Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Af, zoowel als van het promoveren in de literatuur om daardoor gelegenheid te hebben om zonder mij te overwerken, voor mijne maatschappelijke bestemming mij voor te bereiden

Dovnload 282.3 Kb.

Af, zoowel als van het promoveren in de literatuur om daardoor gelegenheid te hebben om zonder mij te overwerken, voor mijne maatschappelijke bestemming mij voor te bereiden



Pagina2/4
Datum27.10.2017
Grootte282.3 Kb.

Dovnload 282.3 Kb.
1   2   3   4

16 mei

Na een weinig in de Pandekten gelezen te hebben ging ik om 9 uur ds. Egeling134 hooren, die ons bij gelegenheid van den Hemelvaartsdag een zeer hartelijke preek deed. Om twaalf uur reed ik met Van der Hoeve[n] in een carrikel af en Å uur over één waren wij op Rijnoord.135 Neef en nicht van Poeliën136 ontvingen eene korte visite van den heer Kluit jr.137 en zijne vrouw en den heer Boutmi.138 Naderhand kwam het gezelschap bijeen, de oude nicht van Poeliën139, mevrouw Onderwater140, jufvrouw Van der Kaa, de predikanten van Alphen en Oudshoorn141, enz. Geplaatst tusschen jufvrouw Sandra en jufvrouw N. van der Kaa, amuseerde ik mij zeer goed en ook na den eten; wij wandelden veel op de plaats, waartoe het overheerlijke weder ons niet weinig uitlokte. Hetzelve maakte onze terugreis dubbel aangenaam; om 9 uur kwamen wij te Leijden terug, ik bleef bij Van der Hoeven een boterham eten en ging om elf uur naar huis en naar bed.


17 mei

Na mijn gewone werk te hebben gedaan begon ik de lezing van Cicero, De legibus. Ik was genoodzaakt om hiermede dra te eindigen, dewijl ik eerst mijn haar laten snijden en dan vernemen moest, of de vergadering van Tandem 's avonds voortgang zou hebben. Daar de dissertatie van den defendens Blaaubeen nog niet was afgedrukt, ging ik met hem en Van der Heim naar Rau, om dien tot opneming der defensiebeurt te verzoeken, waartoe wij hem, niet zonder veel moeite, overhaalden. Ik ging daarom naar huis, ten einde mij voor de vergadering te prepareren, waar ik de vraag moest beantwoorden; ik werd daarin eerst door den jongen Van der Boon Mesch141a opgehouden en toen ik aan het werk was, ontving ik een briefje van Rau, waarin de vergadering werd afgezegd. Dadelijk naar Brugmans geloopen vond ik daar eene missive, waarin Zijn Ed. voor het lidmaatschap bedankte, uit hoofde van alleronaangenaamste en grievendste redenen. Ten uiterste hierover verwonderd begaf ik mij naar zijn huis en vond hem niet. Om 4 uur ging ik er weder en vond hem bij Brugmans en vernam toen aldra, dat de aandrang door ons des ochtends gebruikt de oorzaak van dit plotseling besluit was, voornamelijk omdat wij het argument hadden gebruikt, dat Mounier voor142 de vergadering terugkwam en deze nog niet gearriveerd zijnde, meende Rau, dat wij deze en dergelijke redenen alleen gebruikt hadden om hem het netje over het hoofd te werpen en was hierover natuurlijk misnoegd en langzamerhand tot eene zoo sterke resolutie gebragt geworden. Hier zag ik nu èn hoe voorzigtig men in de vriendschap wezen moet, daar een misverstand, eene verkeerde opvatting verbindtenissen van jarenlang kan verscheuren èn hoe eene menigte kleine oorzaken onder Gods bestuur medewerken om het kwaad, dat wij vreezen, af te wenden. Daar wij voor iedereen de zaak verborgen hadden, was alles in zijn geheel gebleven; daar ik een briefje van Van der Heim toevallig bij mij had, waarin deze mij de komst van Mounier meldde, kon ik met hetzelve mij omtrent de voorname zaak geheel en al regtvaardigen en daar hij het zich van mij als van zijn' besten vriend het meest had aangetrokken, was spoedig alles weder in orde en ik kan ook hierin de goddelijke leiding niet genoeg danken, die mij zulk een groot deel mijner genoegens heeft willen sparen. Om 6 uur ging ik eerst naar mevrouw van Bommel143, toen naar Bilderdijk, doch vond niemand te huis; zat een uurtje bij Rau, wandelde toen drie cingels met Brugmans, las in Weber, Ueber die natürliche Verbindlichkeit144 en ging om 12 uur naar bed.


18 mei

Na in Van der Palm gelezen te hebben beantwoordde ik de vraag in Suum cuique opgegeven schriftelijk: Quelles sont les justes bornes de l'imitation?145 Van 11 uur tot één hield Van Hasselt146 mij gezelschap, die slechts voor weinige uren in de stad was; ik was zeer getroffen door zijn allerakeligst voorkomen, 't welk hem duidelijk voor een slagtoffer der teering kenteekende en door de treurige gemoedsgesteldheid, welke het natuurlijk gevolg zijner ongelukkige omstandigheden is. Na zijn vertrek ging ik den nieuwen doktor Lalau147 gelukwenschen, 't geen ik evenwel kort maakte om nog even bij Sebald148, en daarna naar de societeit te gaan, waar ik met Burgerhoud[t] en Jordens domineerde. Toen wij gegeten en een weinig gewandeld hadden, ging ik naar huis en had moeite om mij eenigzins tegen de buitengewone warmte te beschermen. [Jaap Elout] dronk bij mij thee; om 7 uur reed ik op Hirondelle het Schouw, Endegeest, de plaats van nicht Lelyveld149, etc. om, bezocht Dijkmeester, dien eene oogongesteldheid noodzaakte zijne kamer te houden, en passeerde het einde van den dag zeer pleizierig ten mijnen huize met [Jaap Elout] en Sebald Rau.


19 mei

Deze dag was voor mij alleraangenaamst. Ik ging ter kerke bij prof. van der Palm, waar wij naar aanleiding van 1 K[on]. 19 v. 19‑21 eene heerlijke preek over het karakter der oude godsgezanten hoorden, welke de tegenwoordige nietsbeduidendheid tot staatkundige veinsaards zoekt te verlagen, terwijl zij door hunne hoogere stemming niet alleen boven het gros der menschen, maar boven de braafsten zelfs onder hen verheven waren en schenen de perken der stoffelijkheid reeds te hebben overschreden. Om half twaalf reed ik met [Jaap Elout] naar Den Haag in de hoop van [zijne Mathilde?]150 aldaar te zullen vinden; daar deze reeds vertrokken was, reden wij, na bij ons wafelen met madera gebruikt te hebben, wederom af en kwamen om 3Å uur op Blankenburg, de plaats van den heer Elout151, aan. Wij vonden aldaar de heeren Smissaert.152 Met Henriette Elout153 en de freule Asthbeck, twee allerliefste meisjes, deden wij voor het dîner eene mooije wandeling. Na den eten wandelden de heeren naar de boerderij, waar alles naauwkeurig opgenomen werd. De heer Cambier154 met zijne vrouw en de heer van Lennep155, alsmede de heer Rengers156 kwamen eene visite doen. Met den laatsten en de dames, drie jufvrouwen Elout157, want Santje158 logeerde te Haarlem, de freule Asthbeck en de freule Kempenaar159; wier broeder ook met ons gedineerd had, deden wij weder een zeer aangenaam tourtje. Om 9 uur reden wij af en toen ik te Leijden op de societeit kwam, vond ik tot mijn groote verwondering Henri Hoffman, die mij een paar dagen tevoren geschreven had, dat de koorts het hem onmogelijk maakte mij te komen opzoeken. Met dezen onverwachten logeergast soupeerde ik bij mevrouw Fremery, 't geen dezen dag op eene pleizierige wijze besloot en om 12 uur gingen wij naar huis. Het overheerlijke weder had tot de genoegens door mij gesmaakt niet weinig toegebragt.


20 mei

Mijn logeergast en ik kregen al vroeg de visite van Fremery; ook kwam Dedel160 een uurtje met ons praten. Om 11 uur kreeg ik eene invitatie om donderdag bij nicht van Poeliën op Brittenrust161 te komen eten met Van der Hoeve[n]. Ik communiceerde zulks aan dezen, bezocht Sebald Rau, bestelde paarden in de manege en wandelde vervolgens op de kermis om de familie van Rijnoord op te zoeken, doch vruchteloos. Ik begaf mij wederom naar huis, meldde schriftelijk de onmogelijkheid, waarin ik mij bevond, om donderdag uit de stad te gaan, en was bij eene tweede poging op de kermis gelukkiger, zoodat ik van één uur tot 2 met neef en nicht van Poeliën162, mevrouw Onderwater en jufvrouw Sandra wandelde. Na den eten om 4 uur reden Hoffman op den schimmel, Fremery op 't vosje en ik op Achmet eerst naar Wassenaar, waar wij slechts een oogenblik ophielden, toen naar Katwijk binnen, vervolgens naar de Gradeermachine163 en dronken aldaar thee. Om 7 uur naar de Postbrug gereden gebruikten wij aldaar een glaasje Rijnsche wijn. Wij waren om 10 uur weder te Leijden en soupeerden bij mevrouw Fremery.


21 mei

Ik praatte eerst natuurlijk eenigen tijd met mijn' logeergast, bestudeerde de vraag, die ik in Suum cuique beantwoorden moest, ging naar [Jaap Elout], naar den wijnkooper Karpesteijn, maakte toilet, bezocht Karel van der Kemp en was om 12 uur op het déjeuner dinatoire 't geen Kempenaer gaf aan de familie Elout, bij wie zijne zuster en de freule Asthbeck gelogeerd waren. Wij wandelden met de dames op de kermis, passeerden eenige oogenblikken in het beestenspel en bij den heer Simon Jane Paap164; ik amuseerde mij op deze kermispartij zeer goed. Toen onze gasten om 3 uur vertrokken, spoedde ik mij naar mevrouw Fremery, waar ik met Hoffman tegen 3 uur genoodigd was en het gezelschap reeds aan tafel vond. Mevrouw van der Eijk165 dronk met ons thee. Om 8 uur vergaderde Suum cuique ten mijnen huize en deszelfs leden bleven tot één uur bij mij. Hun aangenaam gezelschap kon mij de vermoeijenis niet doen overwinnen, waarin ik door alle de drukten en de buitengemeene hitte van den dag geraakt was, zoodat ik mij zeer verheugde, toen ik mij ter ruste begeven kon.


22 mei

Mijn logeergast vertrok om 10 uur naar Den Haag; ik werkte derhalve dien ochtend een weinig, bezocht Dijckmeester, die zeer aan oogziekte laboreerde en bij wien ik Herdingh166 vond. Om één uur begaf ik mij naar Humbert, die eene interessante voorlezing over den oorsprong en het oogmerk der schilderkunst hield. Hij berispte zeer het misbruik 't geen in de schoone kunsten was ingeslopen, waardoor de ééne haar gebied al gedurig tot op het gebied der andere had willen uitstrekken, waarvan het gevolg was geweest, dat zij veel moeite besteed hadden om iets na te maken 't geen op eene andere manier veel beter had kunnen nagemaakt worden. De schilderkunst behoorde zich ook niet op dagelijksche zaken toe te leggen, maar bijv. op schoone landgezigten, omdat dezelve zoo niet ieder oogenblik kunnen gezien worden en zij derhalve meer treffen, op buitengewone natuurverschijnselen, enz. enz. Na den eten wandelde ik met mijne tafelgenooten op de kermis, dronk bij Gosliga thee met Burgerhoudt, Brouwer en Van den Broeke167, adsisteerde bij de vergadering van Tandem, alwaar Blaaubeen 3 uur zijne dissertatie defendeerde, Siegenbeek168 las en ik defendeerde. De Canter169 kwam ons na het afloopen der werkzaamheden gezelschap houden.


23 mei

Om 9 uur stond de fraaije koets, waarin wij de dissertaties van Blaaubeen zouden rondrijden, vóór de deur. Ik haalde Blaaubeen en De Canter af en het werk nam een' aanvang, 't geen tot 5 uur duurde. Wij stapten af bij prof. Tydeman, Clarisse170, bij Herdingh, Gerrit Dedel, Jaap Elout, Bilderdijk, Siberg171, Bucaille172, C. Susan173, en te Oestgeest bij Versluys174 en ds. v[an] den Berg.175 Ook reden wij naar Endegeest alwaar wij den heer Leonard176 spraken. Na het gedane werk kwamen wij en de heer van der Kemp met zijne paranimfen Van Buren177 en J. Dedel, alsmede Sebald Rau [en Jaap Elout] en Van der Heim bij Mounier dineren. Men dronk aldaar een goed glaasje wijn; wij kregen muzijk, etc. etc. Om 7 uur ging ik met Brugmans, die zich bij ons gevoegd had, een kermistourtje doen. Om 10 uur ging ik naar Dedel, die ons uitgenoodigd had, doch begreep wel te doen door om elf uur mij huiswaarts te begeven.


24 mei

Ik las in de dissertatie van Van der Kemp178, maakte eene oppositie tegen pag. 69, waar hij den ongelukkigen toestand bejammert van het Romeinsche regt, 't welk wij bezitten.179 Om 12 uur reed ik met Fremery naar 't Haagsche Bosch, alwaar wij in de middeltent eenige oogenblikken uitrusteden en vervolgens naar Vreugd en Rust ons begaven, komende daaromtrent gelijktijdig met Henrie Hoffman aan. Neef en nicht van Doeveren, nicht Engelman en mevrouw Slingeland180 aten met ons. Om 8 uur vertrokken wij en ik soupeerde, na Blaaubeen te hebben opgezocht, met Henrie bij mevrouw Fremery.


25 mei

Om 9 uur haalde ik De Canter en met hem Blaaubeen en prof. Hageman181 af. Blaaubeen defendeerde vrij wel en beide doktoren182 waren bij uitstek bedaard. Het was mij door de menigte van doktoren, die reeds vroeg begonnen te opponeren, onmogelijk mijne oppositie tegen Van der Kemp uit te brengen 't geen mij zeer speet, daar ik met zijne wonderlijke gevoelens over het Romeinsche regt in 't geheel niet instemde. Na gedurende twee uur in de Plaats Royaal183 de felicitatieën te hebben afgewacht, reden de beide doktoren met hunne paranimfen in een char à bancs naar de Wickerbrug184, alwaar 60 genoodigden in de kolfbaan om 5 uur dineerden. Het eten was redelijk, de partij zeer vrolijk. Na de paus, gedurende dewelke de heer Hoog185 in het water viel, waaruit hij spoedig gered werd, werd dezelve langzamerhand luidruchtiger en bijna geen der aanwezigen of hij ondervond de gevolgen van een meer dan gewoon gebruik van een glaasje wijn, van welke regel ik geene uitzondering maakte.


26 mei

Om half acht was ik evenwel weder bij de hand en na aan de Wickerbrug, waar ik geslapen had, ontbeten en tot elf uur gebleven te zijn, wandelde ik naar Vreugd en Rust, alwaar ik al spoedig de familie uit de kerk zag terugkomen. Keetje, Marie en de freule Hogendorp186 waren er gelogeerd. Met deze laatste had ik het pleizier van in het terugkomen van 't Haagsche Bosch186a in de forgon te rijden; ik had eerst Marie, die gepresseerd was, naar Den Haag gebragt en toen met de overige familie in de societeitstent gezeten. Wij ontvingen dien middag eerst de visite van neef en nicht Patijn187, die vóór hun vertrek naar Hoorn afscheid kwamen nemen, toen van de geheele familie van der Sleijden188 en Philipse189, met welke wij in de Coepel190 thee dronken, wandelden en ons zeer goed amuseerden. Henrie Hoffman, die op Kraijenburg191 logeerde, had de vriendelijkheid van ons te komen afscheid nemen.


27 mei

Wij gingen te Voorburg ter kerke bij ds. Metelerkamp192 die over Jesaia 44 v. 3 preekte. Neef en nicht Caan van Hoekenburg193 en nicht Caan van Cromvliet194 met Henriette Patijn deden ons visite. Wij aten om 3 uur en reden naderhand met twee rijtuigen naar jufvrouw Koets195, alwaar wij koffij dronken; aldaar spraken wij de familie van Bommel, de Jong van Rodenburg[h], van der Sleijden, etc. etc.; het was er ontzagchelijk druk en wij waren zeer blijde de gewone viering van den tweeden Pinksterdag te hebben bijgewoond. Door het Bosch kwamen wij weder te Vreugd en Rust, wandelden op de weg waar het nog zeer levendig was, lazen in Tollens196, soupeerden en gingen naar bed.


28 mei

Des ochtends werd er met een niet zeer gelukkigen uitslag gevischt. Ik vertrok met de schuit van 9 uur uit 's Hage wederom naar Leijden en trof in dezelve den heer Wijnbeek197 en Tengbergen198 aan. Op mijne kamers gekomen ridderde en bezorgde ik het een en ander en wandelde daarna met Blaaubeen en [Jaap Elout] langs de overblijfselen der kermis, waar ik al de werken van Florian199 voor  11- en de Lettres van Dupaty sur l'Italie200 voor  1,10 kocht. Ik dronk thee bij Brouwer met Jordens, Burgerhoudt en Fremery, zocht Dijckmeester op, las in Muretus201, etc. en ging om 11 uur naar bed.


29 mei

Daar ik 's avonds in Per angusta eene oratie lezen moest en daartoe eene reeds in Tandem gelezene had gekozen, maar ik niet zeker wist, waar ik dezelve vinden kon, zoo schreef ik uit voorzigtigheid eene lezing: De feminis ad imperandum non idoneis.202 Om één uur ging ik naar Humbert; wij hoorden hem aldaar zeer interessant spreken sur les différens styles (genres) de la peinture. Hij stelde 1g un style gracieux ou naturel, 't geen wij met een bastaardwoord naïf noemen en 't welk door vele schilders, die het wilden uitdrukken, tot een genre manieré verlaagd is; 2g un style grand et noble, zooals in het meeste 't geen ons van de ouden is overgebleven; hetzelve kan in le genre outré ontaarden, zooals bij Michel‑Ange203 en vooral bij zijne na‑ en opvolgers het geval was; want men moet deze feil om de grootheid zijner verdiensten in hemzelven voorbijgaan; 3g le style expressif, 't geen het terrible in zich bevat en in het belagchelijke menigmaal door de Italiaansche school veranderd is. Un style sublime, 't welk Win[c]kelman[n] stelt, neemt de heer Humbert niet aan, omdat er niets op zichzelven sublime genoemd kan worden, maar zulks alleen van de plaatsing afhangt. De meeste voorbeelden, welke hij ons toonde, waren naar schilderijen uit het Sancto Campo204 te Pisa, eene begraafplaats in een heerlijk gebouw, tot luister van welke de voornaamste schilders van Italië eeuwenlang hebben gewerkt. Na den eten ging ik een half uur bij De Vos praten en toen naar huis, waar ik tot zes uur in Weber las; hierop begaf ik mij naar Groeninx, waar Per angusta vergaderde; pleidooijen, defensie, lezing etc. deden de vergadering niet langer dan tot 10 uur bijeen blijven. Wij soupeerden, doch door de opvliegendheid van [Jaap Elout] tegen Gosliga niet zeer aangenaam en scheidden om 12 uur.


30 mei

Ik las een halve preek van Van der Palm, toen vrij lang in Weber; daarna een weinig in de Pandekten. Toen kwamen Gosliga en Groeninx bij mij en deze laatste verhinderd wordende, ging ik eerst alleen, en toen met Gosliga naar [Jaap Elout], 't geen dan de afdoening van de zaak des vorigen avonds ten gevolge had. Om één uur hield ik bij prof. van der Palm het college over de Ars Poetica. Alleraardigst reciteerde hij de daarin voorkomende dialoog tusschen den zoon van Albinus en zijn' onderwijzer.205 Over de paronomasie merkte hij aan, dat deze figuur wel tot de schoonheden behoorde en dus niet moest verzuimd en veracht worden. Dat de brevitas in stukken van welsprekendheid en dichtkunst zeer moet in acht genomen worden; zij zijn aan keurige spijzen gelijk, waarvan men nog met graagte moet ophouden te eten. Om 2 uur ging ik aan tafel; daarna bezocht ik Van der Kemp, ontving toen de commentatie van Per angusta ten mijnen huize, wandelde met Brugmans, Gosliga en Delprat206, presideerde de vergadering van Tandem bij Van der Heim, die las en defendeerde, terwijl Rau over te groote of te ver gedrevene gevoeligheid sprak en om 12 uur begaf ik mij huiswaarts.


31 mei

Ik las in Van der Palm, in de Pandekten en Weber, waarna ik eerst van Fremery, toen van Blaaubeen en Sebald Rau en eindelijk van Van der Kemp bezoek ontving. Na den eten wandelde ik met de Burgerhoudts, Jordens, Gosliga etc., Vos207 en Brouwer en schaakte vervolgens twee partijen met den laatsten. Wij dronken bij Janus Burgerhoudt thee, gingen een straatje rond en ik toen naar huis, waar ik nog in Plato De republica, in Cicero De legibus en in Weber las.


1 junij

Mijne ochtendwerkzaamheden waren dezelfde als van den vorigen dag. Om 11 uur kwam [Jaap Elout] bij mij en om half een Dijckmeester met wien ik naar Bilderdijk zou gegaan zijn, indien wij hem niet wandelende waren tegengekomen; wij vertroostten ons over het mislukken van dit voornemen met een kolfpartijtje aan de Kwaak. Aan tafel werd er een enkel glaasje wijn gedronken, 't geen tot zeer vrolijke scenes met de Leijdenaars aanleiding gaf. Faure208 schonk thee, van hem naar huis gegaan zijnde, werkte ik nog een weinig en ging toen naar [Jaap Elout], bij wien ik met De Kanter en Gunning209 soupeerde en onze bijeenkomst door eene hevige disputatie aangaande het gebruiken der grammatische interpretatie als fundamentum tot 1 uur gerekt werd.


2 junij

Ik las een weinig in de Pandekten en ging toen naar Coquerel210, wien ik over Hand. 3 v. [12]: `Hommes Israëlites, pourquoi vous etonnez‑vous?' een preek hoorde doen, waarin, naar mij voorkwam, vele fraaije denkbeelden voorkwamen, maar die anders geen' stichtelijken indruk bij mij achterliet. Tandem commenteerde bij mij en onder de commentatie kwam P. Stratenus mij bezoeken. Wij wandelden eenigen tijd en toen won ik op de societeit V[an] d[en] Broeke een spel schaken af. Na den eten wandelde ik met [Jaap Elout] naar het Schouw; wij zaten aldaar zeer pleizierig tot 8 uur en retourneerden over Endegeest; Vosmaer211, D. Hogendorp212, Van Heukelom213 en De Bie214 waren er ook. [Jaap] bleef bij mij wafelen eten en disputeerde vehement met mij over de waardij des gevoels als basis van den geopenbaarden godsdienst.


3‑16 junij

De twee volgende weken waren meer voor uitspanning als voor geregelde werkzaamheid geschikt. De dubbelde promotie van D. van de Wijnpersse op den 4den215 gaf mij gelegenheid om tweemaal te opponeren, en werd door eene zeer aangename partij op den Burgt216 gevolgd, waar verscheidene professoren, onder anderen prof. van der Palm bij adsisteerden. Den 9[en], 10[en], 11[en] en 12en bragt ik op Vreugd en Rust door, waar de vrees, dat mijne zuster217 eene miskraam krijgen zou, mij den tijd minder aangenaam dan ik gehoopt had, deed doorbrengen, vooral daar papa en mama naar Rotterdam vertrokken. Ik reed woensdagavond, na eene visite van neef en nicht Stratenus218 te hebben helpen afwachten, op Hirondelle, die ik bij mij gehouden had, terug. Donderdag den 13den opponeerde ik tegen [Jaap Elout], die zeer goed zijne dissertatie219 verdedigde en kwam op zijne partij in de Gouden Leeuw.220 Den 14en defendeerde Uijlenbroek zijn Specimen221 en promoveerde Cost Jordens222, welke laatste plegtigheid ons het overige van den dag in luidruchtige vrolijkheid deed doorbrengen. 's Zaturdags gingen wij met prof. Bake, Bergman223, Nauta224, Fremery, Tydeman en Van der Chijs225 de gelden van Graecis literis sacrum te Lisse verteren, waar wij den halven dag zeer genoegelijk doorbragten; 's morgens had ik Pareau226, die bij gelegenheid van Uijlenbroek's defensie over was gekomen, de Hortus laten zien en vervolgens mij onder het auditorium van de heeren Nieuwenhuis227 en Peerlkamp228 begeven. Den 16en reed ik per diligence naar Rotterdam: onze vrees was verwezenlijkt; ik vond er de geheele familie en vertrok met papa, Mimi229 en jufvrouw Lufneu230 's avonds naar Vreugd en Rust.


17 junij

Per schuit van 9 uur keerde ik naar Leijden, opponeerde tegen Piepers231 op het dispuut van prof. Kemper, dronk bij den jongsten Van der Boon231a thee en vervolgens bij prof. Kemper. Na deze visite ging ik om 7 uur met Fremery en Brugmans naar Bilderdijk, bij wien wij D. van de Wijnpersse vonden. De conversatie viel op Uijlenbroeks Specimen. Hij zeide ons plan gehad te hebben om tegen de dertiende thesis232 te opponeren; die oppositie zou vrij scherp zijn geweest; voor het overige had het stuk vele verdiensten. Aan de Arabieren was men ontzagchelijk veel verschuldigd. Ook in de chimie hadden zij veel uitgerigt, welks bekendheid veel tot verbetering der tegenwoordige leer daarover zou kunnen bijbrengen. Zij hadden ook veel moeite gedaan om goud te leeren maken; dit goudmaken is geene herssenschim; ik geloof, zeide Bilderdijk, aan de mogelijkheid daarvan, ofschoon wijze redenen beletten, dat de mensch de manier daartoe vinde; ik leg de physica uit een geestelijk beginsel af: het licht bevat hetzelve het zuiverst; die het licht fixeren kan, is op den weg; goud is wezenlijk het uitmuntendst metaal en heeft met den mensch zekere adfiniteit grooter dan die van elk ander, 't geen in het sonnambulisme blijkt. Weldra zal het er niet meer toe doen of het geheim uitgevonden worde, ja dan neen: het kwaad, dat daaruit voortkomen zal, is dan slechts eene kleine vermeerdering der rampen. Alle menschelijke instellingen, alle gouvernementen, alle kunsten, alle wetenschappen vernietigen zichzelf; de geheele wereld is op het punt van een algemeen bankroet te maken; financie kan er niet meer bestaan; met het krijgswezen is het eveneens; de menschen worden hoe langer hoe zwakker. Alles getuigt ook van de naderende ontbinding onzer aarde; zij wordt reeds innerlijk beroerd; vandaar de menigvuldige minerale wateren, vandaar de gedurige verandering der zandbanken, de aardbevingen; vandaar ook de zachte winters en warme zomers, dewijl die innerlijke warmte op den atmosfeer werkt. Wij wonen in eene ruïne van de aarde, zooals zij voor den zondvloed bestond; de omkeering was zoo groot, dat het land lager zakte dan de oppervlakte der zee, zoodat in dien kolk de wateren zich uitstorteden en wij op den bodem dier vorige zee leven. Vóór den zondvloed waren er geene saizoenen; vóór dien tijd heeft het nimmer geregend; vandaar het gepaste van den regenboog als teeken van ontferming aan Noach gegeven. De vroegste beschaving heeft in het noorden plaatsgehad; vandaar dat de Hyperboreërs door de Grieken zoo genoemd worden, die wel genie, wel gevoel voor het schoone en smaak bezaten, maar geene grondige kennis. De tijd wordt korter, dat is de aarde volbrengt haren loop in minderen tijd; vandaar het half rijp worden van vele vruchten, de langdurige droogten, het aantal van stokoude menschen, die niet zoozeer tot een buitengemeenen ouderdom opklimmen, als wel vele jaren beleven. Daar kan, bij alle die voorteekenen van een' schielijken ondergang, herstel komen en daar hoop ik op. Hoewel ik in het overige vrij actief ben, is er niemand passiver dan ik, wat aangaat de evenementen van het leven: om iets te verkrijgen of af te weeren zal ik weinig moeite doen, dewijl ik steeds heb opgemerkt, dat door zulke sterke pogingen de menschen zich het meeste ongeluk berokkenden. Pligt moet onze eenige leidsvrouw wezen en het overige moeten wij overgeven. Onder dit belangrijk gesprek bragten wij een paar uren door; vervolgens werkte ik nog een weinig en ging daarop naar Van der Hoeven, alwaar ik Brouwer, De Canter, Mounier en Koopmans233 den schrijver over Sardanapalus aantrof, met welke het mij aangenaam was kennis te maken; hij is zeer levendig en heeft eene onderhoudende en leerzame conversatie. Wij bleven tot half een bij elkander.
1   2   3   4


Dovnload 282.3 Kb.