Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


1 Korinthe 8, 7-13 Laat uw broeder niet vallen

Dovnload 1.37 Mb.

1 Korinthe 8, 7-13 Laat uw broeder niet vallen



Datum05.12.2018
Grootte1.37 Mb.

Dovnload 1.37 Mb.

1 Korinthe 8, 7-13
8. Laat uw broeder niet vallen
7 Doch in allen is de kennis niet; maar sommigen, met een geweten van de afgod tot nog toe, eten als iets dat aan de afgoden geofferd is; en hun geweten, zwak zijnde, wordt bevlekt.

8 De spijs nu maakt ons Gode niet aangenaam; want hetzij dat wij eten, wij hebben geen overvloed; en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek.

9 Maar ziet toe, dat deze uw macht niet enigerwijze een aanstoot wordt voor hen, die zwak zijn.

10 Want zo iemand u, die de kennis hebt, in de tempel der afgoden ziet aanzitten, zal het geweten van hem, die zwak is, niet gestijfd worden, om te eten de dingen, die aan de afgoden geofferd zijn?

11 En zal de broeder, die zwak is, door uw kennis verloren gaan, om welke Christus gestorven is?

12 Doch gij, alzo tegen de broeders zondigende, en hun zwak geweten kwetsende, zondigt tegen Christus.

13 Daarom, indien de spijs mijn broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet erger.
Verklaring
Er zijn christenmensen die graag balanceren. Als een echte koorddanser lopen ze over een dunne draad met een brede balanceerstok in de handen. Ze houden zich keurig in evenwicht. Ze vallen niet gemakkelijk.
Niet iedereen echter verstaat die kunst. Het is ook knap gevaarlijk werk. Men gaat over het randje. Men stapt er gauw genoeg naast. Daarom is het gewoon slecht om tegen elkaar te zeggen, dat je eigenlijk allemaal tot zoiets in staat moet zijn. Integendeel, christenmensen zijn meestal zulke beste koorddansers niet.

Geestelijk koorddansen

Zoals we in onze vorige Bijbelstudie zagen, liepen er in de Korinthische gemeente ook koorddansers onder de christenen rond. Zij verstonden de kunst - naar zij meenden - op de smalste sporen te gaan. Zij waren immers tot het diepe inzicht gekomen, dat alle afgoden prullen en nullen waren. God de Vader en Jezus Christus, die waren voor hen het één en al geworden.


Deze Korinthische christenen waren in de 'leer' goed geschoold. Maar hun weten en kennis (zie vs. 1, 4) dreigde hen lichtelijk overmoedig om niet te zeggen hoogmoedig te maken. Zij waanden zich sterk te staan. Zij meenden zich ook wel de vrijheid te kunnen veroorloven om gewoon - net als vroeger - weer naar de heidense afgodstempels te gaan om daar aan een maaltijd deel te nemen. Dat deden zij zonder enig gewetensbezwaar. Juist omdat heel die heidense context hen gewoon niets meer deed. Zij spoorden wellicht hun medechristenen daartoe ook aan of redeneerden eventuele bezwaren van hun kant daartegen weg. 1.
Maar met dat alles speelden deze mensen wel hoog spel. Want al mag de mens in het geloof de wereld met al zijn genoegens en verlokkingen voor dood en begraven verklaren en al mag hij er blijvend mee rekenen, dat de goden en heren der wereld het allemaal hebben moeten afleggen tegen de macht van Zijn Koning, hij moet tevens niet vergeten, dat zijn kennis van deze dingen hem uiterst kwetsbaar maakt. En hij moet vooral niet denken, dat dit, zijn inzicht in de dingen, het allesbepalende is. Hij loopt gewoon gevaar om al te hoog van de toren te gaan blazen en buiten zijn schoenen te gaan lopen uit pure overmoed en hoogmoed. Potsierlijk christendom, schadelijk ook voor medechristenen. Niet opbouwend, maar opgeblazen.
Welnu, Paulus accordeert met deze Korinthische christenmensen wel in de overtuiging, dat een afgod niets is en dat God de Vader en Jezus Christus de Heere het alleen voor het zeggen hebben. Toch waarschuwt hij hen tegelijk voor geestelijke hoogmoed en vrijbuiterij.

Uit niets van onze perikoop blijkt, dat hij het met hen eens is, dat een hoogstaand christenmens gerust zich weer begeven mag in de oude sfeer van het cultisch heidendom. Integendeel, in 1 Kor. 10 verbiedt hij het met woorden om deel te nemen aan de maaltijden der afgoden. 2.


In 1 Kor. 8 pakt Paulus de Korinthiërs echter nog op een ander punt aan. Hij roept hen op tot grote bedachtzaamheid. Hij heeft het hier immers vooral over de liefde die hij stelt tegenover hun hoogvliegerige kennis. Hij wijst de Korinthiërs erop, dat hun gedrag hen moet ingegeven zijn door broederliefde. En dat in het bijzonder liefde tot de zwakken, die in Korinthe ietwat achterlijk aan de kant kwamen te staan. Paulus neemt het zonder meer voor hen op.
Een christen is geen koorddanser die balancerend naar de eeuwigheid gaat. Zodat iedereen elk moment zijn hart moet vasthouden. Bovendien is hij niet alleen op de wereld. Door zijn doen en laten geeft hij ook een voorbeeld aan anderen. En o zo gemakkelijk vergeet hij dan, dat anderen soms helemaal niet zo sterk zijn in het geloof als hij denkt te zijn. En die zou hij dan wel eens goed in de war kunnen brengen.

Een zwakke broeder

1 Kor. 8:1; 1 Kor. 11:16



Daarom richt Paulus in vs. 7 opeens de schijnwerper op de zwakken in het geloof. Doch in allen is de kennis niet (vs. 7a). Niet iedereen in de christengemeente is even gevorderd in de kennis van geloofszaken. Er zijn er die bepaald nog geen uitgegroeide christelijke persoonlijkheden zijn, die rustig en bedaard kunnen reageren op hun heidense omgeving. Zij zijn ook wellicht nog maar kort geleden getrokken uit de machtssfeer van het heidendom. Het ligt bij hen dus nog hypergevoelig. Het zijn de zwakken.

Maar sommigen, met een geweten van de afgod tot nog toe, eten als iets dat de afgoden geofferd is (vs. 7b). M.a.w. als zij aan tafel zitten in het restaurant van de tempel van één of andere god (daartoe overgehaald wellicht door hun 'sterke' geloofsgenoten), moeten zij bij elke hap van het vlees, aan vroeger denken en aan de gevoelens die toen in hen leefden. Toen ervoeren zij immers aan zo'n maaltijd de religieuze gemeenschap met de godheid in wiens dienst zij opgingen. En die gevoelens kunnen zij niet zomaar even naast zich neerleggen. Het is dus voor hen een grote vraag, of zij - na hun bekering - zich wel mogen wagen aan een gang naar de tempel om zich daar te goed te doen aan al het lekkere en heerlijke dat hun daar wordt voorgeschoteld.
In een tempelrestaurant eet men immers niet maar vlees, zoals iemand dat ergens in een restaurant midden in de stad doet. Of zoals men het thuis kan doen. In een tempelrestaurant eet men afgodsvoedsel. Dat wist voor hen al het water van de zee niet af. Daar is de trekking van de afgodendienst. Het sfeertje van vroeger. 3.
Al zegt men duizend keer tegen hen, dat ze hun gezonde verstand moeten gebruiken, dat alle afgoden niets zijn en dat Jezus Christus, hun Heere en Meester die allemaal de baas is, hun hart veroordeelt hen. En zo wordt dan hun tere geweten belast en bevlekt. Zij voelen zich daar weer opgenomen in het oude zondeleven. Zij proeven weer even de smaak van de oude zondedienst. Het voedsel is en blijft voor hen afgods - eten. Daarom wagen zij zich niet aan die vette maaltijden in de tempel van een afgod.
En moeten we hen niet schoon gelijk geven? Moet iedere christen niet erkennen, dat hij van het oude zondeleven vaak minder los is dan hij in hooggestemde ogenblikken wel eens denkt? Hoe diep ligt de zonde ingebed in het hart van de mens! En hoe gemakkelijk steken oude driften die wij door het geloof de deur gewezen hebben, toch weer niet de kop op! Niemand zegge: het doet me allemaal niets meer. Niemand denke, dat hij niet 'als een gewassen zeug tot de wenteling in het slijk terug kan keren' (2 Petr. 2 : 4). Daarom: blijf op afstand. Volg de veilige weg. Loop niet steeds over de dunne draad. Daar word je doodzenuwachtig van. Het is bovendien te uitdagend om bij de duivel en zijn trawanten nog weer eens even om het hoekje te willen gaan kijken. Alsof een christenmens geen gevaren loopt.
Opgepast dus. Zeg niet eens even tegen een zwakke broeder: 'Kom op, we gaan samen nog eens lekker eten. Doe maar gerust. Ook al is het wel een duistere tent.' Want op die manier leg je een claim op iemands geweten. 4.
Rom. 14 : 1

Paulus schrijft: en hun geweten, zwak zijnde, wordt bevlekt (vs. 7 slot). Een christenmens is niet van ijzer. Hij heeft een geweten. Dat heeft ieder mens. Een binnen - weter, een mee - weter, waardoor hij ongelukkige gevoelens krijgt, als hij iets doet wat niet past. Ieder mens heeft een geweten. Soms een open geweten. Op de dansvloer en in de disco hoort iemand zijn moeder nog wel eens zeggen: 'Kind, bedenk, dat je overal God moet kunnen ontmoeten.' Er zijn echter ook mensen die hun geweten als met een brandijzer hebben toegeschroeid. Zij horen geen stem van moeder meer en ook geen stem van God.


Maar een christen heeft een door het Evangelie opgescherpt geweten dat zich door verstandelijke redeneringen niet weg laat praten. Teer en nauw. Hij kent zichzelf. Hij vreest God. Daarom voelt hij zich vaak zwak van binnen. Heen en weer geslingerd. Als hij er tegen de stem van zijn geweten ingaat, wordt het bevlekt. D.w.z. dat zijn innerlijke rust weggaat. De verhouding met de Heere is verstoord. 5.

Nu zou iemand echter kunnen zeggen (en wellicht hebben de zgn. weters in Korinthe dat ook tegen de zwakken gezegd): 'Ach mens, maak je niet druk. Wat doet het er in feite toe, of je eet of niet eet of waar en hoe je eet? Een christen mag gewoon van het leven genieten. Daardoor wordt je verhouding met God niet bepaald of verstoord.


Hebr. 13 : 9

'Correct', zegt Paulus. 6. Dat is allemaal waar. De spijs nu maakt ons Gode niet aangenaam (vs. 8a). 7. M.a.w. het is niet door voedsel(gebruik), dat wij onze opwachting kunnen maken bij God. Of ook: een mens wordt niet om wat hij eet in Gods gericht gedaagd. God kijkt er niet naar, of je wel `kosjer' eet. Het is hier net als met de besnijdenis. Het al of niet besneden zijn is indifferent. Je krijgt er op zich geen bepaalde status mee bij God. Maak er geen punt van. Maar laten de kenners en fijnproevers van Korinthe op dit punt dan ook niet zo op hun strepen staan. Vgl. Mark. 7 : 1vv; 1 Kor. 7 : 19; Gal. 5 : 6; 6:15.



Want hetzij dat wij eten, wij hebben geen overvloed; en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek (vs.8b). 8. Letterlijk staat hier: want wij zijn niet beter af, als we eten en niet slechter af, als we niet eten. 9. Dus: eten of niet eten op zich geeft de mens geen privileges. Als je eet, ben je anderen niet een flinke stap voor. En als je niet eet, trek je niet aan 't kortste eind en ben je niet een achteropkomer. Het geeft ons geen entreebewijzen voor de hemel. Laten de 'sterken' van Korinthe dat vooral niet denken.

Het struikelblokprincipe

Dus dat is allemaal prima. U mag zo oordelen, Korinthiërs. Het is uw geestelijke vrijheid. Uw 'exousia' - zelfbeschikking. 10. Maar daarom bent u nog niet in principe vrij om te doen en te laten wat u wilt. U kunt redeneren: 'ik ga niet onder de plak zitten van...; ik laat me in mijn bewegingsvrijheid niet beknotten door...; ik heb lak aan wat mensen zeggen'. U kunt inderdaad zeggen: 'De tempel is ontmythologiseerd; ze is in mijn ogen gewoon een eethuis, meer niet.'


Rom. 14 : 13, 20v

Maar laat uw gedrag geen aanstoot worden voor iemand die zwak is. Stap niet met zevenmijlslaarzen over je naaste heen. Want al hebt u in principe de vrije keus, daar is ook nog zoiets als 'het struikelblokprincipe'. Soms moet iemand gewoon iets laten ter wille van zijn broeder. 11.



Maar ziet toe 12, dat deze uw macht niet enigerwijze een aanstoot wordt voor hen die zwak zijn (vs. 9). Met al uw weten en in al de vrijheid die u zich meent te kunnen veroorloven, kunt u inmiddels wel een struikelblok worden voor hen die zwak zijn.
Dan maakt u dus misbruik van uw macht. Tere en gewetensvolle mensen zouden door uw doen wel eens het verkeerde spoor op kunnen gaan. 13. En zo zou u uw broeder - letterlijk en figuurlijk - klem zetten en laten vallen.
Want zo iemand u, die de kennis hebt, in de tempel der afgoden ziet aanzitten... (vs. lOa). Denken we ons deze situatie in. Er is een christen die stevig op zijn benen staat, goed onderlegd in de leer en met een innerlijk afweermechanisme ook tegen alle wereldse principes. Een sterke christelijke persoonlijkheid dus, die voor geen kleintje vervaard is en die desnoods overal op afstapt: wie doet me wat? Hij nodigt een medechristen uit voor een etentje in een of ander duister geval waar van alles en nog wat te beleven is. Als in der afgoden tempel van Korinthe. Maar die medechristen is nog slechts onlangs door God uit de kroeg of de onderwereld opgehaald en bekeerd. 'Kom man, maak er geen probleem van; sterke benen kunnen die weelde wel dragen, niet waar?' Vlees uit een tempelrestaurant of vlees gekocht bij de slager op de hoek van de straat, wat maakt dat uit?
Rom. 14:1

En daar zitten ze dan. De man die nog zo kort geleden uit die sfeer is weggehaald, hoort weer de muziek van eertijds, ziet weer dat gedoe van iedereen, waar hij zo'n afkeer van kreeg. Zal hij er niet onpasselijk van worden? Moet hij niet denken: hoe houdt mijn broeder het hier eigenlijk uit? 14. Zijn innerlijk wordt beroerd. Hij voelt zich over de streep gehaald. Maar weldra pakt hij zichzelf toch eens flink bij de arm en zegt: 'Joh, doe niet zo kinderachtig; tast toe; geniet er maar van.' Paulus schrijft: zal het geweten van hem die zwak is, niet gestijfd worden om te eten de dingen die de afgoden geofferd zijn? (vs. 1Ob). Met het gestijfd worden van het geweten bedoelt de apostel, dat de man in kwestie het geweten van zijn broeder ertoe aanmoedigt om te eten wat aan de afgoden geofferd is (‘t kan echt geen kwaad, man'). Met de bedoeling, dat deze broeder over zijn scrupules leert heenstappen en zal groeien in zijn christen zijn. Maar het geweten van die broeder wordt inmiddels wel geweld aangedaan. 15. Hij kan toch de smaak maar moeilijk te pakken krijgen. Of wellicht - en dat ligt het meest voor de hand - krijgt hij er juist wel de smaak weer van te pakken. Zijn geweten is het zwijgen opgelegd. Hij komt weer helemaal in de sfeer van vroeger. Het was toch allemaal zo gek niet. En het kan toch ook allemaal best gecombineerd worden met een christenleven. Want een christen staat er immers boven? En een christen is toch immers vrij? Welnu, is met dit alles dan uw broeder gesticht en opgebouwd in het geloof?


Rom. 14 : 15

Want wat is het resultaat? De man valt weldra weer te rug in zijn oude zondebestaan. Er zijn geen grenzen meer. Hij ademt weer op. Hij veroorlooft zich de nodige uitspattingen. Carpe diem. Hij komt wellicht van het café in

het bordeel terecht. Een christen is geen kniesoor. Dat mag iedereen weten. Maar ondertussen is de man wel bezig om verloren te gaan, op weg naar het

(eeuwig) verderf. 16 En zal de broeder die zwak is, door uw kennis verloren gaan, om welke Christus gestorven is? (vs. 11). Zo schrijft Paulus. Dat hebt u er dan nu van. Christus nam deze mens voor Zijn rekening. Hij stortte Zijn bloed om zijnentwil (tot zijn behoud) op Golgotha. Hij is dus duur gekocht en betaald. En moet hij dan nu zijn leven zo gaan verslingeren? Dat kan toch niet lijden? 17.

Daarom vervolgt Paulus met een ernstige waarschuwing aan het adres van de weters en kenners van Korinthe. Doch gij, alzo tegen de broeders zondigende en hun zwak geweten kwetsende, zondigt tegen Christus (vs. 12). Dat 'stijven' van iemands geweten (vs. 10) is in de praktijk een kwetsen van het geweten. 18. U hebt uw broeder in feite toegetakeld. De man is straks nergens meer. En is dat niet een zondigen tegen de broeders? Het is zondigen tegen Christus (vgl. Matth. 25 : 45). En dat is doodernstig te nemen.

U bent gemeenteverwoestend bezig geweest. En noem dat dan maar gemeenteopbouw.



Van kwaad tot erger

Helaas, deze praktijk komt ook vandaag voor. Want op ethisch terrein worden de bakens ook tegenwoordig behoorlijk verzet. Er schijnt geen tijdgeest te zijn die in de kerk niet in de kaart moet worden gespeeld. Welk een vrijheden veroorlooft zich de religieuze mens vandaag niet? Hoe worden de gewetens afgestompt. Hoe velen vliegen argeloos als een vogel in de vogelklem.


Er wordt ook in onze dagen druk zand in de ogen der mensen gestrooid. Nog niet lang geleden moest iedereen aan de gedachte wennen, dat het gebruik van de anticonceptiepil zeer aan te bevelen was. Daarna dat het doden van ongewenste kinderen in de moederschoot geen moord was, maar een sociale daad. Thans dat mensen die niet zelf om levensbeëindiging kunnen vragen, na zgn. zorgvuldig medisch handelen, van het hun door God gegeven leven mogen of desnoods moeten worden beroofd.

Alles went op den duur. Ook dat wij ongemerkt - van het ene compromis naar het andere - weer midden in het barbarendom van vroeger zijn terecht gekomen. En dat is dan die hooggeroemde verzorgingsstaat waarin wij leven. Zo onveilig geworden als 't maar kan.


En waar is dan in zo'n tijd nog de roepstem van kerk en christendom? Waar worden nog de grenzen bewaakt? Zo ooit, dan is het nu de tijd om terug te keren op onze schreden. En om ermee op te houden - ethisch en moreel - tot aan de uiterste grenzen te willen gaan.
Rom. 14 : 13, 20v

Tenslotte. Een algemene conclusie. Een stelregel die men noch in Korinthe noch onder ons ooit vergeten mag. Daarom, indien de spijs mijn broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet erger (vs. 13).


Vlees eten. Dat is de 'casus' waarover het gaat in 1 Kor. 8. Nu, de apostel past de zaak toe op zichzelf. Het zou hem geen moeite kosten om nooit vlees te eten, als hij daardoor iemand op het verkeerde pad zou brengen. Stel dat hij geen geld had om vlees te kopen en dat een invitatie in een tempelrestaurant, zijn enige kans zou zijn om nog eens een stuk vlees op zijn bordje te krijgen, dan zou hij nog voor de eer bedanken. En wij moeten het ook doen. 19.
Matth. 17 : 27

Er zijn van die dingen in het leven die men in naam van de christelijke vrijheid meent te kunnen doen. Maar die men toch perse moet nalaten. Gewoon omdat die dingen ons en onze broeder van kwaad tot erger brengen. Het zijn struikelblokken op weg naar de zaligheid.


Pas het toe op wat u eet. Vlees in een afgodstempel. Een vette tafel in een nachtclub. Liever een eeuwige vegetariër dan dat. Pas het toe op wat u drinkt. In het gezelschap van hen die net van de drank verlost zijn en daarom geheelonthouder zijn geworden. Een koffiehuis is soms wel zo goed als een café. Pas het toe op het gebruik van de media. Zeg niet zo gemakkelijk: 'Mens, een t.v. in huis kan geen kwaad; je bent toch immers zelf de baas over de knop.' In één woord: pas deze algemene stelregel van 1 Kor. 8:13 maar toe op heel uw handel en wandel.
Als u bemerkt, dat een medechristen zich door uw optreden klem gaat lopen, moet u het laten. 't Is een schandaal. Pas u aan. Loop niet steeds op het randje. Dat is voor uzelf niet goed. En het is het ook niet voor die u omringen. In de gemeente die naar Christus' Naam genoemd is, hebben wij gewetensvol met elkaar om te gaan. Daar wordt de christelijke vrijheid niet aangewend voor allerlei geestelijke hoogstandjes en nog minder om de broeder op het hart te trappen. 20.
Iemand zou tenslotte kunnen vragen, of dit alles dan betekent, dat wij aan de grillen van iedere broeder of zuster in de gemeente maar moeten toegeven, opdat wij hem/haar toch maar niet zouden ergeren. Soms ergeren mensen zich aan de kleinste pietluttigheden, aan dingen waar geen zaligheid mee staat of valt. Als je je daaraan altijd maar gelegen moet laten liggen, word je een marionet of een kameleon die steeds de kleur van zijn omgeving aanneemt.
Inderdaad, als de mensen die op elk slakje zout leggen en iedereen hun eigenzinnige mening willen opdringen, het voor het zeggen krijgen, komen we spoedig terecht in de dictatuur van de kleine luiden die altijd wel iets hebben dat hen irriteert. Inderdaad, het is ook wel eens nodig, dat wij tegen licht geïrriteerde mensen zeggen: `Mens, erger je niet.' 'Maak niet van een mug een olifant.'

De Bijbel gebiedt ons niet altijd maar het oor te lenen aan de grillen van onze medemensen. Want dan zouden wij geen leven hebben. 21.


Geve God ons echter allen wel de wijsheid waaraan het in Korinthe veelszins ontbrak, nl. om te onderscheiden tussen halszaken en bijzaken. En geve God ons bovenal een liefde die altijd het eeuwig welzijn van de broeder beoogt.

Gespreksvragen

1. De wijzen/sterken van Korinthe meenden met gebruik van redelijke argumenten hun zwakke broeders te kunnen aanmoedigen tot een vrij christenleven. Paulus veroordeelt dit. Waarom?

2. Kunt u er voorbeelden van noemen, hoe wij soms zonder het zelf te beseffen - goed bedoeld misschien - een ander op een dwaalspoor brengen?

3. In de perikoop wordt één en andermaal over het geweten gesproken. Kunnen wij altijd een beroep doen op iemands geweten? Is er ook zoiets als een christelijk geweten? Is er ook verschil tussen een zwak geweten en een zwak zenuwgestel?

4. In vs. 8 doet Paulus een uitspraak over al of niet eten. Betekent deze uitspraak, dat God niet te maken heeft met ons voedsel (wat, hoe en waar we eten)?

5. Hoe kan een broeder, om wie Christus gestorven is, verloren gaan (vs. 11)?

6. Betekent vs. 13, dat wij t.w.v. een vegetariër b.v. in ons gezin het eten van dierlijk voedsel beter achterwege kunnen laten? Om aanstootgevend gedrag te voorkomen.

7. In Korinthe kregen de arme mensen vermoedelijk bepaald niet elke dag vlees op hun bord. Kunt u zich voorstellen, dat een uitnodiging voor een vleesmaaltijd in een tempelrestaurant voor hen extra betekenis had?



NOTEN



1. De kernwoorden in de perikoop zijn: kennis (wijsheid), macht ('exousia') en vrijheid. Het was daardoor - dacht men in Korinthe - dat men werkelijk opbouwend, dus ook de broeder stichtend bezig kon zijn (zie vs. 10). Paulus wijst hen er echter op, dat zij trots zijn (zie ook 3:18vv) en vindt, dat men er de gemeente mee ruïneert (zie 3 : 16w).

Liefde (Gr. 'agapè') is volgens Paulus de basis voor alle christelijk gedrag en gemeente-opbouwwerk. Zie: Rom. 13 : 8; 14 : 15; 1 Kor. 13; 2 Kor. 2 : 8; Gal. 5 : 6, 13, 22; 1 Thess. 3 : 12.


2. Zie noot 18 van het voorgaande hoofdstuk.
3. 'Met een geweten des afgods tot nog toe' kan ook vertaald worden met: vanwege hun gewend zijn (Gr. `sunètheia') tot op dit moment aan de afgod. In de Griekse uitgave van Nestle-Aland van het Griekse NT wordt voor het woord `sunètheia' gekozen. Vgl. Joh. 18 : 39; 1 Kor. 11 : 16. In een reeks andere handschriften, waarvan ook o.a. de Statenvertaling uitgaat, komt het woord 'suneidèsis' (geweten) voor.
4. Het woord 'geweten' komt in de eerste Korinthebrief (naast 1 Kor. 4 : 4) acht keer voor (8 : 7-12 en 10 : 25-29). Verder komen we het woord drie keer in de brief aan de Romeinen, drie keer in 2 Korinthe en 6 keer in de Pastorale Brieven tegen. Verder ook in Handelingen, Hebreeën en 1 Petrus. Het woord komt overeen met wat in het OT het hart van de mens wordt genoemd. De gedachte, dat Paulus het woord aan de Stoa heeft ontleend, is niet houdbaar. Zie Gordon D. Fee, a.w. , p. 380 f. Hij omschrijft het woord als: moreel bewustzijn. Werner de Boor, a.w., S. 145 spreekt over het geweten als 'de plek in ons waarop Gods stem voor ons waarneembaar wordt' (op zich is het geweten geen Goddelijke wegwijzer meer).
5. Het Griekse werkwoord 'molunoo' = bevlekken. Het woord komt alleen hier bij Paulus voor.
6. Paulus gaat in vs. 8 in feite op het standpunt van de 'sterken' van Korinthe staan. Zo deed hij het ook in vs. 1 en 4vv. Om van daaruit zijn apostolische vermaningen te geven. Het Griekse woord 'brooma' = voedsel in het algemeen. Hier dus een algemene stelregel.
7. Het Griekse werkwoord 'paristèmi' = presenteren aan... (futurum; sommige handschriften hebben de tegenwoordige tijd). Zie G. Kittel, a.w., V, S. 838 waar het woord 'paristèmi' in verband wordt gebracht met een hofceremonieel; het betekent dan: bij de koning staan. Anderen zien er een technische term in van: voor de rechter (doen)komen, dagvaarden.
8. 'Perisseuoo' (Gr) = overvloeien, voordeel of een pré hebben, nl. in het naderen tot God. En 'hustereoo' (Gr) = achterblijven, nadeel hebben of achterstand oplopen, nl. in het naderen tot God.

9. De tekst die gevolgd wordt in de Griekse uitgave van Nestle-Aland van het NT luidt vertaald: hetzij dat wij niet eten, wij zijn niet slechter af en hetzij wij eten, wij zijn niet beter af. Een reeks handschriften (gevolgd door de Statenvertaling) keert de beide zinsdelen om; eerst: eten ('niet beter af'), dan: niet eten ('niet slechter af'). Een enkel handschrift plaatst de werkwoorden omgekeerd ('beter af' bij: niet eten en 'slechter af' bij: eten; dus: als wij niet eten, wij zijn niet beter af en als wij eten, wij zijn niet slechter af). De laatste weergave van de tekst is wel een fout van een overschrijver (waardoor de tekst begrijpelijker werd).
10. Voor het Griekse 'exousia' zie: 1 Kor. 6 : 12; 10 : 23.
11. H. Conzelmann: 'Neutraliteit van voedsel betekent geen neutraliteit van gedrag' (Zie Gordon D. Fee, a.w., p. 384).
12. Ziet toe (Gr. 'blepete'). Zie 1 Kor. 3 : 10; 10 : 12; Gal. 5 : 15.
13. Het Griekse 'proskomma' = struikelblok. Het woord komt alleen hier voor in 1 Korinthe. Vgl. Rom. 9 : 32vv; 1 Petr. 2 : 8. Vgl. ook Rom. 14 : 13, 20. In 1 Kor. 8 : 13 wordt - als synoniem voor 'aanstoot geven' het Griekse woord 'skandalidzoo' - ergeren (klem zetten) gebruikt. De woorden betekenen: iemand laten vastlopen, laten struikelen, in de val laten lopen. Dus: niet zozeer: irriteren (innerlijk verzet oproepen), maar meer: tot iets 'ergs' verleiden.

14. We gaan uit van de gedachte, dat Paulus zoiets veronderstelt in het begin van vs 10. De `broeder' ziet de man die de kennis heeft immers aanzitten. Aangenomen kan worden, dat Paulus dus een situatie op het oog heeft, waarin de sterke de zwakke over de streep heeft gehaald.
15. Hier wordt hetzelfde Griekse woord 'oikodomeoo' - stichten, opbouwen gebruikt als in vs. 1. Het kan ironisch bedoeld zijn. Dus: vindt u dat stichtelijk? Is dit opbouwend? Het ligt echter meer voor de hand om het woord `stichten' hier op te vatten in de zin van: aanmoedigen, verstouten. Zie H. L. Strack-P. Billerbeck, a. w., III, S. 379.
16. Het Griekse werkwoord 'apollumi' staat in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Vgl. 1 Kor. 1 : 18; 10 : 9v; 15 : 18). D.w.z. dat de man over wie het hier gaat het spoor van het (eeuwig) verderf gaat bewandelen. De zin begint evenals vs. 10 met het Griekse 'gar' - want (een aantal handschriften vervangt dit woord door 'kai' - en; ook wel door 'oun' - nu). Beide zinnen geven de reden aan van wat Paulus in vs. 9 schreef, nl. waarom het zo 'erg' is om zo met een broeder om te gaan: want zijn geweten wordt 'vergewaltigt' en hij raakt het spoor bijster, gaat de weg van het (eeuwig) verderf op.

Wij verschillen dus van mening met Curtis Vaughan/Thomas D. Lea (a.w., p. 91) en Leon Morris (a.w., p. 125f) die de verklaring van F. F. Bruce overnemen: 'It is not the man's etemal perdition, but the stunting of his Christian life and usefulness by the "wounding" of his conscience...' Zo ook F. W. Grosheide in zijn verklaring van dit vers.


17. Het is onjuist om hier de vraag naar de afval van heiligen ter sprake te brengen (H. Conzelmann). Paulus constateert hier immers niet, dat een christen weer tot algehele afval kan komen. Hij waarschuwt. En hij waarschuwt tegen elke stap op de weg van het verderf. Zoals ook in Hebr. 6 waar van de afvallige gezegd wordt, dat hij Christus opnieuw kruisigt.
18. Het Griekse werkwoord 'tuptoo' = (in de banden) slaan, verwonden. Voor het Griekse 'skandalidzoo' zie ook Matth. 5 : 29v; 18 : 6vv.
19. Gr. 'krea' (meervoud van 'kreas') = vlees van een dier. Vgl. ons woord pankreasklier - alvleesklier. Gordon D. Fee (a.w., p. 389) stemt in met Theissen, wanneer deze suggereert, dat het eten van (offer)vlees in Korinthe ook een sociologisch probleem was. Voor de armen die geen geld hadden om vlees te kopen en bij wijze van uitzondering een vleesmaaltijd in een tempelrestaurant zullen hebben gebruikt, was vlees dus een bijzondere, religieuze 'lekkernij' (een godsdienstige 'specialité de la maison').
20. We citeren tenslotte Werner de Boor in zijn praktische conclusie waarmee hij de behandeling van 1 Kor. 8 (a w., S. 148, Anm. 13) besluit: `Es hat noch niemand nachweisen können, warum der Genusz von Nikotin "sundiger" sein soli als der Genusz von Koffein. Aber wenn ein Christ, vielleicht sogar ein "namhafter" Prediger, durch sein Rauchen anders denkende Bruder dazu bringt, nun auch mit einem geschlagenen Gewissen die Zigarette wieder hervorzuholen, der sie vor Gott entsagt hatten, denn gilt diesem Christen genau das ernste Wort des Paulus in unserem Abschnitt.'
21. J. Calvijn (a.w., blz. 147) noemt als voorbeeld: het niet eten van vlees op de vrijdag, omdat iemand (die op die dag vast) zich daaraan zou kunnen ergeren. Ook het bijwonen van 'missen en andere gruwelijkheden' om ergernis te voorkomen.

Zie verder de laatste pagina met een afbeelding van een Asclepios-tempel in Korinthe.





  • Geestelijk koorddansen
  • Een zwakke broeder
  • Het struikelblokprincipe
  • Van kwaad tot erger
  • Gespreksvragen

  • Dovnload 1.37 Mb.