Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


1 Korinthe 10, 12-22 13. Die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle

Dovnload 52.51 Kb.

1 Korinthe 10, 12-22 13. Die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle



Datum05.12.2018
Grootte52.51 Kb.

Dovnload 52.51 Kb.

1 Korinthe 10, 12-22
13. Die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle
12 Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.

13 U heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.

14 Daarom, mijn geliefden, vlucht van de afgodendienst.

15 Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij, hetgeen ik zeg.

16 De drinkbeker der dankzegging, die wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap aan het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet een gemeenschap aan het lichaam van Christus?

17 Want één brood is het, zo zijn wij velen één lichaam, omdat wij allen aan één brood deelachtig zijn.

18 Ziet Israël, dat naar het vlees is: hebben niet zij, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar?

19 Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is?

20 Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij aan de duivelen offeren, en niet aan God; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt.

21 Gij kunt de drinkbeker des Heeren niet drinken, en de drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen.

22 Of tergen wijde Heere? Zijn wij sterker dan Hij?
Verklaring
In 1 Kor. 10 wordt ons door Paulus bepaald de les gelezen. Hij waarschuwt de Korinthiërs die erg ver gaan in hun vrije leventje (afgoderij en hoererij). En ook wij worden gewaarschuwd. Want ook wij lopen altijd weer gevaar van het rechte pad af te wijken. Hoe velen binnen de christelijke gemeente lichten niet de hand met de heilzame geboden van de Heere? Daarover ging het in onze vorige Bijbelstudie.
In 1 Kor. 10 : 12vv wordt er a.h.w. een verkeersbord geplaatst aan de kant van de straat. Opgelet, u nadert een voorrangsweg, Die van Jezus Christus en Zijn koninklijke dienst. Voeg in op een verantwoorde wijze.
Rom. 11:20

Wij moeten immers niet denken, dat een christenmens geen gevaar kan overkomen. Wees niet als de struisvogel die zijn kop in het zand steekt. Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle (vs. 12).


2 Thess. 2 : 15

Daarmee besluit de apostel zijn vermaningen. Uit gevoelens van een valse vrijheid komen gevoelens van valse veiligheid voort: 'Ons kan geen kwaad overkomen'. 1. Maar geen mens is zo vlak bij een val als die mens die denkt, dat hij vaststaat.

Maar wat wil de apostel nu eigenlijk met al die vermaningen? Is hij bezig om twijfel te zaaien? Moeten de Korinthiërs van al dat waarschuwen tenslotte niet moe en moedeloos worden? Kan de gedachte niet gemakkelijk opkomen, dat het toch maar niets gedaan is met het geestelijk leven van de gelovigen in Korinthe?

De Heer' is zo getrouw als sterk

Nu, dat is geenszins de bedoeling. Paulus ondergraaft hier niet de zekerheid van het geloof. Hij leert geen leer van de twijfel. 2. Hij bedoelt niet mensen aan het wankelen te brengen. Daarom wijst hij de Korinthiërs onmiddellijk op de vaste rots van hun behoud, de grond van hun betrouwen. U heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke (vs. 13a). U bevindt zich wel aan de rand van de afgrond. De satan strekt zijn grijparmen naar u uit en nodigt u tot het kwade. 3. En u vraagt ook het uiterste van uzelf. De test is zwaar. Maar het is niet onmogelijk, dat u erdoor komt. Als u maar niet vergeet u te oefenen en uw lichaam tot dienstbaarheid te brengen (zie 1 Kor. 9 : 27).


Deut. 7 : 9; Ps. 144 : 13; 1 Kor. 1 : 9; 2 Kor. 1 : 18; 1 Thess. 5 : 24; Hebr. 11 : 11; 1 Joh. 1 : 9; Openb. 1 : 5

En vergeet vooral niet: doch God is getrouw, die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt (vs. 13b). Wij kunnen uitvallen. Maar God niet. Hij is betrouwbaar (Gr. 'pistos'). De duivel ligt aan de ketting. Die kan niets uitvoeren zonder de toelating van de Heere. Denk aan Job. Hij is, hoewel bestreden van alle kanten en beroofd van have en kinderen, er toch heelhuids afgekomen. Want God was aan zijn zij. En God is de duivel de baas. Die is tegen alles opgewassen. 'Hij zal het alles maken, dat g' u verwonderen moet.'


Hebr. 10 : 23

Gods kinderen kunnen, ook na veel strijd, in de zonde vallen. Maar zij worden toch ook door God steeds weer op hun plaats gebracht. Zij verootmoedigen zich en nemen 'gestaag de toevlucht tot de gekruisigde Christus en leren het vlees hoe langer hoe meer door de Geest van het gebed en heilige oefeningen van godvruchtigheid te doden...4.


Gal. 5 : 1; Hebr. 13 : 7; 2 Petr. 2 : 9

Maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen (vs. 13c). Welk een belofte! Voor ieder die zich omsingeld weet door benauwers. Als een rat in de val gelopen. Een belofte voor ons allen als we vastgewerkt zitten in de zonde, zodat we geen kant meer uit kunnen. Als mensen die ergens hoog in de bergen opgesloten zijn. Overal steile rotswanden. Er lijkt niets anders op te zitten dan te sterven. En dan dat grote wonder, dat zich opeens een smalle bergpas voor hun ogen ontsluit, waardoor zij ontsnappen kunnen. 'Maar de Heer' zal uitkomst geven.' De 'escape' (er staat: de uitkomst). 5.
De basis van vertrouwen. En dan zo te ondervinden, dat we toch in alle omstandigheden als 'in de moederschoot van Gods beloften' zijn gedragen. En dat we door Gods kracht moedig weerstand kunnen bieden tegen alle verleidingen. We kunnen ze verdragen. We houden het uit. Goddank, we komen op verhaal.
De Heer' is zo getrouw als sterk;

Hij zal Zijn werk

Voor mij volenden.

Verlaat niet wat Uw hand begon,

0 Levensbron,

Wil bijstand zenden. (Ps. 138 : 4 ber.)


Dat mag de ervaring zijn van alle gelovigen. In de schutse van de grote Overwinnaar Jezus Christus veilig en geborgen.
2 Thess. 3 : 3; 2 Tim. 2 : 13; 1 Joh. 5 : 21

Welnu, dat geeft de burger van Korinthe’s gemeente weer moed. Ziet u wel, dat Paulus geen meedogenloze zedenpreker is? Maar trek het u alles wel aan a.u.b. Daarom, mijn geliefden, vlucht van de afgodendienst (vs. 14). 6. 'Gelovigen moeten niet proberen om zo dicht mogelijk nabij te komen, maar om zover zij kunnen weg te vluchten' (Robertson/Plummer' geciteerd door Curtis Vaughan/Thomas D. Lea, a.w., p. 103).


Hoe sterk is de band van de apostel aan de gemeente van Korinthe. Hij spreekt over: mijn geliefden. 7. Maar juist zo vermaant hij die gemeente om zover mogelijk uit de buurt te blijven van wat met afgoderij te maken heeft (vgl. 1 Kor. 6 : 18). Vermoedelijk bedoelt Paulus hier vooral de afgodstempels zelf.

Aan de maaltijd des Heeren

1 Kor. 11:13

En dan gaat hij een beroep doen op het inzicht van de christenen van Korinthe: als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij, hetgeen ik zeg (vs. 15). Wat op het gezag van een apostel wordt gezegd, mag in overeenstemming geacht worden met wat Gods kind door de Geest van God in zijn geloofservaring heeft geleerd. De Korinthiërs mogen zelf mee oordelen. Ze worden aangesproken als `verstandigen' die, verlicht door Gods Geest, inzicht in de geestelijke dingen hebben gekregen. 8.
En daarop doet Paulus hier een appèl. Dit houdt niet in, dat hij zijn mening voor beter gegeven wil hebben. Er is geen vrije discussie over mogelijk. Maar wat Korinthe en ons in Gods Naam op het hart gebonden wordt, is geen opgelegde zaak alleen. Het vraagt om hartelijke instemming. Oordeelt zelf.
De Korinthiërs weten, wat een gewijde maaltijd is. Niemand in Korinthe zal beweren, dat het lood om oud ijzer is om in de tempel van godin Aphrodite aan tafel aan te zitten of om de maaltijd met het gezin thuis te gebruiken. Er is natuurlijk een groot verschil. Want in het tempelrestaurant is men met elkaar direct geassocieerd aan en staat men in directe verbinding met de context van heel het tempelgebeuren. Het is de godheid zelf, op wiens uitnodiging men aanwezig is. En wat men in zo'n tempel van een afgod eet en drinkt is geen neutraal eten en drinken. Men zit aan tafel bij godin Aphrodite en oefent gemeenschap met haar, men kijkt haar om zo te zeggen lief aan bij alles wat zij te bieden heeft, inclusief haar hartstochten. En men wordt gerekend bij haar volgelingen en aanbidders. Simpel gezegd: men vult daar niet alleen zijn maag mee, maar ook zijn ziel.
Dat alles weet men in Korinthe opperbest. En dat alles geldt niet alleen van een tafel in een afgodstempel. Het is net zo aan de tafel des Heeren. Ook daar die gemeenschapsbeleving als iets heel wezenlijks. Ook daar de heel wezenlijke beoefening van de gemeenschap, de solidariteit met de Heere en onder elkaar. Aan een tafel zitten in het huis van God is gemeenschap oefenen met Hem. Welnu, met godin Aphrodite en met de Heere Jezus tegelijk gemeenschap willen oefenen, dat kan natuurlijk niet. Die twee dingen vloeken met elkaar. Je doet of het één of het ander. Dat is het wat Paulus wil zeggen. En daarom begint hij nu te schrijven over het Heilig Avondmaal. 9. Gods voorrangsweg in Jezus Christus. Hoe heerlijk immers mag daar de gemeenschap met de Heere en met elkaar worden beleefd. Maranatha.
Matth. 26 : 27

Het is vooral het woord gemeenschap dat in de verzen 16vv de hoofdrol speelt. 10. De drinkbeker der dankzegging die wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap aan het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet een gemeenschap aan het lichaam van Christus? Want één brood is het, zo zijn wij velen één lichaam, omdat wij allen aan één brood deelachtig zijn (vs. 16, 17). Een wonderlijke samenbinding aan Christus onder aanwezigheid van de grote Gastheer, Christus zelf.


Waarin wij deel mogen hebben aan al de zegeningen van Zijn verzoeningswerk. Het nieuwe verbond in Zijn bloed. Participeren aan het offer van Zijn leven, Zijn bloed, gestort op Golgotha, aan Zijn lichaam, verbroken aan het kruis (vgl.1 Kor. 11 : 24). Bij beker en brood.
Letten we er vooral op, dat hier gesproken wordt over de zegening van de drinkbeker der dankzegging (zegening) en de breking van het brood. 11. Vanouds heeft bij de Joden de gewoonte bestaan om hun maaltijden te openen met een zegen. De huisvader begint de maaltijd met het zegenen van een stuk brood (lofprijzing aan God), beaamd door alle aanwezigen. Waarna de uitdeling volgt. Terwijl aan het eind van de maaltijd één van de voorname gasten 'de beker der dankzegging' opheft, zeggende: 'Laat ons de zegen uitspreken'. 12.
Zo moet ook Christus het hebben gedaan, toen Hij met Zijn jongeren samen was in de opperzaal te Jeruzalem (vgl. Luk. 22 : 20; 1 Kor. 11 : 25). Een geheel unieke maaltijd waarin de beker en het brood de gezegende tekenen waren van Christus' Persoon en werk (Mark. 14 : 22vv). Halleluja. En zo hebben de eerste christenen het onder elkaar gedaan (vgl. Hand. 2 : 46; 20 : 7, 11). Het was hun de maaltijd der herinnering aan hun Meester die voor hen Zijn leven had gegeven. En het was voor hen de maaltijd der gemeente, waarin zij met elkaar Zijn tegenwoordigheid als de Opgestane en tegelijk hun solidariteit als lichaam van Christus beleefden.
Hand. 2 : 42

Eén brood, schrijft Paulus. Zo zijn wij velen één lichaam, allen en een ieder deelhebbende aan dat éne brood. En in dit vers (vs. 17) legt hij er dus in het bijzonder de nadruk op, dat hier sprake is van de grootste saamhorigheid. Met al de vezels van ons bestaan zijn wij verbonden aan Christus en aan elkaar. Welk een geheimenis.

Rom. 12 : 5

Misschien komt dat nog het meest sprekend tot uitdrukking in de wijze waarop men vandaag in de kerk van Schotland (Free Presbyterian Church) het Avondmaal viert. Daar staat nl. het brood ongesneden op de tafel. Iedere Avondmaalsgast neemt er voor zich een stukje uit en eet het op. Dat beeldt wonderschoon uit, dat de eenheid vooropgaat. Wij vormen niet een gemeenschap met elkaar als een optelsom van individuen. Wij zijn een eenheid en gemeenschap in de Heere Christus. En ieder voor zich mag daar door Gods genade in delen.


Daarna gaat Paulus - om het alles dubbel te onderstrepen - nog eens wijzen op wat iedereen in Korinthe wist die ook maar enigszins op de hoogte was van de eredienst in Israëls tempel. Onder oud-Israël immers had men ook zijn cultische maaltijden in de tempel. Daar stond gewoonlijk wel een tafel aangericht, voor het Aangezicht van de Heere (Ps. 23). Met daaraan een familie of vriendenkring. Zij kregen stukken van het offerdier en aten dat vlees. Daarmee oefenden zij gemeenschap met de God van Israël. Op bezoek bij Hem. 13.
Lev. 7 : 6, 15; 1 Kor. 9 : 13

Paulus schrijft: Ziet Israël, dat naar het vlees is; hebben niet zij die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar? (vs. 18). Israël naar het vlees. Daarmee wordt bedoeld: het lijfelijke volk van Israël als een historische en natuurlijke werkelijkheid. De uitdrukking die Paulus hier gebruikt, moet niet worden misverstaan in de zin van: De Joden zijn een vleselijk Israël en wij zijn het geestelijke Israël. Want dat bedoelt Paulus in geen enkel opzicht. 14. Hij wil erop gewezen hebben, dat de Israëlieten oudtijds ook een 'convivium' beleefden in hun maaltijden in de tempel van Jeruzalem. Maaltijden die niet in eigenlijke zin offermaaltijden waren (er werd tijdens die maaltijden niets geofferd), maar gemeenschappen waarin Israëls God als de grote Gastheer uit kracht van het verzoenend offer aanwezig was. En zo hadden de Israëlieten dan ook gemeenschap met het altaar.



Van tweeën één

Heerlijk om zo - ook in de christelijke gemeente - rondom de tafel van het nieuwe verbond gemeenschap te oefenen met de Heere en met elkaar. Maar... nogmaals, dat dan ook alleen. En dus niet: aan tafel gaan bij de Heere en de volgende dag aanzitten in een afgodstempel. Het is van tweeën één. En waarom?


Is het dan soms zo, dat offervlees en een afgodenoffer iets voorstellen? Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is? (vs. 19). Nu, daarover zijn Paulus en de Korinthiërs het echt wel eens met elkaar (zie 1 Kor. 8 : 4vv). Goden zijn nieten en nullen. Dus betekent het gewoon allemaal niets. Ja, maar denk niet, dat er geen invloed op u kan uitgaan van het afgodisch bedrijf in de tempels van Korinthe. Het is zeker zo, dat de duivel ermee speelt. En u kunt niet zeggen, dat de duivel geen rol speelt in het mensenleven.

Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen 15. offeren, zij aan de duivelen offeren en niet aan God; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt (vs. 20). Of: dat u 'kameraden der demonen' wordt. Het bedrijf in de afgodstempels is demonisch gedoe. D.w.z. dat de demonen ofte wel de duivelen er de hand in hebben. Zij lachen in hun vuistje. Zij toveren met al die 'mooie' afgodsbeelden de mensen een goddelijk ideaalwereldje binnen, waarin ze zich met behoud van al hun hartstochten geborgen wanen. De afgoden zijn het prentenboek van de duivelen.
Die zijn er dus best van gediend en zij zijn ermee gediend, als wij er ons voor buigen. Daar zong Mozes al van in zijn lied (Deur. 32 : 17): 'Zij hebben aan de duivelen geofferd, niet aan God; aan de goden die zij niet kenden...'
1 Kor. 8 : 4; Lev. 17 : 7; Deut. 32 : 17; Ps. 106 : 37

Kortom, in de afgodstempels aanzitten aan de maaltijden, houdt in, dat u de duivel in de kaart speelt. U komt daardoor in aanraking met het ondefinieerbare, onzegbare en het onpeilbare. Wij zouden zeggen: het zwarte gat. De wereld van de geesten. En we voegen daar - wat onze tijd betreft - aan toe: hoe kan iemand aan de tafel des Heeren deelnemen en inmiddels in contact willen staan met de wereld van de geesten? Een kaartje leggen, glaasje draaien? U weet het wel: het occulte en paranormale, dat wat aan gindse zijde van het waarneembare ligt, dat oefent vandaag een mysterieuze kracht uit op het mensdom. We leven in de demonie van een 'bezeten' wereld. De mens is wel religieus. Er is iets in hem dat zoekt naar het bovenmenselijke en bovennatuurlijke. Maar de dienst van de ware God is nog heel wat anders. 16.


2 Kor. 6 : 15v

Vandaar Paulus' vermaning: Gij kunt de drinkbeker des Heeren niet drinken en de drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig 17. zijn aan de tafel des Heeren en aan de tafel der duivelen (vs. 21). Die twee dingen gaan niet samen. Ze sluiten elkaar uit. Het hebben van meervoudige relaties is ook in dit opzicht uit den boze. Het is niet mogelijk God en de duivel tegelijk te vriend te houden. God dienen en b.v. de Mammon, dat is half christendom. En dat is er genoeg in de wereld. Bezeten zijn door 'money, the root of all evil'. Er moet gekozen worden. Ook vandaag. Ook door de mens die Christus heeft Ieren volgen. Elke dag. Een besliste keuze. Zeg gerust eens 'nee', als u uitgenodigd wordt voor een gezelschap waarin de duivel u op sleeptouw zou kunnen nemen. Kijk er uw vriendenkring maar eens op na.


Welzalig hij, die in der bozen raad

Niet wandelt, noch op 't pad der zondaars staat. (Ps.1 : 1 ber.)


Deut. 32 : 21 ; Jes. 65 : 11 ; Mal. 1 : 7, 12

Of tergen wij de Heere? Zijn wij sterker dan Hij? (vs. 22). Paulus waarschuwt nogmaals heel ernstig. Hij sluit zichzelf erbij in. Zouden wij dan toch de Heere 18. jaloers willen maken? Zijn liefde willen blesseren? 19. Hij deelt Zijn eer echt niet met een ander. Hij verdraagt geen rivalen.
Of denken wij het tegen de Heere op te kunnen nemen? Denken wij opgewassen te zijn tegen Zijn toorn?
U bent een gezegend mens, als u uw plaats gevonden hebt aan de tafel des Heeren (mooie uitdrukking die wij ook in het kerkelijk spraakgebruik kennen). Daar worden al uw verlangens bevredigd. Daar mag het zingen in ons hart:
De God des heils wil mij ten Herder wezen

'k Heb geen gebrek; 'k heb geen gevaar te vrezen.

Gij troost mijn ziel en richt in mededogen,

De tafel aan voor mijner haat'ren ogen.


Gij zalft mijn hoofd; Gij doet mijn blijdschap groeien

En van Uw heil mijn beker overvloeien. (Ps. 23 : 2 b, 3a ber.)



Gespreksvragen

1. De apostel houdt zijn hart voor de gemeente van Korinthe vast. Vanaf vs. 13 van 1 Kor. 10 wijst hij die gemeente er echter op, dat God haar staande zal houden. Maar als Paulus dat zo zeker weet, waarom heeft hij dan eerst zo ernstig gewaarschuwd?

2. In de perikoop wordt (voor de eerste keer in deze brief) over het Heilig Avondmaal geschreven. Welke uitdrukkingen vallen u op? En: waarom zou hier zoveel nadruk worden gelegd op de gemeenschap? Wat betekent voor u de beleving van deze gemeenschap aan de tafel van de Heere?

3. De apostel noemt de dienst van de afgoden een soort duivelse kunstenarij. En bij onze verklaring hiervan wezen we op het verschijnsel van `het zwarte gat' in onze tijd. Is parapsychologie bedrog? En zo niet, wat zijn hier dan de gevaren?



4. In vs. 18 schrijft Paulus over `Israël naar het vlees'. Wat moet hij daarmee hebben bedoeld? Kunnen/mogen we de kerk uit de volkerenwereld `het geestelijke Israël' noemen?

NOTEN
1. Curtis Vaughan/Thomas D. Lea (a.w., p. 101) schrijven: `False security as to our power to resist temptation rests on an overweening self-confidence in our own strength. None are so liable to fall as they who, thinking themselves strong, heedlessly run into temptation.'
2. J. Calvijn (a.w., blz. 172) zegt, dat 'de papisten deze plaats verdraaien om hun goddeloze leer van de eeuwige twijfeling des geloofs te bevestigen'. En hij wijst er dan vervolgens op, dat er een 'heilige gerustheid' mag zijn, 'niet van het geloof te scheiden, waarin men steunt op de beloften van God'; 'de godzalige consciëntie acht het zeker, dat God haar nimmermeer zal verlaten en op deze onverwinnelijke zekerheid betrouwende, trotseert ze driest en onverschrokken de duivel en de zonde', ... 'niettemin haar zwakheid gedachtig en zich met vreze en ootmoedigheid de Heere bevelende'.
3. Hier het Griekse woord 'peirasmos' in de zin van: verzoeking tot het kwade. Vgl. het gebruik van ditzelfde woord in vs. 9. 'Anthroopinos' (Gr.) = menselijk i.t.t. bovenmenselijk. 'Bevangen' = u bent in een toestand gekomen van...
4. Zie de Dordtse Leerregels, hoofdstuk 5. 2vv. De belofte van 'security', aldus Curtis Vaughan/Thomas D. Lea (a.w., p. 102) is niet voor hen 'who fall into wilful and habitual sin'.
5. Zo omschrijven we het Griekse woord 'ekbasis' - uitkomst, uitweg.
6. Dit vers is de afsluiting en samenvatting van alles wat vanaf hoofdstuk 8 : 1 gezegd is (over de deelname aan de feestmaaltijden in de tempels van de afgoden). Dat blijkt uit het Griekse 'dioper' - daarom waarmee vs. 14 begint; we vinden dit woord alleen hier en in 8 : 13 in het NT. Zie overigens wat we eerder schreven (onder 5 : 10v; 6 : 9; 10 : 7) over het Griekse woord 'eidoolotria', ook in vs. 14 van 1 Kor. 10 gebruikt. Zie verder vs. 19.
7. Vgl. 1 Kor. 4 : 14, 17; 15 : 58; 2 Kor. 7 : 1; Fil. 2 : 12; 4 : 1.
8. Het is niet waarschijnlijk, dat het Griekse woord 'fronimos' - verstandig hier ironisch wordt bedoeld (vgl. 1 Kor. 4 : 10).
9. Vanuit deze gezichtshoek dus. Uitvoeriger schrijft hij over het Heilig Avondmaal in 1 Kor. 11 : 17vv. Maar daar stelt hij weer andere misstanden in Korinthe's gemeente aan de orde. Voor een uitvoerige lijst van literatuur over het Heilig Avondmaal bij Paulus zie o.a. Gordon D. Fee, a.w., p. 465 (note 17). In vs. 16 schrijft Paulus over dé beker en hét brood, nl. die bij de viering van het Heilig Avondmaal als tekenen dienen.
10. Gr. 'koinoonia'. In dit woord krijgt vooral de notie van de gezamenlijkheid, de gemeenschap onder elkaar de nadruk. In het andere Griekse woord dat in deze perikoop ook wordt gebruikt (vs. 17, 21), het woord 'metechein' ligt het accent meer op het deelhebben aan Christus (resp. de afgoden). Maar het één is niet zonder het ander. In de gemeenschap van de 'koinoonoi' - de 'kameraden' gaat het om een gemeenschap in Christus (resp. de afgoden) en in het deelgenootschap van de 'metochoi' - de deelgenoten gaat het ook om een gemeenschap onder elkaar. Zie: C. den Boer, Op verkenning, Barneveld 1994/5, blz. 96. J. Calvijn, a.w., blz. 175 schrijft: 'Wij moeten eerst in Christus ingelijfd worden, opdat wij onder elkander verenigd worden.' En Werner de Boor in de Wuppertaler Studiënbibel (a.w., S. 170) schrijft: `In dem gemeinsamen Essen von dem einen Brot, in dem gemeinsamen Anteil an dem einen geopferten Christusleib vollzieht sich real die Leibwerdung der vielen.'
11. O.i. is er geen reden om bij 'beker' meer te denken aan de verticale dimensie en bij brood aan de horinzontale, zoals Gordon D. Fee (a.w., p. 467) in navolging van Jeremias suggereert. Het bloed en het lichaam van Christus waarvan beker en brood de symbolen zijn, zijn twee parallelle uitdrukkingen in vs. 16 die tezamen staan voor Christus Zelf in het offer van Zijn leven. N.B.: dat hier de beker eerst genoemd wordt (i.t.t. 1 Kor. 11 : 23vv), kan verband houden met Paulus' wens om vooral de nadruk te willen leggen op Christus' verzoenend bloed als de gemeenschap van het nieuwe verbond.

Iets anders is, dat het woord 'gemeenschap', zowel het 'verticale' (met Christus) als het 'horizontale' (onder elkaar als lichaam van Christus) behelst. En iets anders is, dat het lichaam van Christus bij Paulus zowel de historische Jezus alsook de gemeente als Zijn lichaam aanduidt. Zie ook 1 Kor. 11 : 29; 12 : 12v.


12. Gr. 'to potèrion tès eulogias' - de beker van de zegening/ lofprijzing. Zie H. L. Strack-P. Billerbeck, a.w., IV, S. 627 ff en G. Kittel, a.w., II, S. 760.
13. Het gaat hier niet om het eten van het offervlees door priesters (zie 1 Kor. 9 : 13), maar door gelovige bezoekers van de tempel (zie Deut. 14 : 22-27). Dit in tegenstelling tot H. D. Wendland a.w., S. 81 die meent, dat het hier gaat om de priesters als altaargenoten (Lev. 7 : 6). Over het Heilig Avondmaal als offermaaltijd zie H. Ridderbos, Paulus, Kampen 1966, blz. 464vv.
14. Men kan hier wel een tegenstelling maken met Israël naar de Geest ('kata pneuma'). Maar dan moet men Paulus bij het 'geestelijke Israël' wel laten denken aan wat hij schrijft in Rom. 2 : 28v (en daar heeft hij het ook over het lijfelijke Israël). Helaas spreekt Leon Morris (a.w., blz. 144) hier weer over het 'fysische Israël, van het ware Israël de kerk (Gal. 6 : 16) te onderscheiden'.
15. 'De heidenen' is een toevoeging in een aantal handschriften, vermoedelijk om te voorkomen, dat iemand zou denken, dat het hier (nog steeds, vs. 18) over het offeren van Israël naar het vlees zou gaan.
16. Zie Ps. 96 : 5 (in de LXX: want al de goden der volken zijn demonen); 106 : 37; Jes. 65 : 3 (LXX); 65 : 11 (LXX).

17. Hier weer hetzelfde Griekse werkwoord 'metechein' - deelgenoot zijn als in vs. 17 (zie noot 10).
18. 'Kurios' is hier de Heere Christus (zie het voorgaande vs. over de beker des Heeren).
19. Gr. 'paradzèloöo' = tot naijver verwekken, tergen. Vgl. Ex. 20 : 5; Deut. 32 : 21; Rom. 10 : 11, 14, 19.

  • De Heer is zo getrouw als sterk
  • Aan de maaltijd des Heeren
  • Van tweeën één
  • Gespreksvragen

  • Dovnload 52.51 Kb.