Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


1. Probleemstelling 1 Vertrouwdheid en verwondering

Dovnload 422.08 Kb.

1. Probleemstelling 1 Vertrouwdheid en verwondering



Pagina1/18
Datum01.08.2017
Grootte422.08 Kb.

Dovnload 422.08 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18

Fundamentele wijsbegeerte

Inleiding


1. Probleemstelling

1.1 Vertrouwdheid en verwondering


  • Werkelijkheid is ons altijd al vertrouwd

  • Soms valt die vertrouwdheid weg: alles is niet zo evident

  • Deze ervaring

    • Is dramatisch/destructief/destabiliserend

    • Is productief/creatief

    • Geeft aanleiding tot reflectie: ‘verwondering’ = nadenken



1.2 Verwondering en contingentie


  • Verwondering = grondervaring (pathos) dat wat we ondergaan niet vanzelfsprekend is

  • Contingent = wat toevallig is, wat ook anders kan zijn / had kunnen zijn

 ‘Verwondering ontstaat door wat feitelijk gegeven is te contrasteren met wat mogelijk is’

1.3 Contingentie en orde


  • In volstrekte contingentie valt niet te leven

  • Vertrouwen alleen als vertrekpunt  Nood aan orde



1.4 Denken als ordenen


  • Denken = ordenen/beheersen van het contingente

    • Collectief: cultuur

    • Individueel: identiteit

  • Interpretatie kan verstenen tot vanzelfsprekendheid

    • = nieuwe orde die verwondering opnieuw uitlokt

  • Wisselwerking:

    • Verwondering tegen achtergrond van bestaande orde

    • Verwondering lokt nieuwe betekenissamenhang (orde) uit

  • Verschillende manieren om orde te scheppen

  • Filosofie stelt bijzonder soort vragen:

    • Vraagt naar rationaliteit van elke mogelijke ordening:

      • Cultuur, wetenschap, dagelijkse omgang

    • Hoopt zo inzicht te brengen in de plaats van de mens in de wereld

  • Dus:

Eigenheid van de filosofie?

  • Filosofie is reflexief

  • Filosofie is ongebonden

    • ó mythe/geloof en ó wetenschap



2. Theoretische modellen

2.1 Scepticisme




2.2 Relativisme


  • Alle kennis van de werkelijkheid is relatief ten opzichte van de positie of het perspectief van het kennend subject.

  • Ultieme kennis is onmogelijk.

  • Hangt af van de interpretatie.

  • Onze voorstelling van de realiteit zegt niks over de realiteit zelf, maar over de positie en het perspectief van de waarnemer.



2.3 Realisme


  • Werkelijkheid bestaat onafhankelijk van het denken, en dat het denken in staat is die werkelijkheid te achterhalen.

  • We moeten de werkelijkheid meten met onze zintuigen.



2.4 Idealisme


  • Geen werkelijkheid bestaat onafhankelijk van onze denkinhouden. Bestaan van de werkelijkheid wordt bevestigd in ons denken zelf.

  • De gekende werkelijkheid is een product van ons denken, verschijnt op die manier als een gestalte van het denken.

  • Waarnemen door de rede.



3. Historische evoluties


  • Oudheid en middeleeuwen: ZIJN & WORDEN

    • Kennis staat vast, slaat op de menselijke natuur (relativisme)

    • Denken ondergedompeld in vreemde wereld

    • Waarheid buiten de mens

  • Moderne tijd: SUBJECT ALS C ENTRUM

    • Mens = denkend subject in een objectieve wereld (realisme)

    • Waarheid binnen de mens

  • Hedendaagse tijd: SUBJECT GEDECENTREERD

    • We staan altijd op een bepaalde manier in de werkelijkheid, dit maakt dan ook je visie op de realiteit (idealisme)

    • Menselijke bestaan is tijdelijk en eindig

    • Denken als deel van de werkelijkheid

4. Filosofie versus andere denkvormen


  • Wat is de verhouding tussen denken en zijn? Is de structuur in de wereld iets van het denken, of van het zijn?

    • Oudheid en ME: realisme, waarheid buiten de mens

    • Moderniteit: idealisme, het fundament wordt binnen de mens gezocht

    • Hedendaagse tijd: decentralisering van het subject





  • De oudheid: filosofie en mythe

  • De middeleeuwen: filosofie en geloof

  • Moderne tijd: filosofie en moderne wetenschappen

  • Hedendaagse tijd: filosofie en menswetenschappen


Deel I: Denken en Werkelijkheid
Hoofdstuk 1: Op zoek naar een stabiele werkelijkheid. Denken in de Oudheid

1. De oorsprong van het denken

1.1 Van mythe naar logos





  • Voor zesde eeuw: orale Griekse cultuur

    • Mondelinge overlevering

    • Normen-en waardesysteem ligt vast

    • Mythe beantwoord verwondering

    • Sacralisering met mysterieuze en goddelijke krachten

    • Mythe vertelt over oergebeurtenis die zich buiten de tijd bevindt

      • Verklaring bevestigt en legitimeert het bestaande

  • Zesde eeuw: cultuurschok

    • Contact met vreemde volkeren  nieuwe wereldbeschouwing

    • Van oraliteit naar schriftcultuur

    • Desacralisering van de werkelijkheid

    • Verklaringen van werkelijkheid zoeken door rationaliteit

    • Universaliteit van de rede

1.1.1 Mythe


  • = is een verhaal dat de wereldordening of wezenlijke kenmerken van de menselijke conditie verklaart door te vertellen hoe die tot stand zijn gekomen (genese) als gevolg van bepaalde gebeurtenissen die zich afspelen in oertijd

  • Doel = beheersing van een mysterieuze wereld



1.1.2 Rationaliteit


  • Methodische aanpak voor verklaring van de wereld

  • Universeel geldig = verklaring geldig voor alle dingen

  • Objectief inzichtelijk = iedereen kan het verstaan

  • Systematisch geordend = samenhang tussen dangen



1.1.3 Het Griekse wonder


  • Dynamiek van de cultuurschok die zal leiden tot ontstaan filosofie

    • Mythe => mytho-logie => logos



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18

  • 1.2 Verwondering en contingentie
  • 1.3 Contingentie en orde
  • 2. Theoretische modellen 2.1 Scepticisme
  • 3. Historische evoluties
  • 4. Filosofie versus andere denkvormen
  • 1. De oorsprong van het denken 1.1 Van mythe naar logos
  • 1.1.3 Het Griekse wonder

  • Dovnload 422.08 Kb.