Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Aan de orde is het afleggen van de regeringsverklaring

Dovnload 107.3 Kb.

Aan de orde is het afleggen van de regeringsverklaring



Pagina3/3
Datum05.12.2018
Grootte107.3 Kb.

Dovnload 107.3 Kb.
1   2   3

Emancipatiebeleid

Als uitvalsbasis voor het emancipatiebeleid is gekozen voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, omdat van daaruit het meest doeltreffend kan worden gewerkt aan een herverdeling van maatschappelijke taken tussen mannen en vrouwen. Herverdeling van arbeid, ook door het creëren van deeltijdbanen, zowel voor bestaande, als voor nieuwe arbeidsplaatsen, zal ook moeten leiden tot die herverdeling van taken tussen mannen en vrouwen. Het emancipatiebeleid zal zich daarmee niet beperken tot een arbeids- en inkomensbeleid: aan de integratie van emancipatie in alle onderdelen van het regeringsbeleid zullen nieuwe impulsen worden gegeven.

Het beginsel van gelijke behandeling bij de toegang tot en binnen de betaalde arbeid zal in de praktijk beter gestalte moeten krijgen. De scheiding tussen mannenberoepen en vrouwenberoepen moet verder worden opgeheven en gelijke toegang tot posities op alle niveaus en in alle sectoren worden bevorderd. Het wetsontwerp gelijke behandeling en voorstellen voor verbeterde toepassing van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen zullen dit parlementaire jaar worden ingediend. Belemmeringen om betaalde arbeid buitenshuis te combineren met onbetaalde verzorgingstaken binnenshuis moeten worden opgeheven. De Regering wacht met belangstelling de gevraagde adviezen van de SER en van de Emancipatieraad over een wettelijke basisvoorziening voor onbetaald ouderschapsverlof af. Voorts wordt ernaar gestreefd de aansluiting van schooltijden, de openingstijden van winkels en dienstverlenende instellingen en de opvangmogelijkheid voor kinderen te verbeteren. Het optreden van een projectstaatssecretaris houdt een stimulerend beleid in naar de andere departementen. Dat zal neerslaan in het interdepartementale beleidsplan, dat mede zal zijn gebaseerd op het Nederlandse Aktieprogram Emancipatiebeleid en de inspraakresultaten daarop.
Onderwijs

Het onderwijs neemt in onze samenleving een centrale plaats in. Er bestaat een wisselwerking tussen onderwijs en samenleving: de leerlingen van vandaag maken de maatschappij van morgen.

Onderwijs doet op die wijze zijn invloed gelden op de culturele, maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Maar ook andersom is de maatschappij van invloed op het onderwijs: inhoud en vorm van het onderwijs worden mede bepaald door behoeften, wensen en belangen die er in de maatschappij bestaan. Het onderwijsbeleid zal zich in het bijzonder richten op degenen die in maatschappelijk, of in onderwijskundig opzicht in een achterstandsituatie verkeren. Ik noem de jongeren in de oude stadswijken, de gehandicapten, de culturele minderheden, volwassenen die tot nu toe weinig kansen op onderwijs hebben gehad en vrouwen en meisjes in het onderwijs. Tevens zal het beleid gericht zijn op een zodanige aanpassing van het onderwijs naar opzet en inhoud, dat het beter in staat is, allen voor te bereiden op de economische, de sociale en de culturele eisen die de samenleving nu en in de nabije toekomst aan haar leden stelt.

Het onderwijsbeleid zal daarbij uitgaan van de verworvenheden van een vrij onderwijsbestel, waarvan openbaar en bijzonder onderwijs wezenlijke onderdelen vormen. In de komende kabinetsperiode zal het primair onderwijs ingrijpend worden gewijzigd door invoering van de wet op het basisonderwijs en de interim-wet op het speciaal onderwijs. De zorgvuldige voorbereiding van deze verandering zal vorm krijgen in twee overgangswetten die medio 1982 zullen worden ingediend. Het streven is er op gericht, dat de nieuwe wet uiterlijk 1 augustus 1985 volledig zal zijn ingevoerd. Ook met betrekking tot het voortgezet onderwijs zal in deze periode de ontwikkeling van een nieuw onderwijsstelsel ter hand worden genomen.

Uitgangspunt voor het beleid is, de huidige scheiding van schooltypen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs te vervangen door één schooltype voor alle leerlingen in aansluiting op het basisonderwijs. Op korte termijn zal in dit kader een wet worden ingediend die in eerste instantie de grondslag zal bieden voor de bekostiging van experimenten en projecten. Deze bekostigingswet zal in 1983 worden uitgebreid met een wetsontwerp over de opzet en inhoud van een nieuw stelsel van vervolgonderwijs dat een directe werking zal hebben voor de scholen die daartoe dan reeds willen overgaan. Over dit stelsel zal in 1982 intensief overleg worden gevoerd. Op deze wijze zal de in het midden van de jaren tachtig te nemen beslissing over het tijdstip van de algehele invoering van het nieuwe stelsel en over de definitieve invulling daarvan een gedegen voorbereiding krijgen.

Een samenleving in verandering vereist niet alleen ander onderwijs voor jongeren, maar ook mogelijkheden voor velen om zich op latere leeftijd voor het eerst of opnieuw te scholen en te ontwikkelen. Onder de eerste verantwoordelijkheid van de projectminister volwasseneneducatie zal daartoe een aanbod van voorzieningen worden ontwikkeld en zal een regeling voor de volwasseneneducatie komen, waarbij, rekening houdend met de eigen aard van de voorzieningen, onderlinge samenhang en afstemming op plaatselijke behoeften zal worden verzekerd. Tevens zullen er regels komen met betrekking tot het educatief verlof.

Ten aanzien van het hoger onderwijs zal in 1982 een machtigingswet inschrijving studenten voor wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs worden ingediend, waarin het aanvaarde stelsel van gewogen loting zal worden gehandhaafd. De Regering zal in die wet bepalingen opnemen waardoor bij de vaststelling van de opleidingscapaciteit ook met de maatschappelijke behoefte wordt rekening gehouden. Eveneens zal in 1982 een wet op de studiefinanciering worden ingediend.

In nauwe samenhang met de Hoger beroepsonderwijswet en de Wet onderwijsverzorging zullen meer specifieke wettelijke regelingen meer betrekking tot de lerarenopleidingen worden voorgesteld. Bijzondere aandacht zal worden geschonken aan de ontwikkeling van een samenhangend stelsel van hoger onderwijs. Nog in 1982 zal de kaderwet hoger onderwijs worden ingediend. De verontrustende ontwikkelingen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt geven aanleiding om de relaties tussen onderwijs en arbeidsmarkt opnieuw te bezien. Zo noopt de zeer omvangrijke werkloosheid in het onderwijs zelf tot her- en omscholing van onderwijsgevenden. Ook kan het onderwijs op velerlei manieren beter inspelen op de behoeften en het functioneren van de arbeidsmarkt. Een betere waardering voor het ambachtelijk kunnen is gewenst. De vertaling daarvan in de concrete opleiding is van groot belang voor de kansen van jongeren. Door het onderwijsbeleid kan een belangrijke bijdrage worden geleverd aan de bestrijding van de jeugdwerkloosheid en aan een betere toerusting voor het bedrijfsleven. In dat verband zullen ook maatregelen worden getroffen voor de scholing van jeugdige werklozen, zullen de toepassingsmogelijkheden van de Wet op het leerlingwezen worden uitgebreid en zal aan het zogenaamd kort middelbaar beroepsonderwijs in deze kabinetsperiode bijzondere aandacht worden besteed.


Wetenschapsbeleid

Hoewel het kabinet geen afzonderlijke minister voor het Wetenschapsbeleid in zijn midden heeft, zullen de dit afgelopen decennium op dit terrein in gang gezette ontwikkelingen worden voortgezet. De bewindslieden van Onderwijs en Wetenschappen en van Economische Zaken overleggen momenteel over een onderlinge afstemming van taken en bevoegdheden, die de slagvaardigheid en intensiteit van beleid met betrekking tot de toepassing van technologie in de marktsector het meeste dient.


Bestuur

Het functioneren van de overheid, is in onze samenleving onderwerp van intense discussie. Veranderingen in de traditionele bestuursstructuur van de overheid zijn hard nodig. Bestuurlijke innovatie is een voorwaarde voor verbetering van de kwaliteit van de democratie. Decentralisatie van taken van de rijksoverheid naar gemeenten en provincies is aangewezen.

Ook op andere onderdelen, zoals de provinciale en gemeentelijke herindeling, zal de reorganisatie van het binnenlands bestuur worden voortgezet. Daarbij zal aan een ingrijpende reorganisatie van de rijksdienst niet zijn te ontkomen. De Regering wil de problematiek, die de Commissie Hoofdstructuur Rijksdienst in kaart heeft gebracht, in haartotale samenhang aanpakken. In de ministeriële commissie van de Ministerraad worden al voorstellen bestudeerd over een beperkt aantal projectbewindslieden en over vermindering van het aantal coördinerende Ministers en Staatsecretarissen.

Jaarlijks zal rond Prinsjesdag een actieprogramma van de belangrijkste voornemens van het kabinet worden gepresenteerd. Er moet een plan komen tot versterking van het vermogen tot reorganisatie, een departementaal herindelingsplan en een decentralisatieplan. De Regering vindt het nodig plaatselijke en provinciale bestuurders meer verantwoordelijkheden te geven en te laten voor de oplossing van wat zich ter plekke aan problemen voordoet. Zij zal erop toezien, dat taakverzwaring of taakuitbreiding als gevolg van voorgenomen rijksbeleid op voldoende wijze financieel wordt gecompenseerd. Bij ombuigingen van beleid en geldstromen zal van de lagere overheden niet meer worden gevraagd dan een redelijke inspanning. Zoveel mogelijk zal worden voorkomen dat de lagere overheden extra worden belast als gevolg van de afwenteling van de financiële gevolgen van ombuigingen in het rijksbeleid op die lagere overheden. De grootste steden in ons land vragen extra aandacht.

Wij realiseren ons dat de problematiek waarvoor zij staan, zich niet beperkt tot die grootste steden alleen, maar niemand zal ontkennen dat de omvang, de opeenstapeling en massaliteit van die problemen, de situatie in de grootste steden het meest klemmend maakt. In overleg met de betrokken gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, zullen maatregelen worden getroffen om het hoofd te bieden aan de ergste noden: de economische structuur en werkgelegenheid, jeugdwerkloosheid, stadsvernieuwing en woningnood, etnische en culturele minderheden, drugs, vandalisme en openbare orde.
Justitie en politie

Het gehalte van de rechtsstaat hangt van een aantal factoren af. In de eerste plaats is daar de kwaliteit van de wetgeving. Tot de eisen, die aan wetgeving moeten worden gesteld, behoren ook de keuze van het meest passende stelsel van handhaving en de waarborg van een behoorlijke rechtsgang en een genoegzame rechtsbescherming. De massaliteit van zaken en complexiteit van maatschappelijke situaties en van ons bestuursstelsel belasten de dagelijkse praktijk van toepassing en handhaving met een zware problematiek.

Door overbelasting is de toegang tot de rechter bemoeilijkt. Het is nodig prioriteiten te stellen. Het mag niet zo zijn dat de rechtsbescherming ten aanzien van diep ingrijpende beslissingen niet optimaal is, omdat rechters overbelast zijn met minder belangrijke zaken. Op het terrein van de strafrechtstoepassing is een situatie ontstaan waarin door de rechterlijke macht noodzakelijk geachte vrijheidsstraffen en soortgelijke maatregelen wegens gebrek aan capaciteit niet meer kunnen worden uitgevoerd. Dit treft het strafrecht in het hart. Rechterlijke uitspraken moeten worden uitgevoerd. Bovendien zullen de daarvoor noodzakelijke materiële en personele voorzieningen beschikbaar moeten komen. Daarnaast zal de ingezette ontwikkeling tot het scheppen van alternatieven voor de vrijheidsstraf worden gestimuleerd. Een humaan vreemdelingenbeleid is in ons land een diepgeworteld ideaal.

Wij moeten vooral aandacht besteden aan hen die de ernstigste problemen ondervinden en die juist door ons het best geholpen kunnen worden. Humanitaire aspecten moeten niet alleen zwaar wegen bij de beslissing over toelating, maar ook bij de procedures die daartoe leiden. Niet alleen moeten zorgvuldigheid en goede rechtsbescherming bij een zo essentiële beslissing verzekerd zijn, maar ook is langdurige onzekerheid over het eindresultaat zeer ongewenst. Zorg heeft de Regering over de steeds zwaarder wordende omstandigheden waaronder de politie haar taak moet vervullen.

Waar maatschappelijke spanningen die zich ontladen in agressie en geweld uitmonden in omvangrijke problemen van rechtshandhaving, wordt een zware wissel getrokken op de politie, niet alleen als organisatie, maar ook wat de individuele politieambtenaar betreft. Dat vraagt om verbetering van de toerusting van het politiepersoneel, waarbij de verbetering van de opleiding en de vorming een belangrijke rol dienen te spelen. Hoewel uitbreiding van aantallen alleen geen oplossing betekent, zal deze in samenhang met kwalitatieve maatregelen, met name voor de grote steden, overwogen moeten worden.
Nederlandse Antillen.

Ter wille van de verdere ontwikkeling van de Nederlandse Antillen moeten de daar bestaande politieke en staatkundige problemen zo spoedig mogelijk tot een oplossing worden gebracht. De uitvoering van de conclusies, die onlangs tijdens het topoverleg in Den Haag zijn bereikt, zal daartoe kunnen bijdragen. Indien Aruba op korte termijn het Antilliaanse en daarmee het Koninkrijksverband wil verlaten, zal het kabinet ook de verhouding tussen Nederland en de overige eilanden van de Nederlandse Antillen in heroverweging moeten nemen.

Het kabinet blijft van oordeel, dat een hecht en duurzaam samenwerkingsverband tussen de zes eilanden in het belang is van de bevolkingen van alle eilanden.
Buitenlands beleid

Verbreding en verdieping van de Europese economische integratie en van de politieke samenwerking blijven uitgangspunt van het Europese beleid. Dit houdt tevens in, dat het nationale beleid van economisch herstel waar mogelijk dient te worden ingepast in het Europese kader. De op handen zijnde herstructurering van de Europese begroting, waarbij tevens de bijstelling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid aan de orde is, dient de verdere ontplooiing van de Gemeenschap mogelijk te maken zonder haar verworvenheden aan te tasten. De bestaande begrenzing van de eigen middelen van de Gemeenschap mag aan die verdere ontplooiing, waartoe ook de toetreding van Spanje en Portugal behoort, niet in de weg staan. De Regering spant zich in, een voor Nederland aanvaardbaar gemeenschappelijk visserijbeleid tot stand te laten komen. Zoals in de motie-Mommersteeg van 5 februari jongstleden al is bepleit, acht het kabinet het gewenst dat in de Europese Politieke Samenwerking ook de internationaal-politieke dimensies van de Europese veiligheid worden betrokken, met dien verstande dat de NAVO het beslissende forum voor de totale veiligheidspolitiek behoort te blijven, met name op het gebied van de defensie. Het kabinet keert zich tegen politieke onderdrukking, sociale achterstelling en economische uitbuiting. Een actief mensenrechtenbeleid zal ertoe moeten bijdragen, dat een einde komt aan de in verscheidene landen uitgeoefende terreurpraktijken. De slachtoffers daarvan en de vluchtelingen zullen naar vermogen worden geholpen.

Het apartheidsbeleid van de Zuid-Afrikaanse regering wordt door het kabinet krachtig veroordeeld. Het kabinet zet zich in voor het opvoeren van de politieke en de economische druk op Zuid-Afrika om het tot stand komen van wezenlijke hervormingen in Zuid-Afrika en een oplossing van de Namibië-kwestie op zo kort mogelijke termijn en langs vreedzame weg te bevorderen. De mogelijkheden worden onderzocht om Nederland op de meest effectieve wijze te laten deelnemen aan het bestaande vrijwillige olie-embargo tegen Zuid-Afrika, om de uit het buitenland afkomstige investeringen in Zuid-Afrika te ontmoedigen, alsmede om bepaalde importen uit Zuid-Afrika te beperken. Daartoe zal een interdepartementale stuurgroep in het leven worden geroepen. Ten einde de effectiviteit van de pressiemaatregelen te vergroten, blijft het kabinet streven naar internationale toepassing daarvan.

Het kabinet hoopt dat het vredesproces in het Midden-Oosten voortgang zal kunnen vinden. Een vredesregeling zal dienen uit te gaan enerzijds van het recht op bestaan en op veiligheid van alle staten van de regio, dus ook van Israël, en anderzijds van de legitieme rechten van het Palestijnse volk waaraan in het raamwerk van een algemene vredesregeling het zelfbeschikkingsrecht toekomt.

Voor het bereiken van deze doelstellingen werkt Nederland nauw samen met de lidstaten van de Europese Gemeenschap. Daarbij wordt vooral beoogd een klimaat van vertrouwen te scheppen waardoor een algehele vredesregeling naderbij kan worden gebracht.
Ontwikkelingssamenwerking

Het kabinet geeft een hoge prioriteit, ook nu het ons zelf niet voor de wind gaat, aan de bestrijding van de schrijnende armoede in de Derde Wereld en de bevordering van Rechtvaardiger internationale economische verhoudingen. De Nederlandse ontwikkelingshulp zal ten minste 1,5% van het netto nationaal inkomen per jaar bedragen. De financiële basis voor het hulpbeleid zal naar het mogelijke worden versterkt. Daartoe zal in 1982 in overeenstemming met het regeerakkoord 100 miljoen gulden aan kapitaalmarktmiddelen worden omgezet in begrotingsmiddelen.

Met de beëindiging van de oneigenlijke toerekeningen aan het hulpbudget zal in 1982 een bescheiden begin worden gemaakt. Er zullen geen nieuwe oneigenlijke toerekeningen plaatsvinden. De doeltreffendheid en de doelmatigheid van de hulpverlening zullen worden verbeterd. Het kabinet zal spoedig wereldwijde onderhandelingen over de Noord-Zuid-problematiek en een samenhangend beleid van de Europese Gemeenschappen ten opzichte van de Derde Wereld bevorderen.
Veiligheids- en defensiebeleid.

De internationale situatie wordt gekenmerkt door grote spanningen en onzekerheden in verschillende delen van de wereld. Gezien de voortdurende tegenstellingen tussen Oost en West dient de gemeenschappelijke verdediging in het kader van het Atlantisch Bondgenootschap te worden gehandhaafd en zal ook ons land een passend aandeel daaraan moeten blijven leveren. Daarbij staan wij voor het verschrikkelijke dilemma dat de rol die kernwapens vervullen bij het voorkomen van oorlog, berust op het uiteindelijke risico van totale vernietiging. Daarom heeft het terugdringen van de risico's van kernbewapening in het veiligheidsbeleid van het kabinet prioriteit. Toegenomen internationale spanningen mogen geen reden zijn om de aandacht voor de wapenbeheersing te verminderen, maar maken de noodzaak daarvan des te meer duidelijk.

Voortzetting van het SALT-proces op zo kort mogelijke termijn acht het kabinet van fundamentele betekenis. Het uitblijven van resultaten bij de onderhandelingen over de beperking van de strategische kernbewapening zou immers leiden tot een nog verdere opvoering van de nucleaire bewapeningswedloop. Het verloop van het SALT-proces kan ook in belangrijke mate de kansen van welslagen beïnvloeden van de onderhandelingen over raketten voor de middellange afstand in Europa. Nederland is erop voorbereid om als lid van de consultatieve groep van de NAVO een creatieve bijdrage te leveren aan dit overleg. De Nederlandse doelstellingen worden in het regeerakkoord aangegeven: vermindering, zo mogelijk afschaffing, van nucleaire middellange-afstandswapens.

Vooruitgang op het terrein van nucleaire wapenbeperking, waaronder een algehele stopzetting der kernproeven, is een belangrijke voorwaarde om het groeiende gevaar te keren dat het bezit van kernwapens zich over de wereld verspreidt. Het kabinet zal zich inzetten voor nieuwe internationale afspraken op het terrein van de handel in nucleaire materialen en nucleaire uitrusting, voor versterking van de waarborgen voor vreedzaam gebruik en in het bijzonder voor een internationaal regime voor de opslag van plutonium. In het kader van het streven naar wapenbeheersing in Europa acht het kabinet het dringend noodzakelijk dat wegen worden gezocht om de reeds te lang voortdurende impasse in de onderhandelingen te Wenen over wederzijdse en evenwichtige vermindering van de strijdkrachten te doorbreken.

Tijdens de vervolgbijeenkomst in Madrid inzake veiligheid en samenwerking in Europa, spannen wij ons in om tot overeenstemming te geraken over de bijeenroeping van een Europese ontwapeningsconferentie. Concrete resultaten op andere terreinen van de slotakte van Helsinki blijven evenzeer noodzakelijk. Vrede en veiligheid vormen een ondeelbaar goed en vergen niet alleen actie in Oost/West-verband, maar ook -omdat de actuele conflicthaarden zich buiten Europa bevinden -in het kader van de Verenigde Naties.

De Verenigde Naties vervullen een belangrijke vredesbevorderende taak. In dit verband wil het kabinet zijn waardering uitspreken voor de wijze waarop Nederlandse militairen hun taak in het kader van UNIFIL vervullen. Het kabinet acht de totstandkoming van een al gemeen verdrag tot chemische ontwapening een dringend vereiste, vooral gezien de recente berichten over het gebruik van chemische wapens.

Bij het aanschaffen van defensiemateriaal zal worden nagegaan wat het effect kan zijn op de zogenaamde bewapeningsspiraal. Wij stellen ons terughoudend op ten aanzien van wapenexporten uit Nederland. Overwegingen van vredesbeleid zullen daarbij prevaleren boven strikt economische belangen. Leveranties naar gevoelige en potentieel gevoelige regio's worden zorgvuldig op hun politieke merites beoordeeld. Dit geldt in het bijzonder voor uitvoer naar landen die in een gewapend conflict zijn betrokken of waar gevaar bestaat voor gebruik van het wapenmaterieel voor onderdrukking van de eigen bevolking.

Het kabinet realiseert zich dat het beleid op het gebied van de buitenlandse politiek en de defensie moet worden gevoerd in de wetenschap dat ten aanzien van een essentieel punt, namelijk de plaatsing van kruisraketten op Nederlands grondgebied, verschillend wordt gedacht. Voor het overige bestaat er binnen het kabinet brede overeenstemming over het te voeren veiligheids- en defensiebeleid. In december 1979 heeft de Nederlandse Regering in de NAVO-ministerraad medegedeeld dat Nederland over de stationering van kruisraketten op zijn grondgebied, in december 1981 een beslissing zou nemen in het licht van een voortdurende evaluatie van de mate van succes bij het bereiken van doeltreffende en evenwichtige beperkingen van de nucleaire middellange-afstandswapens aan beide zijden. Sindsdien is echter nauwelijks van wapenbeheersingsoverleg sprake geweest. De eigenlijke onderhandelingen zullen pas op 30 november a.s. beginnen. Daarom is een Nederlandse beslissing in december 1981 niet mogelijk. Dit zal aan de bondgenoten worden medegedeeld. Wat de overlegprocedure en het tijdstip van toekomstige besluitvorming betreft, geldt als richtsnoer voor het kabinet het regeerakkoord: Ter zake van nucleaire wapens, zowel het vraagstuk van de middellange afstandswapens als dat van de substantiële vermindering van het aantal Nederlandse kerntaken, pleegt het kabinet consultaties met de bondgenoten. Het kabinet bepaalt op grond van zijn eigen oordeel tijdstip en inhoud van besluitvorming.'

Ik voeg hieraan toe dat bij de oordeelsvorming in het kabinet over tijdstip en inhoud van de besluitvorming het resultaat van de onderhandelingen over de middellange-afstandswapens een grote rol speelt. Wat het zogenaamde NAVO-dubbel-besluit betreft, realiseert het kabinet zich dat daarover in de diverse politieke partijen uiteenlopende opvattingen bestaan. De meningsverschillen betreffen vooral de vraag, of dit het juiste militaire en politieke antwoord is op de modernisering en de groei van het aantal nucleaire middellange-afstandswapens van de Sovjet-Unie.

Het kabinet stelt zich bij de positiebepaling in het bondgenootschap op het volgende standpunt. Het besluit is genomen, het is er en het vormt voor de NAVO het uitgangspunt voor de onderhandelingen tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie over de middellange-afstandswapens. Wij zijn van mening dat, zoals de situatie zich nu heeft ontwikkeld, aandrang binnen de NAVO tot herziening hiervan de kansen op een gunstig verloop van de onderhandelingen schaadt.

Naast het wederzijdse proces van nucleaire wapenbeheersing en wapenbeperking, dat vooral in Europa van eminent belang is, moet ook naar mogelijkheden worden gezocht om de eigen bewapening te beperken. Dit zal in de eerste plaats binnen het kader van de alliantie als geheel worden nagestreefd. Immers, het uitgangspunt voor het kabinet is dat hetgeen binnen het bondgenootschap als geheel gebeurt op het terrein van vermindering van nucleaire wapens, belangrijker is dan wat op dit gebied alleen in Nederland plaatsvindt.

Het kabinet zal met kracht bevorderen dat binnen het bondgenootschap wordt onderzocht hoe de verdediging verantwoord kan worden gewaarborgd met minder nucleaire korte-afstandswapens. In samenhang hiermee zal ook de vermindering van de Nederlandse nucleaire bijdrage aan de orde worden gesteld. Het kabinet staat volledig achter de in februari jongstleden door deze Kamer aangenomen motie waarin de invoering van het zogenaamde neutronenwapen wordt afgewezen. Het is geen geheim dat Nederland voor zijn uitgesproken denkbeelden op het terrein van vrede en veiligheid in het bondgenootschap niet altijd bijval vindt. Dit betekent echter geenszins dat Nederland ervan moet afzien, eigen meningen in alle duidelijkheid naar voren te brengen, ook in de verwachting dat hiervoor in toenemende mate begrip wordt gevonden.

Nederland blijft een kritische en betrouwbare partner van het bondgenootschap. In de programmaconclusies die ten grondslag liggen aan het kabinet, is vastgelegd dat de defensie-inspanning gericht blijft op de uitvoering van het Nederlandse aandeel in het defensieprogramma van de NAVO op lange termijn. Dit programma loopt door tot in de negentiger jaren en hiermee wordt beoogd, extra aandacht te besteden aan tekortkomingen in de gemeenschappelijke verdediging.

Het door Nederland geaccepteerde aandeel in het programma op lange termijn is opgenomen in de meerjarenplannen van het departement van Defensie. Gezien de sociaal-economische problemen realiseert het kabinet zich dat het moeilijk is, deze plannen te verwezenlijken. In de achter ons liggende twee kabinetsperioden stoelde het defensiebeleid op de Defensienota 1974. De uitvoering van de hierin vervatte plannen is herhaaldelijk bemoeilijkt door incidentele ombuigingsoperaties, het slechts ten dele compenseren van prijsstijgingen en het mede dragen door Defensie van de meerkosten als gevolg van het plaatsen van orders bij de Nederlandse industrie. Het kabinet rekent het zich tot taak, wegen aan te geven waarlangs op structurele wijze de financiering van de defensie veilig kan worden gesteld, met het oog op de in bondgenootschappelijk verband gemaakte afspraken over onze bijdrage en de eisen van een goede taakuitvoering. In de loop van het volgende jaar wordt de Kamer een nota aangeboden waarin het defensiebeleid voor de komende tien jaar wordt geschetst tegen de achtergrond van het algemene veiligheidsbeleid. Bij zijn defensiebeleid, te meer daar dit veelal tot stand komt in bondgenootschappelijk overleg, zal het kabinet zich steeds rekenschap geven van de wisselwerking die behoort te bestaan tussen enerzijds de voorbereiding en de uitvoering van dit beleid en anderzijds de inzichten die hieromtrent in het parlement en de publieke discussie naar voren komen. Van zijn kant zal het kabinet bij het nemen van beslissingen de grootst mogelijke openheid betrachten, niet alleen omdat hierdoor in de samenleving meer begrip voor de desbetreffende problemen kan ontstaan, maar ook om te voorkomen dat het defensiebeleid in isolement wordt ontwikkeld.


Slot

Mijnheer de Voorzitter! In deze omvangrijke regeringsverklaring is een bonte stoet van plannen en besluiten aan u voorbijgetrokken. Het te voeren beleid moet trachten antwoord te geven op een veelheid van problemen. Deze betreffen niet alleen de toestand van 's lands economie, maar hebben ook en minstens zozeer te maken met de cultuurcrisis waarin vele Westerse landen, vooral sinds de zestiger jaren, verkeren.

Tot de ingrijpende veranderingen die zich daarin voltrekken, behoort de voortgaande individualisering. Familiegemeenschappen zijn allang verleden tijd geworden. De familie heeft zich verengd tot het gezin. Maar ook die samenlevingsvorm boet nu aan maatschappelijke betekenis in en is aan diepe veranderingen onderhevig. De emancipatie van de vrouw doet gevestigde structuren verdwijnen en laat nieuwe ontstaan. Jongeren gaan van huis en zoeken hun eigen weg. Een niet gering deel van het tekort aan woonruimte wordt daardoor veroorzaakt. In het onderwijs brengt de opstuwende individualisering grote veranderingen teweeg. Mijnheer de
Voorzitter! Deze individualisering is in menig opzicht waardevol, met name doordat meer mensen dan voorheen de gelegenheid krijgen zich te ontplooien, meer zichzelf te worden. Maar er is ook veel eenzaamheid. Gemeenschapszin kan niet in het vaandel van deze tijd worden geschreven. Dat de overheid en allerlei instellingen waar nodig de helpende hand wel zullen toesteken, wordt te gauw verondersteld en te gemakkelijk verlangd. Er is nog meer gaande - natuurlijk - dat het gezicht van onze samenleving verandert. In heel korte tijd is Nederland de thuishaven geworden van zeer veel mensen van buiten, mensen met een andere cultuur. Dit stelt zware eisen aan ons onderwijs.

Er zijn problemen met huisvesting en werkgelegenheid. Maar er zijn ook maatschappelijke spanningen en wij blijken niet zo verdraagzaam als wij van ons zelf dachten. Deze omvorming naar een samenleving van diverse culturen zal in het komende decennium ook van de overheid veel vergen. Ingrijpend in haar gevolgen zal ook de veroudering van onze bevolking blijken. Minder kinderen, meer bejaarden. Dit maakt onder meer een ingrijpende herschikking nodig van een aantal collectieve voorzieningen.


Mijnheer de Voorzitter! Nederland is stellig heel boeiend, maar de wereld is wijder dan ons land alleen. Wij kampen met ernstige moeilijkheden, maar deze vallen in het niet bij de noden in een overgroot deel van het buitenland. En ook: onze eigen problemen kunnen wij niet alleen de baas worden. Wij maken, ook in ons belang, deel uit van bredere gemeenschappen en allianties en dienen ons dan ook als waarachtige leden daarvan te gedragen. In de kentering van een cultuur te leven, is leven in onzekerheid en in verwarring. Veel van wat tot ons geestelijk erfgoed behoort, staat onder kritiek. Nieuwe normen dienen zich aan. 'Onderzoekt alles en behoudt het goede', zo luidt een vermaning die voor velen van ons gezag heeft. In die geest zal ook het kabinet proberen te werk te gaan.
1   2   3

  • Wetenschapsbeleid
  • Justitie en politie
  • Nederlandse Antillen.
  • Buitenlands beleid
  • Ontwikkelingssamenwerking
  • Veiligheids- en defensiebeleid.

  • Dovnload 107.3 Kb.