Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Aflossing van de wacht of elk op de eigen post?

Dovnload 43.8 Kb.

Aflossing van de wacht of elk op de eigen post?



Datum05.12.2018
Grootte43.8 Kb.

Dovnload 43.8 Kb.




aflossing van de wacht of elk op de eigen post? 1

Deze voordracht draagt een wat persoonlijk karakter. Dat kan moeilijk anders. Hoe kan iemand over Israël spreken buiten zijn eigen hart om? Met Israël staat mijn leven op het spel. Men kan over dit thema nooit vrijblijvend discussiëren om vervolgens in verschil van mening ieder zijns weegs te gaan. Israël is geen liefhebberij van een aantal Israël-fans. Het thema Kerk en Israël heeft iets van een bijbelse noodzaak. God Zelf (in Zijn Woord) roept ons ertoe.

Daarom kan men ook nooit slechts als een pelgrim, die de voetstappen van zijn persoonlijke Zaligmaker wil drukken, in het heilige land zijn. Als wij in Jeruzalem zijn, worden wij gedwongen bezig te zijn met de vraag, wat het geheim is van het volk dat hier woont en met de vraag, wat God met dit volk voor heeft? Wij zijn dan in het eigenlijke thuisland van Gods gemeente op aarde.
30 jaar van bezinning

Mijn bezinning op de vragen van zojuist dateert van ongeveer dertig geleden. Ik was toen in Jeruzalem. Voor 't eerst van mijn leven. En voor ‘t eerst van mijn leven werd ik door dr. J. Schoneveld, die op een avond in ons hotel iets over zijn werk kwam vertellen, geconfronteerd met een groot aantal vragen, die de verhouding van Kerk en Israël raken. In de achter mij liggende dertig jaren heb ik mij samen met het Bezinningscommité Israël en in seminars van theologen verder in die vragen mogen verdiepen.


Dat was ontdekkend en verrijkend. Ontdekkend, omdat ik tot mijn grote schaamte steeds meer tot het inzicht kwam, hoe slecht ik de Bijbel gelezen had en hoezeer ik elke keer, als ik Israël tegenkwam in een tekst het slechts hoorde roepen: ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen’. Ik verwachtte geestelijk welvaren. Maar ik had Jeruzalem weinig bemind.

Hoe verrijkend ook was het te bespeuren, dat Israël in de Bijbel en Israël nu niet los staan van elkaar; dat God bezig is grote dingen te doen aan Zijn volk; en dat ik meeverzekerd mag worden van de betrouwbaarheid van Gods beloften aan mij, als ik geloven mag, dat God Zijn oude beloften aan Israël vervult. ‘Wij scheppen moed uit hun behoudenis’ (Ps.51 : 7m ber.)


In 't kort wil ik enkele belangrijke punten uit die periode van bezinning, die achter mijn rug ligt, noemen. Het eerste punt noem ik: Vergeef ons onze schulden. Het tweede: En leid ons niet in verzoeking. Ik kan ook zeggen: op welk punt dreig ik in mijn denken over Israël verzocht te worden?

Nog weer anders gezegd: Is het geen zonde te denken, dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen (aflossing van de wacht). En: is het geen verzoeking om te denken dat wij, gemeente uit de volkeren en uit Israël, het Jodendom, elk op een eigen post staan in het Koninkrijk van God, de één zus, de ander zo? Is de Kerk in de plaats van Israël gekomen? Of gaan kerk en Israël ieder een eigen weg naar het Messiaanse rijk?


Aflossing van de wacht?

eerst dan iets over mijn schuld aan Israël. Ik bedoel de diep gewortelde gedachte, dat de kerk (uit de ‘gojim’) in de plaats van Israël gekomen is. Deze gedachte leeft op de bodem van mijn hart. Ze is zeer aansprekend. En heel simpel. Israël heeft zijn Messias vermoord. Daarmee heeft Israël de losprijs betaald voor de aanneming van de heidenen door God (Rom.11 : 15). De wijngaard wordt aan hen gegeven (Matth.21 : 41). Gods toorn is over de Joden gekomen tot het einde (1Thess. 2 : 16). Hun synagoge is een synagoge des satans (Openb. 2 : 9). Met de verwoesting van de tempel is er aan lsraëls religie en aan Gods verbond met dat volk een eind gekomen (Luk. 21 : 5vv).

Daarna (na 70 n. Chr.) hebben de Joden de christenen vaak dwars gezeten (reeds in het Evangelie naar Johannes is Jood zowat een synoniem voor tegenstander). In het nieuwe verbond, dat God in Christus met de volkeren opricht (Hebr.8 : 8vv), kunnen natuurlijk ook wel Joden opgenomen worden. Maar dan zullen zij eerst moeten herroepen, wat zij bij het paleis van Pontius Pilatus hebben gezegd: ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen’ (Matt.26 : 25). Kortom, de gemeente uit de volkerenwereid is het nieuwe Israël. ‘Die is (voortaan) een Jood, die het in het verborgen is en de besnijdenis des harten, in de geest, niet in de letters, is de besnijdenis" (Rom. 2 : 29).
In één woord: aflossing van de wacht. De kerk is in de plaats van Israël gekomen. Kortom, een vervangingsmodel ofte wel substitutie - theorie. Ik ben echter tot de overtuiging gekomen, dat ik met deze theorie mij schuldig heb gemaakt aan Israël. Zo simpel als de gedachte is, zo onbijbels is ze tevens. Want:



  • Paulus spreekt in Rom 11 : 15, direct nadat hij over ‘hun verwerping’ heeft gesproken over hun ‘aanne-ming’ ( het leven uit de doden);

  • In Matth. 21 : 41 gaat het over de overpriesters en Farizeën en de wijngaard is het Koninkrijk van God;

  • Dat Gods toorn tot het einde over de Joden is gekomen, betekent niet, dat God Zijn volk heeft afgeschreven, maar dat Zijn toorn over het ongehoorzame Israël zeer geducht is;

  • Joden hebben het Evangelie vaak tegengestaan, maar Gods genadegiften en verkiezing bleken toch ook steeds onberouwelijk te zijn (Rom 11 : 29). Het nieuwe verbond is trouwens met Israël opgericht (Hebr.8 : 10). En de opheffing van de ceremoniële tempeldienst is geen afschaffing van de ware religie van Israël.

  • In Rom 2 : 29 strijdt Paulus tegen het zich laten voorstaan op uiterlijke voorrechten door Joden. In Rom. 3 : 1 zegt hij: ‘Welke is dan het voordeel van de Jood? Of welke is de nuttigheid der besnijdenis? Vele in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd’;

  • Rom.9 - 11 maken duidelijk, dat Israël het volk van de beminden om der vaderen wil blijft. De verharding is voor een deel over Israël gevallen. Israël blijft het volk van Gods eerste keus (Rom.11 : 17v) Het Woord van God is niet uitgevallen(afgegaan), toen Israël zijn Messias verwierp.

In één woord: God is met Israël nog niet klaar. Jezus, onze Vrede, heeft de middelmuur der afscheiding gebroken (Ef. 2). Daardoor is het mogelijk (welk een geheimenis!), dat wilde takken (heidenen) geënt worden op de stam van de olijfboom (Israël).


Geen aflossing van de wacht dus. Ik heb me diep te schamen en mij er zeer over te verootmoedigen, als ik nog één dag langer denk: de kerk komt in plaats van Israël, ik in plaats van de Jood. In diepe ootmoed en met een nieuw Bijbels zicht op Israël stel ik dan de volgende kritische vragen aan mijzelf.
Schuld aan Israël

Hoe komt het toch, dat ik vroeger die theorie van de aflossing van de wacht geloofde? Het is toch zonneklaar uit heel de Heilige Schrift, dat God een verkiezende God is en dat Hij om de wereld voor Zich terug te winnen Abraham en zijn nageslacht heeft uitverkoren om tot een licht der heidenen te zijn? En dat God die verbondsbetrekking met het biologische volk Israël niet als een aanloopje beschouwt om weldra Israël af te schrijven en het dan voortaan met (een gemeente uit) de volkeren te doen. Waar per gratie ook nog Joden bij mogen horen. Maar dat God Zijn bemoeienis met de wereld blijvend via Israël laat lopen. Zijn verkiezing en verbond met dat volk hebben niet (gelukkig niet) opgehouden te bestaan. Zijn trouw aan Israël wordt nooit gekrenkt. Ook in de vergadering van de uitverkorenen uit de volkerenwereid, die in Israël worden ingelijfd, zet God Zijn Goddelijke zaak onder Israël voort.


Hoe komt het toch, dat ik, die geleerd had om de Bijbel historisch en letterlijk te lezen, zo vaak Bijbelteksten vergeestelijkte en naar mijzelf toehaalde? De Bijbel is toch niet door Amerikanen geschreven? Hij is toch niet in Amsterdam ontstaan? God heeft Israël uitverkoren en Hij heeft Joden uitverkoren om de Bijbelboeken te schrijven (alleen Lukas was een niet-jood). En Hij heeft de Joodse taalwereld uitverkoren om die te kuisen en te heiligen tot Bijbeltaal. En moet ik dan niet in die huid kruipen om te verstaan wat bijvoorbeeld verlossing is (iets dat ziel en lichaam, hemel en aarde omvat).

En om te verstaan, dat het de God van Israël uiteindelijk om de Thora (de wet) gaat? De vreugde van de wet. Dat Jezus daartoe op aarde kwam. En dat het geloof in Zijn alles-reinigend bloed van mij zeker een mens zal moeten maken, op wie een ander, op wie Israël jaloers mag worden. In de worsteling om de Schriften te verstaan, mag ik daarom best de Bijbel lezen over de schouder van het Joodse volk heen. Ik krijg dan tevens de gelegenheid om te horen wat de rabbijnen in de loop der eeuwen in hun uitleg van de Bijbel hebben gezegd (een man als Hellenbroek deed dat ook).


Er zou veel meer te noemen zijn. Ik sluit dit gedeelte van mijn inleiding af door erop te wijzen, dat er kennelijk zoiets als een holocaust en de stichting van de staat van Israël (1948) nodig was om ons de ogen uit te wrijven en ons tot inkeer te brengen. En ook ondanks dat mogen we onszelf afvragen: Waar is Israël gebleven in onze theologie, in ons gemeentelijk leven, in onze prediking, in onze gebeden?
Elk op de eigen post?

Ik kom nu tot het tweede. Elke keer, als ik in Israël was en ontmoetingen had met Joodse theologen, kwam er ook iets over mij van een soort verzoeking. Die eerste keer al, toen ik dr. J. Schoneveld in ons hotel in Jeruzalem hoorde spreken.

Hij zei, dat het Joodse volk op Jom Kippoer (Grote Verzoendag) berouwvol neerzit, beseffend, hoezeer het zich schuldig heeft gemaakt aan ontwijding van de Thora, maar dat het juist zo en ook zonder dat er verzoening van een andere kant (van Messias Jezus) komt, zich verzekerd weet van Gods nabijheid. Schoneveld vond het niet nodig om hier zijn geloof in de gekruisigde Zaligmaker Jezus Christus als de enige weg tot het behoud ter sprake te brengen.
Een verzoeking

Welnu, dat is ook een Israël-visie. Voor mij een verzoeking, maar wel één waarvan ik hoop, dat God mij de genade geeft om die met kracht af te wijzen. Ik herinner me het hartstochtelijk pleidooi van David Hartman, die we als seminaristen enkele maken in Jeruzalem meemaakten. Zijn hartstocht voor de Thora (de wet). En als ik hem hoorde spreken, kwam mijn hart in beroering. Liefde voor de Thora, is dat eigenlijk niet wat God vraagt?

Ik draag Uw heil’ge wet,

die Gij de sterv’ling zet,

in ‘t binnenst ingewand.

(Ps.40 : 4 ber.)

Kan dat dan toch? Kan het ook zonder Hem Die plaatsvervangend (in mijn plaats) al de gehoorzaamheid der Goddelijke wet volbracht, Jezus Christus? Is er een weg tot de vreugde der wet buiten het geloof om in Hem, Die de Vervulling van de wet heet? Valt het dan met mijn bedorven hart misschien toch nog mee? Is het wellicht minder noodzakelijk, dat ik net als Paulus alles (ook mijn eigen wettische ijver, mijn ‘heiligingskrukken, waarmee ik de berg Sion niet op kom’) schade en drek leer achten om de uitnemendheid van Christus? (Fil.3 : 7vv).

Heeft Paulus de Joodse rabbi Jezus (een bepaald soort wetsleraar) vertekend? Kan ik een christen zijn en kan een Jood een werkelijke Jood (in het verborgen) zijn, als wij het kruis van Golgotha slechts als een teken van martelaarschap zien en de opstandingsboodschap van Pasen als een verhaal waarderen, waarin Jezus slechts in de herinnering levend wordt gehouden? Heeft de kerk van de eerste eeuwen zich vergist, toen zij de Godheid van Jezus Christus beleed?


Twee-wegenleer? Ik noemde de naam van J. Schoneveld. Ik kan hier ook H. Jansen noemen. Er zijn ook Joodse denkers, die sterk op deze lijn zitten. Franz Rozenzweig, Martin Buber, David Flusser, Pinchas Lapide. En vele anderen, bijvoorbeeld rabbi Keller uit Naharia, die ons eens zie: ‘Jullie gaan in de weg van de Noachitische geboden, wij in die van de Thora; beide wegen leiden tot het Messiaanse Rijk’. Geen aflossing van de wacht dus. Maar precies het tegenovergestelde: ieder op de eigen post. En zo bruggen bouwen naar elkaar. Elkaar verrijken. Elkaar bekeren hoeft niet, mag niet. Is de Jood niet net als de oudste zoon uit de gelijkenis van de verloren zoon allang bij de Vader?
Luisterend getuigen

In diepe ootmoed en (naar ik hoop) met een recht Bijbels zicht op Israël kom ik ook hier tot enkele kritische vragen.



  • Realiseer ik me wel goed, als ik de gedachte van de tweewegenleer afwijs, dat ik in de ontmoeting met het Joodse volk te doen heb met een volk, dat de Tenach (O.T.) bezit? En maakt dat een ontmoeting niet geheel anders dan bijvoorbeeld met een Boeddhist? Ik kan Israël moeilijk echt ontmoeten, als ik niet bereid ben te luisteren, ook naar hun verstaan van de Schriften. En: is dat niets, als het Joodse volk bij de klaagmuur op Vrijdagavonden uitroept:

Is er geen balsem in Gilead, is er geen heelmeester aldaar? (Jer.8 : 22a).

Welk is het voordeel van de Jood? Hun zijn de woorden van God toebetrouwd" (Rom.3 : 1vv). Rebekka de Graaff pleegde nogal eens te zeggen, dat zij door het lezen van Tenach tot de kennis van Jezus Christus was gekomen;



  • Luisteren. Maar waarom zou in een eerlijke ontmoeting dan niet ook het christelijk getuigenis gehoord mogen worden? ‘Wij kunnen niet niet-spreken’ (Hand.4 : 20). Is een ontmoeting tussen kerk en Israël wel belangwekkend, als van beide kanten elke begeerte om de ander de waarheid van zijn geloof te betuigen, ontbreekt? Wordt zo’n ontmoeting niet pas echt belangwekkend en zegenrijk, wanneer inderdaad de waarheidsvraag in geding wordt gebracht?

Rabbi van der Kamp (Den Haag) zei ons eens, dat een gesprek over Jezus voor hem niet interessant was (het antwoord op de vraag, wie Jezus is, is volgens hem in het Jodendom allang beantwoord). Maar bij een andere gelegenheid zei hij tevens, dat hij van een christen niet verwacht, dat deze over Jezus als ‘de man van Nazareth’ praat. En misschien is het voor rabbi Van der Kamp toch ook een vraag waard, hoe er verlossing zal komen in een mensenleven en op aarde en of de Thora alleen daartoe genoegzaam is. Tenslotte was het die vraag ook, die rabbi Paulus aan de voet van het kruis bracht.

  • Luisterend getuigen en getuigend luisteren. Heel ootmoedig. Want het zogenaamd christelijke westen wordt er onder Israël op aangezien de moord op 6 miljoen Joden op zijn geweten te hebben. Zouden Messiasbelijdende Joden, hoezeer juist zij onder Israël vaak als afvalligen worden beschouwd, als verloochenden zij hun Jood-zijn, hier niet in het bijzonder een taak hebben?

Ik eindig met de onvergetelijke woorden van Paulus: ‘Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees, welke lsraëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen’.




1 Deze voordracht is o.a.gehouden op de nascholingsdag voor docenten godsdienst voortgezet reformatorisch onderwijs, georganiseerd door de Commissie Nascholing Reformatorisch Onderwijs (ONRO), d.d. 22 maart 1996 te Gouda.



Dovnload 43.8 Kb.