Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


1 Sturen en manoeuvreren Het sturen zelf 1 Hoe werkt het roer

Dovnload 27.06 Kb.

1 Sturen en manoeuvreren Het sturen zelf 1 Hoe werkt het roer



Datum28.06.2018
Grootte27.06 Kb.

Dovnload 27.06 Kb.

Sturen en manoeuvreren.

1 Sturen en manoeuvreren



1.1. Het sturen zelf

1.1.1 Hoe werkt het roer
De stuurman stuurt de boot door het roer te verdraaien. Het roer werkt alleen als er water langs stroomt dus als de boot snelheid ten opzichte van het water heeft.  Zo gauw het roer een hoek maakt met de vaarrichting ontstaat er dan een drukverschil tussen de beide zijden van het roer. Dat drukverschil veroorzaakt een kracht dwars op het roervlak. Deze kracht kunnen we ontbinden in een kracht dwars op de boot en een kracht in de lengte richting die de boot remt. De kracht dwars op de boot is de stuurkracht die we willen oproepen; de remkracht is een ongewenst neveneffect. Hoe meer roer we geven hoe groter het drukverschil en dus ook de kracht dwars op het roerblad wordt. Maar tegelijkertijd wordt de verhouding tussen stuur- en remkracht ongunstiger. Als het roer dwars staat remmen we alleen nog maar. Door het roertje direct achter de scheg te zetten wekken we bij het sturen ook een drukverschil achter de scheg op en ontstaat er dus een veel betere verhouding tussen stuur en remkracht immers het drukverschil over de scheg is 100 % stuurkracht. De moderne roertjes onder de boot zijn veel kleiner dan de vroegere aangehangen roeren. Dit is mogelijk omdat de effectiviteit onderwater groter is dan in de turbulente laag tussen lucht en water waar de oude roeren werken. Dat een wherry en  C materiaal makkelijker sturen ligt dus vooral aan de beperkte bootlengte en minder aan de omvang van het roer.

1.1.2 Wat gebeurt er bij het sturen
Door het sturen wordt er op de plaats van het roertje kracht op de boot uitgeoefend. Anders dan bij auto of fiets gebeurt dat ergens aan de achterkant. Je stuurt dus vooral de achtersteven naar de buitenkant van de bocht en in veel mindere mate de voorsteven naar de binnenkant. Het is buitengewoon belangrijk om voor iedere boot die je stuurt een goed gevoel te krijgen voor de verhouding van de twee verplaatsingen. Wil je bijvoorbeeld een acht door een smalle brug sturen dan moet je als het ware eerst de voorsteven op de goede lijn brengen en dan de rest van de boot op die koerslijn sturen. Het is dus anders dan bij de auto waar de rest vanzelf  de voorkant volgt. Het betekent ook dat als je dicht langs de oever vaart het heel moeilijk is om van die oever weg te sturen. Net als een auto die je achteruit van de stoeprand weg moet rijden. Bij een wherry valt dat nog mee omdat de riemen dicht bij elkaar in het midden zitten en het roertje nog veel ruimte heeft ook als de riemen dicht langs de kant gaan. Bij een acht zitten de riemen over zo grote lengte dat de stuurmogelijkheid in zo’n geval veel beperkter is. De stuurman van een vier of acht moet er dus steeds voor waken dat hij voldoende manoeuvreerruimte overhoudt; komt hij te dicht bij de wal dan kan hij daar alleen onder een heel flauwe hoek van weg varen. Vaak zal hij dan ook weg moeten strijken. Soms zullen dan alleen de boegroeiers nog kunnen roeien.

1.1.3 Wanneer sturen
Men neemt aan dat sturen tijdens de haal wordt tegengewerkt door de halende roeiers. Met andere woorden de roeiers bepalen de koers en veel minder de stuurkracht van het roertje. Het zou dus efficiënt zijn om vooral tijdens de recover te sturen. Dit is echter wel het moment dat de balans makkelijker verstoord wordt. Het sturen heeft invloed op de balans. Hierbij spelen drie factoren een rol: Bewegingen als gevolg van het kijken en daarbij opzij leunen van de stuurman, de middelpuntvliedende kracht en tenslotte de stuurkracht die zeker bij smalle boten onder het zwaartepunt aangrijpt en tegen de middelpunt vliedende kracht inwerkt. De stuurman moet proberen om met zijn acties de balans zo weinig mogelijk te verstoren. En in de praktijk het gevoel ontwikkelen hoe dit het beste gaat.

1.1.4 Sturen met de riemen
In principe is het sturen met de riemen in een roeiboot een veel effectiever middel dan met een roertje. Op twee punten winnen de riemen het van het roertje; Er is geen watersnelheid nodig, het kan  dus bij stilliggende boot. Door het andere aangrijpingspunt zijn de draaicirkels van boeg en achtersteven veel meer aan elkaar gelijk, je beweegt zowel boeg als achtersteven, de boot draait veel meer om zijn middelpunt. Het enige minpunt is de mate waarin dit sturen in ploegen met meer dan twee roeiers te doseren is. Daarom gebruik je het daar alleen in extreme situaties: scherpe bochten of manoeuvreren vanuit stilstand. Bij stilstand kun je het effect nog vergroten door bij het halen alleen de boegen te laten halen  en bij strijken alleen de slagen. De hefboom is dan nog gunstiger.

1.1.5 Recht sturen
Goed sturen is zo weinig mogelijk sturen, zo goed mogelijk de ideale lijn volgen. Dat betekent dat je je goed bewust moet zijn van alle invloeden die de koers van de boot bepalen, zoals verschillen tussen de roeiers, wind, golven, stroming. Deze zaken zullen in de betreffende hoofdstukken nog aan de orde komen. Net zo belangrijk is hoeveel roer je geeft en wanneer. Het belangrijkste probleem hierbij is dat er altijd tijd verloopt tussen het roergeven en de koersverandering. Als je te ongeduldig bent geef je meer roer omdat er niets lijkt te gebeuren. Tot even later blijkt dat de boot te ver gaat en je weer een stukje terug moet, waarbij zich weer hetzelfde afspeelt. De slag ziet dan een mooi slingerend zog.  Zelf ben je te druk bezig om door te hebben wat er gebeurt. Stuur dus met gevoel en geduld. De beoordeling van de koers van de boot doe je door te kijken hoe de horizon of in elk geval zaken buiten de boot zich ten opzichte van de boot bewegen. Verschuift de horizon die je voor de boot ziet naar links dan beoordeel je dat als sturen naar rechts enz. Als je zonder dat je dat bewust bent je hoofd in de boot verplaatst geeft je dat de indruk dat je van koers verandert. Je ziet de horizon anders ten opzichte van de boot. Als je dit niet goed beoordeelt ga je op basis van die foute informatie sturen. Iets wat later weer gecorrigeerd moet worden. Als je al niet in het midden zit zoals in een wherry en je met de boeg op je doel mikt maak je een grote bocht naar je doel.

1.1.6 Achteruit sturen
Bij het achteruitvaren speelt in het algemeen het roer een ondergeschikte rol. Het is voor de stuurman die met een aangehangen roer werkt bijna onmogelijk om te voorkomen dat het dwars gaat staan. In het gunstigste geval kan hij het roer strak in de midscheeps houden. De kleine roertjes onder het schip kunnen misschien beter bediend worden maar hebben bij de lage snelheid waarmee over het algemeen achteruit gevaren wordt nauwelijks effect. De conclusie is dus: achteruit sturen doe je met de riemen.

1.2. Schijnbare en ware koers

1.2.1 Afwijkingen
De richting waarin de boot beweegt kan door meer factoren bepaald worden. In de eerste plaats is daarbij van belang of de boot zelf een rechte koers vaart of bochten maakt.

1.2.1.1 Vizier
De bocht kan een gevolg zijn van de stand van het roer bijvoorbeeld omdat de stuurman de koers over het verkeerde “vizier” peilt; hij mikt niet met de boeg maar met een stuk van het boord of zit zelf uit het midden maar mikt wel over de boeg.

1.2.1.2 Zijwind
De wind kracht heeft op sommige boten het effect  dat de boeg naar de wind draait (oploeft) of er van af ( afvalt). De stuurman zal moeten zoeken hoe hij dit met een heel klein beetje roer kan compenseren.

1.2.1.3 Golven
Schuin inkomende vooral langere golven hebben meestal forse gevolgen voor de koers en leiden onder bepaalde omstandigheden tot een slingerende beweging. De stuurman dient dan een goede balans te vinden tussen het pareren van alle bewegingen en het laten van de slingerbeweging voor wat hij is.

1.2.1.4 Roeiers
De boot heeft koers afwijkingen door de roeiers. Dit kan zowel een gevolg zijn van het harder trekken van een van de boorden als van het niet goed afmaken van de haal. De slag ziet de achtersteven door het zog kwispelen en kan met de stuurman bepalen wanneer het ongewenste effect optreedt. Als hier niet op gelet wordt zal de stuurman de koersafwijkingen automatisch corrigeren omdat hij geen onderscheid maakt tussen zijn stuuracties en de roeierseffecten. Probeer als stuurman te bekijken wat er gebeurt als je even niet stuurt; geeft dit echte koersverschillen, overleg dan met de slag.

1.2.1.5 Stroomverschillen
Bijzonder verstorend kan stroming zijn als een boot op de overgang tussen snel en minder snel stromend water vaart. Dit is in het algemeen juist het gebied niet te ver van de kant  waar je als roeiboot op de rivieren vaart. Kom je met het stroom opwaartse deel van de boot meer naar het midden in het sneller stromende water dan zal de stroming je koersafwijking onmiddellijk versterken. Dit gebeurt als je stroomafwaarts varend teveel naar de kant koerst en stroomopwaarts varend teveel van de kant af koerst.

1.2.2 Schuine koers
Er zijn ook een aantal factoren die ervoor zorgen dat ook al vaart de boot een rechte koers hij toch verkeerd uitkomt. We zullen een aantal van die gevallen nader bekijken.

1.2.2.1 Stroom kan er voor zorgen dat een overigens keurig recht gestuurde koers toch tot een ongewenste uitkomst leidt. De stroom voegt een snelheidscomponent toe die samen met de snelheid van de boot ten opzichte van het water tot een afwijkende “ware koers” leidt. De richting van het zog geeft  de schijnbare en niet de ware koers aan. Het zog stroomt mee. Je komt dus ergens anders uit dan je dacht.

1.2.2.2 Zijwind  heeft ook invloed op de ware koers. Soms wordt dit nog door de inwerking van golven versterkt. Behalve dat de boot op de schijnbare (gestuurde) koers voortgang maakt wordt hij ook door wind en golven in de windrichting gedreven (verlijeren). Het zog geeft hier wel het verschil tussen de gestuurde en de ware koers aan. Een wherry of een C-2 of C-4 heeft een kielbalk en dus nog enige dwarsweerstand een gladde boot verlijert sneller.

1.2.3 Bijzondere situaties
In een groot aantal bijzondere situaties die nog elders aan de orde zullen komen wordt de koers van de boot door externe oorzaken beïnvloed.  We noemen schepen die langs de wal liggen en de schroef in het werk hebben staan, stromingen langs landtongen en kribben, het spuien van gemalen en bij sluizen, de zuiging van passerende schepen, de neer die tussen kribben en bij zijkanalen van stromende rivieren staat, de stroming rond in de rivier staande brugpijlers, windeffecten bij hoge gebouwen en bij bruggen en sluizen etc. Het is de taak van de stuurman op deze effecten bedacht te zijn en tijdig (tegen)maatregelen te nemen.

1.3. Speciale manoeuvres


1.3.1 Aanleggen en afvaren

1.3.1.1 Aankomen aan een vlot
Normaal zullen bij het aanleggen aan het vlot op het laatste moment de riemen van een boord over het vlot scheren. De boot hangt iets over van het vlot af en de bladen van het andere boord zullen dientengevolge over of door het water gaan. In die situatie zal de boot dus een bocht van het vlot af maken. Daarom zal ook bij een vlot als het onze dat recht in het vaarwater steekt een vlot altijd onder een hoek benaderd worden. In het algemeen geldt hoe langer de boot hoe kleiner die hoek. Dus een skiff komt onder een veel grotere hoek aan dan een acht. Bij de meeste boten zitten de onderste delen van de rigger zo laag dat ze niet boven het vlot blijven. De bootromp moet dus altijd iets van het vlot afblijven. Ook bij in en uitstappen! Bij te dicht langs het vlot varen bestaat niet alleen het risico dat de riggers over het vlot schuren ze kunnen er ook achter blijven haken. Dit kan tot aanzienlijke schade leiden.

1.3.2 Rond maken
Het in beperkt vaarwater draaien van een boot met een zo kort mogelijke draaicirkel is rondmaken. In principe gebeurd dit door de roeiers.  Rondmaken over …boord gelijk: Door met het lichaam de normale slag en recover beweging te maken maar daarbij bij de slag het blad aan het ene boord verticaal  te houden en bij de recover het andere blad waarbij telkens de andere bladen slifferen wordt de boot bijna ter plekke om zijn middelpunt gedraaid. Bij een acht is dit in principe niet toegestaan omdat daarmee een te grote kracht op de boot wordt uitgeoefend. Hierbij moet er dus meer tijd (tenminste de recover) tussen halen en strijken zitten. Rondmaken over …boord ongelijk Als er wind staat of stroming gebruik dan die krachten om je te helpen draaien. Bedenk dat je beter tegen de wind in kunt halen dan strijken.

1.3.3 Boot recht leggen bij start
Lig je met een boot aan de start met zijwind terwijl alleen de achtersteven vastgehouden wordt dan is het moeilijk om de boot op koers te houden. Kleine correcties zijn mogelijk door de boeg of de twee een haaltje te laten maken. Is de afwijking groter dan kan de boeg zijn handle aan de twee geven of de twee aan de drie om zo een grotere richting-correctie uit te voeren.

1.3.4 Te smal vaarwater
Is het vaarwater te smal om aan beide boorden te roeien dan moet de stuurman aan een of beide boorden laten slippen. (handles vasthouden) Let op de balans wordt penibeler. Is de vernauwing een  kort bruggetje of bootje langs de kant dan wordt de hindernis op vaart genomen. Is de vernauwing van het vaarwater langdurig dan moet gekozen worden tussen: -Pieterburen: de riemen zijn aan het ene boord geslipt aan het  andere boord roeit alleen de slag Mits er enige snelheid gemaakt wordt kan dan de stuurman door tegensturen de boot op koers houden. Zou de boeg ook mee roeien dan is het koppel van de boeg niet meer door de stuurman te corrigeren. -Peddelen door de stuurman of een van de roeiers. -Je voortbewegen door je met pikhaak op de wal af te duwen of je voorttrekken aan de onderkant van de brug. Vermijdt in principe het roeien met ingetrokken riemen waarbij niet de manchetten maar de stelen in de dollen draaien. Er treedt in zo’n situatie ongewenste slijtage op, de stelen van kunststofriemen zijn op bijzonder kwetsbaar en door de kleine buitenhandle en grote binnenhandle hebben tikken tegen de wal een heel grote kans op schade. Bovendien is de stand van het blad niet meer bepaald door de hoek in de manchet.


1.3.5 Lage brug
Is een brug te laag om roeiend te passeren dan dient het commando “ bukken over … Slagen “ gevolgd door:” bukken nu” gegeven te worden. Vergeet niet ook zelf te bukken . Let op eventuele vlaggenstokken op je boot! Is de brug nog lager dan wordt het commando bukken vervangen door:” achteroverliggen”. Bij smalle bruggen wordt het dus bukken c.q. achteroverliggen” en slippen”! Geef duidelijk aan wanneer de roeiers weer overeind mogen komen en de riemen weer uitgebracht mogen worden. Waarschuw als er meer dan een brug is of andere obstakels volgen. De handles mogen nooit losgelaten worden. lopen die vast tegen de onderkant van de brug of de wal dan zijn de gevolgen desastreus.

1.4 Golven

1.4.1 Algemeen
De meeste roeiboten zijn niet of nauwelijks geschikt om op echt golvend water te varen. Er zijn natuurlijk verschillen een wherry kan veel meer hebben dan een gladde wedstrijdboot. Dat betekent dat de stuurman moet beoordelen of het water onder de gegeven weersomstandigheden voor zijn boot bevaarbaar is.

1.4.2 Scheepvaart
Het golvenprobleem kan kortstondig worden verergerd door scheepvaart. Doordat de meeste schepen zich door het water voortduwen en daarbij dat water verplaatsen ontstaan er golven die meestal in drie hoofdpatronen zijn te verdelen . De boeggolf: hiervan loopt de kam vanaf de boeg schuin naar achteren. Dit golfprofiel herhaalt zich een aantal malen tot aan het achterschip waarbij de laatste vaak een kamrichting meer dwars op de vaarrichting hebben. Achter het schip ontstaat een langere deining die dwars op de rivier staat. Deze deining kan afhankelijk van rivierdiepte en stroomsnelheid in bepaalde riviervakken eindeloos blijven staan. De golven zijn op twee manieren bedreigend voor de roeiers. De golven kunnen over de boorden heen naar binnen lopen. Nog bedreigender is het als de boot  door lange golven of scheef  op kortere golven zo belast wordt dat hij scheurt of breekt. Bijvoorbeeld doordat voor en achterschip tegelijk opgetild worden en middenschip in een golfdal zit. Het zal duidelijk zijn dat dit risico bij een vier of acht heel anders ligt dan bij een wherry  Let op ook al zal de boot in zo’n situatie niet altijd breken het is wel een slepende aanslag op de kwaliteit. Door deze belastingen zal de boot versneld slapper worden en dus minder prettig roeien. Bij oudere boten worden kleine scheurtjes en lekkages vaak hierdoor veroorzaakt. De stuurman zorgt ervoor dat de boot bij het bijliggen zo goed mogelijk dwars op de golven komt te liggen. (Dit betekent dat de golven dwars op de boot afkomen; de boot ligt dus evenwijdig aan de golfkammen.) De stuurman moet op tijd beslissen hoe hij de golven gaat opvangen. In een wherry kunnen vrij hoge golven op de kop genomen worden, eventueel kan de stuurman de roeiers nog opdragen opgereden te gaan zitten waardoor de kop nog iets omhoog komt. In extreme gevallen moet ook een wherry bijliggen. In andere boten kunnen kleinere golven aanleiding zijn om of hoog te scheren, of even lichtere haal te doen. Iets hoger kan zijn laten lopen en overhellen van de golven af. Worden de golven te hoog en of te lang voor deze maatregelen dan zal de stuurman moeten gaan bijliggen. Van te voren moet hij zo gestuurd hebben dat hiervoor voldoende manoeuvreer- en veiligheidsruimte is. De stuurman laat lopen , stuurt bij en laat houden aan een boord  (n.b. bij een acht eerst aan beide boorden tot de snelheid voldoende laag is om met redelijke krachten op de boot te draaien. Afhankelijk van zijn positie laat hij vervolgens met halen of strijken aan een kant de boot in de juiste richting brengen. Zo nodig laat hij de roeiers nog overhellen van de golven af om aan de golfkant een hoger boord te hebben. De roeiers volgen met vlakke bladen op het water de waterhoogte en houden zo de boot in de juiste positie.

1.5 Uitzicht en overzicht
Het uitzicht van de stuurman is beperkt. Hij is vaak kleiner dan de roeiers en zit meestal ook nog lager. Achterom kijken is lastig zonder de balans te verstoren. Probeer zover mogelijk vooruit te kijken. Realiseer je waar eventuele gevaren loeren. Als je om de roeiers heen moet kijken probeer dan de evenwicht verstoring te compenseren. Schakel waar nodig de boeg in als extra uitkijk. Spreek met de slag af dat hij je op de hoogte houdt van wat er achter je gebeurt. Extra uitzicht is nodig als er vanwege weersomstandigheden of verkeerssituaties heen en terug onder dezelfde wal gevaren wordt, als er onvoorspelbare pleziervaart is en op risicovolle punten. Bij verhoogde rivierafvoer is er ook verhoogd risico op drijvende balken pallets etc. Wees beducht op geankerde en afgemeerde schepen ook waar je die normaal niet verwacht. Weet waar de tonnen liggen.

1.6. Overwicht
Als je stuurman en schipper bent neem jij de beslissingen en geeft de commando’s. Wees op tijd, duidelijk en gedecideerd. Zorg dat je overwicht op de bemanning hebt. Weet van te voren wat je gaat doen, is overleg nodig ben dan ook daar duidelijk in. Is het overleg voorbij dan pak je je rol weer op.

  • 1.1.2 Wat gebeurt er bij het sturen
  • 1.1.3 Wanneer sturen
  • 1.1.4 Sturen met de riemen
  • 1.1.5 Recht sturen
  • 1.1.6 Achteruit sturen
  • 1.2. Schijnbare en ware koers 1.2.1 Afwijkingen
  • 1.2.1.5 Stroomverschillen
  • 1.2.2 Schuine koers
  • 1.2.3 Bijzondere situaties
  • 1.3. Speciale manoeuvres 1.3.1 Aanleggen en afvaren 1.3.1.1 Aankomen aan een vlot
  • 1.3.2 Rond maken
  • 1.3.3 Boot recht leggen bij start
  • 1.3.4 Te smal vaarwater
  • 1.4 Golven 1.4.1 Algemeen
  • 1.4.2 Scheepvaart
  • 1.5 Uitzicht en overzicht

  • Dovnload 27.06 Kb.