Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Af, zoowel als van het promoveren in de literatuur om daardoor gelegenheid te hebben om zonder mij te overwerken, voor mijne maatschappelijke bestemming mij voor te bereiden

Dovnload 282.3 Kb.

Af, zoowel als van het promoveren in de literatuur om daardoor gelegenheid te hebben om zonder mij te overwerken, voor mijne maatschappelijke bestemming mij voor te bereiden



Pagina1/4
Datum27.10.2017
Grootte282.3 Kb.

Dovnload 282.3 Kb.
  1   2   3   4

2 Dagboek. 1822.1
24 april

De zwakheid mijner gezondheid en de droevige en zwaarmoedige stemming, waarin ik mij dikwijls bevond, deden mij in april besluiten om het onmatige studeren, 't welk ik oordeelde daartoe grootendeels de aanleiding gegeven te hebben, te laten varen. Daarom zag ik van de mij aangebodene literarische loopbaan2 af, zoowel als van het promoveren in de literatuur om daardoor gelegenheid te hebben om zonder mij te overwerken, voor mijne maatschappelijke bestemming mij voor te bereiden. Mijne lieve ouders raadden mij zulks ook ten sterkste aan en den 21[sten] april in Den Haag zijnde werd ik door de aangevoerde gronden overreed. Den 23[sten] keerde ik naar Leijden terug.


25 april

Ik stond des morgens om zes uur op, werkte tot elf, ging in de manège rijden en daarna tot het eten met Brouwer3 wandelen, wien ik over de door hem ontvangene tijdingen trachtte te troosten. Des avonds kwam het college4, waarin wij Plato lezen bij mij en overeenkomstig mijne bovenstaande oogmerken nam ik in hetzelve mijn afscheid. Naderhand woonde ik de vergadering van Tandem fit surculus arbor5 bij.


26 april

Om 5 uur opgestaan werd ik 5 door de heeren de Fremery6 afgehaald om naar Spanjaar[d]sbrug6a met den Deenschen baron de Derquins7 te rijden, vanwaar wij tegen 7 uur in eene snebbe met eene frissche koelte afvoeren, de Zijl, het Zwijland7a, de Cagermeer door naar het Leijdsche meer voorbij de oude Wetering. Te Roelof Arentsveen zagen wij de roomsche kerk, die zeer netjes was; het dorp heeft veel van de Noord‑Hollandsche plaatsen en alles schijnt er zeer op ouderwetschen trant te zijn. Vandaar vervolgden wij onzen togt door de Braasemermeer langs Woubrugge naar 's Molenaarsbrug, alwaar de tegenwind ons noodzaakte tot een' jager onzen toevlugt te nemen, die ons om 4 uur wederom aan de plaats bragt, vanwaar wij afgezeild waren. Na bij mevrouw Fremery8 gezamenlijk thee gedronken te hebben ging ik om 6 uur naar huis.8a Sebald Rau8b hield mij een half uur gezelschap.


27 april

Om zes uur opgestaan (de vermoeijenis had mij reeds om 10 uur naar bed doen gaan) las ik de helft van eene preek van Van der Palm volgens mijne gewoonte, en daarna ging ik ook tot mijn dagelijks werk (om in de Pandekten te lezen) over. Geweldige kiespijn was mij daarin hinderlijk. Daar ik echter in Den Haag verwacht werd, reed ik te elf uur met Fremery9 op den schimmel af. Wij bleven eenige oogenblikken aan de Wickerbrug,9a deden eene kleine wandeling op Vreugd en Rust9b en kwamen door de Loolaan en het Bosch in 's Hage aan. Na en famille gegeten te hebben bezochten wij de Fransche Comedie alwaar wij Les plaideurs sans procès10 en Le consentement forcé11 zeer goed zagen spelen. Wij verlieten de zaal vóór het begin van het derde stukje12 en legden onze reis spoedig af, zoodat wij vóór elf uur binnen Leijden waren.


28 april

Na in de Pandekten gelezen te hebben ging ik te kerk, bij Ds. Lens12a, die naar aanleiding van Efez. 3 v. 14‑19 over de wijziging predikte, welke het christelijk geloof aan onze wenschen behoort te geven. Ik ontving de commentatie13 van het dispuutcollege Tandem ten mijnen huize, wandelde door de stad en schaakte op de studentensocieteit met Van der Heim.14 Na den eten gingen wij aan het Warmonder hek14a thee drinken, Brouwer, Burgerhoud[t]15, Jordens16 en ik; wij maakten gebruik van de kolfbaan, waren om 8 uur wederom te Leijden en bleven bij Jordens een boterham eten.


29 april

Ik bleef tot elf uur aan mijn werk, toen Blaaubeen16a kwam om mij over zijne dissertatie17 en daarna Fremery om mij over den brief aan den heer Bilderdijk18 te spreken. Met dezen wandelde ik naar de Kwaak19, alwaar wij drie partijen kolfden, totdat het etensuur mij naar Leijden terugriep. Des middags ging ik met een deel mijner tafelgenooten een studentenpad om, deed toen met Rau eene visite bij den heer Bilderdijk. De conversatie kwam eerst op de uitdrooging van de Haarlemmermeer welke Zijn Ed. nadeelig of liever voor Holland verderfelijk en de oorzaak van deszelfs geheelen ondergang achtte te moeten wezen.19a Dat meer toch ontvangt bij hoogen stand der rivieren het overtollige water, 't geen zich anders over onze polders zou uitstrekken. De ware wijsheid zou zijn dit meer in drie of vier kleinere meeren door paalwerk, etc. te verdeelen om de kracht van het water aldus te breken. Men had hier te lande de natuur altijd tegengewerkt in plaats van haar te volgen. Reeds Drusus door het Rijnwater in den IJssel te laten vloeijen veroorzaakte de overstrooming, waaruit de Zuiderzee ontstond; Corbulo door het graven van de Vliet19b, welke veel Rijnwater aftrok, bereidde het onderloopen van de Biesbosch. Had men geene dijken gelegd, het land ware evenals in Egypte vruchtbaar en langzamerhand hooger geworden; nu daarentegen verhoogen de beddingen der rivieren, elke overstrooming wordt erger, de dijken moeten hooger en breeder gemaakt worden en dit kan men toch niet extenderen in infinitum. Om het slijk af te leiden had men vóór de plaats, waar de zee haren invloed in de rivier doet gevoelen, verscheidene zijtakken moeten graven; dit doet de natuur overal, waar zij werken kan en geene groote rivier, of zij gaat met verscheidene monden de zee in. Naturam sequere! deze les van Horatius20 mogt wel meer algemeen in acht genomen worden, dan zouden ook de geneesheeren minder menschen in het graf helpen. Het rooken is hoogst nadeelig, althans zooals het hier te lande geschied[t], want de oosterlingen doen zulks geheel anders en bij hen is de tabaksplant balsamiek, doch in Amerika is zij verwilderd en wordt dan met de onze, die nog veel erger is, vermengd. De Mozaïsche wetten waren niet alleen hygiënische en politieke wetten: het verbod om van dit of dat dier te eten schijnt wel degelijk ook daarop te rusten, dat er dieren zijn, in aard en hoedanigheden veel te veel van den mensch verwijderd om tot zijn voedsel te mogen strekken, 't geen dan ook met mijne onderstelling in het gedicht De dieren21 bekend gemaakt overeenkomt. - Zoo sprak de heer Bilderdijk met ons op zijne gewone, dat is leerzame en onderhoudende wijze. Ik reed na deze visite op den schimmel het Schouw en Endegeest21a om, werkte tot 11 uur en begaf mij ter ruste.


30 april

Na mijne gewone bezigheden tot twaalf uur verrigt te hebben ging ik met Fremery en P. Tydeman21b aan het Vinkje22 kolven, alwaar wij Oliveira23 aantroffen. Om 2 presideerde ik ten huize van Mounier23a eene buitengewone vergadering van Suum cuique.23b Na den eten wandelde ik met Jochems23c naar het Schouw, dronk aldaar thee en wij keerden om zes uur in gezelschap van Van Ekelen23d terug. Naderhand las ik in Pothier,24 Livius, Niebuhr25 en andere boeken betreffende het plan 't geen ik nu weêr voor eene dissertatie heb opgevat, om namelijk aan te toonen, dat de wet der Twaalf tafelen zeer weinig van andere volken overgenomen heeft, maar grootendeels uit de oude gewoonten en vroegere wetten van het Romeinsche volk zamengesteld is.


1 mei

Ik beantwoordde de vraag mij in Tandem opgegeven: Is liefde ijdelheid? volgens mijne gewoonte om het antwoord eerst op het papier te zetten. Daarna kwam Dijckmeester26 bij mij; toen De Vos27, Fremery en Wopke Brouwer. Om één uur ging ik met De Vos eene voorlezing hooren van den heer Humbert de Superville28 bevattende het begin van Un essai sur la théorie des arts du dessin (l'architecture, la statuaire et la graphique) basée sur les signes qu'ils emploient: mij beviel zulks bij uitnemendheid en ik nam voor om, zooveel mij mogelijk zou zijn, dit college waar te nemen. Na den eten kolfden Burgerhoudt, Jordens, Brouwer en ik in de Paauw29; ik deed vervolgens eene kleine wandeling, dronk thee bij Brouwer en begaf mij naar de vergadering van Per angusta30, waar ik niets te doen had dan ordine te opponeren. De werkzaamheden duurden tot half één.


2 mei

Na in de Pandekten een weinig gewerkt te hebben reed ik om half elf op den schimmel het Haagsche Schouw, Endegeest en door een aantal kleine, eenzame en allerliefste paadjes de plaats van mevrouw van Rhemen31 om. Om half twaalf adsisteerde ik bij de promotie van Jochems32 en ging hem daarna feliciteren. De heer van der Palm vervolgde zijn college over Horatius. De verzen

Ingenium misera quia fortunatius arte

credit et excludit sanos Helicone poetas

Democritus; bona pars non ungueis ponere curat

non barbam, etc.33

werden op de Duitsche Kraftgenien toegepast, op de Duitsche studenten, die als zij loshangende haren, naakte halsen en dikke stokken hebben `referre se Teutones quisque putat ipsissimumque esse Arminium et Romanas legiones profligâsse'. Bij het gezegde Verbaque provisam rem non invita sequentur34 merkte Zijn Ed. op, dat, wanneer iemand zegt: `ik begrijp de zaak zeer goed, maar ik kan ze maar niet uitdrukken', men zulks niet gelooven moet, maar dat het wel degelijk aan duisterheid of gebrek van denkbeelden bij hen hapert. Dat evenals in de fabel van Florian35 de aap, die de toverlantaarn vertoonen zou, het lantaarntje binnen in dezelve vergeten had op te steken, waardoor de aanschouwers volstrekt niets van de vertooning zagen, dat die duistere schrijvers eveneens het lantaarntje van binnen niet aangestoken hadden 't geen alles verlichten moet. Om 3 uur ging ik bij prof. Kemper35a dineren; daar waren de heer O. de Haan36 met zijne zuster37, Schimmelpenninck38 en Van Reede.39 Toen wij gegeten hadden proponeerde mevrouw Kemper39a mij eene schaakpartij, wij wonnen beide één spel. De heer prof. Tydeman40 deed eene visite en onze gastheer hoorende dat hij voornemens was op de schandelijke recensie tegen hem uitgekomen41 te antwoorden, raadde hem zulks ten sterksten, maar tevergeefs af. Vervolgens hadden wij kunstbeschouwing en bewonderden overheerlijke platen naar Rubbens, Van Dijk en Douw gegraveerd; die der twee eerstgenoemden stelden bijna allen de Heilige familie voor. Om half twaalf ging ik zeer voldaan naar huis.
3 mei

Mijn gewone werk gedaan, dat is eene halve preek van Van der Palm en een weinig in de Pandekten gelezen hebbende, kwam Sebald Rau mij bezoeken en wij wandelden te zamen Boerhave om.42 Na den eten adsisteerde ik bij de defensie van Wopke Brouwer, met wien ik aan het Haagsche Schouw thee dronk. Hij vond, dat het eene mooije dissertatiestof zou wezen het onderscheid der delicta publica en privata te behandelen. Om 7 uur kwam ik te huis en las onder anderen met ongemeen genoegen in het werk van Savigny over de bevoegdheid onzer tijden tot het maken van wetboeken.43


4 mei

Ik las in de Pandekten en in Savigny; om 11 uur kwam Fremery bij mij; om twaalf ging ik naar het leesmuseum; om een met de schuit naar den Leijdschendam, vanwaar ik naar 's Hage wandelde; mijne zuster44 en mijn zwager45 waren van Rotterdam gekomen om eenige dagen te blijven; ook dineerde bij ons jufvrouw Sandberg.46 Na den eten wandelden wij in het Bosch, deden bij nicht Caan47 eene visite en vòòr het souper schaakte ik nog eenige partijen met Marie.


5 mei

Mijn eerste werk was papa met zijn' verjaardag te feliciteren. Ik ging bij den heer Delprat48 ter kerke, die, naar aanleiding van Prediker 7 v. 14: `Geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des tegenspoeds ziet toe', ons eene preek deed, waarvan het mij zeer speet, dat 's mans zachte uitspraak mij slechts eenige fragmenten liet hooren. Na de kerk kregen wij bezoek van de freule Betje Rengers49, neef van Doeveren50, nicht van Doeveren51 en nicht Engelman.52 Toen dat afgeloopen was, deden wij eene visite bij nicht Hartman53 in het Voorhout en bij nicht Stratenus54, waar wij de jonggetrouwden55 spraken, die zich op hun reisje (quod non est quod miremur) zeer goed hadden geamuseerd. Met papa deed ik toen nog eene kleine wandeling in het Bosch en, door de vrees voor onweder teruggekeerd, speelden wij eene partij schaken. Om 3 uur dineerden wij; te vijf uur kwam Brugmans56 mij afhalen om te voet naar Leijden te vertrekken; zijn gezelschap verkortte mij den weg zeer; aan den Dijl57 vonden wij veel gezelschap en dronken aldaar een glaasje Rijnsche wijn, kwamen om 9 uur te Leijden alwaar mijn medegezel bij mij het overige van den avond bleef.


6 mei

Mijn gewone werk al smachtende en hijgende door de buitengewone warmte hebbende gedaan, werd ik om één uur door Fremery afgehaald, wiens voornemen om aan D. van de Wijnpersse58 buiten eene visite met mij te gaan maken, mislukte, dewijl deze zich in de stad bevond. Wij namen onze toevlugt tot de societeit. Na den eten begaf ik mij naar het dispuutcollege van prof. Kemper, alwaar Gosliga59 defendeerde. Te vijf uur wandelde ik [met] Fremery naar de tuin van prof. van der Palm, alwaar wij zeer pleizierig thee dronken. Het plaatsje60 is allerliefst aangelegd en ook hier kenteekent alles den bewoner. Te zeven uur t' huisgekomen kwamen eerst Brugmans en Van der Boon jr.61, daarna Mounier mij opzoeken; ik werkte nog een weinig en ging om 11 uur naar bed.


7 mei

Ik werkte in de Pandekten, totdat om 11 uur Van der Kemp62 mij kwam verzoeken om zijne voorrede na te zien; ik deed zulks gaarne en, nadat ik er eenige correcties in had gemaakt, bezocht ik J[aa]p El[ou]t63 met wien en Groeninx64 ik vervolgens een Rapenburgje omging. Na den eten kolfde ik met Burgerhoudt, Jordens, Brouwer en De Graaf65 aan de Kwaak. Om 8 uur presideerde ik de vergadering van Suum cuique, waarin ik Le meunier de Sans‑Souci66 reciteerde. Wij bleven zeer pleizierig tot één uur bij elkander.


8 mei

Na in de Pandekten gewerkt te hebben ging ik om 12 uur eene extraordinaire vergadering van Tandem bij Brugmans presideren. Om één uur begaf ik mij naar het collegie van den heer Humbert: Zijn Ed. toonde ons hoe volgens zijne vernuftige theorie de horizontale lijn, evenals in het menschelijk gelaat, zoo ook in de bouwkunde rust en hoogst mogelijke volkomenheid aanduidt en gaf er ons in de Dorische orde een voorbeeld van. De Chinese wijze van bouwen werd tot voorbeeld van de lijn, die naar boven gaat (ligne axonifuge) gebruikt: deze drukt in ons gezigt les passions vives uit en men mag derhalve vermoeden, dat de volken, waar deze lijn tot grondslag hunner bouworde ligt, een dusdanig karakter hebben; de bouworde der Chinezen evenwel meende de heer Humbert, dat haren oorsprong in godsdienstige begrippen had. Eindelijk drukt de lijn, die naar beneden gaat (ligne axonipède) zwaarmoedigheid en treurigheid uit; zulks blijkt in de Gothische (te onregt aldus genoemde) bouworde. Deze laatste zou men derhalve voor kerken, graven, voor alle die gebouwen moeten gebruiken, waarin of waarbij de mensch zich aan overpeinzingen moet overgeven. De Dorische daar, waar de mensch aan zijne grootheid indachtig moet gemaakt worden, bijv. indien eens de wensch om eenen altijddurenden vrede van den abt de Saint‑Pierre67 verwezenlijkt mogt worden, dan wilde Zijn Ed. dat men een groot gebouw van Dorische orde zou vervaardigen, waarin de afgevaardigden der volken zamen kwamen om staande over de algemeene belangen te beraadslagen; dan meende hij, dat de indruk van eene zoo overheerlijke en zoo geestverheffende vergaderplaats hen gemakkelijker over de nietigheden, om welke tegenwoordig de oorlogen maar al te veel gevoerd zijn, doen henen stappen. Met vuur sprak Zijn Ed. hierover, alsmede over den invloed, dien de gebouwen van Rome, maar vooral van Griekenland op redenaars en hoorders moeten gehad hebben. Zeer voldaan vertrok ik om twee uur naar Den Haag in een forgon68 met Jochems; aldaar aangekomen en mij schielijk aangekleed hebbende, ging ik met papa, mama, Keetje en Marie bij nicht Caan eten, waar de familie Elout, de heer Mollerus69, en neef Henri70 en Jan Caan71 met de nichten72 ook dineerden. Ik werd tusschen Henriette Patijn73 en de freule Kempenaer74 geplaatst, met welke ik des avonds op de kermis wandelde. Om 9 uur gingen wij huiswaarts.


9 mei

Den volgenden morgen ging ik met Marie eerst naar zijne paarden, toen naar de parade der schutterij, daarna naar de kermis zien. Wij deden vervolgens eene wandeling door het Bosch en drentelden daarna een paar uren op de kermis. Na den eten gingen papa, mama en Mimi75 naar het kinderbal, 't geen bij gelegenheid der verjaring van prinses Marianne ten hove gegeven werd; mijn zwager en ik over het paleis geposteerd zagen de geheele trein der genoodigden defileren76 en reden naderhand met mijne zuster77 naar Marlot78, alwaar wij eene visite deden en vanwaar wij wandelende terugkeerden.


10 mei

Ik schreef een' langen brief aan Henrie Hoffman,79 deed daarna eene visite aan Arend Elout,80 doch werd in mijn negligé bij de gansche familie binnengelaten, waar ik ook nog de freule van Asthbeck81 en twee heeren d'Escury82 aantrof. Vervolgens liepen wij met de dames de kermis wederom af en om vier uur voldeden wij aan de invitatie van nicht Clotterbooke83 om aldaar, volgens jaarlijksche gewoonte met de familie Caan en Patijn en neef Hoogstraten84 te dineren; ook was er de heer van Suchtelen.85 's Avonds wandelde ik met nicht Margo Caan86 op de kermis.


11 mei

Om elf uur ging ik eene wandeling in het Bosch doen; om twaalf werd het huis als het ware door visites bestormd. Neef en nicht van Poeliën87 met jufvrouw Sandra88 en jufvrouw van der Kaa89, mevrouw de Jong van Rodenburg[h]90 met hare dochter91 en jufvrouw van Braam92 maakten het gezelschap uit, 't geen de freule van Hogendorp en haar vader93 bij hun arrivement van Amsterdam bij ons aantroffen. Toen hetzelve vertrokken was, wandelde men volgens gewoonte naar de kermis; ik met de freule van Hogendorp, gekomen om tot maandag bij mama te logeren en dan met mijne zuster94 naar Rotterdam te vertrekken. De avond werd ter bezigtiging van de spelen besteed. Onder anderen amuseerden wij ons zeer bij twee dwergjes, een' heer en eene jufvrouw, die met ons eene gesuiveerde en zeer verstandige conversatie hielden. Het beestenspel was vooral door drie schoone leeuwen en een' kangouroe merkwaardig.


12 mei

Ik ging ter kerke in de Klooster bij ds. v[an] d[en] Broek95, die over Joh. [14] v. [18]: `Ik zal u geene weezen laten' prêekte. Jufvrouw Hubach96 deed bij ons visite met de jufvrouwen Sandberg en Hubrecht97 en de freule van Lynden;98 ook kwam Piet Laregnère99 ons bezoeken. Daarna wandelde ik met Marie in het Bosch, alwaar de heeren Rijckevorsel100 en Sandberg101 zich bij ons voegden. Vervolgens schaakten wij drie partijen. Om 6 uur aan de schuit gekomen liet ik mij door Jaap Elout overhalen om met hem, Berkhout102, Van der Kemp en Dominicus103 een' wagen te nemen; wij dronken thee aan het Huis ten Dijl, kwamen om 9 uur te Leijden en voordat ik mij ter ruste begaf las ik met veel genoegen de verhandeling van prof. van der Palm over de Arabische poezij.104


13 mei

In den Salomo105 van Van der Palm en in de Pandekten gelezen, alsmede theses voor Per angusta ad augusta opgezocht hebbende, ging ik Brugmans, Rau en [Elout?]106 bezoeken. Na den eten hoorde ik Dominicus onder prof. Kemper defenderen. Om vijf uur begaf ik mij naar prof. Tydeman, alwaar ik onder anderen met mr. Boxman107 thee dronk; vandaar naar mevrouw Brugmans108, waar ds. van Hoorn109, Brugmans en Rau zich bevonden. Met deze laatsten wandelde ik een cingeltje, ontving 's avonds de visite van Fremery en Jan Wijnaendts110, eindigde de lectuur der Twaalf tafelen en begaf mij om 11 uur naar bed.


14 mei

Ik las volgens gewoonte een halve preek van Van der Palm en in de Pandekten, maakte vervolgens de expositie van vier theses voor Per angusta en begaf mij om één uur met Fremery, Rau en Van der Heim naar het Weeshuis111, alwaar de kruisiging van Jezus door Louis Moritz112 ten toon hing. In dit uitmuntende schilderij, 't welk voor eene der Gendsche kerken bestemd is, ziet men Jezus reeds gestorven; aan den voet van het kruis is Maria Magdalena en de moeder des Zaligmakers staat er met Salome bij; nog ziet men eenige Romeinsche krijgsknechten, waaronder dien, welke hem met de spies doorstoken heeft, en ook nog den aan Jezus regterhand gekruisten, terwijl echter het beeld van den Heiland zelven overheerlijk uitkomt. Ook uit dit stuk blijkt het, dat hij de aansporing hem bij eene plegtige gelegenheid (Van der Palm, Redevoeringen II, 188 sq.)113 [gegeven?] niet vergeet en zoo volgens het oordeel van sommigen, die misschien op het langzamerhand ineensmelten en verflaauwen der kleuren rekenen, hij den zachten gloed der bevalligheid nog niet met de kracht van zijn stout en rijk penseel heeft gepaard, de betoovering althans der echte oorspronkelijkheid kan hem evenmin als de lof van de eer onzer tegenwoordige schilderschool te zijn ontzegd worden, noch zelfs de streelende hoop, dat geene eeuwen van zijnen lof zwijgen zullen. Wij gebruikten den tijd dien wij nog voor 2 uur overig hadden om een cingeltje te wandelen. Na den eten liet ik mij overhalen om in een kireboe met [Elout?], Berkhout, Blaaubeen, Dominicus, Slicher114 naar Voorhout te gaan thee drinken; wij deden zulks en vonden daar Slingerland115, Van Lennep116, Van der Houve117, Groeninx, Boreel118, Bosch119 en Crommelin120; deze vertrokken al lang voor ons; wij reden de plaats van den graaf van Byland121 om, 't geen een zeer mooije tour is, kwamen door Sassenheim, hielden aan de Postbrug122 stil en waren voor 9 uur te huis. Zonder verder veel uit te voeren en na eene korte visite van Brugmans ging ik om 11 uur naar bed.


15 mei

Na in Van der Palm gelezen te hebben, maakte ik twee exposities voor Per angusta en werkte vervolgens in de Pandekten. Om 12 uur ontving ik eene vriendelijke visite van Dirking123 den Deenschen baron, met wien wij den 26en april onze zeilpartij gehad hadden; vervolgens bestelde ik met Jan van der Hoeve[n]124 een carricle124a voor onze reis naar Alphen en begaf mij met hem naar het college van den heer Humbert. Om verscheidene heeren, die voor het eerst aldaar waren, tegemoet te komen herhaalde Zijn Ed. kortelijk het in de twee vorige lessen verhandelde. Daarenboven toonde hij ons hoe in de geheele natuur de invloed der drie lijnen125 geldt. Bij de dieren echter zouden wij een zeer verkeerd oordeel vellen, indien wij naar derzelver rigting tot hun karakter wilden besluiten, hoewel dat besluit bij sommigen zeer goed uitkomt.126 In de boomen is het wederom duidelijk, dat de statige eik ons meer het denkbeeld van kalmte, de opgaande boom dat van onrust, de nederhangende takken dat van somberheid, treurigheid, nadenken geeft. Tot de planten, bloemen, enz. zou men zulks ook kunnen uitstrekken. De indruk, dien de zee en alle ontzagchelijke vergezigten op ons maken, moet aan andere oorzaken worden toegeschreven. De cirkel is de figuur welke, volgens Zijn Ed. de minste aesthetische waarde heeft, maar de cirkel der verbeelding, waarvan ieder mensch het middelpunt en zijne gedachte de radius is en 't welk dus paal noch perk heeft, voert ons tot het verhevene. In de bergen vindt men de drie lijnen weder, ofschoon de axonipède zeer zeldzaam is. Dit alles maakte Zijn Ed. ons door keurige teekeningen, door hemzelven vervaardigd, duidelijk. Om 3Å uur ging ik bij mevrouw Gevers127 eten met mr. Swart128, Reede van Oudshoorn129, Mat[t]hiessen130, Massé131 en Florimond132; jufvrouw Pauline133 was uit de stad en mevrouw had 's ochtends de koorts gehad, daarom bleven wij slechts tot zeven uren, 't geen mij zeer goed schikte als hebbende Per angusta ten mijnen huize. Ik defendeerde zeven theses uit het Romeinsche regt; de vergadering eindigde om 10 uur en wij bleven tot middernacht bij elkander.

  1   2   3   4


Dovnload 282.3 Kb.