Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


1. Erikson 4 Zelfbegrip en zelfwaarde 4

Dovnload 24.81 Kb.

1. Erikson 4 Zelfbegrip en zelfwaarde 4



Datum31.07.2017
Grootte24.81 Kb.

Dovnload 24.81 Kb.


Emotionele en sociale ontwikkeling tijdens de lagere school leeftijd

hoofdstuk 10

Inhoudsopgave


1. Erikson 4

2. Zelfbegrip en zelfwaarde 4

2.1 Attributies 5

3. Emotionele ontwikkeling 7

3.1. Zelfbewuste emoties 7

3.2. Emotioneel begrijpen 7

3.3. Emotionele zelf-regulatie 8

4. Morele ontwikkeling 8

5. Relaties met leeftijdsgenoten 9

5.1. Peer groepen 9

5.2. Vriendschappen 10

5.3. Peer aanvaarding 10

1. Erikson



Vlijt

  • Een gevoel van competentie ontwikkelen tav cultureel gewaardeerde activiteiten

    • vb. spellen, tafels leren

  • School biedt hierbij veel mogelijkheden.


Inferioriteit

  • Gevoel van minderwaardigheid

  • Pessimisme en gebrek aan vertrouwen om dingen goed te doen

  • Gezin, leerkrachten, peers kunnen hiertoe bijdragen



2. Zelfbegrip en zelfwaarde



2-6 jaar

  • Basis

  • Vaardigheden

  • Geen trekomschrijvingen

  • Positieve elementen

  • Geen oorzaken aangegeven


5-11 jaar

  • Meer verfijnd

  • Vaardigheden: vergelijking meerdere personen

  • Trekomschrijvingen

  • Positief en negatief

  • Oorzaken aangegeven



  • Trekomschrijvingen ontstaan omwille van

    • Cognitieve ontwikkeling: combinatie van ervaringen

    • Sociale feedback van de omgeving: Ik-zelf neemt het mij-zelf zoals door de omgeving aangereikt over


  • Hiërarchische organisatie


bkb10f01.jpg


  • Invloeden op zelfwaarde:

    • Cultuur (Azië < Europa < Afro-Amerikanen)

    • Geslacht (meisjes < jongens; verschil is minder groot dan wordt gezegd)

    • Opvoeding

      • Democratisch en warm opvoeden versus controlerende en kritische ouders

      • Permissief opvoeden: onrealistisch hoog self-esteem; laissez-faire

    • Attributiestijl


2.1 Attributies



Causale attributie

= de verklaring van een persoon van de oorzaak van een gebeurtenis


Verklaringsstijl

= tendens van mensen om bepaalde attributionele verklaringen te gebruiken bij het veklaren van gebeurtenissen.


Drie categorieën attributies:
1. Extern versus intern: aan jezelf toeschrijven of aan een externe oorzaak van een gebeurtenis
2. Stabiel versus veranderbaar: Is de oorzaak temporeel of blijft deze aanwezig
3. Globaal versus specifiek: Is de geboden verklaring enkel relevant voor deze ene situatie of ook voor andere situaties
OEFENING stukgelopen relatie

 intern: ik ben een zaag ik heb mij niet goed opgesteld

 extern: oorzaak ligt bij echtgenoot, de ander was onbetrouwbaar = stabiel = globaal

 stabiel: ook in volgende relaties; bindingsangst, ik kan mij nooit binden

 veranderbaar: ik was op dat moment in mijn leven nog niet klaar om rel aan te gaan

 globaal: de hele relatie wordt als negatief gezien, we passen niet bij elkaar



 specifiek: op dat vlak matchen wij niet goed, nog een opl zoeken


  • Elke attributie opsplitsen in de drie attributie-lijnen




  • Pessimistische verklaringsstijl:

    • Benadrukt interne, stabiele, en globale oorzaak voor negatieve gebeurtenissen

    • Deze toets was niet goed want ik ben dom, volgende toets weer slecht en niet enkel voor wisk maar dom en stom in het algemeen

    • Is geassocieerd met gevoelens van hulpeloosheid en gebrekkige aanpassing




  • Specifiek met betrekking tot schoolse prestaties:

    • Leeroriëntatie = gericht op het begrijpen en onder de knie krijgen van het materiaal

    • Aangeleerde hulpeloosheid = verwachting dat competentie zal tekortschieten in behalen van doel



  • Impact van de sociale omgeving op aangeleerde hulpeloosheid en leeroriëntatie

    • Ouders en leerkrachten: leren aanmoedigen boven sociale vergelijking en prestaties

    • Persoongerichte feedback vermijden: “jij bent een slimme jongen” vs. “die taak heb je goed afgelegd”


bkb10f02.jpg




3. Emotionele ontwikkeling




3.1. Zelfbewuste emoties





  • Aanwezigheid volwassene niet langer nodig; men weet zelf beter wanneer men zich fier, schuldig of beschaamd mag/moet voelen

  • Schuld:

    • Enkel geassocieerd met een intentionele fout, als het met opzet gebeurde

  • Fierheid: uitdagingen en vlijt

  • Schaamte: inferioriteit en kwaadheid ten opzichte van kritische ouder/leerkracht



3.2. Emotioneel begrijpen





  • Eén emotie versus mix van emoties; ze beseffen dat er een mix van emoties kunnen zijn

    • vb. verjaardag: blij maar niet zo leuk cadeau

  • Beter inzicht in zelfbewuste emoties

    • vb. fierheid = blijdschap omwille van resultaat en behagen andere persoon
      fierheid is meer dan blijheid, beoordeling ander speelt een rol

  • Contradictorische info kan verwerkt worden:

    • vb. gebroken fiets & lachend kind

  • Empathie: niet enkel begrip voor ervaren ongemak van de andere persoon, maar ook voor zijn situatie

    • vb. kindjes in Afrika; ontslag vriend papa



3.3. Emotionele zelf-regulatie





  • Ongeveer 10 jaar: balans wordt gezocht tussen twee algemene strategieën

    • Probleem-gerichte copingstrategie

      • Strategieën gebruiken om probleem op te lossen

      • Gebruikt als gebeurtenis onder controle is: steun zoeken en probleem proberen op te lossen (vb. bij een toets of een competitiewedstrijd)

    • Emotie-gerichte copingstrategie = interne, private strategieën

      • Gebeurtenis buiten controle: herdefiniëren van de situatie; ontkennen van belang van gebeurtenis (slecht rapport  probleem kan niet meer w opgelost)




  • Emotionele zelf-regulatie = strategieën om emoties tot een comfortabel niveau te brengen

  • Emotionele zelf-efficaciteit

    • = capaciteit om zelf-regulatieve strategieën op een effectieve wijze te kunnen hanteren

    • = gevoel dat je emoties onder controle hebt

    • Bevordert sociale competentie, empathie, en vermindert negatieve emoties



4. Morele ontwikkeling





  • Leerprincipes voor moreel gedrag: model-leren, bekrachtiging en zelf actief nadenken (vb. delen)

  • In kindertijd neemt morele ontwikkeling een vlucht omwille van

    • Toenemende sociale wereld: meer vriendjes

    • Toenemende capaciteit tot perspectief inname

    • Cognitieve ontwikkeling: met meer gezichtspunten tegelijk rekening houden




  • Distributieve rechtvaardigheid = regels mbt de wijze waarop schaarse goederen verdeeld dienen te worden

  • Evolutie

    • Eigenbelang (3 à 4): “ik deel op faire wijze omdat ik anders een kleiner stuk zou krijgen”

    • Gelijkheid (5 à 6): iedereen heeft recht op een zelfde deel van de koek

    • Verdienste (6 à 7): inspanning of excellente prestatie

    • Helpen (8): meest benadeelde mag meer krijgen



  • Begrip van morele en sociale conventies wordt complexer en verfijnder:

    • Meer flexibiliteit

    • Sociale afspraken die een duidelijk doel hebben vs. geen doel: transgressie

    • Intentie / bedoeling van actie wordt in acht genomen


  • Begrip van individuele rechten




  • Begrip van diversiteit en ongelijkheid

    • Begin schooljaren: vooroordeel

    • Verandert na 7 à 8 jaar

  • Grote interpersoonlijke variatie: hangt af van

    • Hoge zelfwaarde: denigrerend optreden om zelf-evaluatie te rechtvaardigen

    • Categorisatie in sociale groepen: op sociale ladder plaatsen

    • Stabiele visie op persoonlijkheidskenmerken: “goed” vs. “slecht” = onveranderbaar



5. Relaties met leeftijdsgenoten




5.1. Peer groepen





  • Peergroep = groepje vrienden die unieke waarden en gedrag delen en door leider-volgers worden gekenmerkt (3 à 12 personen)

    • Peer cultuur: vb. specifieke kleren, woordgebruik, plaats om bijeen te komen

  • Kenmerken

    • Nabijheid (vb. zelfde buurt)

    • Geslacht

    • Etniciteit

    • Populariteit


Voordelen


Nadelen

  • Relationele agressie

  • Rivaliteit tussen groepen

  • Insiders en outsiders



5.2. Vriendschappen





  • Speelkameraad maar ook aandacht voor persoonlijke kwaliteiten en wederzijds vertrouwen

  • Meer selectiviteit

  • Meer langdurige band: leren conflict overwinnen

  • Wederzijdse beïnvloeding: prosociaal vs. antisociale vrienden

5.3. Peer aanvaarding





  • Peer aanvaarding = graag gezien zijn door een groep personen

  • Dus: geen wederzijdse relatie (vriendschap) maar éénzijdig

  • Meting van sociale voorkeur (“Wie vind jij leuk in de klas?”) en sociale bewondering (“Wie wordt in de klas het meest bewonderd?”)





  • Populaire kinderen: krijgen veel positieve nominaties

  • Verworpen kinderen: krijgen veel negatieve nominaties




  • Controversiële kinderen: krijgen zowel positieve als negatieve nominaties

  • Genegeerde kinderen: krijgen noch negatieve noch positieve nominaties

    • Zijn doorgaans goed aangepast en niet eenzaam

    • Extraversie is dus niet altijd nodig om sociaal goed te functioneren

  • 2. Zelfbegrip en zelfwaarde
  • 2.1 Attributies
  • 3. Emotionele ontwikkeling 3.1. Zelfbewuste emoties
  • 3.2. Emotioneel begrijpen
  • 3.3. Emotionele zelf-regulatie
  • 4. Morele ontwikkeling
  • 5. Relaties met leeftijdsgenoten 5.1. Peer groepen
  • 5.2. Vriendschappen
  • 5.3. Peer aanvaarding

  • Dovnload 24.81 Kb.