Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


1. Vrouwensporten in het licht van de Nederlandse vrouwenemancipatie

Dovnload 0.74 Mb.

1. Vrouwensporten in het licht van de Nederlandse vrouwenemancipatie



Pagina2/10
Datum04.04.2017
Grootte0.74 Mb.

Dovnload 0.74 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

1 - Vrouwensport in het licht van de Nederlandse vrouwenemancipatie

“Waar zo’n twintig, dertig jaar geleden voetbal hier alleen werd beoefend door een select groepje vrouwen, is het nu iets voor alle meisjes en vrouwen. Dit is ook duidelijk terug te zien in de groei van het aantal voetbalsters binnen het ledenbestand van de KNVB. Zo gaat het niveau omhoog, ook in Nederland.”



  • Interview Marco van Basten, oud-voetballer en huidige coach van AFC Ajax (knvb.nl).

Sinds het voetbalseizoen 2007 – 2008 heeft Nederland voor het eerst in de geschiedenis te maken met vrouwenvoetbal op professioneel niveau.6 De Eredivisie Vrouwen krijgt het eerste seizoen direct een eigen televisieprogramma. Daarnaast mag de KNVB in de maand januari van dat seizoen de 100.000e vrouwelijke voetballer verwelkomen. Het is duidelijk dat het vrouwenvoetbal in Nederland een sterke ontwikkeling doormaakt. Toch is de populariteit van de sport nog niet te vergelijken met de populariteit in landen als Duitsland, Engeland en de VS. De vraag die rijst is hoe deze verschillen in ontwikkeling te verklaren zijn.

Een eerste mogelijke reden voor de langzame ontwikkeling van het Nederlandse vrouwenvoetbal is het van oorsprong christelijke karakter van Nederland. Rooms-katholieken en protestanten waren beiden aanvankelijk tegen sportbeoefening. Vooral meisjes en vrouwen die wilden sporten kregen te maken met felle tegenstand. Het duurde enige tijd voordat sportende vrouwen in Nederland geaccepteerd werden. Bovendien waren de sporten die vrouwen mochten beoefenen, sporten waarbij ze in de ogen van de samenleving hun vrouwelijkheid behielden.

Ten tweede zou de trage ontwikkeling van het Nederlandse vrouwenvoetbal te maken kunnen hebben met het langzame vrouwenemancipatieproces van het land. De vrouwenemancipatie was nodig om een verandering in de Nederlandse mentaliteit te creëren. Tot in de eerste helft van de 20e eeuw hoorde de vrouw in privésfeer te zorgen voor het huishouden en het gezin. Werk en sport waren weggelegd voor de man. De Nederlandse vrouw vervulde tot en met de Tweede Wereldoorlog nog geen belangrijke rol in de publieke sfeer, laat staan in de sportwereld.

Met de opkomst van de vrouwenemancipatie veranderden ook de culturele opvattingen. Het beeld van de vrouw werd (en wordt) bepaald door heersende conventies in de maatschappij. De Westerse maatschappij is van oudsher door mannen gedomineerd en dus kan gezegd worden dat de heersende conventies voortkomen uit de mannelijke gedachtegang. De vrouwenemancipatie tekent de periode waarin de Nederlandse vrouwen zich niet meer zomaar in hun rol schikten. Zo begonnen ze te vechten voor gelijke rechten met de man, zowel op de arbeidsmarkt als in de sportwereld. Tegenwoordig sporten er evenveel vrouwen als mannen en hebben zij zelfs hun weg gevonden naar traditionele mannensporten als rugby, vechtsporten en voetbal.

Sport is een belangrijk onderdeel van onze populaire cultuur (Wearing, 1998:60). De pers, en vooral de sportjournalistiek, wordt nog steeds sterk gedomineerd door mannen. Mogelijk krijgt het vrouwenvoetbal weinig media-aandacht omdat het niet populair is bij de overwegend mannelijke elite binnen de sportjournalistiek. Gesteld kan worden dat de derde reden voor de langzame ontwikkeling van het vrouwenvoetbal het gebrek aan media-aandacht is. Om een meer positief beeld van voetbalvrouwen te vestigen, is het van belang dat er een mentaliteitsverandering binnen de sportmedia plaatsvindt.

In dit hoofdstuk worden de drie (mogelijke) oorzaken voor de langzame opkomst van het Nederlandse vrouwenvoetbal besproken. Eerst wordt het oorspronkelijk calvinistisch karakter van Nederland bediscussieerd. Vervolgens passeert de Nederlandse vrouwenemancipatie de revue met de daaruit voortvloeiende veranderingen. De nadruk zal liggen op de ontwikkeling van de vrouw in de sportwereld. Ten slotte zal gekeken worden naar het belang van de media en de aandacht voor vrouwensporten in de media.
1.1. De invloed van de rooms-katholieke en de protestantse Kerk op de emancipatie
In protestantse en in rooms-katholieke kring was het aanvankelijk niet gewenst om aan sport te doen. Dit gold voor zowel mannen als vrouwen. Het beoefenen van een sport werd rond 1900 echter steeds populairder en ook gelovige mannen waagden zich steeds vaker op het sportveld. Al snel wilden ook meisjes aan lichamelijke oefening doen. De enige sport die zij zonder veel kritiek konden beoefenen, was de turnsport. Rond 1910 ontstonden de eerste georganiseerde christelijke sportclubs, vooral omdat de Kerk bang was sportende leden te verliezen aan een neutrale club (Steendijk, 1999:65). Het aantal christelijke sportverenigingen nam tussen 1910 en 1925 sterk toe.

De aversie van de rooms-katholieke Kerk kwam voort uit de opvatting dat sportbeoefening gelijk stond aan de verheerlijking van het lichaam. En volgens de Bijbel was niet het lichaam, maar de ziel het belangrijkste element van een persoon (Steendijk: 1999:65). Toen vanaf de 20e eeuw het belang van sport steeds groter werd geacht, ontstond er felle tegenstand onder de rooms-katholieken. Zo beschrijft Steendijk in zijn boek een actie van een gelovige:


In de Opvoedkundige Brochure-reeks trok frater M. Thomas ten strijde tegen de schaamteloosheid die de sportbeoefening en de lichaamscultus van het oude heidendom gekenmerkte, tegen de onderschatting van fysieke gevaren, zoals het opwekken van wellustige gevoelens, en tegen de ontwrichting van het huisgezin (1999:65).
Naast de ontwikkeling van het lichaam was ook de manier waarop men het lichaam toonde van belang. Op de lagere scholen maakte het niet uit of het gedrag van meisjes ‘jongensachtig’ was. Na de pubertijd moesten meisjes zich echter naar de vrouwelijke normen gaan gedragen (Steenbergen&Tamboer, 2000:176). Dit betekende bijvoorbeeld dat vrouwen hun lichaam uit religieuze overwegingen moesten bedekken. Sporten waarbij dit onmogelijk werd geacht – voetbal bijvoorbeeld – waren daarom voor vrouwen ongeoorloofd.

De protestanten waren, in tegenstelling tot de rooms-katholieken, niet per definitie tegen sportbeoefening. De protestants-christelijke stroming kent zijn oorsprong in het calvinisme, een stroming die tegenwoordig gelijkgesteld wordt aan de ‘bekrompen zwarte-kousenkerk cultuur’.7 Hun opvatting was dat een gelovige sober en ingetogen moest leven.

De protestanten keerden zich niet zozeer af van de ontwikkeling van het lichaam, maar waren vooral bang dat sportbeoefening de zondagrust, ofwel de ‘dag des Heren’, zou bedreigen (Steendijk, 1999:67). Het ging volgens de protestanten niet om heidense lichaamsverheerlijking, maar om de verering van het eigen lichaam. Volgens Abraham Kuyper, een vooraanstaand theoloog en politicus, was het lichaam een geschenk van God. Een gelovig persoon was verplicht dat geschenk met eer en liefde te verzorgen (Steendijk, 1999:67,68).

Ondanks vele tegenstanders gingen gelovigen er uiteindelijk toch toe over om sportverenigingen op te richten. Sport werd langzaamaan genormaliseerd onder rooms-katholieken en protestanten. Tegenwoordig gaan sport en religie goed samen. Dit kan voor zowel mannen- als vrouwensporten gezegd worden. Gelovige sporters die niet op een zondag willen sporten zijn – vooral op topniveau – meer uitzondering dan regel.



1.2.1. De ontwikkeling van de eerste vrouwensporten in Nederland tijdens de vrouwenemancipatie
De tweede oorzaak van de moeizame ontwikkeling van het vrouwenvoetbal is mogelijk de laat opgekomen vrouwenemancipatie in Nederland. De Westerse cultuur kent van oudsher een mannelijke dominantie. Deze masculine hegemony wordt gekenmerkt door fysieke kracht, dapperheid, agressiviteit, concurrentiedrang en de zucht naar individuele successen (Wearing, 1998:66). Daar tegenover staat het irrationele, sentimentele en fragiele karakter van de vrouw (Wearing, 1998:100,101; Scraton&Flintoff, 2002:73). Deze opvattingen worden bevestigd door zowel mannen als vrouwen (Steendijk, 1999:9).

De biologische overheersing van het mannelijk lichaam komt sterk terug in de sportwereld (Wearing, 1998:61,62). In het Tijdschrift voor Genderstudies legt Marjet Derks uit dat in de sportwereld de ‘bestaande sekseverhoudingen steeds weer bevestigd, maar ook uitgedaagd en ter discussie gesteld worden’ (1999:6). Sportvrouwen die hun vrouwelijkheid negeerden en aan teamsporten gingen doen, werden aanvankelijk dan ook bestempeld als ‘defectively sexually developed’ (McCrone, 1988:7,8).8

Sport is een vorm van culturele expressie (Derks, 1999:6). De Italiaanse theoreticus Antonio Gramsci stelt dat er binnen een cultuur voortdurend ongeschreven afspraken (conventies of ‘agreements of the majority’) voor mannelijk en vrouwelijk gedrag bestaan die vertellen wat normaal en gepast is (Wearing, 1998:62). Deze conventies duiden niet alleen de biologische, maar ook de sociaal-culturele verschillen tussen mannen en vrouwen aan. De term die in dit onderzoek voor deze sociale constructie gebruikt wordt, is gender.9

De vrouwenemancipatie, die zich in Nederland rond 1900 inzette, kan gezien worden als een omwenteling. Voor vrouwen die leefden in de 19e eeuw was het niet gepast om zich zonder man of zonder geldige reden in de publieke sfeer te begeven. De vrouwemancipatie kan gekenmerkt worden als de periode waarin vrouwen stopten met het accepteren van hun inferieure rol. Ook begonnen ze zich in de loop van de 20e eeuw af te zetten tegen de mannelijke dominantie in de sportwereld (Wearing, 1998:75,79). De vraag is of sport heeft bijgedragen aan het emancipatieproces van Nederlandse vrouwen en in het bijzonder het vrouwenvoetbal.10

De genderverhoudingen in de sport weerspiegelen die van de gehele maatschappij. Vrouwen kwamen aanvankelijk alleen maar op het sportveld om hun eega’s aan te moedigen (McCrone, 1988:3). Pas rond 1850 ontstond er vanuit medische hoek een beweging die vond niet alleen het mannenlichaam, maar ook het vrouwelijk lichaam zich diende te ontwikkelen. In Nederland wees het tijdschrift Schat der Gezondheid er in 1858 voor het eerst op dat sporten zowel de mannelijke als de vrouwelijke gezondheid ten goede zou komen (Steendijk, 1999:19).

In de praktijk werd echter weinig aandacht besteed aan sportende meisjes. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het examen van 1886 van de opleiding voor gymnastiekdocenten. Op de vraag welke roeping de vrouw had, was het enige goede antwoord ‘moederschap’ (Steendijk, 1999:31). Een ander voorbeeld is de sportieve ontspanning die mannelijke arbeiders in hun pauze aangeboden kregen – terwijl zij een potje voetbalden, kregen hun vrouwelijke collega’s een cursus in koken, strijken en huishoudhygiëne (Steendijk, 1999:73).

Hoewel er steeds meer aandacht was ontstaan voor het belang van sport, zakten tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918) de progressieve opvattingen jegens sportvrouwen weer in. De nadruk kwam weer te liggen op het belang van sport voor mannen. Mannelijke militairen konden tijdens het sporten hun agressie en spanningen kwijtraken. Vrouwen werden hiervoor te zwak bevonden: het competitieve element van sport zou bij vrouwen alleen maar hysterie of depressie opleveren (Steendijk, 1999:53). Pas in 1920 verplichtte de Wet op het Lager Onderwijs de scholen om lichamelijke oefening te onderwijzen aan zowel jongens als meisjes (Steendijk, 1999:36).

De wettelijke verplichting tot lichamelijke oefening betekende niet dat vrouwen in de praktijk gelijke behandeling kregen.11 Wat voor mannen als gezond beschouwd werd, werd voor vrouwen als kwalijk voor de voortplanting gezien (Steenbergen&Tamboer, 2000:179). Derks (1999) beschrijft drie categorieën van sport die de mate van acceptatie van vrouwen aanduiden. De eerste categorie bevat sporten zonder enig fysiek contact. In de tweede categorie vindt er al dan niet fysiek contact plaats, maar verliest een vrouw haar elegantie onder het sporten niet. In de derde groep sporten overheerst de fysieke kracht en uithoudingsvermogen. Een voorbeeld uit deze laatste categorie is voetbal.12

De eerste sport die door vrouwen in competitieverband werd beoefend, was het croquetspel. Croquet was geen bedreiging voor het vrouwelijk beeld: het kon elegant worden gespeeld in vrouwelijke kleding en er was weinig kracht voor nodig. Competitieve teamsporten waaraan vrouwen deelnamen, zoals hockey, werden aanvankelijk sterk bekritiseerd (McCrone, 1988:154).13 De kledingvoorschriften voor hockey waren bovendien tekenend voor de tijd: de rok waarin de vrouwen speelden, mocht slechts 10 cm boven de enkel hangen – een duidelijk verschil met de rokjes van de hockeysters anno 2008 (Steendijk, 1999:135,136) (zie bijlage: illustratie 1,2).


Box 1: Vrouwenhockey vs. Vrouwenvoetbal op de Olympische Spelen

De sportvrouw was in de jaren ’20 van de vorige eeuw nog een upcoming fenomeen. Toch mochten hockeyvrouwen onder enig protest al meedoen aan de Olympische Spelen van 1924. Ook andere individuele sporten kenden in Parijs reeds vrouwelijke deelnemers. In totaal was 4,4% van de deelnemers vrouwelijk. Vier jaar later, op de Olympische Spelen in Amsterdam, was dit aantal meer dan verdubbeld (9,6%)(Steendijk, 1999:217). Van de 246 Nederlandse deelnemers waren 37 vrouw.

In tegenstelling tot vrouwenhockey, werd vrouwenvoetbal in 1910 nog bekritiseerd door de grondlegger van de Olympische Spelen, Pierre de Coubertin. Hij vond dat vrouwen mentaal en lichamelijk niet geschikt waren voor voetbal. Ook zou vrouwenvoetbal de mannelijke variant verpesten.

Pas sinds de Spelen in Atlanta van 1996 is vrouwenvoetbal een Olympische discipline. Over voldoende belangstelling viel toen niet te klagen. De stadions zaten vol en in Noorwegen keken bijna 2 miljoen mensen naar de halve finale, benieuwd of hun vrouwenteam het kampioenschap zou halen (Lopez, 1997:152). In dat jaar was de mate en de wijze van aandacht voor vrouwelijke sporten sowieso veranderd in vergelijking met de Spelen van vier jaar ervoor (Higgs et al., 2003:6).

Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal vrouwensporten in Nederland sterk toe. Het was in de jaren ’50 niet meer raar om als vrouw aan bijvoorbeeld turnen of hockey te doen. Rond de jaren ’60 was de sportende vrouw een genormaliseerd beeld. De eerdere spot, tegenwerking en discriminatie hadden er uiteindelijk voor gezorgd dat de vrouw juist besloot zichzelf lichamelijk te ontplooien (Steendijk, 1999:84). Sterker nog, vrouwen gingen zich langzaam maar zeker in de derde categorie van sport begeven. Tegenwoordig beoefenen steeds meer vrouwen een traditionele mannensport (Steenbergen&Tamboer, 2000:179).14

Niet alleen in de sportwereld, maar ook in de maatschappij begonnen Nederlandse vrouwen mannelijk terrein te betreden. Tijdens de jaren ’80 werd het bijvoorbeeld voor moeders steeds gepaster om te gaan werken (Emancipatiemonitor SCP, 2006:123). Het idee dat de taakverdeling binnen het huishouden – schoonmaken, boodschappen doen, koken - gelijk verdeeld moest worden, groeide sterk in de jaren ’80 en jaren ’90 (Emancipatiemonitor SCP, 2006:128).

Tot en met de Tweede Wereldoorlog waren de normen en waarden wat betreft het vrouwelijk uiterlijk en gedrag heel anders dan tegenwoordig. Dertig jaar geleden keurden jonge vrouwen werkende moeders af. Tegenwoordig vinden jonge vrouwen het niet meer dan normaal om moederschap met arbeid combineren (Emancipatiemonitor SCP, 2006:288). Werkte in 1975 ongeveer een derde deel van de vrouwen, in 2004 was dit aantal meer dan verdubbeld (Emancipatiemonitor SCP, 2006:294).

Uit de Emancipatiemonitor van 2004 blijkt dat de vaart uit het proces is (Emancipatiemonitor SCP, 2006:11). Hieruit zou opgemaakt kunnen worden dat de vrouwenemancipatie in Nederland zo goed als voltooid is. In de laatste emancipatiemonitoren van het SCP (2002, 2004) wordt vooral gesproken over de toestroming van vrouwen in hogere functies15 en de hulp voor vrouwen met een kwetsbare en kansarme positie (allochtone vrouwen en autochtone vrouwen met een laag opleidingsniveau) (Emancipatiemonitor SCP, 2006:12).

Terugkerend naar de voetbalsport kan gesteld worden dat ondanks de vergevorderde vrouwenemancipatie, traditionele genderrollen in de mannelijke voetbalwereld steeds weer bekrachtigd worden. De kenmerken van de sport (fysiek contact, conditie, prestatie, concurrentie, dominantie) worden van oudsher niet met vrouwelijkheid geassocieerd (Derks, 1999:13; Knoppers: 1999:16). De voetbalsport is daarom ook lange tijd mannelijk terrein gebleven. De eerste vrouwen die wilden voetballen moesten opboksen tegen de heersende mannencultuur. Hun aanwezigheid werd gezien als een rebelse actie om tegen hun rol als zachtaardig en seksueel aantrekkelijk wezen in te gaan (Scraton&Flinton, 2002:74).

Zelfs nu er in Nederland een professionele competitie is opgericht, staat nog steeds niet iedereen achter de voetballende vrouw.16 Bondscoach van het nationale vrouwenvoetbalteam, Vera Pauw, legt in het tijdschrift Voetbal International uit dat de acceptatie van voetbalvrouwen sterk samenhangt met de Westerse cultuur:
Dat is óók zo’n mechanisme: jongens worden altijd gepusht, meiden altijd beschermd. Hier heeft in het verleden zelfs een hoog aangeschreven medicus verklaard dat voetbal gevaarlijk was voor vrouwen omdat ze een borstkneuzing zouden kunnen krijgen. Ik weet niet wat dat is, heb het in 22 jaar voetbal ook nooit gekregen, maar in die periode wél veel mannen kermend op de grond zien liggen omdat zij een bal op de verkeerde plek kregen. Maar daar is dus nooit over gesproken, want voetbal is het terrein van de man.
Ook Anouk Hoogendijk, speelster van FC Utrecht, is in het verleden verscheidene keren geconfronteerd met het de mannelijke dominantie in de voetbalwereld. Zo moest zij van haar vroegere amateurclub CSW op zoek naar een andere club, omdat het te lastig werd enkel voor de voetbalster een aparte kleedkamer open te maken (VI, 2007:69). Verder herinnert Hoogendijk zich dat ze niet per definitie geaccepteerd werd in de jongensteams en zich extra moest bewijzen. Bovendien waren de mannelijke tegenstanders ook niet altijd blij met de voetbalster:
Er waren jongens die me niet durfden aan te pakken omdat ik een meisje ben. En ze waren natuurlijk als de dood om door een meisje gepasseerd te worden. Ik heb een keer gehad dat iemand me echt om die reden uit de wedstrijd wilde hebben. Hij gaf me een elleboog zonder dat de bal in de buurt was. Verder had je moeders die het niet konden hebben. Zij moedigden hun zonen luidkeels aan me een doodschop te geven.
Uit bovenstaande uitspraken blijkt dat het vrouwenvoetbal nog altijd een controversiële sport is in de Nederlandse samenleving. Hoewel genoeg meisjes de sport beoefenen en ook steeds meer personen deze meisjes steunen, ontbreekt het nog aan belangstelling tijdens wedstrijden en aan aandacht in de pers. Dit heeft grotendeels te maken met het beeld dat er in ons land van voetbalvrouwen bestaat.

1.2.2. De heersende beeldvorming over voetbalvrouwen
Toevallig zagen ze toen ook paar leuke namen en een paar leuke gezichten die goed in de smaak vielen bij de media… Het is zo doorzichtig wat de media doen. Zo commercieel… Maar ze doen maar, zolang het ons meisjes helpt en stimuleert hebben we er baat bij”.

– Profvoetbalster Mia Hamm over de sportjournalistiek (Knoppers&Elling, 2001:85).


De Van Dale omschrijft het begrip ‘beeldvorming’ als volgt:
Beeldvorming betekent het ontstaan van voorstellingen met betrekking tot personen, zaken, feiten e.d..
Een voorstelling van iets of iemand kan alleen ontstaan omdat deze voorstelling binnen een groep mensen begrepen en genormaliseerd wordt. Het normaliseren van een voorstelling of opvatting gebeurt binnen een bepaalde cultuur. Beeldvorming is dus afhankelijk van de wisselwerking dat het heeft met een cultuur (Tennekes, 1990). Een belangrijk onderdeel van cultuur is sport. Sport heeft invloed op de maatschappij, maar wordt er ook door geconstrueerd (Elling, 1999:26).

Een beeld of voorstelling wordt vanuit verschillende hoeken van de maatschappij beïnvloed. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat de keuze voor voetbal bij meisjes beïnvloed wordt door de onder andere de mening van de ouders. Vooral de moeder drukt een stempel op de keuze van de dochter (Elling, 1999:28). Volgens Elling (1999) heeft zij vaak een negatief beeld van vrouwenvoetbal waardoor de dochter besluit een andere sport te gaan beoefenen. Naast het gezin hebben ook het onderwijs en de leeftijdsgenoten invloed op de beeldvorming van een individu (Elling, 1999:28).

Ook mediapresentaties kunnen een beeld van een sport scheppen, bevestigen en versterken. Voetbal is in Nederland een mannelijke sport. Dit traditionele beeld is geboren in een tijd waarin er nog geen vrouwenvoetbal bestond. In de VS is voetbal ontstaan als vrouwensport en wordt het geassocieerd met vrouwelijkheid. De Amerikaanse voetbalster Mia Hamm wordt, hoewel zij ook prijzen gewonnen heeft met het nationale team, geprezen om haar uiterlijk (meer over Hamm in het volgende hoofdstuk).

Knoppers (1999) legt uit dat de normen voor vrouwelijkheid altijd ontstaan zijn in relatie tot de normen van mannelijkheid. Voetbal is van oudsher mannelijk domein in ons land en wordt enkel geassocieerd met heteroseksuele mannelijkheid.17 Knoppers stelt dat voetballers heteroseksuele vrouwen nodig hebben om hun eigen heteroseksualiteit te bewijzen (Knoppers, 1999:17). Naast beoefenaars zouden ook mannelijke supporters vrouwen nodig hebben om hun heteroseksualiteit te bewijzen. Door deze drang naar bevestiging worden vrouwen in de voetbalwereld vaak tot lustobject gemaakt: tijdens het afgelopen EK stond de schoonheid van voetbalvrouwen als Sylvie van der Vaart centraal. Bovendien nam de regie regelmatig goed uitziende, vrouwelijke supporters in beeld.

Het gebrek aan aandacht voor het vrouwenvoetbal komt onder andere voort uit de negatieve beeldvorming. Omdat de sport gerelateerd is aan mannelijkheid, heeft het vrouwenvoetbal te kampen met een mannelijk imago (Elling, 1999:28). Uit onderzoek blijkt dat de meeste meisjes stopten met voetbal omdat de sport botste met de heersende opvattingen over de vrouwelijke identiteit (Elling, 1999:29).

Tegenwoordig laten voetbalsters, vooral jonge meisjes, zich niet meer snel afschrikken door de negatieve beeldvorming (Stevenson, 2002: 217). Zij hebben geleerd om te gaan met het mannelijk imago van hun sport (Elling, 1999:33). Toch blijkt in de praktijk dat het genderconflict in de voetbalwereld nog steeds bestaat. Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van de woorden van Priscilla Janssens, manager van de Stiching Eredivisie Vrouwen. Zij legt uit dat de huidige profvoetbalsters uitgenodigd zijn op het komende VVCS Gala in september. Ze is erop gebrand goed voor de dag te komen met de meiden en heeft ervoor gezorgd dat de voetbalsters, voor zij acte de présence maken, eerst een make over krijgen.

Vrouwenvoetbal heeft nog steeds te kampen met ongelijke machtsverhoudingen, mannelijke dominantie en negatieve beeldvorming (Elling, 1999:25). Deze negatieve beeldvorming is tevens gebaseerd op de opvatting dat vrouwen kwalitatief minder goed zijn in het spel (Elling, 1999:31). Het mannelijke en lesbische beeld creëert niet alleen een atmosfeer waarin vrouwen zich niet goed kunnen ontwikkelen, ook beïnvloedt het de sponsoring en de media-aandacht (Elling, 1999:31). In de volgende paragraaf wordt de derde mogelijke reden van de trage ontwikkeling van het vrouwenvoetbal besproken: het gebrek aan media-aandacht.

1.3. Het belang van media-aandacht voor (vrouwen)sport
Topsport is tegenwoordig niet meer los te zien van de media. Een steeds groter publiek volgt op een passieve manier sport via kranten, tijdschriften, televisie of internet (Knoppers&Elling, 2001:5). De media zijn, zonder dat zij dat zelf altijd doorhebben, stemmingsbepalend in onze maatschappij.18 Dit jaar nog uitte Marco van Basten zijn onvrede over de grote invloed van de pers in ons land. Hij is van mening dat de journalisten niet objectief hun werk doen, maar tegenwoordig door alle invloed die zij hebben steeds vaker als beleidsbepalers optreden (VI, 2 januari 2007:115).

Ruud Stokvis, socioloog aan de Universiteit van Amsterdam, heeft voor deze relatie tussen pers en sport een term bedacht: ‘mediasport’. Volgens Stokvis is mediasport ‘de door sport-, marketing- en omroeporganisaties op commerciële basis voor televisie geconstrueerde topsport, zoals die aan het kijkerspubliek wordt aangeboden’ (Stokvis, 2003:1). De sportmedia geven door deze samenwerking, waarbinnen geld een grote rol speelt, een door hun zelf gecreëerd (gemedieerd) beeld van de werkelijkheid.

Knoppers en Elling leggen uit dat binnen de journalistiek, vooral de sportjournalistiek een machocultuur is. Sportprogramma’s en sportpagina’s in vrijwel alle Westerse landen worden gepresenteerd als een mannelijk genre (Knoppers&Elling, 2001:38). Wanneer bijvoorbeeld op televisie vrouwensporten worden aangekondigd, wordt vaak expliciet genoemd dat het om vrouwenwedstrijden gaat. Hieruit blijkt dat mannensport de norm is (Knoppers&Elling, 2001:48). Een sportjournalist legt uit:
In de sportjournalistiek zie je ook dat de voetbalverslaggevers de grootste macho’s onder de journalisten zijn. Die toch van huis uit ook een vrij machogedrag hebben. Die schrijven nooit over vrouwenvoetbal. Van alle redacties binnen de krant is de sportredactie wel een hele traditionele, bijna conservatieve stroming. Dat speelt zeker mee. De sportredactie verandert niet zo snel. Traditie is heel belangrijk. (Knoppers&Elling, 2001:42).
Op deze manier houden sportredacties de masculiene hegemonie in stand (Scraton&Flinton, 2002:76). En hoewel er steeds meer vrouwen gaan werken binnen sportredacties en de sportjournalistiek steeds vrouwvriendelijk wordt, hebben zij nog steeds weinig inspraak in de uiteindelijke beslissingen (Knoppers&Elling, 2001:7).

Over het algemeen is er in de Nederlandse media weinig aandacht besteed aan de ontwikkeling van vrouwensporten (Steendijk, 1999:42). Mannelijke sportjournalisten zeggen dat zendtijd gerelateerd is aan prestatie. Zij beweren dat wanneer sportvrouwen beter presteren, er vanzelf meer media-aandacht zal zijn (Knoppers&Elling, 2001:45). Als voorbeeld noemen ze de evenredige aandacht voor tennis: in die sport is het mannelijk en vrouwelijk niveau ongeveer gelijk. Slechts enkelen geven toe dat ook de seksualisering van de vrouw in de representatie van vrouwensporten van belang is (Knoppers&Elling, 2001:42,46).

Van alle sporten is mannenvoetbal de meest populaire sport binnen de Europese media. Mannen, maar ook vrouwen, kijken bijna twee keer zo vaak naar (mannen)voetbal dan naar alle andere sporten samen (Stokvis, 2003:53). Het mannenvoetbal beslaat aan het begin van de eeuw ongeveer 33% van de jaarlijkse zendtijd aan sport (Knoppers&Elling, 2001:8). Voetbal en andere commerciële sporten (bijvoorbeeld wielrennen) zijn sterk afhankelijk van de aandacht die zij van de pers krijgen.19 De aandacht van de media hangt samen met prestatie. Elling (1999) legt uit dat meer media-aandacht nodig is om de waardering van het vrouwenvoetbal te vergroten, maar dat deze uitblijft door het gebrek aan prestaties. Bovendien is media-aandacht nodig om meer (financiële) ondersteuning te krijgen.

Gelet op het aantal actieve deelnemers, zou het vrouwenvoetbal minstens evenveel aandacht als het vrouwenhockey moeten krijgen (Knoppers&Elling, 2001:70). Bovendien is vrouwenvoetbal in verscheidene landen al een gevestigde mediasport. Knoppers en Elling vragen zich af of de journalisten er zelf voor kiezen om geen aandacht aan vrouwenvoetbal te besteden(omdat zij het zelf niet interessant vinden) of dat zij dit niet doen omdat het publiek er niet op zit te wachten (door bovengenoemd gebrek aan succes). De vraag is of het daadwerkelijk zo is dat het publiek niet op vrouwenvoetbal zit te wachten. Portnoy, die een tijd lang sportprogramma’s op de BBC heeft gevolgd, vraagt zich ook af of het publiek niet geïnteresseerd is in vrouwensporten of dat ze het gewoonweg niet voorgeschoteld krijgt door de media:


Maar bij de BBC evengoed als elders trakteert de televisie ons op een onevenredige hoeveelheid zendtijd die gewijd is aan sport – en allemaal of vrijwel allemaal zijn het sporten die worden bedreven door mannen. Is dat omdat vrouwen niet zo betrokken zijn bij sport, zich er niet echt voor interesseren? In dat geval zou er, om het prestige van sport voor vrouwen te verhogen en hen meer te interesseren voor deelname eraan – wat heel goed voor hen zou zijn – evenveel zendtijd moeten worden uitgetrokken voor sport, beoefend door vrouwen. (Portnoy, 1992:120).
Sponsoren en media zijn vooral geïnteresseerd in mannensporten. Een vrouwelijke topsporter die aandacht wil, wordt volgens Deborah Stevenson nog immer beoordeeld op haar vrouwelijke, erotische uitstraling. Stevenson geeft als voorbeeld het verschil in media-aandacht tussen twee verschillende tennissters: de ‘vrouwelijke’ tennisster Anna Kournikova genoot veel aandacht, terwijl de ‘mannelijke’ Amélie Mauresmo pas aandacht kreeg toen zij de finale van de Australian Open haalde (Stevenson, 2002:217).

Aan de ene kant bevestigd bovenstaand voorbeeld het traditionele idee dat vrouwen nog immer op hun lichaam, en niet op hun sportprestaties, beoordeeld worden. Daarnaast illustreert dit ook de kijk van sportjournalisten op sportvrouwen: terwijl zij beweren dat uitzendtijd met prestaties te maken heeft, bewijst de populariteit van de Russische tennisster Anna Kournikova het tegendeel.20 Het laten verdwijnen van stereotype beeldvorming ten opzichte van gender is dan ook één van de doelstellingen van het emancipatiebeleid van de overheid (Knoppers&Elling, 2001:89).

Ten slotte is ook de reden waarom een sportliefhebber een idool kiest tekenend. Volgens Ruud Stokvis moet een sport eerst de interesse wekken onder het publiek voor het idolen af kan leveren (Stokvis, 2003:74). Voor jongeren zijn de media, samen met het gezin, school en leeftijdsgenoten, de grootste informatiebron. In het onderzoek van Knoppers en Elling heeft bijna de helft van de ondervraagden een sportidool dat voetbalt (Knoppers&Elling, 2001:9). Zowel jongens als meisjes kozen vooral voor mannelijke helden. Reden voor de het groot aantal mannelijke sportidolen is omdat vrouwenidolen niet de kans krijgen in de media om zich als idool te profileren.21 Sportieve prestaties van vrouwen worden vaak genegeerd of gemarginaliseerd, tenzij de sportsters seksueel aantrekkelijk zijn (Knoppers&Elling, 2001:84).
Conclusie
Het vrouwenemancipatieproces is in ons land zo goed als voltooid. Vrouwen zijn actief op de arbeidsmarkt, zijn zelfstandig en hebben de kans op een hoge opleiding. Bovendien is het verbod op sporten uit religieuze overwegingen voor Nederlandse sportvrouwen vrijwel verdwenen. Er zou, door alle vrijheden en rechten die vrouwen verworven hebben, verwacht kunnen worden dat ook voor het vrouwenvoetbal de weg vrij is. Toch is dit niet het geval.

De langzame ontwikkeling van het vrouwenvoetbal heeft grotendeels te maken met de traditionele beeldvorming die er van sportvrouwen bestaat. Vrouwen mochten uiteindelijk de mannelijke sportwereld betreden, mits zij hun vrouwelijkheid behielden. De beeldvorming van voetbalvrouwen in de Nederlandse maatschappij is alles behalve ‘vrouwelijk’: de voetbalvrouw wordt vaak bestempeld als homoseksueel (ofwel lesbisch), terwijl het bij mannen juist andersom is (bij mannen versterkt voetbal de heteroseksuele uitstraling).

Tegenwoordig laten meisjes en vrouwen die willen voetballen zich niet meer zo snel afschrikken door het negatieve beeld. Sterker nog, vrouwenvoetbal is sinds 2008 één van de grootste vrouwelijke teamsporten van Nederland. Uit dit hoofdstuk is gebleken dat de aandacht voor vrouwensporten over het algemeen in de (Nederlandse) sportjournalistiek niet groot is - laat staan de aandacht voor het vrouwenvoetbal. Dit heeft hoofdzakelijk te maken met de traditionele beeldvorming van de vrouw en hun ontwikkeling in de sportwereld. Vooral het beoefenen van teamsporten werd aanvankelijk niet gewaardeerd. Voetbal is in Europa mannelijk terrein. In het volgende hoofdstuk zal de historie van het vrouwenvoetbal in het licht van de emancipatiestrijd beschreven worden.

1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


Dovnload 0.74 Mb.