Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Afgunst (D.: Eifersucht; E.: envy; F.: envie) is het ‘benjjden’ of ‘misgunnen’ van een ander datgene wat men zelf ook (maar al te graag) zou willen bezitten (bijv bezittingen, eigenschappen, capaciteiten) Jaloezie

Dovnload 27.72 Kb.

Afgunst (D.: Eifersucht; E.: envy; F.: envie) is het ‘benjjden’ of ‘misgunnen’ van een ander datgene wat men zelf ook (maar al te graag) zou willen bezitten (bijv bezittingen, eigenschappen, capaciteiten) Jaloezie



Datum05.12.2018
Grootte27.72 Kb.

Dovnload 27.72 Kb.

Afgunst en jaloezie
Afgunst (D.: Eifersucht; E.: envy; F.: envie) is het ‘benjjden’ of ‘misgunnen’ van een ander datgene wat men zelf ook (maar al te graag) zou willen bezitten (bijv. bezittingen, eigenschappen, capaciteiten)..

Jaloezie (D.: Neid; E.: jealousy; F.: jalousie) is de vrees het eigen dierbare bezit aan een ander te verliezen. Afgunst kan (zal vaak) deel uitmaken van jaloezie,vandaar dat jaloezie ook wel wordt gebruikt voor afgunst - wat omgekeerd niet kan! Daar komt nog bij dat jaloezie als (complexe) emotie een hogere status bezit dan afgunst. De neiging het eigen bezit te verdedigen wordt alom geaccepteerd en/of gerespecteerd, terwijl men voor afgunst, veelal gekoppeld aan ‘lage’ emoties als haat en ressentiment, weinig goede woorden over heeft - en men het ook eerder (liever) aan een ander zal toeschrijven dan voor zichzelf zal willen toegeven.

Volwassenen schrijven jaloezie en afgunst graag toe aan de kinderen. Kijk nou toch es hoe jaloers Jopie is als ik met zijn zusje bezig ben ‑ constateert de onge­ruste moeder. Rivaliteit ‑ menen de psychologen. Wil Lenie liever een jongetje zijn en ook met een boogje kunnen plassen? Penisnijd ‑ mompelen de psychia­ters. En als kleine Kees droomt van een auto groter dan die van vader en kleine Angelientje van een BH even groot als die van moeder ‑ dan worden ze beticht van afgunst. Want van Freud weten we dat afgunst de kern is van het ‘oedipus­complex'.

Maar laten we wèl wezen: wie heeft er nu eigenlijk de meeste reden om jaloers te zijn?

De vader die met koppijn van zijn werk komt en thuis tekortschiet omdat hij het niet meer kan òpbrengen 's avonds ook nog de belangstellende echtgenoot uit te hangen, òf

de zoon die zijn huiswerk even met de Franse slag heeft afgedaan, omdat hem een schoolfuif staat te wachten met veel vermaak en veel mooie meisjes.

De moeder die bij de pakken neerzit omdat het haar allemaal een beetje teveel is geworden vandaag en die toch met lood in de schoenen de maaltijd moet ver­zorgen voor man en kinderen, òf

de dochter die maar niet naar bed is te krijgen omdat ze nog duizend dingen heeft te doen, omdat ze onvermoeibaar en gretig bezig is de dag te plukken en van het leven te genieten.

De afgunst is eerst goed onderwerp van onderzoek geworden in de tijd van de zgn. ‘diepte‑psychologen’.



Sigmund Freud stelde het oedipusconflict zelfs cen­traal in zijn theorie van de ontwikkeling van het gevoelsleven. Zo omstreeks de vroege kleuterjaren begint het tot het kind door te dringen dat de wereld niet al­leen van hem is, en dat datgene wat hij van die wereld ontvangt door middel van zijn moeder, niet alleen voor hem is bestemd, m. a. w.: dat hij zijn moeder met an­deren moet delen en dat is een bittere pil.

Van die anderen is de vader de belang­rijkste (althans in de tijd van Freud), dus gaat het kind vooral de vader beschou­wen als een hinderlijke sta‑in‑de‑weg. Hij verzet zich tegen vaders alleen­heerschappij, tot hij merkt dat er niets anders opzit dan net zo te worden als die grote sterke vader (en wel door zich met hem te ‘identificeren’ ‑ zoals dat dan heet), omdat dat kennelijk de enige mogelijkheid is om met hem te wedijveren, en om (zodoende) bij moeder in de gunst te blijven. Dat in deze ‘wedstrijd’ ook de seksualiteit wordt betrokken, spreekt vanzelf ‑ maar sprak allerminst vanzelf in die preutse jaren rond de eeuwwisseling. Vandaar dat Freud de naam kreeg een seksmaniak te zijn, die onschuldige kindertjes smerige gedachten aan wilde wrij­ven.

Er zijn overigens nog altijd mensen die de grootste moeite hebben met de ziens­wijze van Freud en zijn vele volgelingen (waartoe, in onze westerse wereld, toch wel de meeste psychiaters en psychologen in meerdere of mindere mate be-horen), omdat het voor hen onvoorstelbaar is dat een klein kleutertje al seksuele verlan­gens zou koesteren, en dat nog wel tegenover zijn eigen ouders. Er wordt dan wel vergoelijkend gezegd dat het een heel ander sóórt seksualiteit is, maar intussen is het hoge woord dan toch maar gevallen. En hoe we ook in onze eigen herinnerin­gen proberen na te gaan of er van zoiets sprake kan zijn geweest ‑ het blijft een gesloten boek.
Mededingers
Laten we daarom nog eens proberen deze zaak van een andere kant te benaderen. Dat een kind jaloers wordt omdat hij moeders aandacht met anderen moet delen, is een begrijpelijke zaak ‑ en bovendien iets wat elke ouder die zijn ogen durft te gebruiken, dagelijks kan vaststellen.

Een begrijpelijke reactie op afgunst is de wedijver met de benijde persoon, de poging om hem te overtroeven (een ándere, maar minder ‘gezonde’ reactie is het om klein te blijven of weer klein en afhankelijk te worden, en om zodoende moeders aandacht voor zich op te eisen). Welke middelen staan het kleine kind nu ten dienste in deze concurrentiestrijd? Dezelfde waarover we ook later nog be­schikken, en dan niet eens altijd in zakformaat:

Het zoontje gaat met vader ‘werven’ om moeders gunsten: als 'man en als ‘mannetjesputter’ zal hij wel eens laten zien wat hij waard is en wat hij kan (en hij kan véél ‑ in elk geval heeft hij meer ‘toekomstmogelijkheden’ dan vader ‑ en dus is het niet zo'n wonder dat ook pa te kampen krijgt met vage afgunst­gevoelens, zeker als hij zich niet meer in de kracht van zijn leven bevindt).

Het dochtertje mist de mogelijkheden om zich in deze zin met vader te meten (vandaar de ‘penisnijd’ ‑ zoals Freud het noemde), en dus zoekt ze haar kracht in haar zwakheid, in het ‘eeuwig vrouwelijke’. Door met de moeder te concur­reren, door om vaders gunsten te gaan dingen, probeert ze langs een omweg de moeder uit te dagen. Want het is haar, op de-ze leeftijd, nog wel vooral om moe­der's gunsten begonnen, daar kunnen de moeders zich aan troosten. (En een beetje troost kunnen ze best gebruiken, want hoeveel moeders zouden diep in hun hart niet jaloers zijn op hun charmante doch-ter, die met het jaar aantrekkelijker wordt, terwijl bij henzelf juist het omgekeerde het geval is, althans voor hun ge­voel...)

We zien in wezen hetzelfde gebeuren op latere leeftijd, in de puberteit: die tweede moeilijke ‘wedijver’-periode na de kleuterjaren. Een jongen die een meisje wil ‘veroveren’ gaat ervoor vechten, gaat zich stoer gedragen, en laat het er niet bij zitten, ook niet als hij de kans loopt een blauwtje te lopen. Een meisje gooit het meestal over een andere boeg, haar houding is meer die van ‘graag of niet’: als hij haar niet wil, trekt zij de aandacht van een andere jongen, in de hoop daar-mee de uitverkorene uit zijn tent te lokken. Dat deze vindingrijkheid iets met de seksualiteit te maken heeft, ook al vér voor er van daadwerkelijke seks sprake is, zal niemand willen ontkennen. Waarom zouden we het dan eigenlijk ook niet als heel gewoon vinden dat bij kleuters (en met na­me bij hun ‘partnerkeuze’, anders gezegd: bij de wervingsmethode die ze kie­zen) de seks een rol speelt.

Broedernijd
Alfred Adler ‑ een tijdgenoot en rivaal van Freud ‑ zocht het iets minder diep, namelijk meer in de sfeer van de minder-waardigheidsgevoelens en de daaruit voortkomende jaloezie en agressie. Het kleine kind beleeft zijn totale afhanke­lijk-heid van zijn ouders als iets wat hem bang en boos maakt. En weer was het va­der (in die tijd tenminste!) die als een rots, nee: als een vuurtoren, uit de bran­ding omhoog rees, de verafgode en benijde autoriteit wie niets kon overkomen, en naast wie de kinderen zich nietig en ‘minderwaardig’ voelden. Maar langs de weg van imitatie en compensatie wisten ze toch hun doel te bereiken, op geleide van het ‘grote licht’ genaamd vader. Dat deze weg omhoog liep (op de maat­schap-pelijke ladder), spreekt vanzelf.

Maar in tegenstelling tot Freud, had Adler ook een open oog voor de invloed van de ándere kinderen in de ‘kinderrij’. De Benjamin in het gezin ontwikkelt zich vaak heel anders dan de tweede (vergelijk Jacob en Ezau). De onderlinge ‘haat en nijd’ werd echter in die tijd nauwelijks au-serieux genomen, hoewel het toch iets is wat elke ouder vandaag‑de‑dag van uur tot uur voor zijn ogen ziet gebeu­ren.



Vanwaar toch die onderwaardering, zelfs van zgn. ‘diepte’‑psychologen, voor de onderlinge afgunst van broertjes en zus-jes? Waarschijnlijk is het kinderlijke ge­krakeel nauwelijks tot hun studeerkamers doorgedrongen! En áls er eens een kind de stoute schoenen aantrok en vaders heiligdom betrad dan stond daar een heel klein mensje alleen tegenover een hele grote, indrukwekkende vader. Geen wonder dat zo'n vader dacht dat hij wel zeer ‘benijdenswaardig’ moest zijn in de ogen van zoonlief. Geen wonder ook dat zoonlief aan vaders verwachtingen voldeed, en zich ging gedragen als de afgunstige rivaal, als de kleine carrière­maker‑in‑spé met maar één doel voor ogen: hogerop komen dan vader.
Doch dit gebeurde alleen als het ‘oedipus‑complex’ in positieve zin werd op­gelost. Was de vader ál te angstaanjagend (bijv. door niet alleen imponerend, maar ook ‘kleinerend’ en frustrerend streng te zijn), dan haalde de zoon het niet in zijn hoofd om vader voorbij te streven. Dan koos hij eieren voor zijn geld, dan nam hij het zekere voor het onzekere door veilig verzorgd bij moeders pappot te blijven, als een klein afhankelijk kind. En als hij dan, op volwassen leeftijd geko­men, op de psychiatrische divan belandde om daar behandeld te worden voor zijn neurose, gaf hij jeugdherinneringen ten beste die een treffend bewijs leveren voor de theorie van de almachtige (ál te machtige!!) vader ‑ en de vaderfiguur ách­ter de divan (de psychotherapeut) zat daar dan groot en ongrijpbaar naar te luisteren: de vader die toch gelijk kreeg....

Acht vader niet meer...
De vraag is nu echter of dit grote gelijk niet van gisteren is, inmiddels door de jaren achterhaald. Want wat stelt de vader vandaag‑de‑dag nog voor? Niet be­wondering (en afgunst!) valt hem ten deel, maar verachting of, in het beste geval, gering-schatting. De vader is niet meer benijdenswaardig maar eerder een beetje beklagenswaardig. Hij zwoegt zich te pletter als kostwinner van zijn gezin en ‘s avonds zakt hij uitgeput neer voor de TV. (Vergelijk dat laatste nou bijv. eens met de tijd van: "Ach(t) vader, niet meer...") Na gedane arbeid is het zoet rusten ‑ maar wat de kinderen ervan te zien krijgen is alleen de zoete (slome, stomme) rust en niet de verrichte arbeid. Vader werkt op een kantoor of in een fabriek, hij ver-koopt iets of hij maakt iets, maar hij doet niets wat de kinderen kan impone­ren. Wellicht is vader een voetbalkenner, maar de kans is dan groot dat de zoon niets van voetbal moet hebben... Of misschien is hij belezen en maatschappelijk actief, maar de kans is klein dat zijn zoon één van zijn ‘volgelingen’ zal zijn. Waarschijnlijk heeft hij wel een auto, maar wie heeft die niet tegenwoordig: de glans is eraf, sinds het de (allang niet meer trotse) bezitter de grootste moeite kost een parkeerplaatsje voor de deur te vinden. Wie weet is dat ook de reden waarom de kinderen van tegenwoordig veel minder geïnteresseerd zijn in het zèlf‑chaufferen: ze laten pa graag het stuur in handen houden -"als die goeie man daar nou zo'n lol in heeft".

Enerzijds is het toch wel een verlies, deze afgang van het vader‑idool. Want de verhoudingen worden er niet over-zichtelijker van. Juist nu jongens en meisjes moeilijker van elkaar te onderscheiden zijn ‑ in kleding, haardracht en gedrag ‑ zou het zijn voordelen kunnen hebben als tenminste de vaderrol en de moederrol nog duidelijk van elkaar bleven verschillen. Al was het alleen maar om een ‘al­ternatief' te kunnen bieden aan het kind dat zijn eigen levensstijl nog moet kie­zen. Dus zònder de dwingende onvrijheid van een opvoedingspatroon dat jonge­tjes verplicht om mánnen te worden (ge-schikt voor het leger en voor de fabriek), en meisjes om vrouwen te worden (geschikt voor de huishouding). Maar meer als een keuzepakket: zó ziet de mannenrol eruit in deze maatschappij, en dát bete­kent het om vrouw te zijn ‑ zoek nu zélf maar uit wat jou het beste ligt.

Er is bovendien zoveel onzekerheid in de wereld, zoveel is aan verandering on­derhevig en zo weinig staat vast, dat het voor kinderen van het grootste belang kan zijn om een aantal vaststaande steunpunten te hebben. Gezichtspunten om vanuit te gaan en standpunten om op terug te kunnen vallen. Zo'n levens­noodzakelijk steunpunt is bijvoorbeeld de ver-zorging van een toegenegen en 100% betrouwbare (integere!) moeder, daaraan bestaat (bij deskundigen) bepaald geen twijfel.

Maar van oudsher is de vader degene die het kind uit de sfeer van koestering en passieve verzorging moet proberen over te halen naar de ‘harde' maatschappij, waar eisen worden gesteld en waar teleurstellingen wachten. En de vraag is of het kind de vaderhand hierbij wel kan missen, want het is een zeer sub­tiele en hachelijke zaak, deze voorzichtige verstoting uit het (moeder‑)paradijs. De moeder zelf kan het niet (alleen) doen, want daardoor zou ze teveel uit haar rol vallen en dat zou zeer beangstigend kunnen zijn. Een vreemde kan het even­min (evengoed), want diens hand mist de vertrouwde moed gevende ‘warmte’ van die van vader. Nee, de vader is er niet voor niets: hij is echt wel de aangewe­zen figuur om het kind te begeleiden bij de eerste (en ook wel de latere!) stappen buiten het veilige nest van het gezin. We moeten dit vooral niet uit het oog verlie­zen, in een tijd dat ‘de vaderhand’ alleen nog zwakjes model staat voor de ge­biedende wijs en voor de straf die op ongehoorzaamheid heet te volgen.


Maar inderdaad: de autoritaire vader‑gezagsdrager heeft zijn tijd gehad en dat is beslist niet iets om over te treuren. Want het is als een teken van vooruitgang te beschouwen dat onze samenleving eindelijk is aangeland in een periode dat we het zónder imponerende leiders van vaderformaat proberen te stellen.

Doch de overgang van de vaderlijke maatschappijvorm naar die van volwassen verantwoordelijkheid, gaat natuurlijk niet zonder groeistuipjes. Een samenleving moet nu eenmaal bestuurd worden en bestuur betekent: machtsuitoefening, en wie met macht omgaat wordt ermee besmet. Dat schijnt vooralsnog onontkoom­baar te zijn: er is een groep mensen die de dienst uitmaakt én een grote rest die het allemaal niets uitmaakt, en die zich dús gewillig (willoos) laat manipuleren. Wat we nu bijv. zien gebeuren is de vervanging van het paternalisme door het frater­nalisme: alle mensen zijn ‘broertjes’ aan het worden, niet in de zin van broeder­lijke ééndracht maar juist in de chaotische vorm van tweedracht en "zoveel­ mensen ‑ zoveel zinnen". En wie boven dit gekrakeel uit wil komen zal óf heel hard moeten schreeuwen óf heel handig moeten zijn in het aan de man brengen van zijn mening. In het eerste geval word je al gauw voor autoritair versleten, dus de tweede methode is veruit de beste: om de dienst uit te maken moet men zich populair weten te maken



In de smaak vallen.
Wat dit alles nu met jaloezie en afgunst te maken heeft? Onder andere dit, dat ook de af­gunst zich waarschijnlijk ánders zal gaan richten.

Werd vroeger vooral diegene benijd die hogerop was gekomen (de gunsteling van vader of meerdere), tegenwoordig schijnt de populaire figuur het meest be­nijdenswaardig te zijn (de lieveling van het broertjes‑publiek, van de meerder­heid).

We zien het gebeuren op school, waar de onderlinge wedijver met moeite in stand werd gehouden door rapportcijfers en bevorderingen, maar waar het de leerlingen allang een zorg schijnt te zijn hoe hoog ze precies genoteerd staan. Wat in hun ogen het belangrijkst is: het getapt‑zijn bij de anderen, kun je beter be­reiken met vlotheid dan met braafheid, beter in jongerencentra dan in de school­banken.

Het wordt veel ouders bang te moede als ze merken dat de aloude eerzucht, voor hén nog de motor voor de maat-schap-pelijke carrière, helemaal niet meer aanslaat bij hun kinderen.

Maar thuis zijn het misschien dezelfde ouders die zó bang zijn zichzelf onbe­mind en onpopulair te maken, dat ze gaan goed vinden wat het kind in zijn stoutste dromen niet had durven hopen. Want kennelijk is het toch iets ‘om ja­loers op te worden’ ‑ dat in de smaak vallen bij anderen - anders zou het niet zo'n gretige navolging vinden. De vraag is alleen of ouders (en opvoeders in het algemeen) zich hierdoor moeten laten leiden, of ze zich hiertoe moeten laten verleiden. Voor de jongeren‑in‑kwestie is het geen vraag maar een weet: ze vin­den, vrijwel zonder uitzondering, dat ‘populair‑doen’ van hun ouders maar niks; en zéker dat geforceerd jong en eigentijds proberen te wezen van ouders iets om zich als kind plaatsvervangend voor te schamen.

Natuurlijk, het kan wel ‘makkelijk‑meegenomen’ zijn, die modieuze ouderlijke toegeeflijkheid van: "hier kind, neem toch gewoon de pil" of “kijk maar, zeg, wanneer je denkt thuis te komen vannacht". Maar zelfs dat voordeel weegt ken­nelijk niet op tegen het nadeel dat zo'n ouder‑opvoeder zichzelf verloochent en daardoor van ‘iemand’ tot ‘niemand’ wordt.



Oude (verzuurde) wijn in nieuwe zakken.
Het zal trouwens "best" een beetje een zielige vertoning zijn, die modieuze moeder met onmiskenbare rimpels in de hals, die zich kleedt en opmaakt alsof ze zó de disco in moet kunnen, of die vader die zich nog ‘Willem de Veroveraar’ waant maar niet meer om aan te zien is (althans in de ogen van dochter of zoon). Er zit ook iets heel oneerlijks in, nl. iets van afgunst op nou nét datgene wat de jongeren op de ouderen vóór hebben: hun jeugd en hun toekomst. Ouders hebben nog steeds érg veel voor op hun tiener‑kroost: als het goed is hun on­derlinge relatie, hun gevestigde positie (buiten‑ én bin-nens-huis), maar ook hun gemoedsrust (of hun gezapigheid: gezien door de afgunstige bril van de vaak zo onzekere puber) ‑ én niet te vergeten hun relatieve materiële rijkdom: pa die met evenveel gemak praat over de aanschaf van een andere auto als de dochter over een nieuwe plooibroek en de zoon over de begeerde dubbel‑LP. Mogen die ouders dan (ook) eens ergens lekker naar kunnen fluiten?

Bovendien beseffen jongeren vaak maar al te goed dat zij, naar hun ouders kij­kend, een blik werpen in hun eigen nabije toekomst: zó ongeveer zullen zij over een aantal jaren nou ook zijn. En daarom is het toch wel een geruststellende ge­dachte (althans: rustgevend gevoel) als die ouders er blijk van geven redelijk te­vreden te zijn met hun leven en hun leeftijd. Heel veróntrustend is het daarente­gen als de ouders almaar laten merken niets liever te willen dan jong‑blijven: net zo jong als ze zich menen te voelen, als smadelijke vlucht voor dat schijnbaar vre­selijke ouder‑worden.


En dan zit er vaak nog iets van ‘verraad’ in ‑ en ook dáár zijn de jongeren in de puberteit overgevoelig voor. In hun strijd om het verwerven van een eigen identiteit (de eigen unieke individualiteit) kunnen ze bar slecht verdragen dat mensen onecht zijn, niet ronduit zichzelf, ontrouw aan hun eigen persoonlijk­heid. En wel bijzonder onverdraaglijk is het om zoiets bij je bloedeigen ouders te moeten constateren, want die wankelen toch al op hun (vroegere) voetstuk, die zou je, als kind, graag een beetje overeind willen houden ‑ juist óm er naar harte­lust tegen aan te kunnen schoppen.

Dit laatste blijft broodnodig in de opstandige puberteitsjaren. Want ook in een a‑ tot anti‑autoritaire tijd als de onze is een zekere ‘vrijheidsoorlog’ nodig om echt vrij te worden, om je echt bevrijd te voelen van de ouders aan wie je zoveel jaren zo vast verbonden was. Die ondankbare rol van verguisde en van het­ voetstuk vallende autoriteit moesten die ouders aan-durven, en kunnen ook ouders­-van‑nu niet straffeloos uit de weg gaan. Het grootste verraad jegens de jongeren­-van‑nu zou zijn om juist deze rol te ontduiken; en de grootste verleiding is mis­schien om dit te doen onder het mom dat men zijn eigen ouderlijke afgunst heeft leren herkennen: we verbieden hen niet langer de dingen die we zélf vroeger ook zo graag wilden maar van ónze ouders niet mochten, want we zien nu wel in dat we het onze kinderen gewoon niet gúnnen...

Wie even durft dóórdenken doorziet dit dadelijk als een geweldige smoes: het is in de meeste gevallen gewoon niet waar én het werkt vrijwel altijd averechts (een jongere die alles mag heeft vóór zijn/haar meerderjarigheid overal "van gegeten en gedronken" en is vaak niet meer in staat nog ergens van te genieten zonder steeds sterkere prikkels; vroeg‑oud vóór z’n tijd ‑ en zoiets zou eigenlijk meer iets zijn om door een afgunstige geest te worden ingegeven... ).
Maar mochten de ouders er zélf al intrappen, in dit zelfzuchtige zelfbedrog, de jongeren hebben veelal vlijmscherp door dat het om eigenbelang van de ouders gaat en dat hún belang er allerminst mee is gediend. Zij willen weerwerk, iemand om zich tegen af te zetten, dus iemand die op zijn (voet‑)stuk durft blijven staan. Zij willen ouderlijke bezorgdheid als blijk van attentie, zij willen soms ouderlijke boosheid als uiting van echte emotionele betrokkenheid. En zij zullen daarbij een beetje ouderlijke afgunst graag op de koop toe willen nemen.

Groningen, juni 1980 (‘herziene herdruk’ van een stuk voor Ouders van Nu – dán dus gedateerd ca. 1970)


Drs. J. Euwema.



kinder- en jeugdpsychiater

  • Acht vader niet meer...
  • In de smaak vallen
  • Oude (verzuurde) wijn in nieuwe zakken.
  • Ouders van Nu

  • Dovnload 27.72 Kb.