Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


6. Regelgeving voor werkstakers Thessalonicensen 3: 10-18

Dovnload 144.39 Kb.

6. Regelgeving voor werkstakers Thessalonicensen 3: 10-18



Datum10.01.2019
Grootte144.39 Kb.

Dovnload 144.39 Kb.



6. Regelgeving voor werkstakers

Thessalonicensen 3:10-18


Werkeloosheid is een groot probleem. Voor iemand die graag met eigen handen in zijn onderhoud wil voorzien, is het een kwelling, als hij nergens aan de slag kan komen. Uitzendbureaus helpen, waar mogelijk. Maar ook die kunnen niet altijd bemiddelen in het vinden van een geschikte werkkring.

Er zijn echter ook mensen die arbeidsschuw zijn. Zij willen niet meer werken. Zij hebben in het arbeidsproces soms te veel deuken opgelopen. Maar het kan ook zijn, dat zij het in feite niet zien zitten, dat zij geroepen zijn om een bijdrage te leveren aan de opbouw van de maatschappij. Waar zouden ze het voor doen? Het is allemaal zo zinloos. Ze zien er het nut niet van in. De maatschappij is zo pervers.



Wie niet werkt, zal ook niet eten

In Thessalonika liepen er christenen rond, die er eigenlijk ook zo over dachten. Ze waren gegrepen door de boodschap van het Evangelie. Ze hunkerden ernaar om Jezus Christus Die hun was verkondigd, spoedig te zien komen om alle dingen nieuw te maken. Waarom zouden ze zich dan nog druk maken om aardse beslommeringen? Waarom zouden ze zich laten belasten met een taak in de wereld die immers weldra zou vergaan? Waarom zouden ze samen met vloekende en tierende heidenen krom liggen onder loodzware arbeid om daarmee een paar centen te verdienen? Uit die wereld waren zij toch weggehaald door het Evangelie?! Was het ook niet veiliger om het wat dichter bij huis te zoeken? Konden ze, zolang als het nog nodig was, hun kost niet bijeenscharrelen door te teren op de gastvrijheid van anderen? En waren hun medechristenen ook niet geroepen om hun die te geven? 1.


In zijn brieven aan Thessalonika, in het bijzonder in de verzen 6vv van 2 Thessalonicensen 3 is de apostel Paulus bezig om op dit punt orde op zaken te stellen. We zouden deze verzen kunnen noemen: een regelgeving voor werkstakers. Men moet niet denken, dat het Evangelie van Jezus Christus ons tot mensen maakt, die de handen in de schoot leggen.
De apostel stelt zichzelf ten voorbeeld. De Thessalonicensen kunnen weten, dat hij nacht en dag heeft gewerkt om in eigen onderhoud te voorzien. Daarover schreef hij in de verzen 7 tot 8. Hij wilde niemand tot last zijn. Men moest van hem niet kunnen zeggen, dat hij de mensen op kosten jaagde en zelf te lui was om de handen uit de mouwen te steken.

Matth.10:10


Intussen had hij wel zonder bezwaar gebruik kunnen maken van zijn recht op gastvrijheid in de gemeente waar hij diende. Dat schrijft hij onomwonden in vers 9. Van niemand, ook niet van één die dient in Gods Koninkrijk, kan met goed recht gevraagd worden, dat hij boven zijn krachten werkt. Het is nuttig voor de voortgang van het goede Woord van God, dat de verkondigers van dat Woord niet wakker behoeven te liggen van de zorg om hun dagelijks levensonderhoud. Had Jezus tegen zijn apostelen niet gezegd, dat zij ’geen reiszak voor de weg noch twee rokken, noch schoenen, noch staf’ behoefden mee te nemen. ’Want de arbeider is zijn voedsel waardig.’
Toch heeft Paulus van dit recht op gastvrijheid in de gemeente, niet altijd gebruik gemaakt. Waarom niet? Om misverstand te voorkomen. Men zou hem voor de voeten hebben kunnen werpen, dat hij het er goed van nam of dat het Evangelie een mens op kosten jaagt. Daarom verdiende hij zijn eigen kost met hard te werken. Zo ook in Thessalonika.
Blijkbaar echter is er voor de apostel nog een bijzondere aanleiding geweest om zijn handwerk als tentenmaker te blijven uitoefenen. Het had een voorbeeldfunctie. Paulus wilde navolgenswaardig handelen. Door hard te werken, wilde hij voorkomen, dat men in Thessalonika zou denken, dat het Evangelie luie mensen van ons maakt, die hun roeping in de wereld aan hun laars lappen.
Denken we het ons een ogenblik in. In de werkplaats van het huis van Jason, Paulus’ gastheer in Thessalonika, zit Paulus tot laat in de nacht op. Zijn handen zijn echte werkmanshanden waaraan het te zien is, dat zij dagelijks naald en draad hanteren. Hij draagt geen overhemd met witte boord, geen toga, maar gewoon: een werkmanskiel. Kijk, daar stapt een klant de winkel binnen; een man die een verre reis gaat maken en een tent wil meenemen voor onderweg. Paulus laat hem het product zien, dat hij vervaardigde. Hij praat erover met hem. Hij geeft tekst en uitleg van wat hij in Thessalonika doet, waarom hij hierheen is gekomen. Een Joodse rabbi die de kost verdient met werken?! Maar vooral ook een verkondiger van de blijde boodschap, goed voor een mens die gered moet worden van het toekomend oordeel.
Zo ongeveer kan het gegaan zijn. Weet u ’t nog, Thessalonicensen? U hebt zich misschien afgevraagd, waarom ik het zo deed? Wel, ik heb u daarmee laten zien, dat wij gewone mensen blijven, die midden in het leven staan, ook al is ons hart bij Jezus in de hemel. Wij bidden: ’Geef ons heden ons dagelijks brood’. Wij houden onze handen op. Maar de Heere in de hemel verhoort dat gebed meestal, door ons werkgelegenheid te geven.

1 Thess.3:4


Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat, zo iemand niet wil werken, hij ook niet zal eten (vs.10). 2. Typisch leven, dat leven van de apostel Paulus: een prediking op zich. Maar blijkbaar heeft hij ook in de Woordverkondiging in de christelijke gemeente herhaaldelijk aandacht gegeven aan dit thema. Wel wetend, dat er onder zijn hoorders mensen waren, die verkeerde conclusies trokken uit zijn boodschap. Mensen die eenzijdig en exclusief afgingen op de beloofde toekomst, het heden vergaten en ophielden met werken. Mensen die wellicht toch al wel eens leden aan ‘stress’ en aan een gevoel van zinloosheid en doelloosheid van het dagelijks leven met al zijn moeite en spanning. Op zich heel begrijpelijk. Er is in de wereld veel geestdodende arbeid. Wie doet zijn werk altijd met vreugde?

Gen.3:19


Intussen stelt Paulus zich vierkant op tegenover deze mentaliteit. Het was hem van huis uit niet bijgebracht om heerlijk te studeren en te mediteren en zijn taak in de wereld daarvoor prijs te geven. Dat moest iedereen weten. De mens zal ’in het zweet zijns aanschijns zijn brood eten’. De aarde is geen paradijs meer. En het leven is geen ’luilekkerland’. Zolang als wij nog in de bedeling van deze wereld verkeren, zolang hebben wij te zorgen voor de instandhouding van dit leven. Wij hebben ons te gedragen naar de orde en regelmaat die God in de schepping heeft gelegd. Christenmensen zijn er niet voor om de chaos in de wereld die er toch al is, nog groter te maken. Hun stelregel is: ’Wie niet werkt, zal ook niet eten’. Zij hebben in principe geen ’stakingsrecht’.
Christenen zijn wel eens de kurken van de maatschappij genoemd. Als zij er niet voor zorg dragen, dat de samenleving een echte maatschappij is (waarin de één voor de ander een maat/ kameraad is), wie doet dat dan wel? Nog eens: een volgeling van de Heere Jezus is geen mens die liever lui is dan moe. ’Al wat gedaan wordt uit liefde tot Jezus, dat houdt zijn waarde, ’t zal blijven bestaan.’
Dat is het ware ’arbeidsethos’. Daar behoeft men niet overwerkt van te geraken. Gevoelens van zinloosheid en doelloosheid mogen plaatsmaken voor het besef, dat wij door het trouw vervullen van onze plicht in het volle leven, voor onze naasten wat kunnen zijn. Daarbij mag hulpverlening wel bovenaan staan in het takenpakket van de christen.
Wie niet kan werken, moet niet denken, dat hij ook niet mag eten. Dat is natuurlijk onzin. Er zijn helaas ook vele arbeidsonge-schikten (aow-ers) en werkelozen die ongewild buiten het arbeidsproces zijn terechtgekomen. Zij moeten kunnen rekenen op goede sociale voorzieningen. En er zijn in de wereld miljoenen armen en hongerigen. Zij moeten kunnen rekenen op de hulp van de rijke westerse landen. Maar wie kan werken, moet zich schamen, als hij liever teert op de kas van de gemeenschap en anderen voor zijn kostje laat zorgen. Niet werken en inmiddels er lekker van willen leven, dat geeft geen pas. 3.
Zo ongeveer moet het onderricht van de apostolische prediking in Thessalonika eruit hebben gezien; helemaal ook op de praktijk afgestemd. Maar heeft men Paulus’ woorden in dank afgenomen? Hebben de mensen er zich gelegen aan laten liggen? Het is zeker niet goed tot iedereen doorgedrongen. Er waren er die hun schoolgeld terug moesten halen.

1 Kor.1:11


Want wat is de apostel na zijn vertrek uit de stad ter ore gekomen? Want wij horen, dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende, maar ijdele dingen doende (vs.11). Niet maar bij geruchte, maar uit betrouwbare bron heeft Paulus kennis gekregen van de situatie in Thessalonika. Wellicht door middel van een reiziger die bij hem langs kwam. Die heeft hem ervan op de hoogte gebracht, dat er christenen waren in Thessalonika die onordelijk leefden.

1 Thess.4:11; 2 Thess.3:6; 1 Tim.5:13


Er is derhalve volop reden voor (let op het tot tweemaal voorkomende woordje ’want’; vers 10 en vers 11) om het de gemeente nog eens goed op het hart te binden. Bij herhaling waarschuwt de apostel daarom tegen ongeregeld wandelen; ’ontactisch’ rondwande-len als de filosofen die de kost verdienen met hun dromerijen. 4.
En daarbij heeft hij hen op het oog die niet werken, maar ijdele dingen doen. 5. Ongedisciplineerden die zich niet vertonen op de arbeidsmarkt waar de banen voor het grijpen liggen. Ze lopen alle arbeidsbureaus achteloos voorbij. Werkgevers moeten het maar bij anderen zoeken. Maar intussen houden zij zich wel bezig met dingen waar niemand wat aan heeft. We weten, hoe dat gaat. Waar niet gewerkt wordt, worden andere dingen gedaan. Terecht hebben de Joodse rabbi’s altijd gezegd: ’Hij die zijn zoon geen beroep leert, leert hem een dief te zijn.’
Wat doen die illegalen in Thessalonika dan wel? Ze slenteren rond. Ze klampen iedereen aan met hun verhalen: Vandaag of morgen komt Jezus terug. ’Bezige bijtjes’, maar bezig met ’beuzelarijen’. Ze babbelen maar aan. En al gauw worden het theevisites, gezellige koffiepraatjes. Ze gaan zich met andermans zaken bemoeien. Hoe gemakkelijk ook loopt het dan niet uit de hand. Mannen die al te vaak bij een bepaalde vrouw komen. Vrouwen die het bij één man thuis niet kunnen uithouden. Zulke lieden raken niet overwerkt. Maar ze raken echter wel steeds verder van huis. Zo gaat dat. Een mens kan nu eenmaal niet ganse dagen in een luie stoel naar de wolken gaan liggen kijken.
Dat alles zit Paulus hoog. Zo kan men niet in de wereld verkeren. Zo wordt men een aanstoot voor de naaste. Zo wordt het Evangelie gelasterd. Wat moeten de werkgevers van die werk-onwilligen ervan denken, als zij van de ene dag op de andere met werken ophouden, omdat zij zogenaamd hogere zaken hebben te behartigen? Zulke mensen zijn in het oog van de buitenstaan-ders: nietsnutten die op de zak van een ander willen leven. Zeker, het zijn geen rebellen. Maar ze zetten de zaak intussen wel met hun ’wilde stakingen’ op zijn kop.
2 Thess.3:4, 6

Daarom geeft de apostel hun behoorlijk wat huiswerk. Doch de zodanigen bevelen en vermanen wij door onze Heere Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende, hun eigen brood eten (vs.12). Paulus pakt hen aan. Hij vaardigt een bevel uit en stelt een ultimatum. Mag hij hun niet op hoog gezag de weg voorschrijven? Heeft hij hun welzijn soms niet op het oog? Inderdaad, hij schrijft als een bevelhebber, maar tevens als een pastor. 6.

Spr.5:15; Matth.21:28


Achter wat hij schrijft staat de autoriteit van de Heere Jezus Christus. Het is geheel afgestemd op wat Hij ons leerde. ’Zoon! ga heen, werk heden in mijn wijngaard’. Gewoon stilletjes zijn gang gaan. 7. Kalm, zonder kabaal; niet opzienbarend. Doe wat uw hand vindt om te doen. Zie het minste werk als een ’goddelijk beroep’. Het zit hem niet in de kwantiteit, wel in de kwaliteit. Zo zult u dan uw eigen brood eten. Zuur verdiend? Nee, een gebedsverhoring. ’Geef ons heden ons dagelijks brood.’ En wees daarmee dan ook anderen ten dienste!
Er is een oud-christelijk geschrift (De Didachè; Leer van de twaalf apostelen) waarin de volgende raad gegeven wordt (XII.2-5). ’Als iemand op doorreis bij u aankomt, help hem dan zoveel u kunt. Hij moet echter niet meer dan twee of drie dagen bij u blijven, als dat noodzakelijk is. Als hij zich bij u wil vestigen, moet hij werken voor de kost, zo hij een vakman is. Als hij geen vakman is, handel dan met hem naar uw eigen inzicht, maar zo dat geen christen bij u werkeloos is. Als hij hiernaar niet wil handelen, is hij iemand die munt wil slaan uit zijn christen-zijn. Wacht u voor dergelijke mensen.’

Gal.6:9


En dan vervolgt Paulus met de oproep: En gij, broeders, vertraagt niet in goed te doen (vs.13). 8. Tot al de broeders van de gehele gemeente richt hij zich. Het gedrag van de ’ongeregelden’ in deze specifieke situatie zou een ontmoedigende werking kunnen hebben op de anderen. Wordt niet moe, broeders, om goed/ passend te handelen. Laat het gedrag van de werk-onwilligen u er niet toe brengen om te denken: waarvoor zwoegen en tobben wij ons nog af?! 9.

Geen vijanddenken




Rom.16:17; 1 Kor.5:9


Wij zouden denken, dat dit apostolisch vermaan iedereen in Thessalonika weldra weer op het goede been zou zetten. Maar Paulus houdt er rekening mee, dat niet elk gemeentelid zich aan zijn woorden gelegen laat liggen. Een vastgeroeste instelling is niet altijd op hoog gezag te corrigeren. Daarom moet de apostel nog iets zeggen. Hij moet ook aanwijzingen geven voor de omgang met iemand in de gemeente die niet bereid is tot een andere leefwijze. Maar indien iemand ons woord, door deze brief [geschreven], niet gehoorzaam is, tekent die; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde (vs.14).

Matth.18:15-17; Gal.6:1-3


Niets minder dan gehoorzaamheid vraagt Paulus. 10. Een apostolische regel (woord; vs 14) is niet voor kennisgeving aan te nemen. En als iemand dat dan toch doet, dan moet u hem er maar gelijk uitgooien. Nee, dat zegt Paulus niet. Zo gaat hij niet met mensen om en zeker ook niet met een broeder. Wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. Eerst broederlijk vermaan. U moet die man ’tekenen’, schrijft Paulus. 11.
Letten we erop, dat de apostel hier niet speciaal de leidinggevenden van de gemeente opdracht geeft om fors op te treden tegen deze dwalende broeders. Tuchtoefening is een zaak van heel de gemeente. Als iemand zich misdraagt, maakt men zich al te gemakkelijk van die persoon af door – achter zijn rug om - hem aan te geven bij de leiding van de gemeente, zoals men iemand bij de politie aangeeft. Maar zo werkt dat niet in een gemeente die naar Christus Naam is genoemd.Elk gemeentelid heeft hier de taak om toe te zien op de ander en broederlijk met hem of haar te spreken. Neem er goede notitie van.
Bij de voorlezing van Paulus’ brief in de gemeente werden die ongehoorzamen in feite reeds aangewezen als illegaal. En illegaliteit kan niet zonder meer getolereerd worden. Er zijn tenslotte regels. En die kunnen niet met voeten getreden worden.
Dat betekent niet – nogmaals - , dat wij mensen diskwalificeren. Wel, dat wij hen duidelijk maken, dat zij zich aan de regels dienen te houden. Niet diskwalificeren, maar zich wel distantiëren van hun gedrag. Als wij iemand het etiket ‘irregulier‘ opplakken, bannen we hem daarmee nog niet uit de gemeenschap. Maar wij roepen hem daarmee wel op om niet net te doen, alsof er geen regels zijn.
Paulus schrijft, dat dit ’tekenen’ van iemand binnen de gemeente van Christus Jezus ten doel heeft, dat men onderscheid maakt, zodat anderen zich niet met hem vermengen. 12.

Heb geen intieme gemeenschap met hem. Broederschap, ja maar op afstand. Het zal vooral de bedoeling van Paulus’ vermaan zijn geweest om de gelovigen eraan te herinneren, dat zij de werk-onwilligen niet zonder meer moesten laten profiteren van de mogelijkheid om aan de liefdemaaltijden in de gemeente deel te nemen om zodoende toch aan eten en drinken te komen. 13.

Ter gelegenheid daarvan kon men de irregulieren wijzen op hun plicht om te werken. Met de uiteindelijke bedoeling, dat zij op hun dwaalweg terug zouden keren. 14.

Tit.2:8


Meteen echter voegt de apostel eraan toe, dat dit niet inhoudt, dat men met hen niets meer te maken wil hebben. En houdt [hem] niet als een vijand, maar vermaant [hem] als een broeder (vs.15). Vijand-denken is iets ontoelaatbaars. Helaas, dat zit er diep bij ons allen in. Er behoeft maar een kleinigheidje te mankeren aan iemands gedrag, of wij staan al gauw klaar met onze kritiek.

1 Thess.5:14


In Christus’ gemeente echter schrijven we elkaar niet af. Iemand als een vijand aanmerken, zou betekenen: hem voortaan links laten liggen; geen woord meer vuil maken aan hem. Maar het omgekeerde wil Paulus. In één woord: broederlijk vermaan onderling. Wij moeten zuinig zijn op elkaar. Niet vergeten. 15.

Zegen en groet




Joh.14:27; Rom.15:33; 16:20


En met dit alles is de tweede brief van Paulus aan de Thessalonicensen dan ten einde. De apostel heeft hoog opgegeven van de geestelijke stand van de gemeente. Maar hij zet die gemeente ook op scherp. Er is nog een lange weg te gaan. En er is veel genade voor nodig om staande te blijven. Daarom besluit Paulus zijn brief met een indringende zegenbede. De Heere nu des vredes Zelf geve u vrede te allen tijd, in allerlei wijze. De Heere zij met u allen (vs.16). 16. ’Sjaloom’, alleszins. Heelheid in lichamelijk en geestelijk opzicht. De Heere des vredes geve u, dat alle dingen in geestelijk opzicht, maar ook voor het tijdelijke leven goed op orde zijn. Leven in herstelde relaties.
1Kor.16:21;Gal.6:11; Kol.4:18; 2 Thess.2:2; Filém.:19

De groetenis 17. met mijn hand, van Paulus; hetwelk is een teken in iedere zendbrief; alzo schrijf ik (vs.17). Een eigenhandig geschreven groet. Paulus was gewend zijn brieven te dicteren, maar signeerde die aan het eind met een in zijn eigen handschrift geschreven groetwoord. Zo deed hij in elke brief. Daaraan kon men een brief herkennen als authentiek. Een herkenningsteken, ook voor hen die bij de voorlezing van de brief in de gemeente, wellicht twijfelden, of Paulus die wel echt geschreven had. 18.

Rom.16:24; Openb.22:21


De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen (vs.18). Wat is ons beter toe te bidden dan de genade van de Heere Jezus Christus?! Die is toereikend. Die is hartverblijdend. Die helpt ons door alles heen. 19.
Een verklaarder van deze brief (M.Henri) schrijft:

’Door deze groetenis en zegenbede, geschreven met zijn eigen hand, als een waarmerk voor elke brief (het overige was door een ander geschreven), nam hij voorzorg dat de gemeenten, aan welke hij schreef, niet zouden bedrogen worden met nagemaakte brieven; hetgeen hij wist dat gevaarlijke gevolgen hebben kon’.



Actualiteit

Dezelfde verklaarder schrijft: ’Laat ons dankbaar zijn omdat wij de canon der Schrift in haar geheel hebben, en dat die door de wondervolle bijzondere zorg der goddelijke Voorzienigheid, zuiver en onverminkt door zovele eeuwen heen bewaard gebleven is. Laat ons geloven in de goddelijke oorsprong van deze heilige geschriften, en ons geloof en onzen wandel regelen naar deze genoegzame en enige regel, welke bekwaam is ons wijs te maken tot zaligheid, door het geloof, dat is in Jezus Christus. Amen’.


In het Toneelstuk Nathan der Weise van de filosoof Gottfried Efraim Lessing uit het jaar 1779 wordt ons de parabel verteld van de drie ringen. Daarin gaat het over een vader die een ring bezat met een bijzondere eigenschap, nl. om zijn eigenaar tot een mens te maken die geliefd was bij God en de mensen. Die ring werd generaties lang als een erfstuk overgedragen aan de meest geliefde zoon. Totdat hij in het bezit kwam van een vader die drie hem even dierbare zonen had. Wat moest hij doen? Hij liet er twee ringen bijmaken die voor het oog net zo schoon waren als de echte. Daarna gaf hij ieder van zijn zonen een ring. Maar wie had nu de ware ring? Zelfs een rechter kon er niet uitkomen. Daarom gaf hij aan ieder van de drie broers de raad om net te doen, alsof hij de ware ring had en in liefde voor en met anderen te leven. Op de duur zou dan wel blijken, wie de ware ring in zijn bezit had. En waar liep het tenslotte op uit? De drie broers ruzieden niet meer met elkaar, maar leefden in vrede samen.
Lessing wil met deze parabel zeggen, dat de drie monotheïstische godsdiensten (de Joodse, de Mohammedaanse, de Christelijke) als die drie ringen zijn. Welke is de ware, de echte? Dat is niet meer uit te maken. Laat ieder van die godsdiensten maar bewijzen de ware en echte te zijn, door in de praktijk van het dagelijkse leven aan de liefde in alles de voorrang te geven.
Mijn vraag, na lezing en bestudering van Paulus’ tweede brief aan Thessalonika, is: kan deze brief er niet een bewijs van zijn, dat een christelijke godsdienst die eruit ziet zoals die van deze brief, de echte en ware is? Niet slechts omdat de liefde daarin de boventoon voert, maar omdat ze gegrond is in de historische verschijning van Jezus Christus, de Weg, de Waarheid en het Leven.

In een eigentijdse commentaar op 2 Thessalonicensen las ik van een recent onderzoek in de Verenigde Staten waaruit blijkt, dat twee tot drie volwassenen geloven, dat het er niet toe doet tot welke god of hogere macht men bidt. Er is geen absolute waarheid. Het beste is zoveel mogelijk te genieten gedurende ons korte verblijf op de planeet aarde. Verder is er aan de goedheid van de mens niet te twijfelen. 20.


De tweede brief van de apostel Paulus aan Thessalonika (en aan ons) spreekt andere taal. Hier is sprake van een waarheid waarvoor mensen in de bitterste vervolging de hand in het vuur willen steken. Aan die waarheid, het onvergankelijke Evangelie van Jezus Christus houden zij vast, omdat zij vastgehouden worden. Intussen weten zij: de dag van Gods wraak over een wereld die van Hem niet wil weten, is aanstaande. Daar leven zij naar toe. Voor hen zal het een dag zijn, waaraan wel een morgen, maar geen avond meer zal zijn, een dag van eeuwige vreugde. Intussen lopen zij in het gelid, doen getrouw wat de Heere van hen vraagt. En zo verdienen zij respect van de buitenwacht.

noten
1. Leon Morris, a.w., p. 147 veronderstelt, dat het gedrag van deze ’overgeestelijken’ voortkwam uit de Griekse verachting van handenarbeid (christenen zijn vrij; waarom zouden zij dan als slaven werken?). Anderen zoeken de sociologische achtergrond van het gedrag van deze mensen, afkomstig uit de laagste klassen van de maatschappij, in de situatie van de verpaupering in de Griekse steden, waar velen werkeloos rondliepen. Zie de discussie hierover in David J.Williams, a.w., p.150. O.i. echter gaat het in onze perikoop niet over mensen die niet kunnen werken, maar om mensen die niet willen werken en moeten wij hun werk-onwilligheid plaatsen tegen de achtergrond van hun overspannen verwachting van de wederkomst des Heeren.
2. Gr.’paranggello’ = bevelen; imperf. (herhaaldelijk). Zie vs.4. Gr.’ergadzoo’ = werken. Gr.’esthiao’ = eten. Dat Paulus hier een elders bekende uitspraak citeert, valt uit vs.10 niet op te maken. Wellicht denkt hij aan wat in Ps.128:3 te lezen is. J.Calvijn, a.w., blz.79 gispt hier één en andermaal de luie monniken en priesters die ’niets doende rijkelijk gemest worden, uitgenomen dat zij om tijdkorting in de kerk zingen’. Augustinus heeft hierover naar het zeggen van Calvijn een heel boek geschreven. Intussen wordt bijna ’het tiende deel der wereld bezeten met ledige buiken…; een dusdanige wijze van leven versierden zij met de naam orde of regel van deze of die heilige’.
3. In Robertson’s Word Pictures (Bible Works) lezen we: ’This is a condition of the first class (note negative ou) with the negative imperative in the conclusion’. De Kanttekeningen van de Staten Vertaling zeggen: ’Namelijk gezondheid, sterkte en gelegenheid daartoe hebbende; want anders-zins is de gemeente gehouden ook een ieder die gebrek heeft, zoveel doenlijk is, te verzorgen. Zie 2 Cor. 8, 2 Cor.9’.
4. Gr.’ataktoos peripatein’ = zie vs.6. Zie ook 1 Tim.5:13, waar het van lediggaande weduwen wordt gezegd.
5. Gr.’mèden ergadzomenoes alla peri-ergadzomenoes’ = hen die zelfs niet werkzaam zijn, maar onnodige (nutteloze) dingen doen. Gr.’peri-ergadzomai’ betekent oorspronkelijk: over (de streep, het normale heen) werken; onnodige nutteloze dingen doen. De Lutherse Vertaling heeft: zich met alles bemoeien; de Leidse Vertaling: veel drukte makend (?); de NBG-vertaling: bezig te zijn met wat geen werk is. Bible Works (Robertson’s Word Pictures) omschrijft de bedoeling met: ’Doing nothing but doing around’. ’These theological dead-beats were too pious to work, but perfectly willing to eat at the hands of their neighbours while they piddled and frittered away the time in idleness’. Of met een woordspel in het Engels: ’They are not busy; they are busybodies’. Zo o.a. Charles A.Wanamaker, a.w., p.286; hij verwijst voor andere woordspelingen bij Paulus naar: Rom.12:3; 1 Kor.11:29-34; 2 Kor.1:13; 3:2; 6:10; Fil.3:2v.
6. Over dit apostolisch vermanen (Gr.’parakaleoo’) zie: 1 Thess.2:11; 3:2, 7; 4:1, 10, 18; 5:11, 14. In 2 Thess. gebruikt Paulus dit woord tweemaal: 2 Thess.2:17 en 3:12. Hier beveelt hij meer als een apostel, maar bemoedigt tegelijk ook als een herder.
7. Gr.‘meta hèsuchias’ = met rust, stil; zie 1 Thess.4:11. Dit is wellicht bedoeld als een tegenstelling tot hun opgewondenheid en overspannenheid m.b.t. de toekomstver-wachting.
8. Dit is het beste weer te geven met: u daarentegen, broeders, begin niet te vertragen in…Gr. ’engkakeoo’ (aor.ingress.) = moe worden, nalaten, de moed verliezen, verslappen, verflauwen. Dit werkwoord komt in het N.T. naast Luk.18:1 alleen in de brieven van Paulus voor (2 Thess. 3:13; 2 Kor. 4:1,16; Gal. 6:9; Ef. 3:13). Een aantal hss. heeft: Gr.‘ekkakeoo’ (moedeloos worden). Gr.’kalopoieoo’ = het goede doen, naar behoren handelen; dit werkwoord komt nergens elders in het N.T. voor (wel in de LXX). Vgl. echter voor de uitdrukking ’het goede doen’ (Gr.’to kalon poieoo’): Rom.7:21; 2 Kor. 13:7; Gal. 6:9. Zie ook: 1 Tim.6:18 (Gr.’agatho-ergein’ = het goede werken).
9. De Kanttekeningen van de Staten Vertaling zeggen: ’Het Griekse woord betekent eigenlijk erger, dat is, slapper of trager worden, en de apostel doet dit hierbij om hen te vermanen, dat zij om het misbruik van deze lediggangers niet slapper of trager moesten worden in het weldoen aan de rechte armen.’ Zo ook J.Calvijn, a.w., blz.81. O.i. echter gaat het hier niet om weldoen aan de armen, maar – gelet op het onmiddellijk eraan voorafgaande - om goed handelen in het algemeen, nl. door te werken.
10. Gr.’hupakoeoo’ = gehoorzamen.
11. Gr.’sèmeioöo’ (imp.med.) = tekenen, stempelen, ‘labelen’ (ter herkenning). In Robertson’s Word Pictures (Bible Works) wordt dit als volgt uitgelegd: ‘Put a tag on that man. Here only in N.T. "The verb is regularly used for the signature to a receipt or formal notice in the papyri and the ostraca of the Imperial period" (Moulton & Milligan's Vocabulary). How this is to be done (by letter or in public meeting) Paul does not say’. William Hendriksen, a.w., p.205 omschrijft met: ‘Note that man for yourselves’. Dat houdt niet in, dat hier het consistorie geroepen wordt om de naam van deze ongehoorzame op een ’blackboard’ of ‘bulletin-board’ te noteren. De gehele gemeente moet die man goed in de gaten houden. Leon Morris, a.w., p.149 ziet erin een ‘note of disapproval’ (als ons N.B.). M.H.Bolkestein, a.w., blz.225v gaat o.i. veel te ver, wanneer hij hier denkt aan een tuchtmaatregel, iets soortgelijks als bij de Qumran-gemeenschap: ’Het tekenen van zondaren is het noteren van hun namen, het plaatsen van hun namen op een “zwarte lijst”, die werd voorgelezen in de gemeente’. Hij schrijft: ’In de gemeenschap van de gemeente horen deze mensen niet meer thuis. Aan de tafel der gemeente hebben zij hun plaats verloren…’.
12. Gr.’sunanamignumai’ = zich vermengen, verkeren met... Sommige hss. hebben hier (imper.): en vermengt u niet met…; zo ook de Staten Vertaling. ’The infinitive can also be explained as an indirect command. This double compound verb is late, in LXX and Plutarch, in N.T. only here and 1 Kor. 5:9,11’ (zo Robertson’s Word Pictures in Bible Works). ’Zich niet vermengen met’ betekent beslist niet, dat men zo iemand ’links moet laten liggen’ (zo de weergave in ’Het Boek’). Het ’zich niet vermengen met’ is hier niet hetzelfde als het vermijden van elke omgang met zo iemand (zoals in Rom.16:17; 1 Kor. 5:9,11, 13; Tit 3:10).
13. Van een tuchtmaatregel in de zin van uitsluiting van de maaltijd des Heeren (of uit de gemeente; J. Calvijn, a.w., blz.82) is hier o.i. geen sprake. Terecht stellen Leon Morris, a.w., p.149 en G.H. Kramer, a.w., blz.132 dit vast. Warren W.Wiersbe, a.w., p.207 en J.A.C.van Leeuwen, a.w., blz.191 o.a. denken hier wel aan.
14. Gr.’entrepoo’ (aor.coni.pass) = omkeren, tot inkeer brengen, beschamen (vgl. 1 Kor.4:14; Tit.2:8). Robertson’s Word Pictures (Bible Works) verklaart dit zo: ’To turn on, middle to turn on oneself or to put to shame, passive to be made ashamed. The idea is to have one's thoughts turned in on oneself’. Charles A.Wanamaker, a.w., p.289 trekt o.i. een verkeerde conclusie, wanneer hij schrijft: ’Paul calls for their excommunication’. Hier is een andere zaak aan de orde dan in 1 Kor.5:4v en Paulus gebruikt hier ook zeker niet dezelfde taal.
15. Gr.’noetheteoo’ = vermanen; het hoofd recht zetten. Zie onder 1 Thess.5:12, 14. Vgl. 2 Kor.2:7.
16. Gr.’eirènè’ = vrede (hebr.’sjaloom’). Meestal gebruikt Paulus de uitdrukking: de God des vredes; vgl. Rom.15:33; 16:20; 2 Kor.13:11; Fil.4:7, 9; 1 Thess.5:23. Vgl. ook Joh.14:27; Rom. 15:5; 2 Tim.1:16,18. Gr.’dia pantos en panti tropoi’ = door alles in allerlei wijze; dus: constant en onder alle omstandigheden. Andere hss hebben: Gr.‘topooi’ (op elke plaats) i.p.v. Gr.’tropooi’ (wellicht om de tekst in overeenstemming te brengen met 1 Kor.1:2; 2 Kor.2:14; 1 Thess.1:8).
17. Gr.‘aspasmos’ = groet
18. Gr.’sèmeion’ = teken, bewijsstuk.
19. Deze zegenwens is korter dan in vele andere Paulinische brieven. Zo ook in 1 Thess.5:28 waar Paulus niet het woordje ‘allen’ gebruikt. Wellicht voegt Paulus dit hier eraan toe, omdat hij de ‘irregulieren’ er niet van uitgesloten wilde hebben. Er is geen werkwoord in deze zegenbede. Deze apostolische zegen is echter niet maar een ’vrome wens’.

Een aantal hss. vermeldt in de ’subscriptio’ van de brief, dat deze is geschreven vanuit Athene. Enkele minder belangrijke hss. hebben: vanuit Rome. De Syrische Vulgata (peschitta): van Laodicéa in Pisidië.


20. Karl P. Donfried, a.w., p.112.
Gespreksvragen
1.’Zo iemand niet wil werken, hij zal ook niet eten’ (vs.10).

  • waarom schrijft de apostel dit? Waarom ’staakten’ sommige christenen in Thessalonika hun werk?

  • is hun houding niet ook begrijpelijk, gelet op het feit, dat zij het bij hun niet gelovige baas niet altijd gemakkelijk hadden?

  • dienstweigering (bijv.werken op zondag) kan het verlies van je baan betekenen; moeten we er dat voor over hebben?

  • zijn werkstakingen altijd uit de boze?

  • is ieder ’beroep’ een ’goddelijke’ beroep (huwelijksformulier)?

2. Stellingen:



    • ’Hij die zijn zoon geen beroep leert, leert hem een dief te zijn’ (uitspraak van Joodse rabbijnen);

    • ’Het Evangelie maakt van ons geen luie mensen die hun roeping in de wereld aan hun laars lappen’;

    • ’God verhoort de bede ’Geef ons heden ons dagelijks brood’ door ons een akkertje te geven’.

3. Wie niet kan werken, moet niet denken, dat hij ook niet mag eten.



  • wat betekent dit voor onze sociale voorzieningen?

4. In onze tijd zijn er vele werkelozen. Zij staan buiten het arbeidsproces (door verlies van banen, door ziekte/ invaliditeit, door ’stress’, door illegaal verblijf in ons land). Zij zijn bepaald niet liever ’lui dan moe’. Werkeloosheid is een bron van ellende.



  • hoe kan de christelijke gemeente daarin helpen?

  • wat zouden werkelozen binnen de christelijke gemeente voor taken kunnen uitvoeren? Denk ook aan wao-ers, gepensioneerden.

5. ’Indien wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmee vergenoegd zijn’ (1 Tim.6:8).



  • heeft al te grote werklust niet ook schaduwkanten?

6. Er zijn jonge mensen die zich door God geroepen voelen om een taak in Zijn Koninkrijk te gaan vervullen. Zij gaan studeren en willen van de ene dag op de andere stoppen met hun dagelijkse werk waardoor zij toch ook voor hun gezin moeten zorgen



  • welke raad zou u hen geven?

7. In vers 14 geeft Paulus aan, hoe de houding van de christenen moet zijn tegenover de ’werkonwilligen’ van Thessalo-nika’s gemeente. Probeer onder woorden te brengen, wat dat inhoudt (‘tekenen’, niet afschrijven).


8. Waarom ondertekende Paulus zijn brieven (vs.17)?
Enige literatuur

Gebruikte vertaling:

Statenvertaling (ed.Tukker NBG 1977)
1. Nestle-Aland, Novum Testamentum Graece; Stuttgart, 27 Aufl..
2. Charles A.Wanamaker, The Epistles to the Thessalonians, a Commentary on the Greek Text (The New International Greek Testament Commentary). Eerdmans/ Grand Rapids, Michigan (The Paternoster Press Exeter); 1990.
3 Karl P.Donfried, I. Howard Marshall, New Testament Theology, the theology of the shorter Pauline Letters. Gen.ed. James D.G.Dunn; Cambridge University Press 1993. Daarin Karl P.Donfried, The Theology of 2 Thessalonians (p.81-113)
4. David J. Williams, 1 and 2 Thessalonians; Based on the New International Version; New International Biblical Commentary; Hendrick-son Publishers Massachusetts/ Paternoster Press Carlisle; 1992.
5. Warren W.Wiersbe, The Bible Exposition Commentary, An Exposition of the New Testament Comprising the Entire “BE” Series; Victor Books, Wheaton, Illinois; Volume 2; 1989. Op 2 Thessalonicensen: p. 191-208.
6. William Hendriksen, 1&2 Thessalonians; 1&2 Timothy and Titus; New Testament Commentary; The Banner of Truth Trust; Edinburgh 1983.
7. Leon Morris, The epistles of Paul to the Thessalonians; an introduction and commentary; Tyndale New Testament Commentaries; revised edition; Inter-Varsity Press, Leicester/ Grand Rapids, 1984, reprinted December 1991.
8.Johann Albrecht Bengel,Gnomon; Auslegung des Neuen Testaments in fortlaufenden Anmerkungen. Bnd.2. Deutsch von C.F.Werner; 8e Aufl.; J.F.Steinkopf Verlag Stuttgart 1970.
9. Hermann L.Strack und Paul Billerbeck, Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, Bnd.III; München 1979 (7e Aufl.).
10. G.Kittel, Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament; Stuttgart 1933,enz.
11. J.Calvijn, Uitlegging op den eersten en tweeden zendbrief van Paulus aan de Thessalonicensen; Uitlegging op de zendbrieven; 5e deel; A.M.Donner; Goudriaan 1979, 3e druk.;
12. Dr.M.H. Bolkestein, De brieven aan de Tessalonicenzen; De Prediking van het Nieuwe Testament; Nijkerk 1970.
13. Dr.J.A.C.van Leeuwen, Colossensen/ Thessalionicenzen; Korte Verklaring der Heilige Schrift; Kampen 1953, 2e druk.
14. G.H. Kramer, De verschijning van Zijn komst; Bijbelstudies over de Tweede Brief van Paulus aan de Thessalonikers; uitg. Medema Vaassen; 1992.
15. Prof.dr. J. de Zwaan, Inleiding tot het Nieuwe Testament; Deel III; Algemene zendbrieven, Openbaring, text en canon; Haarlem 1948; 2e herz.druk
16. Context, achtergrondinformatie over de Bijbelboeken van het Nieuwe Testament (situatie-boodschap-vertolking); De Banier Utrecht; 1996.
17. dr.A.Sizoo, De antieke wereld en het Nieuwe Testament; Kampen 1948, 2e druk.
18. Bible Works for Windows 3.5 Publ.by Hermeneutica Computer Bible Research Software; A.T. Roberson’s Word Pictures in the Greek NT 1934.
19.Dictionary of Paul and his Letters; ed. Gerald F. Hawthorne/ Ralph P. Martin; Intervarsity Press; Illinois/ Leicester 1993.
20. Online Bible Deluxe 2000 CD Rom ; versie 8.03 ; Importantia Publicing Dordrecht ; hierin M.Henri’s Bijbelverkjlaring en De Kanttekeningen van de Statenvertaling

Ter afsluiting van onze behandeling van de beide brieven aan de Thessaloni-censen geef ik aan de lezers het bekende Wachtwoord der Hervormers door van M’Cheyne
Op zijn grafmonument bij de St.Peter te Dundee staan de woorden van 1 Thess. 4:14 geschreven.
Eens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart.

Ik kende geen schuld en 'k gevoelde geen smart.

Ik vroeg niet: "Mijn ziele, doorziet gij uw lot?
Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?"

Al sprak daar een stem uit de heilige blaân


van 't Lam, met de zonden der wereld belaân,
ik zocht bij de kruispaal geen veilige wijk,
'k stond blind en van verre, in mij zelven zo rijk.

Ik deed als Jeruzalems dochters weleer,


ik weend' om de pijn van mijn lijdende Heer,
maar dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld

Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld.


Maar toen mij God Geest aan mij zelf had ontdekt,


toen werd in mijn ziele de vreze gewekt.
Toen voeld' ik wat eisen Gods heiligheid deed.
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.

Toen vlucht' ik tot Jezus. Hij heeft mij gered!


Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet!
Mijn heil en mijn vreugd' en mijn leven werd Hij.
Ik boog m', en geloofd', en mijn God sprak mij vrij!

Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis,


dat Christus alleen mijn gerechtigheid is.
Nu tart ik de dood, nu verwin ik het graf.
Nu neemt mij geen satan de zegekroon af.

Nu reis ik getroost onder 't heiligend kruis


naar 't erfgoed hierboven, naar 't Vaderlijk huis.
Mijn Jezus geleidt mij door d' aardse woestijn.
"Gestorven voor mij!" zal mijn zwanenzang zijn.

  • Wie niet werkt, zal ook niet eten
  • 1 Thess.4:11; 2 Thess.3:6; 1 Tim.5:13
  • Spr.5:15; Matth.21:28
  • Geen vijanddenken
  • Matth.18:15-17; Gal.6:1-3
  • 1 Thess.5:14
  • Zegen en groet
  • Rom.16:24; Openb.22:21

  • Dovnload 144.39 Kb.