Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Algemeen handelsblad

Dovnload 405.37 Kb.

Algemeen handelsblad



Pagina2/7
Datum25.10.2017
Grootte405.37 Kb.

Dovnload 405.37 Kb.
1   2   3   4   5   6   7


2. Korte geschiedenis van de Vietnamoorlog

De Vietnamoorlog (1963-1975) was een strijd tussen Zuid-Vietnam, dat gesteund werd door de Verenigde Staten, en Noord-Vietnam, dat nauwe banden had met de Sovjet-Unie en China. Van 1946 tot 1954 hadden de Fransen ook al gevochten in Vietnam, tijdens de oorlog in Indochina.

De oorlog in Indochina was een koloniaal conflict. Vietnam hoorde bij Indochina en was een kolonie van Frankrijk. Vietnamese strijders, de Vietminh, streden onder leiding van Ho Chi Minh voor onafhankelijkheid en Frankrijk bestreed de Vietminh met een bombardement op de havenstad Tonkin in 1946. Frankrijk werd in het geheim gesteund door bondgenoot Amerika, want Amerika dacht dat een geheel communistisch Vietnam onder het bewind van Ho Chi Minh de machtsbalans in de wereld ernstig zou verstoren. Aan de oorlog kwam een einde na de overgave van de Fransen na de slag bij Dien Bien Phu. Indochina en de Vietnamese kwestie waren vervolgens onderwerp van gesprek tijdens de Conferentie van Genève in 1954, waar een onmiddellijke wapenstilstand werd gesloten tussen Frankrijk en de Vietminh. Als oplossing voor de problemen werd een akkoord bereikt, waarbij Vietnam tot de nationale verkiezingen in 1956 tijdelijk werd opgedeeld in twee delen: Noord-Vietnam onder bewind van Ho Chi Minh en Zuid-Vietnam bestuurd door de pro-westerse Ngo Dinh Diem. Hanoi werd de hoofdstad van Noord-Vietnam, Saigon van Zuid-Vietnam. Ho Chi Minh stemde in met het opgeven van gebieden van de Vietminh in Zuidelijk Vietnam, omdat hij verwachtte de geplande nationale verkiezingen te gaan winnen en zo Zuid-Vietnam toch terug te krijgen. Amerika wilde koste wat kost voorkomen dat Zuid-Vietnam in de toekomst zou worden ingelijfd door Noord-Vietnam. Amerika wilde het communisme een halt toeroepen en was zelfs bereid oorlog te voeren om dit te bereiken.

Het imago van de Amerikaanse president John F. Kennedy had in 1961 schade opgelopen door het Varkensbaai-incident. Door Amerika gesteunde Cubaanse bannelingen probeerden een coup tegen het communistische regime van Fidel Castro te plegen. Dit liep echter uit op een mislukking. Ook de bouw van de Berlijnse muur, die een scheiding bracht tussen communistisch Oost-Berlijn en kapitalistisch West-Berlijn schaadde het imago van Kennedy. Kennedy vond dat Amerika een vuist moest maken tegen het communisme en Vietnam was de aangewezen plek om dit te doen. Manschappen en materieel werden verscheept naar Vietnam en Kennedy weekte 500 miljoen dollar los bij het Congres om ten strijde te trekken. In 1963 werd Kennedy echter vermoord en trad Lyndon B. Johnson aan als president. Hij zette het beleid van Kennedy ten aanzien van Vietnam voort.

Het bericht dat Amerikaanse marineschepen bij Vietnam door Noord-Vietnamezen werden aangevallen, werd aangegrepen om op 31 januari 1965 grootschalige bombardementen op Vietcong-doelen in Vietnam te beginnen. Daarna volgde een invasie van grondtroepen in maart. Johnson stuurde steeds meer troepen naar Vietnam en de soldaten die naar het front moesten, werden steeds jonger en waren steeds slechter getraind. Naarmate meer Amerikaanse soldaten en Vietnamese burgers omkwamen, groeide het protest tegen de oorlog in Amerika en in de rest van de wereld.
In 1968 escaleerde de strijd in Vietnam. Vanaf het begin van het jaar waren er zware gevechten. Een jaar later trad Johnson gedesillusioneerd af. Nixon volgde hem op en was van plan een einde te maken aan de oorlog. Geleidelijk trok Nixon troepen terug uit Vietnam. Op het hoogtepunt van de oorlog waren er meer dan een half miljoen Amerikaanse soldaten in Vietnam. Nixon bracht dit aantal in 1970 terug tot 280.000 en in 1971 tot 140.000. De protesten namen echter niet af, want nog steeds vielen er in Vietnam veel slachtoffers onder de Amerikaanse militairen en Vietnamese burgers. Vooral onder studenten leefde het protest. Om de Noord-Vietnamezen aan de onderhandelingstafel te krijgen bleef Nixon bombarderen in Vietnam. Ondanks een officieel staakt-het-vuren-verdrag, getekend op 27 januari 1973 in Parijs, werd er nog gevochten tot de chaotische, massale terugtrekking van de Amerikanen uit Saigon in 1975. Vietnam werd omgedoopt tot Socialistische Republiek Vietnam, met Hanoi als hoofdstad. Saigon werd Ho Chi Minhstad. De Vietnamoorlog had voor Amerika een desastreuze afloop.


3. Korte geschiedenis van de behandelde keerpunten in de Vietnamoorlog

Een aantal keerpunten in de Vietnamoorlog zijn van groot belang geweest voor het verloop van de oorlog. In deze scriptie is de berichtgeving in vier kranten ten tijde van drie grote keerpunten geanalyseerd: het Tet-offensief van 1968, de openbaringen van My Lai in 1969 en de publicaties van de Pentagon Papers in 1971. In dit hoofdstuk zullen de keerpunten kort besproken worden.

3.1. Het Tet-offensief

Eind 1967 kwam het hoofd van de Amerikaanse strijdkrachten in Saigon, Generaal Westmoreland, naar Amerika om uit te leggen waar Amerika stond in de oorlog. Westmoreland schetste een positief beeld van vooruitgang en legde uit dat de Noord-Vietnamezen “bankroet” waren en op hun laatste benen liepen.6 De vijand trok zich steeds verder terug in Noord-Vietnam en de Amerikanen zouden binnen twee jaar troepen gaan terugtrekken. Deze goede berichten van Westmoreland waren een geruststelling voor het congres, de pers en de Amerikaanse burgers. De Amerikanen hadden gerekend op een kortere oorlog, met minder Amerikaanse slachtoffers.

Mede door de misleidende berichtgeving van Westmoreland hadden weinig Amerikanen de Vietcong in het begin van 1968 sterk genoeg geacht voor een grootschalige aanval. Des te groter was de schok na het Tet-offensief. Noord-Vietnamese strijders sloegen in de nacht van 30 op 31 januari van 1968 toe in een groot aantal Zuid-Vietnamese steden en hielden zelfs de ambassade in Saigon zes lange uren bezet. Dit was pijnlijk omdat de ambassade volgens de Amerikanen na het Pentagon het best beveiligde gebouw ter wereld was en symbool stond voor de Amerikaanse macht in Vietnam. Het feit dat de Vietcong in staat was om zo’n grootschalige verrassingsaanval te organiseren, zonder dat de Amerikanen het in de gaten hadden gehad, vond het Amerikaanse publiek onbegrijpelijk. Het onverwachte offensief was een enorme deuk in het imago van de Verenigde Staten en een streep door een voor de Amerikanen gunstige afloop van de oorlog. In het begin van 1968 werd hoogstens rekening gehouden met een aanval op Khe Sanh, een plaats bij de grens met Noord-Vietnam die werd omsingeld door Noord-Vietnamezen. Khe Sanh werd door Westmoreland en andere Amerikaanse bevelhebbers gezien als een soort Dien Bien Phu: een symbolische vesting die niet mocht worden overgegeven aan de vijand. Terwijl alle ogen waren gericht op Khe Sanh viel de vijand achter de linies aan. De Amerikaanse regering, onder leiding van Johnson deed er alles aan om duidelijk te maken dat het Tet-offensief een wanhoopspoging van de vijand was en dat de Vietcong niet had kunnen bereiken wat zij had willen bereiken. De Amerikaanse burgers hadden echter geleerd dat de officiële berichten niet klakkeloos voor waar aangenomen moesten worden: de Amerikaanse politieke macht in Washington en in Saigon werd na het Tet-offensief meer dan voorheen gewantrouwd.

Het Tet-offensief wordt over het algemeen beschouwd als de grootste tegenslag voor de Amerikanen in de Vietnamoorlog. Volgens de officiële berichten waren de Amerikanen aan het winnen, maar de praktijk wees anders uit. De vijand bleek niet bereid op te geven. Het Tet-offensief was de nekslag voor de publieke opinie ten aanzien van het Amerikaanse Vietnambeleid. Het Amerikaanse publiek was nog wel trots op zijn soldaten, maar de steun voor de Vietnampolitiek was ernstig geslonken.


3.2. My Lai

Lyndon B. Johnson was niet populair meer aan het einde van zijn ambtstermijn in 1968. De publieke opinie had zich na het Tet-offensief grotendeels tegen hem en de escalatie van de oorlog gekeerd: de berichten over tienduizenden burgerslachtoffers en de vele Amerikaanse soldaten die in een guerrilla omkwamen werden door het Amerikaanse volk niet langer voor kennisgeving aangenomen. Vandaar dat Richard Nixons politiek van “vietnamisering” – het overdragen van de oorlog aan de Zuid-Vietnamezen en terugtrekking van Amerikaanse soldaten – in het begin van 1969 aanvankelijk werd gezien als een goede ontwikkeling. Na de verschrikkingen van 1968 was er hoop op een goede afloop van de Vietnamoorlog en leek het erop dat Amerikaanse soldaten eindelijk eervol terug konden keren uit de hel van Zuidoost-Azië. De oorlog was impopulair, maar men was in ieder geval nog wel trots op de Amerikaanse soldaten. Dit gevoel van trots en de hoop op een eervolle terugkeer van de soldaten werd in november 1969 sterk aangetast toen de media, onder aanvoering van onderzoeksjournalist Seymour Hersh, een slachtpartij voor het voetlicht brachten. Manschappen van de Charlie Compagnie van het Amerikaanse leger zouden op 16 maart 1968 567 Zuid-vietnamese burgers – mannen, vrouwen en kinderen – in het dorpje Song My, beter bekend als My Lai (naar de gemeente waarin in Song My ligt), op brute wijze hebben afgeslacht. Het beeld van de dappere Amerikaanse soldaat die voor de wereldvrede vocht in Vietnam, veranderde nu bekend werd dat de Amerikaanse soldaten net zulke gruweldaden begingen als de Vietcong. De openbaringen van My Lai betekenden het einde van het romantische beeld van ‘G.I. Joe’. Hoofdpersoon in het My Lai-drama was Luitenant Calley Jr. die onder verdenking werd gesteld van het met voorbedachten rade vermoorden van 104 Vietnamese burgers. De Vietnamoorlog was in de ogen van de Amerikaanse soldaten en burgers altijd een strijd tegen het kwaad geweest. Zelfs na het Tet-offensief was Amerika nog steeds de macht die vocht tegen het kwade. Maar na My Lai was de Vietnamoorlog niet langer een strijd van het goede tegen het slechte, want het goede was niet meer zuiver goed. Waar het Tet-offensief de nekslag was voor de publieke opinie ten aanzien van de Vietnamoorlog, was My Lai de genadeklap voor de Amerikaanse moraal.


3.3. De Pentagon Papers

Op 13 juni 1971 verscheen groot op de voorpagina van The New York Times een deel uit een Vietnamrapport dat door de overheid als ‘top secret’ was aangemerkt. In opdracht van de staatssecretaris van Defensie, Robert McNamara, was in 1967 een onderzoekscommissie ingesteld die de taak had te onderzoeken hoe Amerika in de Vietnamoorlog verzeild was geraakt. Het onderzoek was niet voor publicatie bedoeld. Defensieanalist Daniel Ellsberg, die had meegewerkt aan het onderzoek en met het verstrijken van de jaren tegenstander van de Vietnamoorlog was geworden, probeerde de documenten eerst via het Congres openbaar te maken. Er waren echter geen senatoren die de vingers aan de Pentagonstudie wilden branden. Daarom speelde Ellsberg de geheime documenten door aan Neil Sheehan. Sheehan was correspondent voor The New York Times in Zuid-Vietnam. Daar was hij bevriend geraakt met Ellsberg. Die vriendschap was later de reden dat Ellsberg Sheehan de primeur van de Pentagon Papers gunde. Uit de gepubliceerde delen van de Pentagon Papers in The New York Times werd duidelijk hoe de regeringen van de presidenten Truman, Eisenhower, Kennedy en Johnson in toenemende mate invloed uitoefenden op Vietnam. Truman, Eisenhower en Kennedy verhoogden steeds de druk op de ketel, maar schoven de beslissing om écht te gaan vechten door naar hun opvolger. Johnson had uiteindelijk alleen nog de keuze tussen Amerikaans gezichtsverlies en een grootschalige oorlog. Zo werd duidelijk uit de Pentagon Papers dat Truman militaire hulp bood aan Frankrijk in de koloniale strijd van Frankrijk tegen de communistische Vietminh en dat Amerika zich daardoor mengde in het conflict. Eisenhower zou volgens het rapport in 1954 hebben besloten dat Zuid-Vietnam niet door de het communistische Noord-Vietnam mocht worden ingelijfd. Hij stuurde militaire adviseurs naar Zuid-Vietnam. Kennedy had volgens het rapport het ‘limited-risk gamble’ uitgebreid tot een ‘broad commitment’. Johnson zou vanaf 1964 een grootschalige oorlog hebben voorbereid. Voor president Nixon kwamen de openbaringen op een ongelukkig moment. In de aanloop naar zijn mogelijke herverkiezing in 1972 kon hij de onthullende publicaties in The New York Times slecht gebruiken. Nixon, die nooit een echt goede verhouding had gehad met de pers, wilde door middel van een rechtszaak de openbaringen in The New York Times stopzetten. Volgens de regering Nixon bevatte de geheime Pentagonstudie staatsgeheimen die de veiligheid van Amerika in gevaar brachten als ze werden gepubliceerd. In een historische rechtszaak besloot de rechtbank in New York The New York Times een tijdelijk publicatieverbod van de Pentagon Papers op te leggen, totdat de rechtszaak volledig zou zijn afgehandeld. Een groot deel van de Amerikaanse burgers, Amerikaanse media en media wereldwijd, spraken van nog niet eerder in Amerika vertoonde censuur. Nixon werd door velen afgeschilderd als een president met een eigen agenda, die de burgers leugens verkocht en niet wilde dat zij de waarheid onder ogen kregen. De rechtszaak werd gewonnen door The New York Times en, misschien nog wel belangrijker, verloren door Nixon. Hij verloor een groot deel van zijn geloofwaardigheid en aanhangers.

1   2   3   4   5   6   7

  • 3. Korte geschiedenis van de behandelde keerpunten in de Vietnamoorlog
  • 3.2. My Lai
  • 3.3. De Pentagon Papers

  • Dovnload 405.37 Kb.