoorwaardelijkheid: eigen daad of bedoeling confronteren met norm, criterium, regel = normatief voorschrift met universeel gehalte (redelijke wezens, = situatie)
niet alle regels zijn moreel, bijvoorbeeld:
- constitutieve regels: Where saying makes it so (Searle), verband tss uitspreken - situatie
- regulatieve regels: reguleren v gedrag dat ook los vd regels zou bestaan, instrumenteel
deze gelden voorwaardelijk (nieuwe situatie creëren of doel nastreven  middel-doel-vragen)
Û morele regel: zelf-evident, in se verplichtend en onvoorwaardelijk: geldt op zich en niet op grond van iets anders, een uitwendige voorwaarde (niet vragen: Waartoe dient het?)

- Totaliteit:
intrinsieke waarden die deelaspecten van ons menszijn aanspreken: niet-moreel
morele waarden: betrekking op het ‘menselijk totaalproject’
 groeiwaarden (Maslow): waarden v zelfontplooiing, bevorderen totale leven als mens
waarden die in wezen samenvallen met de waardigheid van ons mens-zijn zelf
morele waarden: (opm ivm verhouding moreel - niet-moreel)
- formeel  op de rug van andere waarden, ontstaan wanneer andere waarden vanuit de intentie de kwaliteit vh leven v zichzelf en anderen te bevorderen
- niet totaliteir: verdrukken de andere waarden niet, prioritair enkel in de zin dat andere deelwaarden hen niet in het gedrang mogen brengen
1.3 Moraal, moraliteit, ethiek: een gradering van reflectie
re-flectêre = terugbuigen þ reflecteren: dat wat onm gegeven is in vraag stellen
Moraal: de heersende zeden en gebruiken, het soort fatsoen dat in de mode is (Ferrini)
- onpersoonlijk: niet door bep pers uitgevaardigd, socialisatieproces  individu erin opgenomen þ objectiveerbaar (bij culturen + individuen (Rokeach))
- vanzelfsprekend: onbereflecteerd, aanvaard
- aangelegenheid vd gemeensch: gelden voor gem., individu: eraan onderworpen
Moraliteit: bewustzijn van individu genormeerd te zijn dr normen die in zichzelf gelden, zijn geweten aanspreken
- oorsprong: gemeenschapsmoraal (heteronomie)
- meer dan de geïnterioriseerde wet vd anderen (autonomie) (Piaget: Le Jugement Moral de l’enfant), morele genieën stellen ontoereikende moraal in vraag
 persoonlijk, niet vanzelfsprekend (reflexiever, afwegen), aangelegenheid vh individu
(moreel ¹ economisch nuttig of legaal)
Ethiek = wetenschappelijk-kritische reflectie over moraal en moraliteit

- pos wetenschappelijk: descriptieve ethiek of moraalwetenschap


- j: wijsgerige ethiek of moraalfilosofie = meta-ethiek + normatieve ethiek

2- Vormen van ethiek


2.1 Moraalwetenschap
= pos-wet reactie tegen moraalj, midden 19°E, onder impuls van A. Comte:
Cours de Philosophie Positive: ontplooiing individueel en collectief denken  3 stadia:
- theologisch/mythologische stadium: innerlijke wezen vd werkelijkheid, beroep op bovennatuurlijke principes, krachten (kind: sprookjeswereld)
- j/metafysische stadium: ook essentie, maar abstracte begrippen en ideeën (puberaal)
- wetensch/positieve stadium (positum= dat wat gegeven is): uitwendige verschijning van fenomenen + onderlinge samenhang, zoeken nr wet om alles te verklaren
beperking tot feitelijke gegevens þ reducerende tendens !!!

descriptief: beschrijft het positum (moraalwet= descriptieve ethiek)


explicatief: wetmatig verband met andere feitelijke en objectiveerbare fenomenen
(Wilson: Sociobiology, the new Synthesis: biologische factoren als basis van moraal)
evaluatief: louter in technische en niet in morele zin, geen normen opstellen of funderen
wel: praktische aanwijzingen voor saneren/harmonieren maatschappelijk leven
2.2 Moraalfilosofie  2 denkwijzen
moraalwet en -j: kunnen complementair zijn, soms echter moet men kiezen
1- Normatieve Ethiek:
 filosofische reflectie: krisch + coherent zoeken nr zin en betekenis
het laatste waarom, transempirisch fundament = ‘radicaal’
 normatief: Û niet- geëngageerde denktrant van moraalwet.
norm, waarde, goed, juist = centrale begrippen
 verwijzend naar mensbeeld: antropologie, oog op mens- en maatsch beeld
dat aan de waarden ten grondslag ligt en zich erin manifesteerd
 praktische filosofie: theorie, maar verschilt nr doelstelling en object (Aristoteles)
· nr doelstelling T: weten dat om zichzelf gewikkeld wordt, op zichzelf afgerond systeem
P: weten over handelen owv handelen, een weten hoe iets te doen
· naar object: T: kennis vd fund zijnsstructuren vd werkelijheid, universele en noodzakelijke waarheden
P: betrekking op het veranderlijke, werkelijkh zoals die zou moeten zijn
 gebrek aan acribie: nooit in staat haar obj exact te beschrijven, werkelijkh = veel rijker dan allse wat we erover kunnen zeggen
2- Meta-ethiek: reflectie van de 2° orde
term = analoog met metataal: zegt iets over de objecttaal
(1) in brede zin: fundamentele meta-vragen over het ethische domein
(2) in enge zin: kritische reflectie op linguistisch en logisch instrumentarium (+vb) dat in de normatieve ethiek wordt gebruikt (De filosoof houdt zich bezig met het voertuig, niet met wat het voertuig vervoert (Ryle))
vooral aanwezig in de Angelsaksische wijsbegeerte
Opmerkingen

...
3- Vormen van normatieve ethiek


3.1 Algemene en bijzondere ethiek
1) Algemene ethiek: normatieve problemen in hun algemeenheid, zonder toespitsing op specifieke gebieden/situaties
2) Bijzondere ethiek = toegepast ethiek þ interdisciplinaire samenwerking
“de ethische specialist”

3.2 Individuele en sociale kritiek
1) Individuele ethiek: betrekking op sfeer van directe, tussenmenselijke situaties
veronderstelt: - enkeling = subj van ethische overweging en handeling
- relatie tot de ander = een ik-jij relatie
- keuzealternatieven: binnen de competentie vd enkeling
2) Sociale ethiek: ivm de zedelijkh van die gedragingen met samenlevingsverband als context vh handelen

 in enge zin: micro-ethiek


in ruime zin: macro-ethiek  zodra:
- groepsverbend = subj van ethische overwegingen

- relaties tot de andere = structurele relaties


- er collectieve beslissingen genomen moeten worden
Vaak conflict tss micro- en macro-ethiek: beheersd door een andere ethische context

HOODSTUK 2
ETHIEK: MODERN EN POSTMODERN

1- Crisis van de Postmoderne ethiek



1.1 Inleiding
moderne  postmoderne samenleving:
- landbouw  industrie + dienstensector
- economische mondialisering
- gecentraliseerd bureaucratisch bestuur
- individualisering
tendensen: - verscheidenheid in waardenbeleving
- einde van grote verhalen (Lyotard), invraagstelling vd trad. Waarden
scepticisme door: problemen veroorzaakt dr techniek, uitwassen ervan, bewustzijn van complexiteit en onbeheersbaarheid
Diderot: “heden als bron voor problemen vd toekomst”
- tendens tot individualisering en secularisatie: meer situatie-ethiek
(zie: onderzoek bij jongeren VUB) (ethiek ‘à la carte’)
 Moderne ethiek wil rationeel zijn: voor alle redelijke wezens geldig + politiek toepasbaar
mogelijkheid = betwist ! (deconstructie vd ethiek als theoretisch project)
crisis met 2 complementaire aspecten: legitimeringscrisis en crisis vh ethische debat

1.2 Legitimeringscrisis

Gangbare Voorstelling:


morele normen en waarden kunnen niet langer rationeel gewettigd en rechtvaardigd worden vanuit een objectieve grondslag
(1) Noodzakelijk
technologische consequenties van wet.  verantwoordelijkheid op planetaire schaal
(verhoogde draagwijdte van implicaties, kennis van implicaties, groeiende onderlinge afhankelijkheid van individuele handelingen, standptn op mondiale schaal)
(2) Onmogelijk
positieve wetenschap = waardevrije beschrijving van wetmatige feitelijkheid
 ethiek = subjectieve irrationele willekeur
Bespreking: context van de crisis, culturele achtergrond
Vanwaar de drang om het monopolie van zekerheid toe te kennen aan empirisch- rationele procedures? Is morele zekerheid niet van een heel andere aard? (redelijkheid in de ruime zin vh woord)  diepere crisis = crisis van de morele zekerheid: tendens tot verzakelijking en verwetenschappelijking vd ethiek  spanning met specifiek-ethische intenties: wetenschap ≠ ethiek:
(1) Afstandelijkheid
kennis  afstandelijkheid (reflectie: denker neemt afstand door zich op zichzelf terug te buigen)
reflexieve afst.: steeds meer beklemtoond, geldt als zelfstandig ideaal
heel erg in wetenschap: (onbereikbaar) einddoel = zuiver objectieve, afstandelijke rede
deze afst. en neutraliteit  ook praktisch-ethisch ideaal!
Moderne ideaal van afstandelijkheid: heel vruchtbeer maar ook beperkingen (vooral als praktisch-ethisch ideaal)  ernstige reductie vd ethische intentie!
Ethische houding: zekere mate van afstandelijkheid, nl transcendentie vd eigen onmiddellijkheid en willekeur, maar wel van een heel andere aard: ze verwijst immers tegelijk naar een houding van concrete pers. betrokkenheid en geïnteresseerdheid
(2) Scheiding feit/waarde

Wetenschap splitst levensdomeinen op en verzelfstandigt ze: detotaliseert wat ethish gezien één geheel uitmaakt, maakt onderscheid feit-waarde = ethisch onjuist!
Scheiding: soms gezien als ‘eeuwige wet’ van de logica:

evaluatieve/imperatieve conclusie  kan niet uit feitelijke premissen getrokken worden

1 eval. premisse vereist (syllogisme-wet: concl mag geen bredere omvang hebben dan premissen)

 moreel standpunt niet afleidbaar uit objectiviteit vd werkelijkheid


scheiding = veel meer dan een logische wet, eerder typisch axioma vd moderniteit

Gr/ME : geen splitsing, waarden in zijnsstructuur vd werkelijkheid besloten omdat deze teleologisch is

Begin Moderne tijd: anti-Aristotelis  aanvaardt geen essentie/telos, alleen de verschijnselen en hun kwantificeerbare, wetmatige verbanden.

 effecten van handelingen berekenen, niet doelstellingen/waarden formuleren


Toegepast op het concrete ethische leven is deze splitsing onhoudbaar,

‘zelf’ vd mens = realiteit + idealiteit



1.3 De crisis van het ethische debat

Gangbare voorstelling:


de onbeslisbaarheid vh etisch debat  paradoxale structuur
bv: rechtvaardige verwerving (belang v bezitter)  rechtvaardige verdeling (belang van behoeftige)
op zich coherent en aspect van onpartijdigheid maar conceptueel onverenigbaar
geen algemeen argument, geen zelfde maat om ze mee te meten  willekeur?
opl: contractualisme / conventionalisme: subj voorkeuren en belangen zijn niet tot een consensus te dwingen, maar wel pragmatisch te verzoenen door een proces van publieke wilsvorming via de formele regels van een verdrag/conventie/compromis
 democratisch besluitvormingsmodel = enig mogelijk paradigma v morele legitimering
geen inhoudelijk geheel van waarden maar formeel geheel van procedures
gewettigd door procedure met vastgelegde regels door de wijze van beslissing

(procedurele democratie  substantiele democratie !)

 dringt sterk door, ook op privé-vlak

Bespreking: context van de crisis:


pluraliteit van inhoudlijke visies: godsdienstoorlogen  ethiek probeerde minimale consensus te consolideren  vermijdingsstrategie:
vermijden van debat over inh visies op het goede leven, enkel in privé-leven
ethiek: zich toeleggen op conflictbeheersing en –vermijding, op vreedzame regulering vh maatschappelijk verkeer
 nood aan formulering van # dunne/minimale principes = minimumprincipes die rationeel inzichtelijk zijn en voor ieder op precies dezelfde wijze gelden
(autonomiebeginsel, schadebeginsel, principe van weldoen)
Moderne ethiek = minimale en procedurele ethiek: het ‘hoe’ vd beslissing (procedure) is –op vanzelfsprekende wijze- belangrijker dan het ‘wat’.
 tendens tot juridisering vd ethiek, maatsch en pers  mens interactie  conventie !!!
Kunnen formele waarden wel gelden zonder verwijzing naar inhoudelijke betekenissen??
geen louter formeel pluralisme maar inhoudelijk formalisme: voortdurend debat

2- Gevolgen van de Crisis


twee ideeën kenmerkend voor de postmoderne samenleving:


geen overkoopelend universeel ideaal meer mogelijk
beheersing en vormgeving van eigen leven nr eigen inzichten
 tendens tot relativisme en estheticisme
2.1 Relativisme

Drie vormen, drie domeinen:


- descriptief relativisme: fund ethische overtuigingen van mensen en maatschappijen = ‘feitelijk’ verschillend  conflicten
- meta- ethisch relativisme: geen objectief-geldige rationele criteria, alle fundamentele oordelen zijn even geldig (= filosofisch agnosticisme)
- normatief/ethisch relativisme: overtuigd zijn van eigen ethische waarden maar inzien dat ze voor anderen of in andere omstandigheden niet hoeven te gelden (3: volgt niet uit 1 en 2)

Descriptief en ethisch relativisme  betrekking op 3 domeinen: normen zijn …


1- individueel relatief: idee van de Sofisten, heropgenomen in atheïstisch existentialisme van Sartre*: elke ethische handeling = zuiver particulier, nt algemeen-menselijk
Postmodernisme = omvorming van Modernisme
universele gemeenschap van redelijke individuen die hun samenleven gezamenlijk gestalte geven  elk particulier individu richt zijn leven in naar eigen inzicht
gebleven: verlangen naar beheersing vh leven mbv wet en techn hulpmiddelen
PM: staat = organisatie ve neutrale ruimte die de coördinatie van lifestyles in al hun pluraliteit mogelijk moet maken
2- historisch relatief: ethische normering  noodzakelijkerwijs in fie van particuliere feiten ve historische situatie, evolutionistische ethiek = typisch voor MT:
identificatie van modern-zijn met vooruitgaan
3- cultureel relatief: elk universeel standpunt = vermomd etnocentrisme
judgements are based on experience, and exp is interpreted by each individual in terms of his own enculturement (Herskovits)
doelstellingen van elke samenleving: verschillend (bv Pinxten: Culturen sterven langzaam)
doel van cultuurrelativisme (Am. Boas-school): cultuurpluralisme = opvatting dat men moet leren leven in een mondiale samenleving waarin alle culturen gelijkwaardig zijn en waarin het Westen haar waarden en normen niet langer oplegt.

Bespreking:


kritische fie: ontmaskeren van morele verabsolutering die misbruikt worden (bv Sofisten)
 zeker relevant maar problematisch als consequente ethische overtuiging !!:
1- theoretische contradictie: het statuut vd stelling “alles is relatief”
opl: stelling behoort tot meta-taal  ze geldt niet voor zichzelf
2- praktische contradictie: gelijkwaaridgheid van alle culturen, recht op etnocentrisme
 voor geen kritiek toegankelijk, op geen gronden te veroordelen
3- overbodig: mogelijk om recht te doen aan de bestaande pluriformiteit zonder algemeen-geldende normen af te wijzen,
wet. onderzoek : cross-culturele, algemeen-geldende normen:
- respect voor de waarheid
- dankbaarheid en vergelding
- rechtvaardigheid
- wederzijds respect en wederzijdse bijstand
- zelfrespect en zelfontplooiing
meer concrete normen wijken af: toepassingsveld, feitenkennis, context, onderlinge verhoudingen van beginselen.

2.2 Estheticisme
postmoderne tendens = esthetisering vh ethische leven: esthetische ervaring beschouwen als het eigenlijke ethische ideaal  bestaan ≠ ethische opdracht tot zelfwording maar als een spel, een persoonlijk kunstwerk ( ethetisering vd kunst)
ethiek: moeizame zoektocht naar duurzame identiteit  estheticisme: zichzelf nt fixeren
onbeperkte zelfverruiming, eindeloze verkenning en exploratie van eigen mogelijkheden
 nieuwsgierige intellectueel, ironisch, speels, vrij en inventief (Rorty)
Zygmunt Bauman: ‘1 vd hoofdkenm. vd postmoderne samenleving’  4 levensstijlen:
1- De Flaneur: menselijke realiteit als reeks episodes, zonder verleden/gevolgen, observator, geen deel (Baudelaire: Oh toi, que j’eusse aimer)
2- De Vagebond: niet onder controle, geen plan, hoort nergens thuis, voorlopigheid, alles blijft mogelijk (vroeger: marginaal!)
3- De Toerist: id maar welbepaald doel: zoekt bewust de ervaring vh nieuwe, het vreemde  wel: afschudbaar en getemd, aangenaam plooibare wereld
(B: wereld = ziekenhuis waar alle patienten geobsedeerd zijn door het wisselen van bed)
4- De Speler: niets voorspelbaar/controleerbaar en niets onveranderlijk/onheroepelijk
risico’s, intuïtie, anticipatie maar geen mentale littekens/wrok
 zijn ambivalent en verschillen, maar ook gelijkenissen:
- uitgesproken rusteloos, wispelturig en besluiteloos
- menselijke relaties: fragmentair en discontinu, tegen hechte banden, blijvende netwerken, wederzijdse plichten
- afstand tss individu en andere = obj van esthetische ipv morele beoordeling
- ethische ordening centraal, de attributen vh ordenende subject als uitgangspunt  wereld als reservoir van potentieel interessante objecten

HOOFDSTUK 3
MORAALFILOSOFISCHE THEORIEËN: EEN KORT OVERZICHT

(enkele mogelijke invalshoeken, overlappen en doorkruisen elkaar)


1- Ethiek van zelfverwerkelijking of van zelfbeperking

1.1 Een ethiek van zelfrealisatie is maximalistisch


hoe een mens moet leven om een volkomen menselijkheid te bereiken, gericht naar ideëel eindpunt: ideale goede en gelukte leven eudaïmonistische ethiek (eudaimonia = geluk)
morele regel in fie van het bereiken van dit doel: teleologisch
niet: wat we moeten doen, maar hoe we moeten zijn
deugdenethiek: houdt zich bezig met kwaliteiten en disposities die ons leven goed maken
vertolkt een levenshouding, hangt samen met een socialisatie- en acculturatieproces
contextgebonden, bepaald type mens en samenleving waarin het thuishoort + vb
verschilt grondig van opvatting waarin de ideologie van zelfbeschikking, van individuele autonomie centraal staat = verbonden met idee dat mens eerst zichzelf wordt in de beaming van betekenissen die hem wezenlijk transcenderen.
Homo Ethicus
(Aristoteles, eenh deugd-geluk, teleologisch) vs Homo Moralis (Kant, splitsing deugd-geluk, deonthologisch)

1.2 Een ethiek van zelfbeperking is minimalistisch


levensidealen: buiten bevoegdheid, overgelaten aan pers voorkeur
wel: elk levensproject veronderstelt minimum aan veiligheid, vrijheid, voorspelbaarheid van gedrag, zelfrespect en zelfdiscipline
slechts gewaarborgd in geordend samenlevingsverband inperking vd willekeur:
als morele regels beschouwd (negatieve restricties, verboden)
Minimalistische ethiek: morele regels = minimumeisen die nodig zijn owv de gebrekkige menselijke constitutie, niet: aanduiding van menselijke volkomenheid
(‘no harm’-principe)
Theorie vh sociale contract: (Hobbes, Locke, Rousseau) (contractualisme)
rechtvaardiginstheorie , geen empirische beschr ve historisch gegeven
toestand zonder politieke/juridische ordening: homo homini lupes (Hobbes)
politieke ordening als onvermijdelijke beperking vd vrijheid vh individu
(
Aristotelische wereldbeeld: polis als telos van menszijn)
uit eigenbelang, vrijwillig deel vd eigen macht overgedragen aan autoriteit
door deze vrijwillige zelfbeperking in staat om eigen doelstellinge maximaal te verwezenlijken.
Doel: bereiken vd ‘vrede’ = ‘vermijden van oorlog’
beheerst groot gedeelte van hedendaagse moraalfilosofie
inherent: pessimistisch mensbeeld
op drie domeinen
1- de menselijke natuur: egoïstisch, begeerten: niet helemaal te ‘verredelijken’
Hobbes: mens als bundel driften, zonder contract: bellum omnium contra omnes
2- de menselijke kennis: kan doel en essentie van mens. leven niet achterhalen
Popper: geen essentialistische kennis, want gebaseerd op falsifieerbare en dus veranderlijke uitspraken.
3- De menselijke samenleving: hét oord van conflicten, morele regels als middel om zich er tegen te wapenen
Nozick: elk individu rechten, staat: schendt deze onvermijdelijk immoreel
2- Consequentiele ethiek of intentie-ethiek

Elke handeling leent zich tot morele beoordeling  Wat beoordeelt men?


 consequentiele ethiek (= resultaatsethiek) of intentie-ethiek

2.1 Consequentiele ethiek


steeds doelethiek of teleologische ethiek: welk doel wordt door ons handelen bevorderd?
criterium voor ethische handelingen: waarde die door handelen verwezenlijkt wordt
het “goed”
uiteenlopend bepaald bv. hedonisme: doel = subjectieve behoeftebevrediging sociaal hedonisme of utilitarisme: grootst mogelijk geluk voor grootste # mensen
gevaar: doel heiligt de middelen? Geen aandacht voor ethische kwaliteit vh handelen zelf



2.2 intentie-ethiek
steeds plichtsethiek of deontologische ethiek: we handelen overeenkomstig met wat we als onze plicht beschouwen
handeling = ethisch goed owv haar intrinsieke eigenschappen, ongeacht het resultaat
vb: Satre: akt-deontologische theorieën: fundamentele plichtsoordelen = zuiver bijzonder
Kant: regel-deontologische theorieën: ethische norm = 1/meer regels (concreet/abstract)
- geldig los van het feit of ze het goede vermeerderen ( resultaatlethiek)
- fundamenteel, bijz. gevallen: steeds in het licht van deze regels ( akt-deontol.)
gevaar: extreme rigiditeit, abstractie van context en gevolgen (fiat justitia, pereat mundi)

3- Inhoudelijke of formele ethiek


3.1 Inhoudelijke ethiek
ethische norm geldt owv een inhoud uit de werkelijkheid zelf
- de ontologische werkelijkh: mens realiseert zijn essentie (Aristoteles), respecteert natuurlijke (Stoa) of goddelijke (Th v Acquino) orde
- de empirische werkelijkh: mens bevredigt zijn feitelijke behoeften (hedonisme, utilitarisme), komt tegemoet aan overlevingseisen ve periode (evolutionistische ethiek)
gevaar: te zeer belast met ideologische en wereldbeschouwende elementen
  1   2   3

  • 1.2 Het morele (zedelijke, ethische): 3 criteria het morele: praktische dimensie, domein vh geregelde menselijke gedrag a-moreel vs (im)moreel criteria: - Verantwoordelijkheid
  • 1.3 Moraal, moraliteit, ethiek: een gradering van reflectie re-flectêre = terugbuigen þ reflecteren: dat wat onm gegeven is in vraag stellen Moraal
  • 2.2 Moraalfilosofie
  • 3.1 Algemene en bijzondere ethiek
  • 3.2 Individuele en sociale kritiek
  • HOODSTUK 2 ETHIEK: MODERN EN POSTMODERN
  • (2) Scheiding feit/waarde
  • 1.3 De crisis van het ethische debat
  • 2.1 Relativisme
  • HOOFDSTUK 3 MORAALFILOSOFISCHE THEORIEËN: EEN KORT OVERZICHT

  • Dovnload 203.55 Kb.