Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Aan de orde is het afleggen van de regeringsverklaring

Dovnload 107.3 Kb.

Aan de orde is het afleggen van de regeringsverklaring



Pagina1/3
Datum05.12.2018
Grootte107.3 Kb.

Dovnload 107.3 Kb.
  1   2   3

Aan de orde is het afleggen van de regeringsverklaring
Mijnheer de Voorzitter! Het behoort tot de edelste gebruiken van ons staatkundig bestel dat een aantredend kabinet zijn aanvaardingsrede opent met een eerbewijs aan degenen die in de voorafgaande periode het ambt van Minister of Staatssecretaris hebben vervuld. Graag houden ook wij dat gebruik in ere.

Er is, dat spreekt vanzelf, verscheidenheid van oordeel over de wijze waarop onze maatschappij moet worden ingericht en dus is er verschil in waardering voor het in voorbije jaren gevoerde beleid. Het is echter onbetwistbaar, dat met name de economische omstandigheden het regeren tot een zware opgave hebben gemaakt, die onze voorgangers voor de volle termijn hebben vervuld.

Ook zal vrijwel iedereen onderschrijven dat zij in ons land besef wakker hebben geroepen dat een grondige en gedurfde herijking nodig is van de veelheid van taken en uitgaven die de overheid gaandeweg op zich heeft genomen, juist opdat ook in een periode van economische neergang behouden kan blijven wat van onze gemeenschapsvoorzieningen wezenlijk is. Wij brengen onze voorgangers dank voor de toewijding waarmee zij hun taak hebben vervuld.
Kabinetsformatie

Het kabinet dat zich vandaag met de regeringsverklaring aandient bij de Tweede Kamer, kwam tot stand op de 109e dag na de verkiezingen voorde Tweede Kamer op 26 mei jl. De kabinetsformatie heeft korter geduurd dan die van 1973 en die van 1977 en heeft ook korter geduurd dan die van 1925 en 1956.

De kabinetsformatie is nog steeds een zwak punt in het Nederlands staatsbestel. Ook de voorstellen tot herziening van de grondwet hoe belangrijk ook, bieden hiervoor geen afdoende oplossing. De tweede lezing van deze voorstellen is inmiddels in deze Kamer tot een goed einde gebracht. De Regering hoopt, dat binnen afzienbare tijd deze algehele grondwetsherziening geheel zal zijn voltooid. Daarmee zal een einde komen aan een gestage arbeid die ongeveer 15 jaren in beslag heeft genomen.

Het tot stand komen van de grondwetsherziening betekent niet dat een verder denken over het functioneren van ons parlementaire stelsel niet meer nodig zou zijn. Helaas moet worden vastgesteld dat een aantal in de jaren zestig al gesignaleerde gebreken nog steeds aanwezig is en wellicht nog in omvang is toegenomen. De relatie kiezers-beleidsvorming laat vrij veel te wensen over. De kabinetsformatie is een voor de kiezers ondoorzichtig proces. De verhevigde belangstelling van de burgers voor vitale onderdelen van het overheidsbeleid -men denke aan de discussie over de nucleaire bewapening en aan die omtrent de kernenergie -, het achterblijven van beleidsvorming en wetgeving bij maatschappelijke veranderingen en behoeften en andere ontwikkelingen zijn ruimschoots reden om het denken over staatkundige vernieuwing niet tot stilstand te brengen.

De Regering is integendeel van mening dat voor een goed functioneren van de parlementaire democratie in de komende decennia een verdere discussie over deze belangrijke vraagstukken en over mogelijke oplossingen daarvan noodzakelijk is. Daarom heeft de Regering, zoals de Minister van Binnenlandse Zaken vorige week bij de behandeling van de grondwetsherziening in deze Kamer al heeft medegedeeld, besloten een staatscommissie in te stellen die zal moeten adviseren over deze problematiek. Over de aan deze commissie toe te kennen taak en over haar samenstelling wil de Regering gaarne in overleg treden met de Tweede Kamer.

Aan het begin van elke regeringsverklaring pleegt de vraag aan de orde te worden gesteld naar de verantwoordelijkheid voor het verloop van de formatie. Terecht, want juist tijdens de formatieperiode hangt er een nevel over de werking van de ministeriële verantwoordelijkheid in relatie tot het handelen van de onschendbare Koning en de door deze benoemde formateurs of informateurs. Het optredende kabinet, in het bijzonder degene die als Minister-President optreedt, dient zoveel mogelijk duidelijkheid te verschaffen. Zoveel mogelijk, omdat na een langere formatieperiode, waarin onderscheiden personen als formateur of informateur zijn opgetreden, de ten slotte optredende minister-president niet voor elk van de formatie verantwoordelijk kan worden gehouden. In de eerste plaats dragen de formateurs en informateurs verantwoordelijkheid voor de aanvaarding van hun benoeming. Zo ben ik zelf verantwoordelijk voor de aanvaarding van mijn benoeming als formateur op de 100ste dag van de formatie, woensdag 2 september 1981.

De mij verstrekte opdracht luidde om, uitgaande van de conclusies van informateur De Gaay Fortman, een kabinet te vormen dat zich verzekerd weet van een zo breed mogelijke steun in de volksvertegenwoordiging. Op 11 september heb ik de opdracht aanvaard. Het resultaat daarvan heb ik jegens het parlement te verantwoorden. Het parlement beoordele of deze aanvaarding juist is geweest. Ik ben verantwoordelijk voor het optreden van het kabinet, voor mijn optreden als formateur en voor de aanvaarding van die resultaten uit voorgaande fasen van de formatie, die mede de grondslag uitmaken van dit kabinet. Ik denk hierbij met name aan de programconclusies, geformuleerd door de informateurs Lubbers, De Koning en Van Thijn, en aan hetgeen waaromtrent overeenstemming werd bereikt tijdens de formatie door de heren Kremers en Van Thijn en de informatie door de heer De Gaay Fortman senior.

Het thans optredende kabinet is aan te merken als een parlementair kabinet. Het is gebaseerd op een akkoord waaraan fractievoorzitters, handelende in overeenstemming met hun fracties, hun goedkeuring hebben gegeven. Voorts hebben leden van de fracties - in een eerdere versie stond 'vooraanstaande leden', maar die versie is niet meer geldig - in het kabinet zitting genomen, waaronder de fractievoorzitters zelf. Meer parlementair kan het niet! Op 16 oktober jl. heeft het kabinet de portefeuilles en functies ter beschikking gesteld van Hare Majesteit de Koningin. Dit is gebeurd voordat het nieuwe kabinet in de Kamer de regeringsverklaring had afgelegd. Dat is niet alleen een uniek, maar ook een ernstig feit.


De kolossale problematiek op financieel en sociaal-economisch gebied waarmee het kabinet bij de opstelling van de regeringsverklaring en de daarmee gepaard gaande wijzigingen in de begroting 1982 te kampen kreeg, was hiervan de oorzaak. De op 17 oktober jl. benoemde informateurs, De Galan en Halberstadt, hebben een analyse gemaakt van de problematiek. Deze analyse wordt door het kabinet onderschreven. Het kabinet heeft de door de informateurs geboden oplossing aangemerkt als een deugdelijke grondslag voor het herstel van de samenwerking binnen de coalitie.

De regeringsverklaring van heden en de nog komende begrotingswijzigingen zullen duidelijk maken waartoe het sindsdien hervatte kabinetsberaad heeft geleid. De crisis van 16 oktober en de daarvoor bereikte oplossing doen geen afbreuk aan het parlementaire karakter van het kabinet. Zoals gezegd had de crisis betrekking op de toepassing door het kabinet van het regeerakkoord op de sociaal-economisch-financiële situatie. Informateurs hebben dienovereenkomstig de uitvoering van hun opdracht toegespitst op de oplossing van het conflict binnen het kabinet. Over de wijze waarop het kabinet het regeerakkoord uitvoert en toepast, de oplossing van het gerezen conflict daaronder begrepen, zal de Kamer in de komende dagen haar oordeel kenbaar maken. Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nu te spreken over het economisch-financieel-sociaal beleid en zal daarvoor zeer geruime tijd uw aandacht vragen.


Economisch-financieel-sociaal beleid

De economische omstandigheden zijn uitzonderlijk moeilijk. De wereldhandel maakt een ernstige inzinking door. De werkloosheid alsmede het financieringstekort en de collectieve-lastendruk hebben niveaus bereikt die wij de afgelopen vijfentwintig jaar niet hebben gekend. Daardoor zijn de dilemma's waarvoor wij staan talrijk. Het belangrijkste daarvan is: Beleid dat voor een verdere toekomst perspectief biedt helpt niet altijd aanstonds. Eén ding is zeker. Wij staan voor de absolute noodzaak onze economie ingrijpend te herstructureren. Tot aan de oliecrisis eind 1973 overtrof het groeitempo van de investeringen ruimschoots dat van de particuliere consumptie. Daarna is de groei van de nationale bestedingen vrijwel geheel te schrijven op rekening van de consumptie door particulieren en overheid. Dit is leven op kosten van de toekomst.

Wij zien als belangrijkste taak ervoor te zorgen dat Nederland het vertrouwen in de toekomst herwint. Daarvoor is nodig een duurzame versterking van onze economische spankracht. Dat vergt een vastberaden beleid gericht op uitbreiding en vernieuwing van het produktieapparaat en dus op herstel van rendementen. Een directe aanval op de werkloosheid is echter ook nodig. Dat vergt maatregelen op de korte termijn. Wij staan daarmee voor de zwaarste opgave sinds de herstelperiode na de Tweede Wereldoorlog, temeer daar de financiële armslag, nodig voor een grootscheeps offensief, in het verleden is verbruikt.

Het financieringstekort heeft zulk een omvang bereikt, dat vergroting daarvan tot gevolg zou hebben dat meer werkgelegenheid teloor zou gaan, dan wij met de extra uitgaven zouden winnen. Die weg is dus afgesneden. Sterker nog, het wordt de hoogste tijd een begin te maken met een duidelijke verlaging van het financieringstekort. Verhoging van belastingen en premies heeft ons gebracht op een peil van collectievelastendruk dat zijn weerga in de wereld niet of nauwelijks kent. De afstand tussen bruto- en nettobeloningen voor arbeid en kapitaal is zeer groot geworden. Er is sprake van een handicap voor werken, sparen en investeren. Het regeerakkoord is doortrokken van het besef, dat het herstel van de economie en van de werkgelegenheid roept om een vastberaden beleid, waarvoor de ruimte alleen is te verkrijgen door matiging van inkomens en ombuigingen in de bestedingen van de collectieve sector. Dat stelt zware eisen aan overheid én bedrijfsleven.

Wij zullen moeten woekeren met de beschikbare middelen. Ons aller vindingrijkheid en organisatievermogen zal ongemeen zwaar op de proef worden gesteld. Voor die uitdaging staan het kabinet en het parlement, weliswaar beseffend dat de overheid de gezondmaking van onze economie niet op eigen kracht kan realiseren, maar bereid niets na te laten wat kan bijdragen tot een duurzaam economisch herstel. Zulk een herstel is van belang zowel voor ondernemers als voor werknemers; zowel voor actieven als voor niet-actieven; zowel voor de particuliere als voor de publieke sector. Het is van het allergrootste belang voor de miljoenen Nederlandse jongeren die het leven nog grotendeels voor de boeg hebben. De maatschappelijke gevolgen van het ontbreken van voldoende kansen op werk voor jongeren
De economische omstandigheden zijn uitzonderlijk moeilijk. De wereldhandel maakt een ernstige inzinking door kunnen niet ernstig genoeg worden genomen. Het gevaar dreigt, dat een steeds groter deel van de jeugd geen echte kans meer krijgt op een volwaardige werkkring, zodat deze jongeren bij de overgang van school naar werk steeds meer problemen ondervinden. De teleurstelling en de ontmoediging van grote groepen meisjes en jongens kunnen, doordat die leiden tot onverschilligheid, opstandigheid, ook een bedreiging worden voor de toekomst van de samenleving als geheel.
Het werkgelegenheidsplan

Mijnheer de Voorzitter! In het regeerakkoord wordt voor de komende kabinetsperiode als taak gesteld het tot stand brengen van 175.000 a 200.000 arbeidsplaatsen. Daarnaast moet voor 175.000 meer mensen werk worden geschapen door onder meer deeltijdbanen. Dat is een gigantische opgave in een periode waarin de werkloosheid uitzonderlijk snel stijgt: van oktober 1981 tot oktober 1982 met maar liefst 150.000 personen. Wij moeten roeien tegen de stroom in. In redelijkheid moet het beleid voor 1982 worden gericht op een program van 25.000 a 35.000 nieuwe arbeidsplaatsen en daarnaast op arbeidsmarktmaatregelen die de verdere groei van de werkloosheid met circa 30.000 kunnen beperken.

Ter verwezenlijking van die taakstelling zijn ingrijpende maatregelen nodig. De Regering is voornemens, door middel van een eenmalige en tijdelijke belastingverhoging, die vooruitloopt op de totstandkoming van een investeringsloon, door een herschikking van middelen in het kader van de Wet investeringsrekening, en door een extra kapitaalmarktberoep voor de bouw en voor industriële projecten in totaal 2 a 2,5 miljard extra te mobiliseren. Hiermee kan een bestedingseffect worden bereikt van globaal 4 miljard, waarvan een deel na 1982 zal worden gerealiseerd. Meer dan de helft van dit bedrag zal worden bestemd voor bouw, energiebesparing en bodemsanering.

Voor stimulerende maatregelen in de marktsector wordt ruim een half miljard uitgetrokken en voor werkgelegenheid in de quartaire sector circa 150 miljoen. Voor maatregelen ter bestrijding van de werkloosheid, in het bijzonder van de jeugdwerkloosheid, komt 300 miljoen beschikbaar. Een beperkt deel van deze middelen wordt bestemd voor het opvangen van de nadelige gevolgen van de jeugdwerkloosheid in de vorm van sociaal-culturele voorzieningen, met name in de grote steden. Het op deze wijze mobiliseren van financiële middelen om een gerichte impuls te geven voor het herstel van de werkgelegenheid zal alleen het beoogde effect sorteren wanneer dit gepaard gaat met de in het regeerakkoord noodzakelijk geachte ontwikkeling van de arbeidskosten.

Het kabinet wil mede daarom het overleg over het arbeidsvoorwaardenbeleid met de organisaties van werknemers en werkgevers afstemmen op de beleidsvoornemens ten aanzien van de werkgelegenheid. Het kabinet acht het van wezenlijk belang, dat de verschillende inspanningen op het gebied van de werkgelegenheid en de offers die daarvoor moeten worden gebracht in onderling verband worden beschouwd. De opstelling van een meerjarenprogram voor de werkgelegenheid is van grote betekenis.

Het kabinet wil een eerste versie van dit werkgelegenheidsprogram binnen vier maanden afronden. De sociale partners zullen bij de opstelling van deze eerste versie ten nauwste worden betrokken. Er zal een nauwe samenhang moeten zijn tussen de beleidsinitiatieven van de Regering en de initiatieven van de sociale partners. Om die samenhang te kunnen realiseren, zullen in de eerste weken van december met de organisaties van werknemers en van werkgevers gedachtenwisselingen plaatsvinden op basis van een brief, waarin ook de eerste aanzet van het werkgelegenheidsplan zal zijn vervat.


Stimulering van het bedrijfsleven

Voor een fundamenteel herstel van de economische groei en de werkgelegenheid is het van essentieel belang, dat vooral de investeringen in de marktsector worden vergroot. Dit is alleen mogelijk wanneer er weer zicht komt op bevredigende rendementen. Alleen dan kan investeren weer aantrekkelijk worden en zal een vernieuwend en actief industriebeleid vallen op vruchtbare bodem. Een zeer belangrijk onderdeel van het investeringsprogramma zal bestaan uit investeringen in het kader van het energiebeleid.



Het gaat hier om een viertal elementen:

  1. De investeringsinspanning, waartoe de oliemaatschappijen zich hebben verbonden bij de aanwending van hun winsten uit aardgas, is van vitaal belang voor de economische structuur en de energiehuishouding van Nederland. In het kader van de periodieke herijking van bestaande gentlemen agreement voorde periode 1980-1984, zal de Minister van Economische Zaken tijdig voor de voorbereiding van de begroting 1982 de stand opmaken van de Slochteren-winst, de investeringen van Shell en Esso in Nederland en de daaraan te verbinden consequenties, een en ander overeenkomstig het regeerakkoord.

  2. Het programma van de ombouw van electriciteitscentrales op kolen zal in overleg met de betrokken electrici-teitsbedrijven versneld moeten worden uitgevoerd. Haast is geboden, ook met het oog op de problemen in de bedrijven die zich met de ketelbouw bezighouden en die ons vorige week nog met hun zorgen hebben geconfronteerd. Op korte termijn zal daarom dienen te worden begonnen met een ombouwprogramma dat een investering vergt van circa f 2,5 miljard.

  3. In de bedrijvensector zijn extra energiebesparende investeringen rendabel te verrichten. Om die additionele inspanning te versnellen zal de energietoeslag in de WIR tijdelijk, dat wil zeggen gedurende twee jaar, aanzienlijk worden verhoogd. De financiering daarvan zal binnen het WIR-fonds plaatsvinden. Los daarvan zal in de komende vier jaar ten behoeve van de isolatie in de glastuinbouw, zoals al bekend, f 300 miljoen worden ingezet.

  4. Geen bezuiniging op het Nationaal Isolatieprogramma; de isolatie-inspanning zal zelfs verder worden vergroot.

In de stimulering van het bedrijfsleven zal het herindustrialisatiebeleid een belangrijke plaats innemen. De hoofdlijnen ervan zullen tot uitdrukking komen in een drieluik van beleidsactiviteiten. In de eerste plaats: de organisatorische voorzieningen van de herindustrialisatie, waaronder begrepen de oprichting van een maatschappij voor industriële projecten. Hiervoor is f 330 miljoen uitgetrokken voor 1982. In de tweede plaats: het gericht stimuleren van projecten op het gebied van de herindustrialisatie. Het kabinet deelt de opvatting van de adviescommissie inzake het industriebeleid -in de wandeling de commissie-Wagner genoemd -dat hoofdaandachtsgebieden dienen te worden geselecteerd. Door middel van de verlaging van het WIR-fonds zal f 250 miljoen ruimte geschapen worden onder meer ten behoeve van het speerpuntenbeleid. In de derde plaats is er het meer globale herindustrialisatiebeleid, waaronder in het bijzonder de problematiek van de middelgrote en kleine industriële ondernemingen moet worden begrepen. In navolging van het advies van de commissie-Wagner zal de Minister van Economische Zaken een voortgangscommissie instellen van een beperkt aantal deskundigen. Om het beoogde industriebeleid te kunnen realiseren is het voorts noodzakelijk overbodige belemmeringen van overheidswege waarmee het bedrijfsleven te maken heeft, weg te nemen. Ik denk hierbij onder meer aan de verbetering van de vergunningenprocedures. Ook een belangrijk element van het industriebeleid is het verbeteren van het investeringsklimaat voor buitenlandse bedrijven.
Mijnheer de Voorzitter! De technologische ontwikkeling zal een centrale plaats in het beleid moeten hebben. Er zal een optimaal gebruik moeten worden gemaakt van de kansen op innovatie op verschillende beleidsterreinen. De invoering van een fiscale faciliteit voor researchactiviteiten achten wij gewenst en zal op haar mogelijkheden worden getoetst. Het nieuwe elan in de bedrijvigheid zal zich overigens niet kunnen beperken tot de industriële sectoren van onze economie. Het beleid zal er evenzeer op gericht zijn de verdere ontplooiing van de commerciële dienstensector te bevorderen. Bij de vernieuwing en versterking van ons bedrijfsleven zal het midden- en kleinbedrijf een grote rol spelen. Onderzocht zal worden hoe de op het midden- en kleinbedrijf gerichte activiteiten aantrekkelijker en efficiënter kunnen worden gemaakt. Nog dit parlementaire jaar zal de Kamer een brief bereiken waarin een verdere uitwerking van het beleid voor het midden- en kleinbedrijf voor deze kabinetsperiode zal worden gegeven. De Nederlandse land- en tuinbouw, die als hoog ontwikkeld en als vooraanstaand in de wereld kan worden aangemerkt, produceert aanzienlijk meer dan nodig is voor de binnenlandse consumptie en levert een netto-overschot van ruim f 9 miljard op onze betalingsbalans. Versterking van de concurrentie kracht van de agrarische sector is ook uit een oogpunt van werkgelegenheid van belang. Ons land kan zijn vooraanstaande positie slechts behouden in open marktverhoudingen en bij een voortgaande aanpassing van de produktiestructuur van de land- en tuinbouw. In de ontwerp-begroting 1982 was al ruimte gemaakt voor een structurele voortzetting van het specifieke exportbevorderingsbeleid, met inbegrip van het Matchingfonds. Wij zullen dit beleid nog intensiveren. Het is met name van belang, dat de kleine en middelgrote ondernemingen zich meer dan tot nu toe op het terrein van de export gaan bewegen. Hierop gerichte faciliteiten zullen worden gehandhaafd en er zal ter zake meer voorlichting worden gegeven. De markten in ontwikkelingslanden en in landen met staatshandel bieden nieuwe mogelijkheden die beter moeten worden benut. De lagere overheden dienen een belangrijke rol te spelen in het sociaal-economische gebeuren. De inspanning in het regionale beleid zal daarom gepaard gaan met enige belangrijke stappen tot decentralisatie van bevoegdheden.

De betrokken bewindslieden zullen op korte termijn overleg voeren met de provinciale besturen van het Noorden des Lands en van Limburg over de tweede beleidsperiode van het ISP en de PNL, die in 1982 zal aanvangen. Aparte aandacht zal worden gegeven aan de noodsituatie in de grootste steden. Die problematiek heeft een ander karakter dan die van de klassieke zorgenregio's. Oplossingen zullen derhalve op die typische kenmerken moeten worden toegesneden. In het Westen van het land wordt de heffing op grond van de Wet selectieve investeringsregeling met terugwerkende kracht tot 16 september jongstleden buiten werking gesteld. Het systeem van meldingen en vergunningen in het kader van die wet blijft evenwel van kracht.

De bijzondere regionale toeslag in de WIR zal in het overgrote deel van het huidige toepassingsgebied en met hetzelfde toeslagpercentage van kracht blijven, met uitzondering van de agrarische sector. In de brief die de Minister van Economische Zaken de Kamer binnenkort zal sturen, is ook het standpunt ten opzichte van de door het vorige kabinet ingediende nota Regionaal Sociaal-Economisch Beleid 1981-1985 uiteengezet. Het is ten zeerste gewenst, dat de parlementaire behandeling van deze nota, in aangepaste vorm, nog dit kalenderjaar zal plaatsvinden.
Stadsverziening, volkshuisvesting en bouwnijverheid

Het kabinet is vastbesloten, aan de oplossing van de problemen in de stadsvernieuwing en de volkshuisvesting hoge prioriteit te geven. In de wijzigingen van de begroting voor 1982 zal een eerste stap worden gezet ter bereiking van de doelstelling van het regeerakkoord, de stadsvernieuwingsactiviteiten te verdubbelen. Voor de stadsvernieuwing wordt een meerjarenplan uitgewerkt.

Nu reeds kan worden meegedeeld, dat vergelijkingshuren voor vervangende nieuwbouw in de stadsvernieuwingsgebieden van de vier grote steden worden gehandhaafd. Bij ingrijpende woningverbetering wordt het zogenaamde schijvenstelsel voor de huurbepaling aangepast om met name in de grote steden tot passende huren te komen. Voor het verbeteren van woningwetwoningen wordt f 100 miljoen extra uitgetrokken. Een grotere zeggenschap van de gemeentebesturen over de besteding van de stadsvernieuwingsgelden zal ten goede kunnen komen aan de effectiviteit van de stadsvernieuwing.

Het ontwerp van Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, waarover de Regering binnenkort nadere mededelingen zal doen, voorziet daarin. Voorts zal in voorbereiding worden genomen een ontwerp van wet tot wijziging van de Onteigeningswet, waarbij wordt aangegeven wat onder een bouwplan als grondslag voor onteigening wordt verstaan. Daarmee wordt voldaan aan de in het regeerakkoord neergelegde wens, onteigening mogelijk te maken bij weigering, achterstallig onderhoud uit te voeren of noodzakelijke verbeteringen aan te brengen. Ter bestrijding van het bestaande woningtekort zal het woningbouwprogramma worden verhoogd met 5000 woningen en wooneenheden in 1982 ten opzichte van de eerder ingediende begroting. Daarnaast wordt er een nader te verdelen bedrag van f 250 miljoen uitgetrokken voor activiteiten op het gebied van de bouw en de isolatie.

Bij de voorbereiding van de begroting voor 1983 zal worden gestreefd naar herstel van het meerjarig karakter van het woningbouwprogramma. Op langere termijn zal 65 tot 70% van de Nederlandse huishoudens uit alleenstaanden en tweepersoonshuishoudens bestaan. De nadruk zal komen te liggen op de bouw van sobere kleine woningen. De realisering daarvan komt in toenemende mate te berusten bij de lokale overheid. Een evenwichtige verhouding van woonlasten tussen eigenaar-bewoners en huurders zal worden nagestreefd. De wijzigingen van het stadsvernieuwings- en woningbouwprogramma voor 1982 leveren een bijkomende werkgelegenheid op van circa 20.000 manjaren waarbij meegerekend isolatie- en overige bouw. Energiebeleid Energiebesparing is één van de hoekstenen van het economisch beleid. Daarom staan het kabinet onder meer, naast de reeds genoemde, de volgende maatregelen voor ogen. Een wetsontwerp Energiebesparing toestellen wordt binnenkort bij de Tweede Kamer ingediend. Daarnaast zal de voorbereiding van de wetgeving op het gebied van de benutting van afval- en restwarmte zoveel mogelijk worden bespoedigd. Bij het onderzoek naar nieuwe energiezuinige technieken en naar energiebronnen zal extra aandacht worden gegeven aan de ontwikkeling van milieuvriendelijke kolentechnieken en de ontwikkeling van zogenaamde stromingsenergiebronnen. Over het rapport Windenergie en waterkracht zal zo spoedig mogelijk een regeringsstandpunt worden opgesteld, met voorstellen over de ontwikkeling van windenergie. Het kabinet zal op korte termijn een definitief standpunt bepalen naar aanleiding van het eindrapport van de Commissie Concentratie Nutsbedrijven over de organisatiestructuur van de nutssectoren gas, water en elektriciteit. Om redenen van energiepolitiek is het van wezenlijk belang dat de ontwikkeling van het kleinverbruikerstarief inzake aardgas een koppeling blijft houden met de ontwikkeling van de prijs van huisbrandolie. Tevens zal de prijsstelling van het aardgas binnen de diverse verbruikerscategorieën een logische en aanvaardbare samenhang moeten behouden. Wij realiseren ons echter ook dat een zeer snelle stijging van de aardgastarieven problemen met zich brengt. In het regeerakkoord is dan ook het streven verwoord naar gematigder tariefaanpassingen. Het kabinet heeft besloten het kleinverbruikerstarief per 1 januari 1982 te verhogen met 7 cent per kubieke meter, exclusief BTW. Ook aan de hoogte van de elektriciteitstarieven zal aandacht worden besteed. Het toenemend ongunstig verschil met elektriciteitstarieven voor grootverbruikers in de omliggende landen plaatst de Nederlandse industrie in een nadelige positie.

Mede om deze reden zal de al genoemde ombouw van centrales van olie naar kolen worden versneld. Hiervan valt een niet onbelangrijke verlaging van de kostprijs van elektricteitsopwekking te verwachten. Er zal een studie worden uitgevoerd naar de gevolgen van het openhouden, stilleggen dan wel sluiten van de twee kerncentrales in ons land. In deze studie zullen onder meer de financieel-economische, energiepolitieke, werkgelegenheids- en veiligheidstechnische gevolgen centraal staan. Het kabinet zal op korte termijn een commissie van onafhankelijke deskundigen instellen. De studie zal uiterlijk medio mei 1982 gereed dienen te zijn. Zo snel mogelijk daarna zal het kabinet zijn standpunt hierover bepalen om tot definitieve besluitvorming te komen. Hangende de definitieve besluitvorming met betrekking tot de toepassing van kernenergie zal het onderzoek naar de mogelijke oplossingen voor de problemen van produktie en opslag van radioactieve afvalstoffen en de veiligheid van de bedrijfsvoering in de nucleaire sector worden voortgezet. Met de overheidspartners in het Kalkar-project zai overleg worden geopend om na te gaan op welke wijze de Nederlandse bijdrage aan het Kalkar-project kan worden beëindigd, zodra dit contractueel mogelijk is, en hoe die bijdrage intussen kan worden beperkt. Over de wijze waarop dit beleidsvoornemen kan worden uitgevoerd en over de financiële en juridische kanten van de internationale afspraken met betrekking tot dit project zal de Minister van Economische Zaken op korte termijn de Kamer nader informeren. Eventuele nieuwe verrijkingscontracten van Urenco zullen zorgvuldig worden getoetst aan de eisen van het non-proliferatieverdrag. De hieruit voortvloeiende beperkingen met betrekking tot de ontwikkeling van de produktiecapaciteit worden aanvaard. Herverdeling van arbeid en bestrijding van werkloosheid Hoezeer herstel van de activiteiten in het bedrijfsleven ook geboden is, er mag op de korte termijn voor de noodzakelijke uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen geen te zware wissel op worden getrokken. Daarvoor is immers tijd nodig. Een tweede pijler voor het werkgelegenheidsbeleid zal daarom moeten zijn het herverdelen van beschikbare arbeid en het nemen van maatregelen ter verlichting van de jeugdwerkloosheid. Het kabinet zal zich ervoor inzetten dat waar mogelijk en zo spoedig mogelijk bestaande arbeidsplaatsen in deeltijdbanen worden omgezet. De overheid als grote werkgever zal daarbij een voortrekkersrol vervullen. Zo zal worden aangesloten bij de groeiende bereidheid van mannen en vrouwen om arbeid buitenshuis en arbeid binnenshuis onderling anders te verdelen.


Zoals al opgemerkt, lijkt de situatie van jeugdige werkzoekenden soms uitzichtloos. Dat geldt vooral voor meisjes. Er zal daarom worden getracht, te bereiken dat jongeren die gaan werken, in het bezit zijn van een afgeronde beroepsopleiding, of anders de gelegenheid krijgen om in combinatie met het werk een vakopleiding te volgen. Voor jongeren die nog niet in die gelegenheid kunnen worden gesteld, zal daartoe een speciaal programma worden ontwikkeld. Daarbij zal een uiterste inspanning worden gedaan om jongeren een volwaardige plaats in het arbeidsbestel te bieden, door naarmate een jongere langer werkloos is in toenemende mate maatregelen van arbeidsvoorziening ten behoeve van hem of haar in te zetten. De mogelijkheden tot scholing, met behoud van een werkloosheidsuitkering, zullen worden uitgebreid waar de situatie op de arbeidsmarkt dit zinvol maakt. Onderzocht zal worden welke mogelijkheden er zijn om mensen met een werkloosheidsuitkering arbeid te laten verrichten waaraan de maatschappij behoefte heeft. In het bijzonder voor de gehandicapten moeten de kansen op de arbeidsmarkt worden verbeterd. De Regering hoopt het SER-advies over de nieuwe percentageregeling op korte termijn te ontvangen, zodat een desbetreffend wetsontwerp spoedig kan worden ingediend. Ook zal worden gewerkt aan een verbetering van de aansluiting van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Daarvoor is een betere afstemming nodig van onderwijs en arbeid, mede met het oog op de technologische vernieuwingen. Dat vraagt om verdieping van de contacten tussen het onderwijs en het bedrijfsleven. Daarbij zal in het bijzonder worden gelet op de versterking van de opleidingen in het leerlingwezen. Om een betere aansluiting te krijgen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt is verder gaande toepassing van scholingsmaatregelen gewenst. Ook de nieuwe opzet van de gewestelijke arbeidsbureaus en de instelling van een verplichte vacaturemelding zijn hierop gericht. Het werkgelegenheidsvraagstuk is overigens niet alleen een kwantitatief probleem.

Een belangrijk instrument tot verbetering van de kwaliteit van de arbeid is de Arbeidsomstandighedenwet. Het ligt in het voornemen, op 1 mei 1982 een aantal artikelen van die wet in werking te doen treden. De Regering hecht veel belang aan het voortzetten van de financiële stimulering van het verbeteren van arbeidsplaatsen, en wel van jaar tot jaar bezien in samenhang met de ontwikkeling in de conjunctuur.

  1   2   3

  • Kabinetsformatie
  • Economisch-financieel-sociaal beleid
  • Het werkgelegenheidsplan
  • Stimulering van het bedrijfsleven
  • Stadsverziening, volkshuisvesting en bouwnijverheid

  • Dovnload 107.3 Kb.