Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


2014 Hogeschool Utrecht

Dovnload 47.78 Kb.

2014 Hogeschool Utrecht



Datum21.09.2017
Grootte47.78 Kb.

Dovnload 47.78 Kb.




2014




Hogeschool Utrecht
Jongenotter R.

1603007


Begeleiding:
Ada Herwig en Hans Poorthuis
School:
Christelijk college Groevenbeek



[‘Passend’ onderwijs bij kinderen met ASS]

Dit is het verslag van het ontwikkelen van een beroepsproduct dat naar aanleiding van het onderzoek doen in de praktijk en in de literatuur tot stand is gekomen. In dit verslag staat het verloop van de ontwikkeling te lezen die doorlopen is aan de hand van de cursusbeschrijving beroepsproduct 3, gemaakt door de Hogeschool Utrecht. Anders dan in wetenschappelijk onderzoek komt in dit verslag de praktijk in verbinding te staan met de literatuur. Daarnaast is het einddoel een product i.t.t. enkel een onderzoeksresultaat op papier. Inhoudelijk is het onderzoek gericht op het inzichtelijk maken voor docenten hoe zij leerlingen met ASS in hun behoeften recht kunnen doen, aangezien hun behoeften nou eenmaal verschillen vertonen t.o.v. andere leerlingen. Het product, voortgekomen uit het onderzoek, is een minicursus voor docenten om het zojuist beschreven doel te bereiken.


Beroepsproduct 3
Opleiding 2e graads docent geschiedenis
Instituut Archimedes

http://www.ith-haptonomie.nl/sites/default/files/autisme-fonds-giro-479.gif http://www.autiweg.nl/images/pluplus.jpg

Inhoudsopgave



Deze volgt wanneer het verslag klaar is. Het verslag heeft exact de vorm zoals deze in de cursushandleiding staat beschreven.

Projectverslag

Hoofdstuk 1. Inleiding

    1. Aanleiding en opdracht

De aanleiding voor dit onderzoek is om te beginnen de uitnodiging voor het deelnemen aan de leergang. Het Christelijk college Groevenbeek is bezig een academische opleidingsschool te worden en is in dat kader bezig zich te ontwikkelen om intern praktijkonderzoek op te zetten en te stimuleren. Zo is er vorig jaar al onderzoek gedaan naar leerstijlen, een onderzoek dat dit jaar uitgebreid voortgezet wordt. Binnen hetzelfde kader heeft Aart Jon Schimmel opdracht gekregen onderzoek te gaan verrichten naar hoe leerlingen met autisme, tegenwoordig samengebracht onder de noemer ASS (Autistische spectrumstoornis), het beste bediend kunnen worden in de klas, zonder de overige leerlingen in de klas uit het oog te verliezen of te benadelen. Nu is dit een breed onderzoek dat vraagt om een duidelijke kadering van wat men wel onderzoekt en vooral ook wat men niet onderzoekt. Vanwege diezelfde breedheid werd er gevraagd om een studentonderzoeker die een bijdrage zou kunnen leveren aan het onderzoek. Passend onderwijs en de leerlingen die vanuit het speciaal onderwijs wegens bezuinigingen naar het reguliere onderwijs zijn geplaatst fascineren mij. Het houdt mij enorm bezig als aankomend docent en hoezeer ik de gang van zaken ook betreur, ik zal er straks samen met mijn team mee moeten dealen. Daarom heb ik meteen ja gezegd toen men mij vroeg om hieraan mee te werken. Straks als docent kan het mij bijzonder goed van pas komen en ik kan op deze school hopelijk een bruikbaar product afleveren, waardoor verbetering of op zijn minst duidelijkheid geschapen wordt. Mijn opdracht is dan ook verwoord door mijn opdrachtgever, Aart Jon, als het ontwerpen van een minicursus voor docenten, om meer recht te doen aan de behoeften van leerlingen met ASS op leergebied in de lespraktijk.

    1. Context van de school in relatie tot het probleem

Hier heeft Aart Jon mij enigszins in kunnen inleiden. Hij is namelijk niet zomaar dit onderzoek gestart, maar omdat hij leerlingen met ASS onder zijn hoede genomen heeft op school. Op dit moment begeleid hij 7 leerlingen die ASS gediagnostiseerd zijn. Deze 7 leerlingen hebben in de onderbouw van het voortgezet onderwijs speciaal onderwijs gevolgd. Echter wordt de bovenbouw van het voortgezet onderwijs niet overal aangeboden, waardoor de instroom leerlingen met ASS in de bovenbouw niet gering is. Omdat het aantal leerlingen met ASS steeds verder toeneemt is de vraag naar duidelijkheid betreffende de begeleiding van docenten gegroeid. Er is een zorgcoördinator op school en er wordt binnen de kring van mentoren, ouders, docenten goed gecommuniceerd over de ASS leerlingen. Docenten worden vooraf goed ingelicht over de leerlingen die zij voor zich krijgen in de klas en er wordt regelmatig om een update gevraagd. Tijdens vergaderingen worden de desbetreffende leerlingen altijd specifiek besproken en de voortgang van de leerlingen wordt nauwkeurig in de gaten gehouden. Hoe positief dit ook mag klinken, er wordt teveel de nadruk gelegd op wat de leerlingen niet kunnen. Door het tegenwerken van het afwijkende gedrag wat ASS leerlingen vertonen worden ze niet verder geholpen, maar ondervinden ze alleen maar meer last van hun stoornis. De school wil stappen gaan maken om juist de positieve eigenschappen van de leerlingen te gaan benadrukken en ze verantwoordelijk te maken voor het inzetten daarvan, ook al kan dit soms afwijkend zijn van reguliere leerlingen.



    1. Onderzoeksvraag

Ik doe dus onder de vleugels van docentonderzoeker Aart Jon Schimmel onderzoek naar leerlingen met ASS op school en hoe docenten hun lessen kunnen vormgeven, zodat er voor leerlingen met ASS een optimale leer- en werksfeer kan worden neergezet. Aangezien ik voor het Beroepsproduct naar een fysiek product toewerk, richt ik mijn onderzoeksvraag daarop:
Hoe maak ik inzichtelijk voor docenten hoe zij voor leerlingen met ASS hun manier van lesgeven kunnen verbeteren zodat zij recht doen aan hun behoeften?
Door de vraag zo te stellen richt ik me niet alleen op het maken van een fysiek product (de minicursus), maar tevens op het onderzoek naar wat leerlingen met ASS voor kenmerken hebben.

Hoofdstuk 2. Verkennend onderzoek

2.1 Inleiding verkennend onderzoek

In dit hoofdstuk van mijn projectverslag komen de praktijkverkenning en de literatuurverkenning aan bod. Wanneer je bezig bent met onderzoek doen en het maken van een fysiek product omtrent een bepaald onderwerp, is het zaak goed te verkennen wat er al op dat gebied gedaan is en nog steeds gedaan wordt. Zo voorkom je dat je (voor de zoveelste keer) het wiel opnieuw gaat uitvinden. Hoofdstuk 2 beschrijft om te beginnen de verkenning die verricht is in de praktijk, waarbij vragen worden beantwoord als: welke personen kunnen van pas komen bij mijn onderzoek? Wat gebeurt er al op het Groevenbeek aan ondersteuning bij lesgeven aan klassen met leerlingen met ASS? Hoeveel klassen met leerlingen met ASS zijn er op het Groevenbeek? Welke leerlingen zou ik kunnen interviewen? Ten tweede komt het literatuuronderzoek naar voren, waarbij vragen worden beantwoord zoals: wat is ASS? Wat hebben leerlingen met ASS nodig?

2.2 Praktijkverkenning

2.2.1 Inleiding

De praktijkverkenning brengt dus een aantal vragen met zich mee die beantwoord moeten worden. De personen die van pas kunnen komen zijn belangrijk om te inventariseren, zodat zij kunnen helpen bij het opzetten van het onderzoek, ik met tussentijdse vragen weet bij wie ik terecht kan en als ik vastloop weer op weg geholpen kan worden met hulp en ideeën. Meer mensen weten uiteraard meer dan één. Wat er al gebeurt is belangrijk om eens te inventariseren voorafgaand aan het onderzoek, omdat dat de basis vormt waarvandaan je gaat vertrekken met het onderzoek. Anders kom je met een onderzoekresultaat wat er al ligt of helemaal niet aansluit bij de huidige situatie. Om de omvang van de behoefte naar het onderzoek en het resultaat daarvan te controleren, is het allereerst goed om te kijken naar de omvang van de klassen waar leerlingen met ASS deel van uitmaken. Tot slot: wie kunnen je als geen ander vertellen hoe leerlingen lessen ervaren? Juist, zijzelf.


2.2.2 Plan van aanpak en middelen

Ter oriëntatie voor de praktijkverkenning heb ik ‘Bijlage D: Formulier Doel-middelen praktijkverkenning’ ingevuld, bij dit projectverslag als bijlage toegevoegd. Hierin staan zowel de deelvragen als onderzoeksmiddelen waarmee ik de vragen poog te beantwoorden. Interpreteer dit echter wel als een kladblaadje, waarop ik mijn gedachten de vrije loop heb gelaten. Het is hieronder uitgewerkt en chronologisch weergegeven.



Plan van aanpak in stappen:

  1. Het samenstellen van een lijst met personen die van pas kunnen komen tijdens het onderzoek.
    Instrumenten/middelen: personeelsscan (wie hebben raakvlakken met het terrein waarop dit onderzoek zich afspeelt?), uitwisseling met opdrachtgever en ervaren collega Aart Jon.

  2. Inventariseren: hoeveel/welke klassen zijn klassen met leerlingen met ASS?
    Instrumenten/middelen: zorgcoördinator/leerlingensysteem

  3. Leerlingen met ASS nader onderzoeken door het beantwoorden van de volgende deelvraag:
    Wat hebben leerlingen met ASS nodig om fijn en efficiënt te kunnen leren op school?
    Instrumenten/middelen: interview leerlingen met ASS, zie voor een leidraad van het interview de bijlagen.
    Van groot belang is het om eerst goed uit te zoeken waar leerlingen met ASS zelf behoefte aan hebben tijdens de les voordat ik ga onderzoeken wat er al gebeurt op het gebied van docentondersteuning bij klassen met leerlingen met ASS. Als ik het om zou draaien weet ik niet op welke wensen van leerlingen met ASS ik moet letten om te kijken of die wensen enigszins vervuld worden. Bij dit interview is het ook van belang dat de leerlingen met ASS aangeven bij welke docenten ze zich fijn voelen en waar ze efficiënt kunnen werken. Dit ter vergelijkingsmateriaal voor punt 4, waarbij ik de reguliere leerlingen naar hun fijnste en meest efficiënte lessen vraag. Ook ben ik benieuwd hoe de leerlingen buiten de les met hun werk bezig zijn. Als het huiswerk slecht of niet gemaakt wordt is dat een reden om eens verder te onderzoeken waar dat aan zou kunnen liggen. Bij welke vakken hebben ze moeite met huiswerk? Heeft dat wellicht met motivatie o.i.d. te maken i.p.v. met de stoornis? Mede deze vraag herinnert mij aan het belang van het bewust zijn van de ‘normale’ kanten van de leerlingen met ASS. Het zijn per slot van rekening pubers die worstelen met hun identiteit net als iedere andere puber. Vandaar dat ik de ASS gediagnosticeerde leerlingen niet ASS’ers probeer te noemen, maar ‘leerlingen met ASS’. Het zijn gewoon leerlingen die een stoornis hebben, waarbij de nadruk op de leerling in hen moet liggen en niet op de stoornis waar ze mee kampen.

  4. De huidige situatie verder in kaart brengen door de docenten van de klassen met leerlingen met ASS te gaan ondervragen. De gegevens die vloeien uit het interview met leerlingen kan ik gebruiken om een selectie te maken van docenten die interessant en relevant zijn om eens wat vragen te stellen over hun manier van lesgeven en hun manier van rekening houden met de leerlingen met ASS in de groep. Bij welke lessen/docenten gaat lesgeven aan leerlingen met ASS ze goed af?
    Instrumenten/middelen: interview relevante docenten. Ook de leidraad van dit interview is opgenomen in de bijlagen. Naast een interview zijn lesobservaties en filmopnames van lessen instrumenten om in te zetten voor het analyseren van de huidige situatie rondom recht doen aan behoeften van leerlingen met ASS.

  5. Ontwerpen en schrijven van de minicursus: Aan welke eisen moet een minicursus voldoen om een effectieve cursus te vormen?

Op basis van de gegevens die ik verzamel met betrekking tot het onderzoek, zowel in de praktijk als in de literatuur, ga ik een cursus voor docenten ontwerpen. Zo’n cursus moet uiteraard aan bepaalde eisen voldoen, wil het een goede cursus worden.

  1. De ontworpen cursus geven aan docenten. Wat is er nodig om een minicursus bij wijze van test te geven?

Wanneer de cursus naar mijn idee en naar het idee van Aart Jon af is, of in ieder geval klaar om uit te proberen, moet de cursus (in het klein) gegeven worden. Zo kan het verloop, de vorm en het effect van de cursus gemeten worden.

  1. Cursus evalueren/aanpassen indien nodig.
    De docenten die de cursus volgen hebben hoogstwaarschijnlijk een bepaald gevoel en een bepaalde mening over de gevolgde cursus. Deze meningen zijn belangrijk om mee te nemen in de evaluatie van de cursus die moet leiden tot het optimaliseren van de cursus. Pas wanneer deze (eventuele) aanpassingen zijn bewerkstelligd, kan de cursus als ‘af’ worden beschouwd en kan hij afgeleverd worden aan de school als bruikbare cursus om te geven in de toekomst.

2.2.3 Resultaten en conclusies



  1. Ik ben mijn praktijkverkenning begonnen met het uitzoeken van personen die van pas zouden kunnen komen bij mijn onderzoek.
    Deze lijst heb ik kunnen samenstellen:
    -Aart Jon Schimmel  docentonderzoeker + opdrachtgever
    -Kitty Nijboer  ambulant begeleider
    -Rieneke Visser  zorgcoördinator
    -Docenten van klassen met leerlingen met ASS
    -Leerlingen met ASS
    -Hans Poorthuis  beoordelaar + critical friend
    -Ada Herwig  beoordelaar + critical friend
    -Docenten van het Scala College (onze koppelschool) voor een kritische objectieve blik

  2. Wacht nog op uitslag van zorgcoördinator. Van Aart Jon heb ik vernomen dat hij graag het onderzoek zou beperken tot de bovenbouw, aangezien daar veel leerlingen binnenkomen vanuit het speciaal onderwijs, waar zij geen bovenbouw in kunnen volgen. Zo specificeren we de groep die we onder de loep houden en sluiten we uit dat we twee onderzoeken in één gaan uitvoeren, waardoor we het onszelf lastig maken en tegelijkertijd de opbrengst en waarde van het onderzoek reduceren.

  3. Aart Jon en ik hebben beiden een interviewleidraad opgezet en zijn bezig met het interviewen van leerlingen. Hieruit zijn al een paar docenten naar voren gekomen waarbij leerlingen met ASS zich fijn voelen en melden een hoge leeropbrengst te ervaren.

  4. Enkele docenten hebben we reeds benaderd om ze inzicht te geven in wat wij aan het onderzoeken zijn. Ook vertelde we hen dat ze door leerlingen tijdens interviews genoemd zijn. Vervolgens vroegen we deze docenten of zij zich hierin herkenden en daar werd wisselend op gereageerd, maar men wilde wel graag meewerken aan het onderzoek. Zo kregen we toestemming om eens achterin de klas te komen zitten en filmopnames te maken om te kunnen analyseren wat er tijdens de les gebeurd.

  5. Een minicursus moet aan een heel aantal eisen voldoen, wil het een effectieve cursus vormen waar docenten echt toepasbare kennis uit meenemen ter verbetering van de praktijksituatie.

Voorbeelden van belangrijke eisen die ik meeneem bij het ontwerpen zijn:

-De cursus moet duidelijk docentgericht zijn.


-De cursus moet bewustwording kweken bij de docenten die de cursus volgen in zoeken naar goede lesmethodes om leerlingen met ASS tegemoet te komen en zoveel mogelijk recht te doen.
-De cursus moet de docenten toepasbare handelingswijzen bijbrengen die ze kunnen gebruiken in de praktijk.
Deze ‘praktijk’ moet gespecificeerd worden tot de ‘praktijk binnen Groevenbeek’. Dit onderwijssysteem kent uiteraard andere kenmerken dan op andere scholen, waardoor deze noot van belang is.
-De cursus moet een beeld creëren voor docenten van leerlingen met ASS, zowel hun kenmerken als hun behoeften.
Dat beeld wordt gecreëerd door informatieverschaffing, maar ook door oefeningen waarbij de ervaring centraal staat. Als docenten eens in de huid van een leerling met ASS kunnen kruipen, verhoogt dat naar alle waarschijnlijkheid hun begrip voor deze groep leerlingen en zullen ze gedrevener zijn om de leerlingen recht te (gaan) doen.

  1. ‘Wat er nodig is om een minicursus te geven’ is om de volgende redenen belangrijk om vooraf goed uit te zoeken: op een school met allerlei collega’s die dag in dag uit druk zijn met hun eigen bezigheden is het nodig om goed te peilen welke docenten je wilt gebruiken voor de test en vooral wanneer deze docenten allemaal kunnen. Planning van het moment waarop de test gehouden zal worden, het liefst zo ver vooraf als mogelijk, is cruciaal voor het überhaupt kunnen houden van de test. De vraag ‘welke docenten?’ is zeker zo belangrijk. Je wilt docenten hebben die warmlopen voor het onderzoek, al enigszins van op de hoogte zijn van het onderzoek, leerlingen met ASS hebben in hun klas (of op zijn minst verwachten er snel paraat voor te moeten staan in de nabije toekomst), etc. Allemaal factoren waarop ik de docenten zal moeten selecteren die ik bij de test wil betrekken.
    Naast het publiek zal ik een geschikte locatie moeten regelen (waarschijnlijk is een lokaal met digiboard voldoende).

  2. Tot slot de evaluatie van de minicursus. Zoals beschreven in het plan van aanpak is de mening van het publiek, dus de docenten, van groot belang. Zij kunnen het beste verwoorden hoe zij de cursus ervaren hebben, wat ze voor opmerkingen, vragen en verbeterpunten hebben, en hoe ze denken over het effect van de cursus. Dat is uiteindelijk natuurlijk het doel. Ook mijn eigen ervaring en de ervaring van Aart Jon, die de minicursus weer gebruikt voor het overkoepelende onderzoek, zijn van belang. Met de opbrengst die we oogsten ga ik aan de slag voor het verbeteren van de minicursus voor een toekomstige inzet ervan. Wanneer dit gerealiseerd is, kan ik de cursus overdragen aan het Groevenbeek.

2.3 Literatuurverkenning

2.3.1 Inleiding

Wanneer je een onderzoek doet naar de efficiënte manieren om klassen met leerlingen met een bepaalde stoornis les te geven, zul je je eerst in die bepaalde stoornis moeten verdiepen. Daarom ben ik op zoek gegaan naar informatie omtrent ASS in de literatuur die ik vanuit mijn opleiding tot geschiedenisdocent al in bezit had, maar ook in nieuwe literatuur. Samen met Aart Jon heb ik gekeken hoe we de verkenning van de literatuur enigszins samen konden onderverdelen, zodat we niet beiden precies dezelfde weg zouden afleggen, terwijl je op zoek bent naar antwoorden op dezelfde vragen. Dit is de reden dat ik bij het bespreken van sommige literatuur vermeld dat ik mij beroep op het onderzoek van Aart Jon, zoals hij dat ook met mijn resultaten zal doen. Naast een uiteenzetting van literatuur betreffende ASS in het algemeen is het belangrijk in de literatuur te zoeken naar manieren van lesgeven, waarvan al is aangetoond dat ze enig effect teweeg hebben gebracht. Ik ben ten slotte op zoek naar wat wel en wat niet handig is om toe te passen in lessen om leerlingen met ASS en de andere leerlingen optimaal te bedienen.

2.3.2 Middendeel

Wat is autisme? En waarvoor staat de afkorting ‘ASS’?

Autisme is niet één stoornis, maar is een spectrum van autismestoornissen. Uniek, net als alle andere pubers en met dezelfde ontwikkelingsfasen. Vandaar dat het gedrag van een autist lastig te plaatsen is in zijn/haar stoornis of haar pubergedrag zoals iedere puber dat vertoont. 15-20 procent heeft een verstandelijke handicap in combinatie met autisme, terwijl het grootste deel een normale of juist zeer hoge intelligentie heeft en zich begeeft in het reguliere onderwijs.

Meer jongens dan meisjes zijn autistisch en in totaal gaat het om zo’n 93.000 mensen in NL. Recent onderzoek van de UVA (Universiteit van Amsterdam) heeft aangetoond dat ongeveer 1,16% van de Nederlandse bevolking ASS gediagnosticeerd is (Geurts, 2010).

ASS is geen kwestie van opvoeding zoals vroeger werd gedacht, maar door aanleg bepaald. Stoornis in de hersenen, die als een informatieverwerkingsstoornis moet worden betiteld. Alle informatie die de jongeren binnenkrijgen wordt in losse delen waargenomen. Om deze delen te verbinden is een hoop energie en tijd nodig, waardoor de jongeren vaak informatie verkeerd interpreteren als ze er voor hun hersenen te weinig tijd voor krijgen of energie in stoppen.



Soorten autisme:

Klassiek autisme, syndroom van Kanner: extreem sociale isolatie, drang tot hetzelfde doen, fascinatie voor bepaalde objecten en gebrekkig gebruik van taal.

Syndroom van Rett: komt weinig voor, verlies van functies tijdens het opgroeien en lage intelligentie.

Asperger: altijd gemiddelde tot hoge intelligentie. Goed geheugen voor feiten en een grote woordenschat. Door goede taalgebruik komen ze professorachtig over. Aan de regels houden en er moeite mee hebben als anderen regels overtreden. Problemen verbloemen ze zorgvuldig, waardoor ze niet opvallen voor andere mensen. Vaak overschat, omdat ze zo slim overkomen, maar eigenlijk maar een zeer beperkt interessegebied hebben. Kunnen gedachten moeilijk loslaten en zich moeilijk inleven in anderen. Vaak perfectionistisch en daardoor gespannen.


PDD-NOS:
restgroep, voldoen niet aan alle voorgenoemde kenmerken of hebben de kenmerken in mindere mate. Vertraagde taalontwikkeling, moeite met het verwerken van gesproken informatie (visueel gaat beter). Druk gedrag. Concentratieproblemen en reageren/handelen vaak impulsief, mechanisme tegen angst en onvermogen. Voelen niet aan wat onjuist gedrag is, wat ADHD wel hebben, maar niet kunnen tegenhouden. Agressie komt vaker voor dan bij de andere vormen van autisme.

MCDD: meervoudige complexe ontwikkelingsstoornis. Niet kunnen beheersen van angst en agressie. Probleem in denken, doorschieten in fantasieën, werkelijkheid daarvan moeilijk kunnen onderscheiden, haat-liefde relaties, het claimen.

Deze 5 hoofdsoorten waarin autisme te onderscheiden valt zijn samengebracht onder de noemer ASS. ASS staat voor Autistische Spectrum Stoornis. Deze naam geeft al aan dat er een spectrum is, waar meerdere soorten autisme onder vallen. In het verleden werd er altijd onderscheid gemaakt in de 5 soorten en kregen leerlingen ook echt dat stempel opgeplakt waar ze op gediagnosticeerd waren. Echter bleken de kenmerken dusdanig overlap te vertonen, dat er besloten is de 5 soorten autisme samen te voegen in de afkorting ‘ASS’.



Wat zijn kenmerken van ASS op school en wat hebben leerlingen met ASS nodig (Baard, Elst, & Leijenhorst, 2011)?

Zoals eerder benoemd in de toelichting bij het plan van aanpak: leerlingen met ASS zijn naast leerlingen met ASS ook gewone leerlingen/jongeren. We moeten ze dan ook zien als gewonen jongeren, met kenmerken van gewone jongeren, alleen zijn sommige kenmerken net even anders of komen net even anders tot uiting. Ook leerlingen met ASS hebben behoefte aan de basisbehoeften van leerlingen in het algemeen, waarbij in veel literatuur de 3 begrippen ‘competentie, autonomie en relatie’ genoemd worden als voorwaarden voor een krachtige leeromgeving (Geerts & Kralingen, 2012). Kort toegelicht staan deze begrippen respectievelijk voor: het gevoel hebben de taak aan te kunnen, het gevoel hebben erbij te horen, deels eigen keuzes kunnen maken.


Onder welk soort autisme een kind ook te plaatsen valt, ieder kind met ASS is gevoelig voor verandering. Waar op de basisschool nog een aardige regelmaat is, met een vast lokaal, een vaste docent en zelfs een duidelijk ingekaderd programma, heerst op de middelbare school een sfeer van continue wisselingen. Roosters die veranderen, lessen die uitvallen, ieder uur een andere leraar, een ander lokaal, etc. vormen voor leerlingen met ASS geen ideale omstandigheden. Voor de meeste leerlingen voelt de overgang naar de middelbare school als een bevrijding van de regelmaat van de basisschool, maar voor leerlingen met ASS is dit zwaar. De gevoeligheid voor verandering gaat gepaard met gevoeligheid voor prikkels. Die zijn er ook in grote getale op de middelbare school. Een rustige plek om pauze te houden, een rustmoment tijdens de les en het zoveel mogelijk verminderen van prikkelexplosies kan van grote betekenis zijn voor leerlingen met ASS.

De eisen die gesteld worden aan jongeren zijn vaak hoog. Te hoog voor leerlingen met ASS in ieder geval. Plannen, organiseren en zelfstandigheid zijn geen vanzelfsprekende begrippen voor deze leerlingen. De juiste spullen meenemen, huiswerk maken en op tijd in de les verschijnen is vaak al moeilijk genoeg. Huiswerk maken ze vaak alleen voor vakken die ze interesseren en voor de rest hoort het werk bij school, niet thuis. Een goede begeleiding van het invullen van de agenda kan al uitkomst bieden. Een huiswerkinstituut of begeleiding erbij kan ook een prachtige aanvulling zijn. Leerlingen met ASS zijn vaak bekaf na een dag school en moeten eigenlijk niet teveel huiswerk op krijgen. Een goede verdeling van de werkdruk is zeer belangrijk. De toetsen zijn aan te passen voor leerlingen met ASS, om de toets valide af te kunnen nemen en de leerling met ASS de ruimte te geven te laten zien wat hij/zij kan. Een vaste plek in ieder lokaal is ook een goede tip.


Dan is er nog de informatieverwerking die ook te wensen overlaat. Verbeelding, scheiden van hoofd- en bijzaken, oorzaak-gevolg relaties zien en het geheel van informatie zien is een probleem. Opdrachten waarbij van ze gevraagd wordt zich in te leven zijn vaak geen opdrachten om het cijfer mee op te halen. Sowieso presteren leerlingen met ASS wisselend, waardoor ze vaak onterecht worden gezien als lui, ongemotiveerd en onverschillig. Vooral bij PDD-NOS jongeren kan het ontzettend helpen om te werken met schema’s, visualisatie, checklijsten, stappenplannen, etc. Overzicht en duidelijkheid zijn de codewoorden.

Leerlingen met ASS zijn over het algemeen heel geïnteresseerd in 1 of meerdere vakgebieden en hebben daar ook aanzienlijke feitenkennis van. Wanneer de leerlingen hierop aangesproken worden en ze niet onder- of overschat worden, zal de motivatie om te leren toenemen. Het moet goed duidelijk voor ze zijn wat voor doel iets dient wat ze moeten leren. Instructies zijn lastig te volgen. Door het richten op details verliezen ze zich vaak in details en lopen de grote lijn volledig mis. Ze lijken de instructie te volgen, maar zijn in werkelijkheid vaak afgeleid en hebben moeite met het snel interpreteren van vragen of opmerkingen. Hierdoor kunnen ze vragen niet snel beantwoorden en opmerkingen en instructies niet goed volgen, wanneer ze niet rustig en door middel van herhaling worden doorlopen. Simpelweg meer tijd krijgen om na te denken en een antwoord te formuleren kan al uitkomst bieden. Ze regelmatig bij de les betrekken kan zorgen dat ze bij de les gehouden worden en niet afdwalen. De interesse in computers delen veel leerlingen met ASS. Wanneer ze de computer mogen gebruiken tijdens het leerproces, zal dit hun werkhouding in veel gevallen stimuleren.

Het gedrag van de leerlingen wijkt vaak ook af van de rest. Wanneer regels overtreden worden, schromen ze niet er iets van te zeggen, ook al is het de docent die een regel overtreedt. Hun botte manier waarop zij een opmerking maken kan door leerlingen en docenten als storend worden ervaren, waardoor zij zich langzaam afkeren van de jongere, terwijl deze hier zelf geen enkel kwaad in ziet. Verklikken van medeleerlingen en het hebben van totaal niet grappig gevonden humor zijn nog een paar voorbeelden van gedrag dat als storend ervaren kan worden door medeleerlingen. De leerling met ASS voelt zich vaak al buiten de groep staan, laat staan wanneer dit realiteit wordt door het gedrag wat hij/zij vertoont. Sarcastische opmerkingen maken is nog een voorbeeld van iets wat je moet zien te voorkomen in de omgang met leerlingen met ASS. Communicatie is een groot probleem voor ze, aangezien zij bijvoorbeeld ‘Ga vooral zo door!’ niet interpreteren als ‘Stop daar eens mee!’, wat we er eigenlijk mee willen zeggen. Volledige eerlijkheid en duidelijkheid in wat je zegt als docent is bijzonder belangrijk om de band met de leerlingen te verbeteren en onderhouden. De humor die zij grappig vinden en over het algemeen niet grappig gevonden wordt, werkt ook andersom: leerlingen met ASS zien vaak de humor van humoristische docenten niet in. Waakzaamheid op het gebruik van humor is dan ook zeer aan te raden.

Kleine veranderingen in de dagelijkse schoolroutine kunnen zorgen voor angst, frustratie of stress. Zorg daarom dat je leerlingen goed voorbereid op veranderingen en geef duidelijk aan wat de regels en consequenties van grensoverschrijdend gedrag zijn. Werken met een beloningssysteem werkt vele malen beter dan het werken met straffen. In discussie gaan en emotioneel reageren werkt vaak averechts. Enkele hulpmiddelen kunnen zijn: een contract, een woedemeter, een rustplek waar de leerling kan afkoelen alvorens in gesprek te gaan, een buddysysteem voor hulp bij het noteren van huiswerk of het deelnemen aan een excursie o.i.d. en een persoon waar hij/zij altijd heen kan zodra er een nare situatie ontstaat. Ik realiseer mij dat een woedemeter en een contract meer gericht zijn op de individuele begeleiding en dus voor dit onderzoek minder relevant zijn.

2.3.3 Conclusie

De verworven informatie die nu in een lopende tekst verwerkt is, plaats ik concluderend in een overzichtelijk rijtje:



Kenmerken/aandachtspunten van ASS zijn:
-Slechte concentratie (afdwalen, interesseverlies, spanningsboog, etc.)
-Extreem prikkelgevoelig (met vermoeidheid tot gevolg bij veelvoud aan prikkels)
-Tijd behoevend voor interpretatie (scheiden van hoofd- en bijzaken, oorzaak-gevolg e.d.)
-Veelvuldig verkeerde interpretatie (humor, sarcasme, opmerkingen en instructies, etc.)
-Lastig in de omgang (contact maken moeilijk)
-Niet goed in verwerken (plotselinge) veranderingen
-Vaak interesse in 1 of meerdere vakgebieden.

Methoden om recht te doen aan de behoeften van leerlingen met ASS:
-Een rustige pauzeplek bieden (niet alleen buiten de les, maar ook in de les ruimte geven voor een rustmoment, bijvoorbeeld tijdens het zelfstandig werken).
-Oppassen voor het opgeven van teveel huiswerk (plus het afstraffen wanneer een leerling met ASS het huiswerk niet heeft gedaan).
-Controle op het plannen/agenda bijhouden.
-Visualiseren, gebruik van plaatjes, schema’s en filmpjes tijdens instructies.
-Toetsen aanpassen op de behoeften van leerlingen met ASS voor valide toetsing.
-Interesse peilen en regelmatig ruimte geven voor het delen van die interesse, wanneer de les dit toelaat.
-Gebruik van computers meenemen in de planning van de lessen.
-Betrekken bij de les met regelmaat en genoeg tijd om na te denken geven bij een vraag.
-Controle op het geland zijn van de instructies. ‘Heb jij het ook begrepen?’ of ‘dus wat ga jij nu doen?’.
-Rekening houden met de moeite van interpretatie, vooral van humor en sarcasme.
-Beloningssysteem in plaats van straffen.
-Een buddy regelen die de voortgang in de gaten houdt en bij excursies en opdrachten een oogje in het zeil houdt.

Interviewleidraad leerling met ASS

Hallo leerling X,
Fijn dat je wilt meewerken aan een onderzoek naar hoe leerlingen zich voelen in de klas. Dit onderzoek is bedoeld om te kijken naar wat leerlingen nodig hebben om fijn te kunnen leren op school en daar willen we graag jouw mening bij!


  1. Wat moet een docent veel doen in de les, zodat jij goed kan leren? (samenwerken, filmpjes laten zien, Powerpoint presentaties gebruiken, zelfstandig werken, uitleggen met het digiboard, etc.)



  1. Wie vind jij nou een leuke en goede docent?

-Probeer ook duidelijk uit te leggen waarom je voor die docent kiest.


  1. Kun je omschrijven wat jij in de les lastig vindt?



  1. Is het mogelijk om al jouw huiswerk af te krijgen? (Is het niet teveel? Is het niet te moeilijk?)



  1. Maak jij altijd netjes al je huiswerk?

Bedankt voor je medewerking! Ik ga eens kijken of ik met jouw mening de lessen kan verbeteren, zodat je nog beter kunt leren op school!

Interviewleidraad docenten

Hallo docent X,

Ik werk mee aan een onderzoek naar het lesgeven aan klassen met leerlingen met ASS erin. ASS staat voor Autistisch Spectrum Stoornis. Door het Passend Onderwijs komen er steeds meer leerlingen met ASS van het speciaal onderwijs in het reguliere onderwijs. Omdat door die ontwikkeling de kans groot is dat u een klas krijgt of al heeft waar deze leerlingen onderdeel van uit maken, zijn ik en Aart Jon Schimmel een onderzoek gestart naar manieren van lesgeven, waardoor de klassen optimaal les krijgen. Hierbij gaat het erom dat de leerlingen met ASS zo goed mogelijk meekomen met de klas en voorzien worden in hun behoeften.


  1. Hoe houdt u in de les al rekening met leerlingen met ASS?


  1. In hoeverre bent u goed voorgelicht met betrekking tot de leerlingen met ASS in de klas?

  2. Wat zou u nog meer kunnen toepassen tijdens de les voor het beter recht doen aan de behoeften van leerlingen met ASS?



  1. Onderhoudt u regelmatig contact met de ouders van de leerlingen met ASS? Zo ja, hoe belangrijk is dat contact?

Bedankt voor uw medewerking! We nemen uw antwoorden mee in het onderzoek en hopen u in de toekomst van dienst te kunnen zijn omtrent het lesgeven aan klassen met leerlingen met ASS.



Logboek

-Kennismaking Aart Jon, start onderzoek.


-1e leergangbijeenkomst, kennismaken met medestudenten/docenten/begeleiders.
-Gesprek met Hans Poorthuis met instructie en voorbereiding Beroepsproduct 3.
-Afspraak met Aart Jon, onderzoeksopzet vormgeven (brainstorm), mogelijke bronnen bedenken/uitwisselen.
-Schrijven van hoofdstuk 1, aanleiding, context en onderzoeksvraag.
-2e leergangbijeenkomst, geleerd over wat praktijkonderzoek inhoud en wat er allemaal bij komt kijken.
-Gesprek met Ada, voortgang bekeken en planning besproken.
-Praktijkverkenning en literatuurverkenning voorbereiden/opzetten.
-Sparren met Aart Jon over onze onderzoeken, elkaar scherp houden, echter wellicht voor meer verwarring gezorgd dan voor verheldering.
-3e leergangbijeenkomst: gezorgd voor verduidelijking, peerfeedback zinvol! Aart Jon besproken plenair, wat zorgde voor verscherping onderzoek.
-Afspraak met Aart Jon, waarin we de verheldering hebben bereikt. We gaan samen ZIJN onderzoek doen, waarbij ik niet zijn meetslaaf, maar medeonderzoeker ben, maar waar hij wel de leiding heeft. Hij is ten slotte ook mijn opdrachtgever. We onderzoeken en bespreken onze methodes samen, wisselen informatie uit en mijn product wordt ingezet als onderdeel van het onderzoek van Aart Jon. Hierdoor hebben we een werkzame situatie gecreëerd, waar eerst onduidelijkheid lag. Ik heb mijn vraag aangepast door ook naar leerlingen met ASS te gaan kijken en de reguliere leerlingen buiten beschouwing te laten. Zo voorkom ik dat ik twee onderzoeken in één ga doen.
-Formulier H Ontwerp ingevuld en geüpload naar dpf.
-Projectverslag aangepast naar de aangepaste onderzoeksvraag en de nieuwe inzichten uit het gesprek met Aart Jon.
-Projectverslag op dpf geplaatst en gemaild naar Michel van Schaik voor de Start Review.


Literatuurlijst

Gebruikte boeken:

Baard, M., Elst, D., & Leijenhorst, M. (2011). Ongewild lastig, in de puberteit en adolescentie, inzicht in veel voorkomende (ontwikkelings) stoornissen. Hilversum: Pica.



Geerts, W., & Kralingen, R. (2012). Handboek voor leraren. Bussum: Coutinho.

Gebruikte websites:

Geurts, H. (2010, november 1). wat is ass? Opgeroepen op december 7, 2014, van adhd-autisme: www.adha-autisme.nl/watisass

  • Projectverslag
  • Soorten autisme
  • Literatuurlijst

  • Dovnload 47.78 Kb.