Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Aeneas in de onderwereld Vergilius’ Aeneis boek 6

Dovnload 223.28 Kb.

Aeneas in de onderwereld Vergilius’ Aeneis boek 6



Pagina5/6
Datum12.03.2017
Grootte223.28 Kb.

Dovnload 223.28 Kb.
1   2   3   4   5   6

Aantekeningen bij 264-294


NB! deze tekst vind je ook in DIDASKO
264 di = verkorte vorm van dei

sileo zwijgen, stil zijn

265 Chaos n de lege ruimte van de onderwereld

Phlegethon, Phlegethonis m rivier van vuur in de onderwereld

266 numine vestro abl. te vertalen met: in overeenstemming met

267 caligo, caliginis f nevel, duisternis

mergo, mersi, mersum + abl. (onder)dompelen in

270 malignus boosaardig, karig, zwak

273 vestibulum voorprotaal

primis vertaal: vooraan in …

fauces, faucium f pl toegang

274 Luctus, Luctus m Rouw

ultrix, ultricis adi f wrekend

cubile, cubilis n legerstede

Cura hier: Wroeging

275 palleo bleek zijn

276 malesuadus tot kwaad verleidend

277 visu supinum vertaal: om te zien

Letum (Gewelddadige) Dood

Labos = Labor

278 consanguineus bloedverwant, broer

Sopor, Soporis m Slaap

279 Gaudium hier: Lust

mortifer, mortiferi doodbrengend, dodelijk

adverso gezien vanuit degenen die de onderwereld

willen binnengaan

280 ferreus ijzeren

Eumenides, Eumenidum f pl Wraakgodinnen

demens, dementis razend

281 vipereus adi van slangen, slangen-

vitta lint

innexa mediale betekenis vertaal: doorvlochten

(hebbend)

cruentus bloedig

282 ramus tak

annosus oud

bracchium arm

283 ulmus f olm

opacus schaduwrijk

vulgo adv gewoonlijk

284 vanus vals, onwaar

ferunt + aci men zegt

haerent subject: Somnia

285 monstrum monsterlijke gestalte

286 Centaurus Centaur: monster, half paard, half mens

foris, foris f deur

stabulo gestald zijn, verblijf houden

Scyllae terwijl er op aarde maar één Scylla is, zijn er

in de onderwereld meer

biformis tweevormig: Scylla’s bovenlichaam was dat



van een jong meisje, haar onderlichaam was omringd door wolvenkoppen en liep uit in vissenstaarten

287 centumgeminus hondervoudig, honderdarmig

Brareus reus met honderd armen

belua ondier

Lerna plaats in Griekenland waar Hercules de

Hydra doodde, een giftige slang met negen koppen

288 horrendum adv

strideo sissen

Chimaera vuurspuwend monster, samengesteld uit een



leeuw, een geit en een slang

289 Gorgo, Gorgonis f gevleugelde reuzin met slangenhaar

Gorgones Griekse nom pl

Harpyia Harpij: monster, half vrouw, half vogel

Tricorpor, Tricorporis adi met drie lichamen

290 hic temporeel: toen, dan

trepidus angstig, verontrust

formido, formidinis f schrik

291 stringo, strinxi, strinctum trekken

acies, aciei f hier: scherpte, snede

292 ni = nisi

docta comes de Sibylle

293-4 admoneat, inruat, diverberet coni potentialis ipv irrealis

293 volito rondfladderen

294 inruo er op losstormen

diverbero uiteen geselen, doorklieven


De veerman Charon bij de Acheron 6.295-336

295 Dan leidt een duistere weg naar de Acherontische golven.

Hier bruist een woelige stroom vol slurpende kolken en modder

dat hij met al het zand de Rivier van de Tranen inspuwt.

Bij dit water en deze rivier wacht een grimmige veerman,

De gruwelijk smerige Charon met een dichte, verwaarloosde, grijze

300 baard die kroest om zijn kin, en met starre, vlammende ogen;

een gore mantal hangt omlaag in een knoop van zijn schouders.

Hij duwt zelf de boot met een vaarboom en richt de zeilen,

In zijn verweerde schuit vervoert hij de schimmen der doden;

Hij is al op leeftijd, maar – god als hij is – toch vitaal en krachtig.

305 De hele menigte stroomde naar hem tot aan de oever:

vaders en moeders, de uit het leven verdwenen gestalten

van fiere helden, ongehuwde meisjes en jongens,

zonen die ooit voor het oog van hun ouders op brandstapels lagen,

even talrijk als in het bos, bij de eerste herfstkou,

310 bladeren vallen, even talrijk als vogels uit zee,

die op het land zich verzamelen wanneer de winterse kou

ze over de golven doet vluchten en drijft naar zonnige streken.

Vooraan stonden de eersten die smeekten hen over te zetten,

ze strekten hun armen uit van verlangen naar de andere oever,

315 maar de sombere veerman laat sommigen toe in zijn bootje,

anderen worden door hem van de zandige stroom verwijderd.

Aeneas is door het tumult ten zeerste verbaasd en richt zich

tot de Sibylle: ‘Vrouwe, wat is dat voor oploop, wat willen

die zielen bij de rivier? Waarom moeten velen het zand

320 van de oever verlaten en varen anderen op het grauwe water?’

De oude Sibylle heeft kort op zijn vragen antwoord gegeven:

‘Zoon van Anchises, onbetwiste nazaat der goden,

hier ligt het diepe moeras van de Tranenrivier en de Styx,

bij wier gezag de goden amper een eed of meineed

325 durven te zweren; je ziet hier de stakkers die niet zijn begraven,

de veerman is Charon. Het water vervoert alleen de begravenen;

de huiveringwekkende oevers en rauwweerklinkende stroom

mag men niet over voordat het gebeente rust heeft gevonden.

Honderd jaren zwerven en zweven ze rond deze kust,

330 Dan pas mogen ze terug naar de vurig verbeide rivieren.’
De zoon van Anchises bleef staan en was diep in gedachten verzonken

En van zijn meelij vervuld met het treurige lot van die zielen.

Daar ziet hij ook, bedroefd en beroofd van de laatste eer,

Orontes, de kapitein van het Lycische schip, en Leucaspis.

335 die tegelijk over woelige zeeën uit Troje vertrokken

en met man en muis zijn vergaan door de kracht van de storm.


De ontmoeting met Palinurus; over de Acheron 6.337-449

Aeneas ontmoet de onbegraven schim van zijn eigen stuurman Palinurus, die hem vertelt hoe hij op zee is omgekomen en vraagt hem óf te begraven óf mee te nemen over de Styx opdat hij een rustplaats krijgt. De Sibylle antwoordt dat dit laatste onmogelijk is, maar troost hem met de gedachte dat anderen een graf voor hem zullen oprichten en dat die plaats altijd zijn naam zal dragen. Zij vervolgen hun tocht en worden al vanuit de verte onvriendelijk toegesproken door Charon, die weigert levenden over te zetten. De Sibylle stelt hem gerust en laat hem de gouden tak zien. Ze worden alsnog overgezet en de eerste die ze ontmoeten is de hellehond Cerberus. De Sibylle drogeert hem met een speciale koek.

Aeneas en de Sibylle komen nu eerst in dat gedeelte van de onderwereld waar de schimmen verblijven van degenen die vóór hun tijd zijn gestorven.

De gestorvenen zijn onderverdeeld in vijf groepen: baby’s, mensen die ten onrechte ter dood zijn veroordeeld, zelfmoordenaars, mensen die in de oorlog zijn omgekomen en diegenen die het slachtoffer zijn geworden van de liefde.



Dido 6.450-76

450 Inter quas Phoenissa recens a vulnere Dido

errabat silva in magna; quam Troius heros

ut primum iuxta stetit agnovitque per umbras

obscuram, qualem primo qui surgere mense

aut videt aut vidisse putat per nubila lunam,

455 demisit lacrimas dulcique adfatus amore est:

“Infelix Dido, verus mihi nuntius ergo

venerat exstinctam ferroque extrema secutam?

Funeris heu tibi causa fui? Per sidera iuro,

per superos et si qua fides tellure sub ima est,

460 invitus, regina, tuo de litore cessi.

Sed me iussa deum, quae nunc has ire per umbras,

per loca senta situ cogunt noctemque profundam,

imperiis egere suis; nec credere quivi

hunc tantum tibi me discessu ferre dolorem.

465 Siste gradum teque aspectu ne subtrahe nostro.

Quem fugis? Extremum fato quod te adloquor hoc est.”

Talibus Aeneas ardentem et torva tuentem

lenibat dictis animum lacrimasque ciebat.

Illa solo fixos oculos aversa tenebat

470 nec magis incepto vultum sermone movetur

quam si dura silex aut stet Marpesia cautes.

Tandem corripuit sese atque inimica refugit

in nemus umbriferum, coniunx ubi pristinus illi

respondet curis aequatque Sychaeus amorem.

475 Nec minus Aeneas casu concussus iniquo

prosequitur lacrimis longe, et miseratur euntem.


1   2   3   4   5   6

  • De veerman Charon bij de Acheron
  • De ontmoeting met Palinurus; over de Acheron

  • Dovnload 223.28 Kb.