Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Aeneas in de onderwereld Vergilius’ Aeneis boek 6

Dovnload 223.28 Kb.

Aeneas in de onderwereld Vergilius’ Aeneis boek 6



Pagina3/6
Datum12.03.2017
Grootte223.28 Kb.

Dovnload 223.28 Kb.
1   2   3   4   5   6

Hoofdstuk 2 Vergilius’ taaleigen (T)



1 De –v– in vormen van de voltooide tijden kan wegvallen, meestal met

samentrekking van de klinkers.


2 De uitgang van de derde persoon pluralis van de indicativus perfectum actief

is meestal –ere in plaats van –erunt.


3 In poëzie kunnen naamvallen worden gebruikt zonder prepositie in gevallen

waar in proza wel een prepositie zou staan, in het bijzonder bij de accusativus van richting, de ablativus separativus en de ablativus loci.



4 De dativus auctoris wordt ook bij andere passieve vormen dan het gerundivum

gebruikt.


5 Dichters maken, in navolging van het Grieks, gebruik van de accusativus van

betrekking.


6 Predicatief gebruik van adiectiva komt meer voor dan in proza. Vaak biedt een

vertaling met als een uitkomst.


7. Simplex pro composito: een werkwoord wordt gebruikt met de betekenis van

een van zijn samenstellingen.


8 In de poëzie wordt vaak een meervoud gebruikt in plaats van een enkelvoud

zonder aanwijsbaar verschil in betekenis. Dit noemt men: dichterlijk meervoud.


9 Werkwoorden worden vaak geconstrueerd met een dativus waar men in proza

een voorzetselbepaling zou verwachten: vaak geeft de dativus in dat geval een richting aan.


10 De genitivus pluralis van woorden uit de 1e en de 2e declinatie eindigen op –

um in plaats van –arum of –orum.


11 Het pronomen relativum of het pronomen interrogativum in de indirecte vraag

staat bij Vergilius vaak niet op de eerste plaats in de relatieve bijzin, ook als

het metrum dat wel toelaat; hierdoor krijgt het woord dat uit de bijzin naar voren wordt gehaald extra nadruk.
13 Dominant gebruik: een adiectivum heeft een overheersende betekenis in

combinatie met een substantivum.


14 Prolepsis: een predicatief gebruikt adiectivum duidt al bij voorbaat het

resultaat van de door het werkwoord beschreven handeling aan.



Hoofdstuk 3 Stilistica (S)

1. Alliteratie: beginrijm

Twee of meer woorden beginnen met dezelfde klinker of medeklinker.
2. Anafoor (repetitio): herhaling

Herhaling van hetzelfde woord of dezelfde woordgroep aan het begin van twee of meer opeenvolgende zinnen, zinsdelen of versregels.


3. Antithese: tegenstelling

Twee tegengestelde begrippen worden tegenover elkaar geplaatst (water en vuur).


4. Apostrofe: toespreking

De verteller (subverteller) spreekt een personage toe.


5. Assonantie: klinkerrijm

Overeenkomst tussen lettergrepen van woorden op grond van gelijkheid van klinkers.


6. Asyndeton en Polysyndeton

Asyndeton: woorden, woordgroepen of zinnen worden zonder verbindingswoord achter elkaar geplaatst.

Polysyndeton: tenminste drie woorden, woordgroepen of zinnen worden in een reeks achter elkaar geplaatst, telkens verbonden door een voegwoord.
7. Chiasme: kruisstelling

Van twee zinnen of zinsdelen zijn de overeenkomstige elementen in tegengestelde volgorde geplaatst.


8. Climax: trap

Een serie opeenvolgende woorden, zinsdelen of zinnen vertoont naar vorm en/of inhoud een stijgende lijn.


9. Dramatische ironie

Een blik van verstandhouding tussen de dichter/verteller en de lezer waar het personage buiten staat, omdat hij informatie mist waarover de verteller en de lezer juist wel beschikken. Daardoor zegt het personage iets wat bezijden de waarheid is of waarvan hij de draagwijdte niet beseft.


10. Ellips (omissio): weglating

Weglating van een of meer woorden (dikwijls een vorm van esse)


11. Enallage/hypallage: verwisseling

Een adiectivum wordt verbonden met een substantivum waarbij het naar zijn betekenis niet hoort.


12. Enjambement

Het einde van een versregel valt niet samen met een natuurlijke pauze in de zin; tekstelementen die syntactisch bij elkaar horen, worden dus gescheiden door het verseind.


13. Eufemisme

Het gebruik van een woord dat wat minder onaangenaam klinkt in plaats van het harder klinkende woord.


14. Hyperbaton: overstap

Twee woorden die bij elkaar horen, worden uit elkaar geplaatst.


15. Hyperbool: overdrijving
16. Ironie

Men zegt niet precies wat men bedoelt, maar juist het tegenovergestelde.


17. Litotes: eenvoud

Ontkenning van het tegendeel, niet zelden om een versterking teweeg te brengen.


18. Metafoor: overdracht

In plaats van het eigenlijke, gewone woord gebruikt men een ander woord, op grond van een overeenkomst in betekenis, met de bedoeling te verduidelijken, te verlevendigen, te versterken of te verzwakken.


19. Metonymie: vervanging van het ene woord door het andere

Een woord wordt vervangen door een ander woord op grond van een verschuiving binnen een woordveld, dus op grond van een ander verband dan overeenkomst in betekenis:


Pars pro toto: het deel voor het geheel.

Abstractum pro concreto: een abstract begrip wordt gebruikt om iets concreets aan te duiden.

Concretum pro abstracto

Het materiaal in plaats van het daaruit vervaardigde voorwerp.


20. Sententia

Een sententia is een algemeen geldende uitspraak.


21. Trikolon: drieledige zin of zinsdeel

Een opsomming van drie elementen, dikwijls in stijgende of dalende lijn, wat betreft sterkte van betekenis en/of lengte.


Zie ook de website www.superlatijn.nl.tp!

Hoofdstuk 4 metriek



De dactylische hexameter.

Voor het epos wordt de dactylische hexameter gebruikt. Deze bestaat uit zes maten (soms ook wel voeten genoemd). Zo’n maat bestaat uit een dactylus (— vv) of een spondee (— —). Een lang streepje betekent dat de lettergreep lang is en een boogje dat de lettergreep kort is. De laatste lettergreep van een maat geldt metrisch altijd als lang. Om dit aan te geven schrijven we boven de laatste lettergreep van een vers een kruisje, de anceps (x).

1   2   3   4   5   6

  • Hoofdstuk 3 Stilistica (S)
  • Zie ook de website www.superlatijn.nl.tp! Hoofdstuk 4 metriek

  • Dovnload 223.28 Kb.