Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Afvalwater en waterbesparing

Dovnload 85.11 Kb.

Afvalwater en waterbesparing



Datum02.01.2019
Grootte85.11 Kb.

Dovnload 85.11 Kb.

Landelijke redactie standaardteksten omgevingsvergunning

Laatst bijgewerkt: mei 2017



  1. AFVALWATER EN WATERBESPARING

    1. Kaderstellende documenten

      1. Algemeen beleid afvalwater

De uitgangspunten voor de bescherming tegen verontreiniging door de lozing van afvalwater zijn vastgelegd in de Waterwet, de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit en de Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer.
De drie belangen die deze wetten en regeling voor afvalwater voorstaan zijn:

  • De doelmatige werking van het rioolstelsel en de verwerking van het slib uit dit riool;

  • De doelmatige werking van de (externe) afvalwaterzuiveringsinstallatie;

  • De bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam.

Bij de toepassing van de geldende regelgeving moet onderscheid gemaakt worden tussen directe en indirecte lozingen.


Uitleg over lozingsroutes en bevoegd gezag:

http://www.infomil.nl/onderwerpen/klimaat-lucht/handboek-water/thema's/lozen-(-afvalwater)/lozingsroutes/


Directe lozing

Het direct lozen van afvalstoffen, schadelijke of verontreinigende stoffen op oppervlaktewater is Waterwet-vergunningplichtig, tenzij de vergunningplicht is opgeheven door algemene regels (artikel 6.2 Waterwet).

Bij vergunningplicht verleent de desbetreffende waterkwaliteitsbeheerder (bv. waterschap, Hoogheemraadschap, zuiveringschap of Rijkswaterstaat) de Watervergunning.

Op grond van § 14.1 Wm hebben Gedeputeerde staten van de provincie een taak om de coördinatie tussen beschikkingen op grond van verschillende wetten te bevorderen. Dit kan bijvoorbeeld een rol spelen in geval een inrichting naast een Omgevingsvergunning tevens een Watervergunning moet hebben. Bij de vergunningverlening van inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort is deze coördinatie verplicht. Voor de overige niet IPPC-inrichtingen geldt dat Gedeputeerde Staten zijn gehouden een gecoördineerde behandeling van de aanvragen te bevorderen, indien de aanvrager of een betrokken bestuursorgaan daarom een verzoek indient.


Toelichting bevoegd gezag:

1: Een bedrijf loost hemelwater via een bedrijfsriool. Op deze leiding zijn er geen andere aansluitingen. Deze leiding komt uit in een oppervlaktewater. Dan is er sprake van directe lozing waarvoor het waterschap bevoegd gezag is.


2: Bedrijf X loost hemelwater via een bedrijfsriool. Deze leiding is aangesloten op het hemelwaterriool van het naastgelegen bedrijf Y. Lozing vanuit bedrijf X is een indirecte lozing waarvoor het wabo bevoegd gezag bevoegd is. Lozing vanuit bedrijf Y is een directe lozing waarvoor het waterschap bevoegd is.
3: Een bedrijf loost hemelwater via een bedrijfsriool. Indien deze bedrijfsleiding aangesloten is op een gemeentelijke rioolput, die direct uitmond in een oppervlaktewater dan is er sprake van indirecte lozing waarvoor het wabo bevoegd gezag bevoegd is.
Indirecte lozing

Indirecte lozingen zijn lozingen die niet direct op het oppervlaktewater uitkomen, maar bijvoorbeeld eerst op een bedrijfsriolering of ander tussenliggend (zuiverings)werk van een bedrijf. Het betreft meestal lozingen op het gemeentelijk riool, van waaruit het afvalwater in een rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: RWZI) wordt gebracht.


De indirecte lozingen worden sinds de inwerkingtreding van de Waterwet volledig in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 8), het Activiteitenbesluit en de Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer geregeld. Indirecte lozingen, anders dan vanuit inrichtingen, vallen onder hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer. Bij het merendeel van de inrichtingen is sprake van een indirecte lozing. Dit kaderstellende document beperkt zich dan ook tot deze situatie.
Rechtstreeks lozen op een zuiveringtechnisch werk

Indien een bedrijf zijn afvalwater via een leiding afvoert naar een (niet particulier) RWZI en er verder geen lozingen op die leiding plaatsvinden, dan kan die leiding niet gezien worden als een riool op basis van de definitie van de Wet milieubeheer. Een vuilwaterriool is namelijk een voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater. In dit geval wordt immers niet ingezameld, wel afgevoerd. De beheerder van de RWZI, het waterschap, is dan bevoegd gezag voor deze lozing, er is een Watervergunning benodigd. Er geldt een coördinatieplicht voor de Wabo vergunning en Watervergunning bij een inrichting waartoe een IPPC installatie behoort.


Zodra er meerdere lozers op die gemeentelijke leiding zijn aangesloten is wel sprake van inzameling en dus van riolering. Deze lozing is dan een indirecte lozing waarvoor de wabo bevoegd gezag bevoegd is.
Samenwerking met rioolbeheerder en waterkwaliteitsbeheerder

In het geval dat de gemeente niet zelf bevoegd gezag is voor een lozing in de riolering, wordt van het bevoegd gezag verwacht in goede afstemming met de desbetreffende gemeente tot adequate lozingsvoorschriften te komen. Soms stelt het rioolstelsel bepaalde eisen aan de lozingen, bijvoorbeeld het maximale debiet dat geloosd kan worden, ook is de kwaliteit van het te lozen water belangrijk i.v.m. aantasting van het riool.


Bij indirecte lozingen heeft de waterkwaliteitsbeheerder adviesrecht (artikel 2.26 van de Wabo) bij de vergunningprocedure. Dit advies is bindend voor zover het betrekking heeft op de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk of overschrijding van de grenswaarden kwaliteit oppervlaktewater (H.5 Wm en 2.16 lid 2 Wabo). De Unie van waterschappen adviseert de waterschappen, zuiveringschappen of Hoogheemraadschappen om actief gebruik te maken van dit adviesrecht. De meeste bevoegde gezagen hebben als uitgangspunt gekozen de adviezen van de waterkwaliteitsbeheerder in alle gevallen als bindend toe te passen.

Een advies van de waterkwaliteitsbeheerder kan bestaan uit deelname aan het vooroverleg met de aanvrager, een volledig pakket overwegingen met voorschriften, en deelname in de verdere procedure. De gekozen inzet is afhankelijk van het type bedrijf en de problematiek.

Wanneer een bindend advies is ontvangen is het noodzakelijk bij de overwegingen te kiezen voor het integraal overnemen van de tekst van het advies of te verwijzen naar een bijlage waarin het advies is opgenomen. Deze keuze ligt bij het bevoegd gezag. In dit kader wordt hier verder niet op ingegaan.
Milieuregels

Voorschriften in hoofdstuk drie van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn direct werkend, ook voor inrichtingen waar IPPC-activiteiten plaatsvinden en kunnen niet in de omgevingsvergunning opgenomen worden. Als een IPPC-activiteit wordt gewijzigd, moet de omgevingsvergunning worden aangepast. Met andere activiteiten is dit niet altijd nodig en kan soms met een melding worden volstaan. De Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer is van toepassing op inrichtingen waar lozingen in de riolering plaatsvinden. Dit besluit is gericht aan het bevoegde gezag voor inrichtingen die onder de Wet milieubeheer vallen en hierin is aangegeven dat er voorschriften in een omgevingsvergunning moeten worden opgenomen waarmee de milieubelasting als gevolg van lozingen van afvalwater zo veel als mogelijk wordt beperkt. Feitelijk heeft dit besluit geen toegevoegde waarde, want dit is al in de Wet milieubeheer geregeld.


Indirecte lozingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is kunnen in de volgende categorieën worden opgedeeld:
1. Lozingen vanuit inrichtingen type C zoals gedefinieerd onder het Activiteitenbesluit met lozingen die niet onder het Activiteitenbesluit vallen.

Afhankelijk van de complexiteit van de inrichting en de tussen de wabo bevoegd gezag en de waterkwaliteitsbeheerder gemaakte afspraken kan/zal de waterkwaliteitsbeheerder een bindend advies indienen. De Wabo bepaalt wanneer het advies bindend is.


2. Lozingen vanuit inrichtingen type C zoals gedefinieerd onder het Activiteitenbesluit met lozingen die gedeeltelijk wel en gedeeltelijk niet onder het Activiteitenbesluit vallen

Bij dit type inrichting zal gezien de complexiteit de waterkwaliteitsbeheerder van mening zijn dat een bindend advies noodzakelijk is. De Wabo bepaalt wanneer het advies bindend is.


3. Lozingen vanuit Inrichtingen type C zoals gedefinieerd onder het Activiteitenbesluit met alleen lozingen die onder hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit vallen. Dergelijke lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Incidenteel kunnen maatwerkvoorschriften worden toegepast. Het betreft indirecte lozingen als gevolg van de volgende activiteiten:

  • § 3.1.1 Lozen van grondwater bij bodemsanering en proefbronnering;

  • § 3.1.2 Lozen van grondwater bij ontwatering;

  • § 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • § 3.1.4 Behandelen van huishoudelijk afvalwater op locatie;

  • § 3.1.4a Behandeling van stedelijk afvalwater;

  • § 3.1.5 Lozen van koelwater;

  • § 3.1.6 Lozen ten gevolge van werkzaamheden aan vaste objecten;

  • § 3.1.7 Handelingen in een oppervlaktewaterlichaam;

  • § 3.1.8 Lozen ten gevolge van schoonmaken van drinkwaterleidingen;

  • § 3.1.9 Lozen van afvalwater ten gevolge van calamiteitenoefeningen;

  • § 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof …… wegverkeer;

  • § 3.3.2 Het wassen van motorvoertuigen of carrosserieonderdelen daarvan;

  • § 3.3.3 Het demonteren van autowrakken;

  • § 3.3.5 Afmeren van pleziervaartuigen;

  • § 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen;

  • § 3.4.5 Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen;

  • § 3.5.1 Telen of kweken van gewassen in een kas;

  • § 3.5.2 Telen en kweken van gewassen in een gebouw, anders dan in een kas;

  • § 3.5.3 Telen van gewassen in de open lucht;

  • § 3.5.4 Waterbehandeling voor agrarische activiteiten;

  • § 3.5.5 Aanmaken of transporteren gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen;

  • § 3.5.6 Het behandelen van gewassen;

  • § 3.5.8 Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;

  • § 3.6.1 Bereiden van voedingsmiddelen;

  • § 3.6.2 Slachten van dieren en bewerken dierlijke producten;

  • § 3.6.3 Industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen;

  • § 3.7.4 Recreatieve visvijvers;

  • § 3.8.1 Tandheelkunde.

      1. Algemeen beleid waterbesparing

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kent regels over de verruimde reikwijdte. Overheden zijn op grond van de Wabo verplicht de preventieonderwerpen (verkeer en vervoer, energiebesparing, preventie van afvalstoffen en het ontstaan van afvalwater) te betrekken bij de vergunningverlening en handhaving. Daarbij vormt redelijkheid het uitgangspunt. Preventie is ten eerste niet bij alle bedrijven relevant. Ten tweede zal het bevoegd gezag bij bedrijven waarbij preventie wel relevant is zorgvuldig de afweging moeten maken welke preventie-inspanningen redelijkerwijs van de inrichting kunnen worden verlangd.
De onderdelen afvalpreventie, afvalscheiding, energiebesparing en vervoersmanagement worden behandeld in andere specifieke kaderstellende documenten. Dit document gaat alleen in op waterbesparing.


      1. Lokaal beleid

Lokaal beleid bepaalt welke (huishoudelijke)afvalwaterstromen niet op het openbaar riool hoeven te worden aangesloten. Provinciaal beleid bevat onder andere beleid ten aanzien van milieubeschermingsgebieden.

      1. Europese wetgeving

De EG-richtlijnen zijn (grotendeels) geïmplementeerd in nationale regelgeving; de Kaderrichtlijn water is geïmplementeerd o.a. in de Waterwet.

Er zijn geen Europese verordeningen die van belang zijn voor de wabo vergunningverlening betreffende indirecte lozingen.

Er is geen beleid bekend dat consequenties heeft voor de in dit document opgenomen overwegingen of voorschriften. Voor IPPC inrichtingen kunnen in o.a. de BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling BBT maatregelen staan voor (het lozen van) afvalwater.


      1. Nationale wetgeving afvalwater

  • Wet milieubeheer;

  • Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer;

  • Waterwet;

  • Activiteitenbesluit.

      1. Nationale wetgeving waterbesparing


Artikel 1.1 lid 2c van de Wm

In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder bescherming van het milieu mede verstaan de verbetering van het milieu, de zorg voor een doelmatig beheer van afvalstoffen of een doelmatig beheer van afvalwater, de zorg voor een zuinig gebruik van energie en grondstoffen, alsmede de zorg voor de beperking van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting.


Artikel 5.7 van het Besluit omgevingsrecht (behorende bij de Wabo)

Aan de omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de wabo worden in ieder geval de voor de betrokken activiteit in aanmerking komende voorschriften verbonden met betrekking tot:



  1. een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;

  2. de bescherming van bodem en grondwater;

  3. het voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen en afvalwater en, voor zover dat niet mogelijk is, het doelmatig beheer van afvalstoffen en van afvalwater;

  4. het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting;

  5. het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte verontreinigingen over lange afstand of grensoverschrijdende verontreinigingen;

  6. het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden;

  7. het voorkomen van ongevallen en het beperken van de gevolgen van ongevallen;

  8. het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie.

      1. Richtlijnen

Er zijn geen richtlijnen bekend die consequenties hebben voor de in dit document opgenomen overwegingen of voorschriften.

      1. Jurisprudentie

Er is geen recente jurisprudentie bekend die consequenties heeft voor de in dit document opgenomen overwegingen of voorschriften.


    1. Selectiepakket overwegingen

De teksten uit dit selectiepakket zijn bruikbaar voor inrichtingen met een indirecte lozing, waarbij geen bindend advies van de waterkwaliteitsbeheerder is ontvangen.

      1. Het kader voor de bescherming tegen verontreiniging door de lozing van afvalwater

A. Onderstaande opnemen voor: Lozingen die niet onder het Activiteitenbesluit vallen

Binnen de inrichting is er spraken van lozingen waarvoor de Instructie-regeling lozingsvoorschriften milieubeheer van toepassing is. In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuiveringtechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringtechnisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden, die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.


B. Onderstaande opnemen voor: Lozingen die gedeeltelijk wel en gedeeltelijk niet onder het Activiteitenbesluit vallen

Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtsreeks gelden. Het betreft de volgende activiteiten:



<>.

Dergelijke lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning.


Voor lozingen vanuit de volgende activiteiten is de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer” van toepassing:

<>
In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuiveringtechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringtechnisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden, die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.
C. Onderstaande opnemen indien: uitsluitend lozingen vanuit hoofdstuk 3 activiteiten van het Activiteitenbesluit plaatsvinden

Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtsreeks gelden. Het betreft de volgende activiteiten:



<>.

Dergelijke lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning.




      1. De in de aanvraag opgenomen maatregelen en voorzieningen ter bescherming tegen verontreiniging door lozing van afvalwater

[Beschrijf de in de aanvraag opgenomen maatregelen en voorzieningen ter bescherming van het milieu op dit aspect]



      1. Beoordeling en conclusie

Keuzetekst 1A en B: Voor lozingen die niet of alleen gedeeltelijk onder het Activiteitenbesluit vallen en

geen extra voorzieningen noodzakelijk zijn

De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen ...[naar verwachting]... leiden tot een acceptabel lozingsniveau, dat in overeenstemming is met genoemde doelstellingen. Wij achten deze situatie vergunbaar. Aan deze vergunning zijn uitsluitend de voorschriften voortvloeiend uit de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer” opgenomen.


Keuzetekst 1C: Voor lozingen die onder het Activiteitenbesluit vallen en

geen extra voorzieningen noodzakelijk zijn

De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen ...[naar verwachting]... leiden tot een acceptabel lozingsniveau, dat in overeenstemming is met de in het Activiteitenbesluit opgenomen doelstellingen.
Keuzetekst 2: wel extra voorzieningen noodzakelijk. Nagegaan moet worden of door te treffen voorzieningen de grondslag van de aanvraag wordt verlaten. Indien dit het geval is moet de aangevraagde vergunning worden geweigerd.

De in de aanvraag vermelde maatregelen en voorzieningen ter beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende en schadelijke stoffen, bieden een onvoldoende beschermingsniveau. In verband daarmee is het noodzakelijk dat de volgende voorzieningen getroffen worden: [benoemen plaats of activiteit]. De hiervoor noodzakelijke voorschriften zijn aan deze vergunning verbonden. Tevens zijn de voorschriften voortvloeiend uit de Instructie-regeling lozingsvoorschriften milieubeheer opgenomen.


Tekst voor alle situaties; hydraulische capaciteit

In de aanvraag is een lozing van afvalwater op het gemeentelijk [schoon/vuil] waterriool opgenomen. Aandachtspunt bij lozing van afvalwaterstromen op het gemeentelijk [schoon/vuil] waterriool is de hydraulische capaciteit van dit riool.

Gelet op de omvang van de lozing in relatie tot deze hydraulische capaciteit bestaat er geen bezwaar tegen deze lozing. [Dit blijkt uit het contact dat wij hierover hebben opgenomen met de [naam beheerder], zijnde de beheerder van dit rioolstelsel.]
Keuzetekst indien ervoor gekozen wordt de vangnetbepaling uit te werken.

Ten behoeve van een effectieve handhaving zijn in deze vergunning de bovengenoemde voorschriften aangevuld met een aantal voorschriften met betrekking tot de aanwezigheid van een controleput en, ter bescherming van het openbaar riool, parameters die beperkend zijn voor de corrosieve eigenschappen van het afvalwater.


Toelichting:

Nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden indien afvalwater wordt geloosd:

- met een temperatuur hoger dan 30 °C;

- met een pH lager dan 6,5 of hoger dan 10;

- met een sulfaatconcentratie hoger dan 300 mg/l;

- dat brand- of explosiegevaar kan veroorzaken of;

- dat door een beerput, rottingsput of septictank is geleid.
Indien deze parameters worden overschreden dan kan dit met een goede onderbouwing en met een positief advies van het waterschap worden vergund. De maximale duur en omvang van de overschrijding(en) dient te worden vastgelegd in (maatwerk)voorschriften.

In de toelichting van het Activiteitenbesluit staat dat er bewust niet is gekozen om deze parameters in het Activiteitenbesluit op te nemen. Wel is de mogelijkheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen voor deze parameters o.g.v. artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit.



      1. Waterbesparing


Algemeen

De winning van drinkwater kost geld, grondstoffen en energie. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de verruimde reikwijdte in de Wabo. Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is. Het gebruik van drinkwater als koelwater bijvoorbeeld moet zoveel mogelijk worden voorkomen.


Grondwater

Voor het onttrekken van grondwater is een ontheffing benodigd. De grondwaterwet ziet hierop toe. Wij mogen dientengevolge in deze vergunning geen eisen stellen aan de winning van grondwater.


De Wabo verplicht ons echter wel te toetsen of grondstoffen doelmatig worden gebruikt. We moeten voorkomen dat afvalwater ontstaat en als dat niet mogelijk is moeten we het doelmatig beheer van afvalwater bevorderen.
Binnen de inrichting wordt <...hoeveelheid...> m3 grondwater verbruikt. Wij zijn daarom van mening dat het in deze situatie <...wel/niet...> nodig is om voorschriften met betrekking tot beperking van het grondwaterverbruik in de vergunning op te nemen.
Het relevantiecriterium voor waterverbruik is niet in wet- en regelgeving uitgewerkt. Hiertoe zal het bevoegd gezag beleid moeten vaststellen. Desgewenst aansluiten bij grondwateronttrekkingvoorwaarden, in casu 12.000 m3 per kwartaal.
Afhankelijk van de situatie één van de volgende drie opties gebruiken.
Het grondwater wordt gebruikt voor <...>. Er zijn geen alternatieven beschikbaar.
Het grondwater wordt gebruikt voor <...>. Uit de aanvraag blijkt niet dat er geen alternatieven voorhanden zijn. In de voorschriften is daarom een verplichting opgenomen om binnen <...termijn...> een rapportage te overleggen waarin de (on)mogelijkheden van de verschillende alternatieven zijn beschreven.
Het grondwater wordt gebruikt voor <...>. Hiervoor zijn alternatieven aanwezig in de vorm van <...>. Binnen <...termijn...> moet een plan van aanpak worden overgelegd voor het overschakelen op <...>.
Drinkwaterverbruik

Het totale drinkwaterverbruik van aanvraagster bedraagt …[…] ... m3 per jaar.

Het richtinggevend relevantiecriterium voor waterbesparing is een verbruik van meer dan …[…]… m3 op jaarbasis.
Het relevantiecriterium voor waterverbruik is niet in wet- en regelgeving uitgewerkt. Hiertoe zal het bevoegd gezag beleid moeten vaststellen.

Er is …[…wel/geen…]… sprake van overschrijding van het relevantiecriterium zoals wij die voor het drinkwaterverbruik hebben gesteld. …[…Verder zien wij ook geen directe mogelijkheden tot beperking van dit verbruik…]….

Door aanvraagster zijn de besparingsmogelijkheden om het verbruik van drinkwater terug te dringen …[…wel/niet…]… onderzocht.

Wij zijn daarom van mening dat het in deze situatie …[…wel/niet…]… nodig is om voorschriften met betrekking tot beperking van het drinkwaterverbruik in de vergunning op te nemen.




    1. Selectiepakket voorschriften

Bij combinatie van een indirecte lozing met een directe lozing op het oppervlaktewater mogen ten aanzien van de directe lozing geen voorschriften worden opgenomen in de Wabo-vergunning maar ten aanzien van indirecte lozing wel. Voor de directe lozing is immers de Waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag.

Dit selectiepakket beperkt zich dan ook tot indirecte lozingen.


In het Activiteitenbesluit zijn voor een aantal afvalwaterstromen algemene regels gesteld. Voor deze stromen hoeven dus geen voorschriften te worden gesteld. Een voorbeeld hiervan is huishoudelijk afvalwater dat op een openbaar riool wordt geloosd.
Verder geldt voor alle lozingen dat beoordeeld moet worden of het mogelijk is om de lozing van niet verontreinigd hemelwater “af te koppelen” van het vuilwaterriool. Het afkoppelen kent een groot aantal voordelen waaronder vermindering van overstorten uit het rioolstelsel, een beter zuiveringsrendement van de RWZI en eventueel aanvulling van het grondwater. Het afkoppelen van niet verontreinigd hemelwater is geregeld in het Activiteitenbesluit.
Voor alle lozingen geldt dat beoordeeld moet worden of de hydraulische capaciteit van het (openbaar) vuilwaterriool waarop de lozing plaatsvindt voldoende is. De beheerder van het (openbaar) vuilwaterriool kan een maximaal debiet vaststellen. Meestal is dit de gemeente.
Op de lozing van afvalwater op een openbaar riool is de Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer van toepassing. Op grond van deze instructieregeling moeten vangnetvoorschriften opgenomen worden met betrekking tot de doelmatige werking van het openbaar riool, een zuiveringtechnisch werk, of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringtechnisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden, die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet negatief door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd.

Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.





      1. Begrippen

        Afvalwater

        Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen.

        Bedrijfsafvalwater

        Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater.

        Bedrijfsriolering

        Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater.

        Hemelwater

        Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel.

        Huishoudelijk afvalwater

        Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens.

        Openbaar riool

        Voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer.

        Riolering

        Bedrijfsriolering of openbare riolering.







      2. Algemeen

        1. Bedrijfsafvalwater mag uitsluitend in een openbaar vuilwaterriool worden gebracht, als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan:

  • de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool of de bij een zodanig openbaar vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk behorende apparatuur;

  • de verwerking niet wordt belemmerd van slib, verwijderd uit een openbaar vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk;

  • de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt.

        1. Bedrijfsafvalwater dat op het riool wordt geloosd <> moet aan de volgende eisen voldoen:

  • de temperatuur in enig steekmonster mag niet hoger zijn dan 30°C, bepaald volgens NEN 6414 (2008);

  • de zuurgraad, uitgedrukt in pH-eenheden, mag niet lager dan 6,5 en niet hoger zijn dan 10 in een steekmonster, bepaald volgens NEN-ISO 10523 (2012);

  • het sulfaatgehalte in enig steekmonster mag niet meer dan 300 mg/l bedragen, bepaald volgens NEN-ISO 22743:2006 of NEN-ISO 22743:2006/C1:2007.

Als de vergunninghouder gebruik wil maken van een andere analyse of methode, moet deze geaccrediteerd zijn door de Raad van Accreditatie, of moet door de vergunninghouder worden aangetoond dat verkregen analyseresultaten vergelijkbaar zijn met de analyse volgens de NEN-norm.
Toelichting: dit voorschrift is een nadere uitwerking van de vangnetbepaling zoals opgenomen in het eerste voorschrift van deze paragraaf. Indien aan dat voorschrift wordt voldaan dan wordt ook aan de overige voorschriften van deze paragraaf voldaan waardoor het feitelijk niet nodig is deze voorschriften op te nemen.

Echter in verband met de handhaafbaarheid van de vangnetbepaling is het gewenst maar niet strikt noodzakelijk om de vangnetbepaling nader uit te werken. Indien wordt besloten deze voorschriften op te nemen moet een goede afstemming met de waterkwaliteitsbeheerder plaatsvinden.

Het verdient de voorkeur om tijdens het vooroverleg afspraken te maken over welke afvalwaterstromen moeten worden afgekoppeld en dit terug te laten komen in de aanvraag.


        1. De volgende stoffen mogen niet worden geloosd:

  • stoffen die brand- en explosiegevaar kunnen veroorzaken;

  • stoffen die stankoverlast buiten de inrichting kunnen veroorzaken;

  • stoffen die verstopping of beschadiging van een openbaar vuilwaterriool of van de daaraan verbonden installaties kunnen veroorzaken;

  • grove afvalstoffen en snel bezinkende afvalstoffen.

Toelichting: dit voorschrift is een nadere uitwerking van de vangnetbepaling zoals opgenomen in het eerste voorschrift van deze paragraaf. Indien aan dat voorschrift wordt voldaan dan wordt ook aan de overige voorschriften van deze paragraaf voldaan waardoor het feitelijk niet nodig is deze voorschriften op te nemen.

Echter in verband met de handhaafbaarheid van de vangnetbepaling is het gewenst maar niet strikt noodzakelijk om de vangnetbepaling nader uit te werken. Indien wordt besloten deze voorschriften op te nemen moet een goede afstemming met de Waterkwaliteitsbeheer plaatsvinden.

Het verdient de voorkeur om tijdens het vooroverleg afspraken te maken over welke afvalwaterstromen moeten worden afgekoppeld en dit terug te laten komen in de aanvraag.



      1. Preventieplan waterbesparing

        1. Vergunninghouder moet binnen [...termijn...], nadat de vergunning in werking is getreden, een preventieplan overleggen waarin wordt beschreven hoe het verbruik van drinkwater wordt beperkt.

In het preventieplan moet zijn aangegeven welke maatregelen voor de volgende 4 jaar als zeker, onzeker en voorwaardelijk moeten worden aangemerkt. Het plan moet zijn opgesteld met behulp van de hulpmiddelen en informatiebronnen voor mogelijke besparing van drinkwater uit bijlage D van het Werkboek Wegen naar preventie bij bedrijven.
In dit voorschrift is een verplichting opgenomen waarop het bevoegd gezag op enig moment een oordeel heeft en waarbij rechtsgevolgen aan de orde kunnen zijn. Formeel kan dat alleen met een goedkeuringsconstructie (zie algemene voorschriften) maar geadviseerd wordt met een dergelijke constructie terughoudend om te gaan.

In juridische zin heeft het de voorkeur dat een dergelijk plan reeds in het vooroverleg is doorgesproken en bij de aanvraag is gevoegd. In voorkomende gevallen kan een preventieplan echter ook door middel van dit voorschrift worden gevraagd. In de considerans moet dan wel worden gemotiveerd waarom een dergelijk plan in de aangevraagde situatie zinvol zou kunnen zijn.

In voorkomende gevallen kan dit voorschrift worden samengevoegd met de onderdelen afvalpreventie en energie.


        1. Vergunninghouder moet het [bij de aanvraag gevoegde/in voorschrift 1.3.3.1 bedoelde] preventieplan uitvoeren binnen de daarin aangegeven termijnen. Indien de onzekere of voorwaardelijke maatregelen niet worden uitgevoerd moet dit worden gemotiveerd.

Dit voorschrift altijd toenemen, zodat het uitvoeren van het plan eenvoudig kan worden gehandhaafd.

LET OP: in dit voorschrift wordt terugverwezen naar een ander voorschrift. Bij aanpassing van de IPO tekst moet de terugverwijzing handmatig worden aangepast.


        1. Indien vergunninghouder een maatregel wil vervangen door een gelijkwaardige maatregel, moet dit voornemen [maanden voor de voorgenomen uitvoering] aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Vergunninghouder moet daarbij aantonen dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de in het plan gestelde preventiedoelstelling.

      1. Registratie

        1. Vergunninghouder moet de jaarrekening van het waterverbruik binnen de inrichting bewaren. De gegevens moeten naar herkomst (drinkwater, grondwater en oppervlaktewater) worden geregistreerd (in m3).

Dit voorschrift kan geïntegreerd worden in het algemene registratievoorschrift uit het LRSO document “Algemene voorschriften”.





LRSO Afvalwater en waterbesparing 22 Pagina van


  • Algemeen beleid waterbesparing
  • Nationale wetgeving afvalwater
  • Selectiepakket overwegingen
  • De in de aanvraag opgenomen maatregelen en voorzieningen ter bescherming tegen verontreiniging door lozing van afvalwater
  • Beoordeling en conclusie
  • Waterbesparing Algemeen
  • Selectiepakket voorschriften
  • Preventieplan waterbesparing

  • Dovnload 85.11 Kb.