Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Algemeen handelsblad

Dovnload 405.37 Kb.

Algemeen handelsblad



Pagina3/7
Datum25.10.2017
Grootte405.37 Kb.

Dovnload 405.37 Kb.
1   2   3   4   5   6   7


4. Korte geschiedenis behandelde kranten

4.1. The New York Times

Toen Adolph Ochs (1858-1935) The New York Times kocht in 1896 was de krant op sterven na dood. 75.000 dollar moest Ochs voor de krant neerleggen, geld dat hij had geleend. The New York Times had grote schulden op het moment dat Ochs de krant in handen kreeg en er stonden slechts twee telefoons en twee typemachines op de redactie. Ochs kon met geen mogelijkheid opboksen tegen Joseph Pulitzer’s The New York World en William Randolph Hearst’s The New York Journal, de meest succesvolle kranten in New York van dat moment. The New York World en The New York Journal waren populaire, winstgevende kranten vol sensationele artikelen, maar Ochs zag een gat in de markt. The New York Times moest zich onderscheiden door het nieuws serieus en formeel te brengen: “Ochs would bring out a paper for the good people of New York, serious formal, well educated. […] Ochs wanted nothing that would shock or offend or cause controversy. Since he could not win a segment of the market by being lively, he would win by being serious”.7

In 1898 brak de Spaans-Amerikaanse oorlog uit. Pulitzer en Hearst staken veel geld en mankracht in de verslaggeving van het conflict waarbij de Verenigde Staten de Spaanse kolonisator uit Cuba verdreef. Ochs had noch geld, noch personeel om goed verslag te doen van de oorlog en besloot zich met zijn krant te distantiëren van de op sensatie gerichte berichtgeving van de oorlog. Hij zou niet meegaan in de hype. Wel nam hij de belangrijkste beslissing in de geschiedenis van The New York Times: hij verlaagde de prijs van de krant naar één cent, de helft van wat de The New York World en The New York Journal op dat moment kostten. “It was a stroke of genius”.8 De oplage van The New York Times verdrievoudigde en steeds meer adverteerders toonden interesse in The New York Times. The Times onderscheidde zich van The New York World en The New York Journal door volledig en objectief te zijn. Zo groeide The New York Times uit tot een krant met een betrouwbaar, onpartijdig imago. Een krant die altijd trachtte het nieuws volledig weer te geven. Ochs deed er alles aan de lezer duidelijk te maken dat zijn krant onpartijdig was. “[He] took an almost masochistic pleasure in printing the letters of readers who disagreed with The Times. The ‘Letters to the Editor’ was not his innovation, but he gave it a lavish display, being shrewd enough to recognize its value in promoting good will for The Times, further proof of Times impartiality”.9 Het concept van Ochs slaagde: de oplage van de krant steeg van 9.000 exemplaren in 1896 naar ruim 350.000 in 1918.

Ochs stierf in 1935, maar zijn geest leefde voort in The New York Times. Nog altijd prijkt onder de kop van de krant “All the news that’s fit to print” en nog steeds zijn betrouwbaarheid, onafhankelijkheid en objectiviteit de belangrijkste kenmerken van The New York Times. De dochter van Ochs, Iphigene, was de vrouw van de opvolger van Ochs (Arthur Hays Sulzberger), de schoonmoeder van de derde uitgever (Orvil Dryfoos), en moeder van de vierde uitgever (Arthur Ochs Sulzberger). Haar hele leven heeft Iphigene grote invloed gehad op de koers van The New York Times en ervoor gewaakt dat de krant niet te veel uit de door haar vader uitgestippelde richting raakte. Tegenwoordig is de zoon van Arthur Ochs Sulzberger, Arthur Ochs Sulzberger Jr., de uitgever van The New York Times. De tradities van Ochs blijven voortleven.

Toen Arthur Hays Sulzberger - de opvolger van oprichter Ochs - uitgever van The New York Times werd, vormde geld niet meer zo’n groot probleem als in de beginjaren van de krant onder Ochs. Sulzberger investeerde in reporters. Alleen de beste journalisten van het land konden aan de slag bij The New York Times. James Reston was één van die journalisten. Hij maakte carrière binnen de krant en werd in 1953 hoofd van het Washington Bureau, de politieke redactie van The New York Times. De uitgever en de hoofdredacteur van The New York Times hebben altijd de grootste macht over de krant gehad, maar sommige redacteuren binnen The New York Times waren ‘untouchable’: die konden min of meer schrijven wat zij wilden. Ten tijde van de Vietnamoorlog betekende dit dat de lezer in The New York Times meerdere standpunten ten aanzien van het Amerikaanse Vietnambeleid kon lezen. John Oakes (1913-2001) was lang ‘koning’ van de editorial page (1961-1976) en stond bekend als een ‘duif’, een tegenstander van het Amerikaanse Vietnambeleid. Reston, tijdens de Vietnamoorlog geen hoofd meer van het Washington Bureau, maar nog wel een jaar hoofdredacteur (1968-1969) en nog steeds actief binnen The New York Times als columnist, was vooral in het begin van de Vietnamoorlog minder uitgesproken kritisch in zijn columns dan Oakes.

The New York Times had een grote redactie in New York en een kleinere, maar invloedrijke, redactie in Washington. Dit Washington Bureau was verantwoordelijk voor het politieke nieuws en alle verslaggeving over het Witte Huis. Onder de leiding van Reston groeide het Washington Bureau uit tot een semi-onafhankelijk onderdeel van The New York Times. Niemand in New York kon Reston, of de reporters van Reston, tegenspreken. “He was an absolute favorite of Iphigene Sulzberger, he was the pride of Arthur Sulzberger, and he was closest of all to Orvil Dryfoos [uitgever, opvolger van Arthur Hays Sulzberger, red.]. This gave him an enviably direct pipeline to the top of the paper; he could get choice space for his stories any time he wanted”.10

Bovendien kreeg Reston de ruimte en het geld om voor het Washington Bureau de beste mensen van het land aan te trekken. Verslaggevers als Russell Baker, Anthony Lewis, Tom Wicker, John Finney, Max Frankel, Neil Sheehan en Hedrick Smith – die allen ten tijde van de Vietnamoorlog veelvuldig de ruimte kregen om over de oorlog te schrijven – groeiden onder Reston uit tot topjournalisten bij The New York Times. Reston bleef tot zijn dood en lang daarna een voorbeeld voor de journalisten op het Washington Bureau. Sommige reporters probeerden hem zelfs te imiteren. “One going so far as to dress like him, switching to bow ties and button-down shirts, to smoke a pipe like him, to walk with his bounce and glitter, to try to mimic the way he spoke”.11 Voor de mensen op het Washington Bureau heette Reston “Scotty” (Reston is geboren in Schotland) en de Washington reporters stonden bekend als “Scotty’s Boys’. Wicker, die snel naam had gemaakt op het Washington Bureau door zijn goede verslaggeving van de moord op John F. Kennedy in 1963, groeide in korte tijd uit tot de persoonlijke favoriet van Reston en werd in 1964 dan ook zijn opvolger als Chef Washington. Reston was van 1968 tot 1969 hoofdredacteur van The New York Times en bleef daarna invloed uitoefenen op de koers van de krant, bijvoorbeeld als ‘vice-president’ bij The New York Times. Voor sommige journalisten, die al langer onder Reston hadden gewerkt op het Washington Bureau dan Wicker, was diens aanstelling als opvolger van Reston een grote teleurstelling. Frankel, later hoofdredacteur van The New York Times (van 1986 tot 1994), diende zijn ontslag in, maar bedacht zich een dag later. Frankel volgde Wicker wel op als hoofd van het Washington Bureau in 1968. Lewis, die zich net als Frankel kandidaat achtte voor de leidersfunctie in Washington, vertrok uit onvrede met de benoeming van Wicker naar Londen, waar hij als correspondent voor The New York Times aan de slag ging.

Reston was de perfecte The New York Times-reporter. Een goede protestant, patriot in hart en nieren, kritisch en optimistisch tegelijk. Zijn veelgelezen column “Washington” was soms kritisch over het gezag (Eisenhower zei ooit: “Who the hell does Reston think he is, telling me how to run the country?”12), maar er sprak altijd hoop uit zijn columns. Onder Reston groeide het Washington Bureau uit tot een voorbeeld voor de rest van de krant. Kritisch en altijd op zoek naar grote verhalen, maar nooit uit op sensatie. Tijdens de Vietnamoorlog stonden de The New York Times-redacteuren bekend als journalisten die niet alleen luisterden naar wat het gezag hen vertelde, maar zelf onderzoek verrichtten en schandalen in kaart brachten. President Johnson werd nerveus van The New York Times en vertelde reporters die naar Vietnam gingen: “Don’t be like those boys Halberstam and Sheehan. They’re traitors to their country”.13 Sheehan, een van ‘Scotty’s boys’, was - net als Halberstam - correspondent in Vietnam en later verantwoordelijk voor het aannemen van de geheime Pentagonstudie uit handen van Daniel Ellsberg.


4.2. Trouw


De verzetskrant Trouw werd opgericht op 18 februari 1943. De Anti Revolutionaire Partij (ARP) was op zoek naar een spreekbuis in de oorlog. Vrij Nederland, het illegaal verschijnende antirevolutionaire verzetsblad, gaf op dat moment volgens veel ARP’ers geen goede politieke voorlichting.14 De Standaard, het antirevolutionaire dagblad dat werd opgericht door ARP-icoon Abraham Kuyper, bleef tijdens de oorlog verschijnen en was daarom ‘besmet’. Trouw moest zich dus van deze twee antirevolutionaire bladen onderscheiden, maar de krant mocht geen uitgesproken ARP-partijblad worden. “Het blad zou ‘Christelijk-nationaal in den ruimsten zin zijn.’ […] Het zou niet aan de ARP gebonden zijn, maar in zijn politieke voorlichting ‘bepaaldelijk’ van de antirevolutionaire beginselen uitgaan”.15 Sieuwert Bruins Slot, actief bij de oprichting van Trouw, werd na de oorlog hoofdredacteur van de krant. Hij was tot zijn dood in 1972, een jaar nadat hij opstapte als hoofdredacteur bij Trouw, een zeer bepalende leider. Bruins Slot zat namens de ARP tot 1963 in de Tweede Kamer en zijn visie was wet binnen Trouw. “‘Was Trouw een ‘meneer’, dan was die ‘meneer’ Bruins Slot. Als hij een letter niet zou mogen schrijven, uit vrees lezers kwijt te raken’, liet hij het Centraal Comité van de ARP eens weten, ‘zou hij geen hoofdredacteur kunnen zijn’. […] Bruins Slot wilde schrijven wat hij dacht en vond, waarbij hij – met Van Kaam [schrijver van Opstand der Gezagsgetrouwen] gesproken – als ‘autoritaire regent die weet ‘wat goed is voor het volk’, niet van kritiek was gediend.”16 Trouw was een krant met vaste standpunten, waaraan niet te tornen viel. Een belangrijk voorbeeld na de Tweede Wereldoorlog was de steun van Trouw aan de Verenigde Staten, dat volgens de krant een nobele strijd tegen het communisme voerde. Oorlog werd door Trouw gezien als een middel om een heilig doel - orde en vrede in de wereld – te bereiken. Het rode gevaar stond in de weg om dit doel te bereiken. “Laten wij het ons goed inscherpen: Rusland, zo lang onder dit communistische bewind, is onze vijand” en “De glimlach van Chroestsjew c.s. is gevaarlijker dan de grijns van Stalin ooit geweest is”.17 Samenwerking met communisten stond voor Trouw gelijk aan collaboreren.18
In de jaren zestig echter, kwam er een kentering in het beleid van het rechtlijnige Trouw. Bak omschrijft die omslag als ‘de bekering van Bruins Slot’.19 In 1963 verliet Bruins Slot de Tweede Kamer. Hij was niet meer zo vertrouwd met de koers van ‘zijn eigen’ ARP als hij altijd geweest was. Trouw liet de banden met de ARP vieren. “Hij [Bruins Slot] wilde met Trouw ‘normatief’ in de eigen tijd staan en pleitbezorger worden van ‘een waarlijk christelijke politiek’, met als uitgangspunt: ‘niet alleen meegaan met je tijd, maar ook wat doen aan je tijd’. Men moest afrekenen met ‘de oude schema’s’, zich losmaken van ‘zichzelf, van liberalisme en conservatisme’ en een nieuwe wereld gaan winnen.”20 Trouw ging van een ‘eng-revolutionair dagblad’ naar een ‘open’ en ‘vrije’ christelijke krant. Volgens Bak kwam dit niet alleen door een omslag in de denkwijze van Bruins Slot. Nederland als geheel veranderde na 1960, van een ‘gesloten’, ‘verzuilde’ maatschappij naar een maatschappij waarin van oudsher heersende normen en waarden werden doorbroken en traditionele machts- en gezagsverhoudingen ter discussie werden gesteld.21

In dit nieuwe klimaat ging Trouw fel in tegen de Nederlandse rol in Nieuw-Guinea, de apartheid in Zuid-Afrika en ook “tegen bijbelse geboden en verbonden ‘zonder meer’”.22 Trouw nam enige afstand van de Gereformeerde Kerken. “‘Ik ga ervan uit’, stelde Bruins Slot aan de vooravond van het vijfentwintigjarig jubileum van Trouw, ‘dat protestantse christenen over alles geïnformeerd willen worden en niet voorgepreveld willen krijgen, wat ze ervan moeten vinden’”23 Trouw moderniseerde onder leiding van de ‘bekeerde’ Bruins Slot en keek met een nieuwe, frisse blik naar de rumoerige jaren zestig.




4.3.
Het Parool

“Wij zijn voor de Nato, steunen de Amerikanen in Vietnam, staan achter Israël en noemen de PLO nooit een bevrijdingsorganisatie. Voor de rest kun je hier schrijven wat je wil.”24 Volgens Marc Laan, latere chef Economie van Het Parool, was dit de briefing waarmee hoofdredacteur Herman Sandberg hem als nieuwe werknemer bij de buitenlandredactie van Het Parool instrueerde, toen de Vietnamoorlog zelfs al voorbij was.



Het Parool, opgericht als verzetskrant, was een krant aan de linkerkant van het politieke spectrum. Een socialistische, ongebonden krant met een duidelijke eigen lijn. In Sandbergs eigen woorden: “progressief-nuchter”25. Een krant die bekend stond als eigenzinnig en oprecht. De Provo’s van de jaren zestig konden zich lange tijd vinden in de krant omdat deze als een van de weinige kranten leek te begrijpen waarom de Provo’s protesteerden en hen niet bij voorbaat afschilderde als een stel langharige onruststokers.

In Het Parool werden redacteuren relatief weinig vrij gelaten en alles vond plaats onder het strenge regime van Sandberg, die alleen door zijn adjuncten ‘Herman’ genoemd mocht worden.26 “Sandberg veranderde niet, dus wie een ander hoofdredactioneel beleid wilde, moest een andere hoofdredacteur aanstellen”. 27



Sandberg was, vanuit het ideaal van het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, pro-Amerikaans en vond dat Nederland Amerika te allen tijde moest steunen, zoals de Amerikanen in de Tweede Wereldoorlog Nederland in de oorlog hadden gesteund. Pro-Amerikaans betekende automatisch anti-communistisch. Het ‘rode gevaar’ kon overal toeslaan en daarom moest Amerika gesteund worden.
Vietnam was volgens Sandberg “slechts één van de strijdtonelen waarop van tijd tot tijd ‘hete’ episoden van de Koude Oorlog werden uitgevochten”. Vietnam was “een hoekje van het mondiale slagveld” en “hier haalden de Amerikanen voor de hele vrije wereld de kastanjes uit het vuur”.28 Mensen die tegen de Amerikaanse interventie in Vietnam protesteerden, verdienden volgens Sandberg dan ook geen respect. De anti-oorlogsleuzen die eind oktober 1967 in Amsterdam tijdens een demonstratie werden geroepen, werden in een hoofdartikel vergeleken met spreekkoren van nazi-optochten in de jaren dertig.29 Protesteren tegen Amerika werd door Sandberg gezien als verloochening van een vriend. Sandberg bleef dit standpunt aanhangen tot ver in de Vietnamoorlog, tot ver nadat de steun van andere media voor de Vietnaminterventie was afgenomen en er over het algemeen kritisch over Amerika werd bericht. “[Sandbergs] standpunt was juist, hij had gelijk, en al liepen abonnees gruwelend weg, hij bleef bij zijn opvattingen. […] Zelfs de alom geprezen autoriteit van de Amerikaanse journalistiek, The New York Times, werd door de commentaarschrijvers en Sandberg genegeerd als het om een omslag in het denken over de oorlog in Vietnam ging.”30 Er waren op de redactie van Het Parool wel mensen die anders dachten over de Vietnamoorlog dan Sandberg, maar “de eigen mening over Vietnam kon niet in commentaren naar buiten worden gebracht.”31 De steun van Sandberg en dus de steun van Het Parool voor Amerika was consistent en principieel: bij een oorlog vallen nou eenmaal slachtoffers, maar in dit geval heiligde het doel de middelen. Redacteur van het Amsterdamse studentenblad Propria Cures, Jan Donkers, signaleerde al in 1965: “Het Parool is van mening dat [de Amerikaanse] president Johnson nérgens ook maar ìets fout kan doen, sterker, het wilde de mogelijkheid dat hij iets fout zou kùnnen doen, niet eens overwegen.32 De enige uitzondering op deze regel was Paul van ’t Veer, in april 1970 aangenomen als redacteur met verantwoordelijkheid voor de politieke pagina. Van ’t Veer was de laatste commentator bij Het Parool die over Vietnam schreef, van zijn aanstelling tot het einde van de oorlog. Van Het Veer was al drie keer in Vietnam geweest toen hij in april 1970 werd aangenomen bij Het Parool. De vrouw van Van ’t Veer zei over Van ’t Veer’s tijd bij Het Parool: “In sommige dingen stond Paul links van Het Parool. Eén facet daarvan was de Vietnam-politiek”.33 Er waren meer redacteuren die dachten als Van ’t Veer, maar alleen híj mocht min of meer schrijven wat hij wilde.
Het pro-Amerikaanse standpunt van Het Parool werd de krant niet in dank afgenomen. Waar andere kranten lezers wonnen, stagneerde het aantal lezers van Het Parool. Volgens Mulder en Koedijk koos de nieuwe linkse generatie voor andere kranten dan het ‘wisselvallig socialistische’ Parool. Van ’t Veer en zijn kritische stukken over het Amerikaanse Vietnambeleid kwamen te laat om die trend tegen te gaan.

1   2   3   4   5   6   7

  • 4.2. Trouw

  • Dovnload 405.37 Kb.