Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


2. Hoe weet ik of ik wedergeboren ben?

Dovnload 39.5 Kb.

2. Hoe weet ik of ik wedergeboren ben?



Datum24.09.2018
Grootte39.5 Kb.

Dovnload 39.5 Kb.

2. HOE WEET IK OF IK WEDERGEBOREN BEN?
Deze vraag wordt nogal eens gesteld door jonge mensen, die serieus bezig zijn met de Bijbel. Het Woord spreekt ze aan en diep in hun hart is er de keus gekomen voor de dienst van God. Maar..., zo is vaak de vraag, weet de Heere er ook vanaf? Is de liefde tot God en Zijn dienst een werk van God, of is het zomaar een interesse van mezelf? Hoe kan ik weten of de Heere echt van mij afweet? Hoe weet ik of ik wedergeboren ben? Misschien leeft die vraag ook in jouw hart. In ieder geval is het een heel belangrijke levensvraag.

Om een antwoord te geven op deze vraag is het nodig dat we eerst duidelijk op het spoor komen wat de wedergeboorte inhoudelijk betekent volgens de Bijbel. In het vorige hoofdstuk maakten we verschil tussen wedergeboorte en bekering. Met 'bekering' bedoelen we meestal de voortgaande bekering, de dagelijkse vernieuwing van ons leven. Nog anders gezegd: de heiligmaking, dat je heilig voor de Heere wil leven. In de regel verstaan we onder 'wedergeboorte' het begin van het geestelijk leven. We noemen dat ook wel de 'levendmaking'. Dat wil zeggen dat we uit de 'geestelijke dood' geroepen worden tot het 'geestelijk leven'. Als het Woord van God, waardoor de Heere ons roept, krachtig en onweerstaanbaar doordringt in ons hart en daar blijft haken, is dat een bewijs dat God ons te sterk geworden is. In dit hoofdstuk wil ik stil­staan bij wat er gebeurt als we door genade die roepstem van God mogen beantwoorden. Dat is een groot wonder. Dat wonder noemen wij de weder­geboorte.


De noodzaak van de wedergeboorte

Als we hierover spreken raken we de kern van ons bestaan. We zijn im­mers wedergeboren of niet. We zijn dood of levend. Er is geen tussen­stand tussen vriend en vijand. Het gaat om een zaak van levensbelang, want we zijn een kind des toorns of een kind van God.

En... om bij het begin te beginnen, van nature zijn we allen kinderen des toorns. Paulus spreekt onomwonden over onze doods­staat: we liggen dood in de zonden en misdaden. En dan niet lijdelijk dood, maar actief dood: brui­send van vijandschap tegen God. We moeten van dood levend gemaakt wor­den, anders blijven we voor eeuwig buiten het Koninkrijk Gods.

Toen we gedoopt werden is het formulier gelezen, waarin reeds in de eer­ste alinea het woord wedergeboorte voorkomt: "Wij kunnen in het rijk van God niet komen, tenzij we van nieuws geboren wor­den". Onze catechis­mus leert in de derde zondag, dat wij zo verdorven zijn, dat we helemaal onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, tenzij we van nieuws geboren worden. In de Bijbel zelf lezen we dat Nicodemus, die in de nacht tot Jezus komt, tot antwoord krijgt: "Tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet ingaan."

Als we de concordantie opslaan en zoeken naar het woord "wedergeboor­te", vinden we dat slechts twee maal, namelijk in Matth.19:28, waar het gaat over de wederop­richting aller dingen bij de wederkomst van Christus en in Titus 3:5, waar de wedergeboorte vergeleken wordt met de opstan­ding uit de dood, als de apostel schrijft over "het bad der weder­geboor­te en vernieuwing" (de doop).

Al staat echter het woordje "wedergeboorte" niet zo vaak in de Bijbel, de zaak zelf komt heel wat vaker in de Schrift voor. Dan lezen we over: wederom geboren worden, van boven geboren worden, een nieuwe schepping of gebaard worden door het Woord, een levend maken of levend gemaakt worden, een vernieuwing van de inwendige mens of aandoen van de nieuwe mens, de besnijdenis van het hart of het wegnemen van het stenen hart en ontvangen van een vlezen hart. Er wordt ook gesproken van een schrijven van Gods wet in het binnenste van ons en een deelachtig worden van de goddelijke natuur. Genoeg om aan te tonen, dat de Bijbel hierover duidelijk spreekt, met alle facetten die eraan vast zitten.

Uit al deze woorden en uitdrukkingen in de Bijbel blijkt, dat het een scheppend werk van God is, waarin de mens volkomen passief is. Het is een daad van God, waardoor Hij nieuw leven schenk. Dat moeten we altijd vasthouden. Net zo min als we iets bijdragen tot onze ge­boorte, zo min dragen we ook iets bij tot onze wedergeboorte. Het is een daad van God, een ingreep van God in de tijd. Ik bedoel nu met 'wedergeboorte' niet de 'wedergeboorte in ruimere zin' (dat is eigenlijk hetzelfde als de bekering), zoals Guido de Brès het bedoelt in artikel 24 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Ik bedoel hier steeds de 'wedergeboorte in engere zin" ofwel de 'levendmaking'.

Dit wonderlijke werk rust op het fundament van de dood en de opstanding van Christus. De Heilige Geest ver­richt het en Hij deelt het leven mee dat Christus verworven heeft. Dat nieuwe leven kan niet verborgen blijven. Het juiste ogenblik van de wedergeboorte kan meestal niet worden vastgesteld. Maar de weder­geboorte komt wel in de vruchten openbaar, namelijk in geloof en beke­ring. Op de inhoud van de bekering ga ik in het volgende hoofdstuk nog nader in.


Nicodemus en de wedergeboorte

In het bekende hoofdstuk Joh.3 spreekt de Heere Jezus over de noodzaak van de wedergeboorte: "Tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien" (Joh.3:3). Toch zien we dat de Heere Jezus Nicodemus ook de weg wijst, die hij moet gaan om wedergeboren te worden.

Geloof maar dat Nicodemus als farizeeër en nauwgezet godsdiens­tig mens er vast op rekende het Koninkrijk Gods binnen te gaan. Hij leefde precies naar de voorschriften van de vaderen. Hij is maar niet de eerste de beste Jood, maar een leraar in Israël. Hij is een zoon van Abraham. Hij was lid van het volk des verbonds. Hij bad op geregelde tijden, gaf tienden van alles, vastte op de daarvoor bestemde dagen. Was dat dan niet genoeg? "Nee", zegt Christus, "gij moet wederom geboren worden." Een flinke opknapbeurt is niet voldoende. Vormendienst is niet voldoen­de. Restauratie is ontoereikend, een totale levensvernieuwing moet er komen, een nieuwe geboorte is nodig. Zo ernstig is de mens buiten God er aan­toe.

Wij zijn in zonden ontvangen en ge­bo­ren, en daarom kinderen des toorns, zodat we in het rijk van God niet kunnen komen, tenzij we van nieuws geboren worden (doopformulier). Er moet een grote verandering in ons leven plaats vinden om God na dit leven te kunnen ontmoeten. We moeten van geestelijk dood levend worden.

De Heiland wijst Nicodemus op de noodzaak van die levensvernieuwing, maar Hij wijst ook de weg daartoe. Wie geboren wordt, gaat tot het leven in. Wie wedergeboren wordt, gaat tot een heel ander leven in. Nicodemus leefde tot nog toe uit de wet. Hij moet leren leven van Gods genade. Hij leefde tot nog toe steunend op eigen gerechtigheid, maar hij moet leren bidden om vergeving en leren steunen op Gods gerechtigheid. Nicodemus leefde in het vertrouwen dat hij het koninkrijk Gods verdiende, en nu moet hij worden als de kinderen, die niets verdienen, maar alles ontvan­gen.

Daar begrijpt hij eerst niets van. Vol verwondering vraagt hij: "Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is. Kan hij voor de tweede maal in de moederschoot ingaan en geboren worden" (Joh.3:4)? En dan geeft de Heere Jezus dat diepzinnige antwoord: "Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan het Koninkrijk Gods niet binnengaan" (Joh.3:5).

Wat is dat: geboren worden uit water en Geest? Door de Geest, dat be­grijpen we wel, tenminste...! We weten dat de Geest wederbarend werkt, maar hoe? Dat weten we niet. "De wind blaast waarheen hij wil en ge hoort zijn geluid. Ge weet niet vanwaar hij komt noch waar hij henen­gaat. Alzo is een iegelijk, die uit de Geest geboren is" (Joh.3:8). De gangen van de wind zijn erg wonderlijk. Wie kent zijn oorsprong en doorgrondt zijn wegen? Wonderlijk is ook het ontstaan van het natuurlijke leven in de moederschoot. Nog won­derlijker is het ontstaan van het geestelijk leven. We zouden dat wel in zijn oorsprong willen naspeuren. Sommigen kunnen precies de dag en het uur aangeven, maar de meesten kunnen dat niet. Christus zegt, dat de geboorte uit de Geest ondoorgrondelijk is, net zo onnaspeurlijk als de wind. En laten wij maar niet wijzer zijn dan God.

Dat is het geboren worden uit de Geest! Maar wat is nu dat water? Wie niet geboren wordt uit water en Geest, die kan het Koninkrijk niet bin­nen gaan. Wijst dat water op de tranen over de zonde? Nee, die tranen zijn er wel, maar dat water is het doopwater. Jezus spreekt met Nicode­mus in de tijd dat Johannes de Doper doopt met water tot bekering en verge­ving der zonden. Tollenaren en zondaren kwamen in diepe verootmoe­diging tot hem om zich te laten dopen. Maar de farizeeërs meenden die doop niet nodig te hebben, ze dachten die bekering niet nodig te hebben, want ze waren toch bekeerd! Die doop was goed voor slechte mensen zoals tol­lenaren en hoeren enzo, maar voor hen niet.

En nu zegt de Heere Jezus tegen Nicodemus: Gij moet ook gedoopt wor­den, wedergeboren worden door de doop als het bad der wederge­boorte. U moet zich laten dopen door Johannes. U moet naast die tollenaren en zon­daren gaan staan en uw zonden laten afwassen. Dat water van de doop wijst immers op het bloed van Christus, dat de kracht bezit om te reini­gen van de zonde. U moet u bekeren van uw eigenwillige vroomheid en eigengerech­tigheid. Dat is de enige weg om tot nieuw leven te komen. Water en Geest! Johannes had immers gezegd: "Ik doop u wel met water, maar die na mij komt zal u dopen met de Heilige Geest" (Mark.1:8). Johannes verwees zijn dope­lingen naar Christus. En die heeft Zijn Geest over hen uitge­stort en de ingang geschonken in Zijn eeuwig Koninkrijk.

De Bijbel geeft ons grond om aan te nemen, dat Nicodemus inder­daad is wedergeboren uit water en Geest. Later neemt hij het in het Sanhedrin voor Jezus op en nog later blijkt zijn liefde tot een dode Jezus bij de begrafenis. Daar zien we de vrucht van de wedergeboorte: het geloven in en liefhebben van Jezus. Pas later be­greep Nicodemus het wonder­lijke woord van Jezus: "Wat uit het vlees ge­boren is, dat is vlees, en wat uit de Geest geboren is, dat is geest" (Joh.3:6). Hij had immers gevraagd, hoe een volwassen mens weer opnieuw in de schoot van zijn moeder zou kunnen in­gaan en geboren worden. De Heiland zegt dan: Dat zou u niet baten, ook al was dat mogelijk. Want wat uit vlees geboren is, dat is vlees. Elk mens wordt in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren. Een tweede natuurlijke geboorte zou dus niet helpen. Maar wat uit de Geest geboren is, dat is geest. Het leven uit de Heilige Geest draagt ook het stempel van de Heilige Geest. Dat leven is een geestelijk leven van geloof, hoop en liefde.


De oorsprong van de wedergeboorte

Zostraks hoorden we in het onderwijs van Jezus aan Nicodemus dat de wedergeboorte een werk is van de Heilige Geest. Ook het doopwater kwam ter sprake. Maar hoe doet de Heilige Geest dat nu in ons leven? Welk middel gebruikt Hij daarvoor?

De Bijbel spreekt daar heel duidelijk over in 1 Petr.1:23: "Gij die we­dergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergan­kelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God." Dat is het geheim: Het Woord van God. Dat is het zaad van de wederge­boorte. Uit het verband van deze tekst blijkt zo duidelijk, dat hier bedoeld is: het gepredikte Woord. Want aan het slot van dit hoofdstuk lezen we: "En dit is het Woord, dat onder u verkondigd is."

Als we in 1 Joh.3:9 lezen over "het zaad Gods, dat in hem blijft, namelijk in degene die uit God geboren is, dan verklaren de Kanttekenaren dat als volgt: "Dat is Gods zaad, waardoor hij wedergeboren is, namelijk het Woord van God". Dat is ook in overeenstemming met onze belijde­nis. Art.35 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt over het tweeëlei leven van de wedergeborenen, namelijk tijdelijk en geestelijk, waarbij gezegd wordt dat dit geestelijke leven gegeven wordt in de tweede geboorte "dewelke geschiedt door het Woord des evangeliums, in de gemeenschap des lichaams van Christus". Zo kan Paulus in 1 Kor.4:15 zeggen: "In Christus Jezus heb ik u door het evangelie geteeld".

Waar dus het evangelie gepredikt wordt, daar geschiedt het wonder van de wedergeboorte. Alleen God is bij machte om stommen te doen roepen om genade, en dode zielen te doen leven. Petrus vergelijkt dit evangelie dus met een zaad, waaruit het nieuwe leven van de wedergeboorte ont­staat. Omdat dit zaad onvergan­kelijk is (het Woord van God is immers levend en blijvend) is ook het leven dat eruit opkomt onvergankelijk. Hier is de wederge­boorte dus onlosmakelijk verbonden met het gepredikte Woord. Buiten de prediking van het evangelie om komt zij niet tot stand. Wil je wedergebo­ren worden door de Heilige Geest, dan behoor je jezelf dus te begeven in de weg van het Woord. En dan denk ik aan: bijbellezen, bijbelstudie, en vooral de prediking. We moeten de weg van de middelen bewan­delen. Daar hoort ook het gebed bij. De Heere wil Zijn Geest geven aan degenen, die Hem daarom bidden.
Wat gebeurt er met je als je wedergeboren wordt?

Voor ik tenslotte wil ingaan op de vraag, die als titel boven dit hoofdstuk staat, wil ik eerst nog wijzen op heel mooi stukje uit onze gereformeerde belijdenis, waarin gesproken wordt over wat er nu eigenlijk met je gebeurt als je wederom geboren wordt. Ik bedoel een stukje uit de Dordtse Leerregels. We lezen daar in hoofdstuk III/IV,11: "Voorts wanneer God dit zijn welbehagen in de uitver­korenen uitvoert, of de ware bekering in hen werkt, zo is het dat Hij niet alleen het evange­lie hun uiterlijk doet prediken, en hun verstand krachtig door de Heili­ge Geest verlicht, opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden de dingen, die des Geestes Gods zijn; maar Hij dringt ook in tot de binnen­ste delen van de mens met de krachtige werking van de wederbarende Geest; Hij opent het hart dat gesloten is, Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In de wil stort Hij nieuwe hoedanigheden, en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt die wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen."

Er gebeuren dus drie dingen, zegt onze belijdenis: ons verstand wordt verlicht, ons hart wordt geopend en onze wil wordt vernieuwd. Laat ik proberen jullie duidelijk te maken wat daarmee bedoeld wordt.

Eerst het eerste: ons verstand wordt verlicht. Ons natuurlijke verstand is verduis­terd, zodat we de dingen die des Geestes Gods zijn niet verstaan. We gaan door die verlichting niet alleen zien dat God bestaat, dat Hij er is, maar ook dat we rekening met Hem moeten houden. We kunnen voor Hem niet be­staan. We worden overtuigd van onze doods­staat. We smeken in de eenzaam­heid of God ons bekeren wil. We krijgen een honger naar het Woord, ook al veroordeelt dat ons. We gaan graag naar de kerk om Gods stem te ho­ren. Met koorden van liefde worden we almaar meer naar God toegetrokken. We staan oog in oog met God. We zien het gevaar van de brede weg en we worste­len om op de smalle weg te komen. We worstelen om met God ver­zoend te worden. We vallen onszelf hoe langer hoe meer tegen. Soms laten we de moed zakken, maar toch kunnen we het niet laten om God als een water­stroom aan te lopen. Meer en meer zien we in dat we zonder Borg voor God niet kunnen be­staan. Onze schuld begint te drukken en de nodigingen van de Zaligmaker begin­nen ons hart open te breken.

Daarmee kom ik op het tweede: ons hart wordt geopend. Geopend voor het spreken van God en de dierbaarheid van Christus. Er komt een sterke honger en dorst naar de gerechtig­heid. Zonder Jezus kunnen we niet meer verder. Ja, het hart wordt besneden. Er komt een vlezen hart. Het stenen hart wordt weggeno­men. Al het onreine wordt weg­gesneden. Dat steenharde, dodelijk kille, ongevoelige en onbewogen hart gaat warm en levend kloppen. Kloppen van schrik bij het zien van de steeds groter wordende schuld voor God, maar vooral ook kloppen van vreugde als de Zaligmaker zich aan ons openbaart als de Schoonste van alle mensenkinderen. Dan gaat ons hart zo wijd voor Hem open, dat we wel eens uitroepen met de bruid: "Zulk Een is mijn Liefste!".

En nu het derde: onze wil wordt vernieuwd. Van nature is onze wil afgebogen van God. We willen alleen het kwade. Augustinus zegt: Wij kunnen niet meer het goede willen. Dat heeft Luther genoemd: de knechte­lijke wil. Die verkeerde wil stamt van vader Adam uit het paradijs. Wij zijn vleselijk. We staan op voet van oorlog met God. Maar in de wederge­boorte vernieuwt de Geest onze wil. Dan gaan we weer willen wat God wil: "Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?" Dat wordt dan onze voortdurende vraag. We leren buigen onder God en begeren naar al Gods geboden te leven. "De wil vernieuwd zijnde, werkt nu zelf ook...", zeggen de Dordtse Leerregels.

Ik denk dat je hier toch al wel een beetje antwoord krijgt op de vraag hoe je weten kunt of je wedergeboren bent. Toest jezelf eens aan de hierboven genoemde drie punten. Herken je deze zaken ook in je eigen leven? Straks wil ik nog meer 'kenmerken' noemen, die bij de wedergeboorte horen. Leg daar dan ook je hart maar eens naast.

Ik wil aan het eind van dit antwoord op de vraag wat er nu eigenlijk gebeurt in de wedergeboorte nog een keer citeren hoe onze vaderen dat beschreven hebben in de Dordtse Leerregels III/IV,12: "En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de doden en levendmaking, waarvan zo heerlijk in de Schriften gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt... naar het getuigenis der Schrift.... in haar kracht niet minder of geringer dan de schepping, of de opwekking der doden..."


Hoe kun je weten of je wedergeboren bent?

Met deze belangrijke en dringende vraag ben ik dit hoofdstuk begonnen. Het antwoord op deze vraag heeft wat extra aandacht nodig, omdat blijkt dat in de praktijk van het ge­loofsle­ven velen er op een verkeerde manier mee bezig zijn. Het gevaar dreigt namelijk dat we de wedergeboorte zoeken in een "gericht zijn op ons­zelf". Dan gaan we graven in de diepte van ons hart. We gaan allerlei gevoelens en ervaringen op een rijtje zetten om te zien of er ook ergens een begin van wedergeboorte te ontdekken is. Mogelijk is er een enke­ling, die dat begin ontdekken kan. Er zijn wel mensen die plotseling en krachtdadig tot verandering komen. Maar bij de meesten is dat niet zo. Bij de meesten gaat het langzaam en geleidelijk.

De Bijbel leert ons dat we niet door een op onszelf gericht zijn, maar door een op God gericht zijn aan de weet kunnen komen of we weder­geboren zijn. Als je wedergeboren bent is te merken aan de vruchten die het uit­werkt in je leven. We noemen dat de vruchten van de wedergeboorte. De gerichtheid van je leven wordt anders. Dan gaat het je om Jezus en de kracht van Zijn verzoenend bloed.

Ik wil hier eerst een paar bijbelteksten noemen. Denk aan 1 Joh.5:1: "Een ieder, die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren." Hoor je hier de juiste volgorde? We moeten niet eerst rust zoeken door de wetenschap dat we wedergeboren zijn om vandaar uit "op te stijgen" tot het geloof in Christus, maar het is juist andersom. Als je de Heere Jezus niet kent en liefhebt en als Zijn naam voor jou nog geen waarde heeft gekregen, dan mag je jezelf ook niet voor wedergeboren houden.

Een andere vrucht van de wedergeboorte is de liefde tot de mede­gelovi­gen. Ik wijs weer op de Bijbel: 1 Joh.4:7: "Geliefden, laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God en een ieder die liefheeft, is uit God geboren en kent God."

Nog een duidelijk bijbels kenmerk van de wedergeboorte is de strijd te­gen de zonde en de honger naar het Woord. Ik noem hier 1 Petr.2:1‑2: "Zo legt dan af alle kwaadheid en alle bedrog en geveinsdheid en nijdig­heid en alle achterklappingen; en als nieuwgeboren kinderkens zijt zeer bege­rig naar de redelijke, on­vervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen".

Zo zie je, dat de wedergeboorte uit de vruchten is te kennen. In de wedergeboorte wordt het nieuwe leven geschonken en dat nieuwe leven blijkt in de bereidheid om naar de wil van God en dus naar Zijn geboden te gaan leven. Er gebeurt werkelijk ook iets in de mens. We worden niet alleen in een verzoende betrekking met God gesteld, maar er gebeurt van binnen iets wezenlijks. Er vindt een geestelijke omkeer plaats.
Een paar kenmerken uit onze gereformeerde belijdenis

Nadat ik een paar kenmerkende trekken van de wedergeboorte uit de Bijbel zelf naar voren heb gebracht, wil ik graag ook nog wijzen op onze gereformeerde belijdenis. Die is toch zo rijk als het over deze dingen gaat. De bijbelse kenmerken, die ik zostraks noemde, komen inhoudelijk op dezelfde manier terug in art.29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Daar schrijft Guido de Brès over de 'kenmerken van de christen'. Hij noemt de volgende: het geloof en het aannemen van de enige Zaligmaker Jezus Christus, het vlieden van de zonde en het najagen van de gerechtigheid, ook het liefhebben van God en de naaste. Zie je wel dat het hier om dezelfde dingen gaat? Het geloof in Christus, de strijd tegen de zonde en de liefde tot God en de naaste.

Als de Dordtse Leerregels spreken over de 'vruchten van de verkiezing' lezen we in I,12 ook weer over deze zelfde geestelijke dingen: het waar geloof in Christus, een kinderlijke vreze Gods, droefheid, die naar God is over de zonde en een honger en dorst naar de gerechtigheid. Het is opvallend dat ook hier weer het geloof in Christus als een van de eerste vruchten wordt genoemd en daarna die kinder­lijke vreze Gods en die droefheid over de zonde. Wij zouden geneigd zijn om te beginnen met de "droefheid over de zonde". Onze belijdenis doet het echter goed, want alle droef­heid over de zonde is nog geen teken van genade. Ieder mens kan wel eens hevig bedroefd en ontroerd worden door het knagen van een beschuldigend geweten of door het zien van Gods strenge rechtvaardigheid of de vrees voor de eeuwige rampzaligheid. Denk maar aan Kain, Ezau en Achab. Daarom staat er ook een droefheid, die naar God is!

Zijn die vruchten er ook in jouw leven? Zoja, dan mag je daar kinderlijk blij over zijn en eruit opmerken dat God met je begonnen is. Dan moet je jezelf dus niet suf piekeren over de vraag of God wel met je begonnen is. Je moet ook niet wachten op bijzondere openbaringen uit de hemel. Je moet gewoon letten op de vruchten. Vindt je dat moeilijk, om die in je eigen leven te zien? Hebt je nog nooit tegen de Heere gezegd: "Heere, ik kan U niet missen, en ik verlang naar de Heere Jezus, want ik moet mezelf telkens weer afschrijven als ik zie op mijn zonden, die ik nog dagelijks doe." Mocht je het Petrus wel eens nazeggen: "Heere, Gij weet alle din­gen, Gij weet dat ik U liefheb!"?

Vergis je toch niet als het gaat om die vruchten van de wedergeboorte. Je moet niet eerst geloven dat je het ware geloof hebt om daarna tot Christus te mogen gaan. Het is juist omgekeerd: de ge­loofsovergave aan Christus is er een bewijs van dat het ware geloof aan­wezig is. En voeg daar nu nog eens bij die "kinderlijke vreze Gods". Ook die echte, hartelijke "droefheid over de zonde". Niet alleen maar over de gevolgen van de zonde of vanwege de straf op de zonde, maar om de zonde zelf in haar godonterend karakter, omdat God erdoor bedroefd wordt. En die "honger en dorst naar de gerechtig­heid", die onze schuld bedekt, maar ook in een nieuw godzalig leven doet wandelen vanuit een teer gewe­ten. Je ziet dat onze belijdenis toch wel mooie dingen zegt over de wedergeboorte en het geloof. Op één ding wil ik tenslotte nog wat dieper ingaan, omdat ik daar heel vaak vragen over krijg. Dat is het kennen van Christus, het geloof in Christus. Wat houdt dat nu eigenlijk in? Wat ervaar je dan? Dat is heel belangrijk, want alleen wie gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren (1 Joh.5:1).
Waar begint de kennis van Christus in je leven?

Loop je met dit probleem? Heb je ooit weleens op Hem mogen zien en ontdekt, dat Hij een mens redden wil, niet omdat deze beter of waardiger zou zijn dan anderen, maar omdat Hij Zijn Vader wil verheerlijken in het redden van zondaren. Ja, zeg je, maar... wat is nu dat zien op Jezus? Wat is nu dat geloof in Christus? Wat betekent het om Hem te kennen? Hoe gaat dat, want ik heb er belang bij. Soms denk ik dat ik er iets van ken, dan weer denk ik: het zal wel niet waar zijn. Wat is de kennis van Christus? Hoe gaat dat, hoe beleef je dat?

Dat is geen verstandelijke of intellektuele kennis, maar omgangsken­nis, bevindelijke kennis. Ervaringskennis. Je ontmoet Hem! Waar? In het Woord! In de kerk onder de preek, in het luisteren naar een meditatie, in het lezen van je Bijbel. Daar wordt de gestalte van de Heere Jezus uitgetekend. En dan krijg je daar belang bij. Want jij zit met je zon­den, waar je tegen strijd en je schuld, die iedere dag bij de Heere groter wordt. En nu komt de Heere Jezus in Zijn Woord zo naar je toe, dat Hij precies bij jou past. Zo'n rijke Christus, die de zonden der wereld gedragen heeft, past precies bij jouw armoede en verlorenheid. Deze Zaligmaker heb je nodig, dat voel je, dat besef je, dat geloof je. Je krijgt een Borg nodig.

En iedere keer als Hij naar je toekomt in het Woord stroomt er blijd­schap en verlangen door je heen. Wat zou je Hem graag kennen en bezit­ten. Wat zou je graag weten of Hij jou wil aannemen en zaligmaken. Wat zou je graag in Hem geloven. Maar... zou de eerste kennis van Hem er dan al niet zijn? Als een jongen een meisje leert kennen zijn er eerst ook enkele ontmoetingen. De ogen vinden elkaar. Er groeit een band. Die band wordt sterker na elke ontmoeting. Zeker, ze zijn elkaars eigendom nog niet, maar ze kennen elkaar toch inmiddels wel een beetje.

Jonge vrienden, zo is dat ook met de kennis van de Heere Jezus. Als Zijn gestalte je vanuit het Woord dierbaar is geworden, is dat een eer­ste kennen van Hem. Al is het dat je Hem mist, dat je naar Hem verlangt. Je hebt Hem ontmoet en begeert Hem beter en dieper te leren kennen. De Heere wil juist deze eerste kennisneming van de Middelaar verdiepen door het werk van Zijn Heilige Geest, zodat je mag leren dat Hij niet alleen zondaren zaligmaakt, maar dat Hij ook jou wil zalig maken. Zodat je langzaam maar zeker het leven in jezelf mag verliezen om het in Hem te vinden. Dat is een voortgaande kennis.

Het ware geloof in Christus is niet alleen een kennen van Hem, maar ook een vertrouwen op Hem. Je geheel en al verlaten op Hem. God voor betrouwbaar houden als Hij zegt dat het offer van Christus genoeg is tot een volkomen verzoening van al onze zonden. Als de Heere Jezus Zelf als het ware tot ons komt in het gewaad van Zijn Woord als de Goede Herder, Die Zijn leven stelt voor Zijn schapen. Je ziet het voor je hoe Hij bloedend hing aan het kruis. Wat wordt Hij daar beminnelijk en dierbaar. De vraag rijst in je hart: Zou Hij daar nu ook voor mij gehangen hebben? Wat is het moeilijk om dat te geloven. Dat kan geen sterveling uit zichzelf. We wantrouwen eerder God dan dat we Hem vertrouwen. Maar de Heilige Geest is er ook nog. En als Hij wil meekomen in dat heerlijke evangelie, waarin Christus tot ons komt, overwint Hij alle wantrouwen en haalt Hij ons op tot de hoogte van het vertrouwen. Dat is zelfs het lievelingswerk van de Heilige Geest.

Als je dat mag ervaren en geloven en ook een diepe indruk ontvangt van de gewilligheid van Christus om je aan te nemen, mag je jezelf overgeven aan de Heere Jezus. Dat geeft zo'n verwondering en vrede in je hart, dat je wel altijd zo dicht bij de Heere zou willen blijven. Helaas komt daar zo vaak weer onze zonde tussen, waardoor er een scheiding komt tussen God en ons hart. Dan heb je het weer opnieuw nodig om overwonnen te worden door de kracht van de Geest en de gewilligheid van Christus.

De Heere wil in de weg van het Woord en de sakramenten hoe langer hoe meer zulke aarzelende zondaren ervan verzekeren, dat Hij juist voor hen gekomen is. En dan is er nog zoveel te kennen van Christus, dat een kind van God daar heel het leven niet in uitgeleerd komt. Hier wilde ik alleen iets zeggen van het prille begin van die Christuskennis. Wie Hem kent, gaat met Hem om. Dat noemen we gemeen­schap met Hem hebben. En dat is de allerduidelijkste vrucht van de wedergeboorte. Als je jezelf herkennen kan in wat ik hierboven beschreef, mag je weten dat je uit de dood bent overgegaan in het leven.


Vragen en opdrachten:

1. Lees Joh.3:1-21. Ga na welke vragen Nicodemus aan Jezus stelt en welke antwoorden Hij daarop geeft. In welk vers spreekt Jezus over de oorsprong van de wedergeboorte? Hoe komt die tot stand? Wat heeft de verwijzing naar de geschiedenis van de koperen slang hiermee te maken? Waar legt Jezus in dit schriftgedeelte de verbinding tussen wedergeboorte en geloof?


2. Wat is het verband tussen wedergeboorte en geloof?
3. Wat bedoelen we met het gezegde dat 'iemand in de wedergeboorte is blijven steken'?
3. Wat is het verschil tussen wedergeboorte en bekering?
4. Zou er ook een voorbereiding kunnen zijn tot de wedergeboorte? Zo ja hoe dan?
5. Hoe moeten we staan tegenover een nadruk op de wilsbeslissing van de mens om tot het geloof te komen, zoals bijvoorbeeld in de evangelische groe­pen?
6. Welke uitdrukkingen gebruikt de Bijbel allemaal voor de wedergeboorte?


25



  • De noodzaak van de wedergeboorte
  • Nicodemus en de wedergeboorte
  • De oorsprong van de wedergeboorte
  • Wat gebeurt er met je als je wedergeboren wordt
  • Hoe kun je weten of je wedergeboren bent
  • Een paar kenmerken uit onze gereformeerde belijdenis
  • Waar begint de kennis van Christus in je leven
  • Vragen en opdrachten

  • Dovnload 39.5 Kb.