Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Algemeen handelsblad

Dovnload 405.37 Kb.

Algemeen handelsblad



Pagina4/7
Datum25.10.2017
Grootte405.37 Kb.

Dovnload 405.37 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

4.4. Algemeen Handelsblad


Algemeen Handelsblad verscheen voor het eerst in 1828. Jacob Willem van den Biesen speelde de belangrijkste rol bij de oprichting van de krant. Aanvankelijk verschenen in de krant uitsluitend “waarenberichten”.34 Van den Biesen wilde dat er eerlijke informatievoorziening kwam “voor iedereen die bij de handel betrokken was”.35 Vanuit dat idee ontstond Algemeen Handelsblad. Uit een beoordeling die drie maanden na de oprichting van Algemeen Handelsblad gepubliceerd werd in het gezaghebbende tijdschrift De Recensent ook der Recensenten, valt op te maken dat het de krant goed ging. Volgens de beoordeling was Algemeen Handelsblad de “grootste en fraaiste van alle Hollandsche bladen”. “Strenge onpartijdigheid” kenmerkte de redacteuren van Algemeen Handelsblad, zo stond geschreven in de beoordeling. Deze ‘strenge onpartijdigheid’ groeide uit tot hét handelsmerk van Algemeen Handelsblad en kwam voort uit het ideaalbeeld dat Van den Biesen had van zijn krant, dat van een informatieve, objectieve en eerlijke krant. “Van den Biesens uitgangspunt was gebaseerd op het klassieke credo dat een journalist de feiten op een betrouwbare manier in een samenhang plaatst en daarop zijn commentaar baseert. Onafhankelijkheid stond voorop.”36
Gebeurtenissen als de Julirevolutie en de Belgische opstand van 1830 beïnvloedden de handel. Van den Biesen zag dat hij niet meer alleen ‘waarenberichten’ kon publiceren, maar ook moest ingaan op de gebeurtenissen die effect hadden op de handel en op politieke ontwikkelingen. De krant werd door steeds meer mensen gelezen. “Het belang van de krant als politiek nieuwsblad nam sterk toe. In het derde kwartaal van 1830 steeg het aantal abonnementen van 1600 tot 2000. Die spectaculaire groei was voor Van den Biesen aanleiding de krant per 1 oktober 1830 zes dagen per week te gaan uitgeven. Daarmee was het eerste Nederlandse dagblad in de moderne zin van het woord geboren.”37 Van den Biesen verliet Algemeen Handelsblad in 1845, maar de focus op de handel en het streven naar objectiviteit bleven de krant kenmerken. Op de redactie van Algemeen Handelsblad kon gediscussieerd worden en die open sfeer was terug te zien in de objectieve berichtgeving van de krant. Toenmalig adjunct-hoofdredacteur van Algemeen Handelsblad en later hoofdredacteur van NRC Handelsblad, André Spoor: “Bij Sandberg moest je niet binnenstappen en in discussie gaan, maar hier kon dat wel”.38 Onder leiding van de anarchistische, eigenzinnige Anton Constandse, groeide de buitenlandredactie van Algemeen Handelsblad na de Tweede Wereldoorlog uit tot een “krant in de krant”.39 Volgens latere hoofdredacteur Henk Hofland, leerling van Constandse op de buitenlandredactie, kreeg Constandse van de hoofdredactie de ruimte om zijn eigen geluid te laten horen.40
Na de Tweede Wereldoorlog raakte Algemeen Handelsblad al snel in financiële problemen, waardoor samenwerking met andere kranten gezocht moest worden. In 1964 besloten de uitgevers van de Nieuwe Rotterdamse Courant (NRC) en Algemeen Handelsblad de twee dagbladondernemingen samen te voegen tot de Nederlandse Dagbladunie (NDU).41 Wat NRC en Algemeen Handelsblad bond, was de open redactiesfeer, het liberale lezerspubliek en het streven naar objectiviteit. Algemeen Handelsblad had zich in de tweede helft van de jaren zestig meer tot een modern-liberale krant ontwikkeld, mede onder invloed van enkele redacteuren (Hans Gruyters en Hans van Mierlo) die betrokken waren bij de oprichting van de nieuwe partij D’66. Begin 1970 was er geen ontkomen meer aan een fusie tussen Algemeen Handelsblad en Nieuwe Rotterdamse Courant. NRC Handelsblad werd de naam voor de nieuwe liberale krant.


5.Methode
Tijdens het archiefonderzoek is gekeken naar de berichtgeving over de drie keerpunten, het Tet-offensief, My Lai en de Pentagon Papers in de vier onderzochte kranten, The New York Times, Trouw, Het Parool, Algemeen Handelsblad. De berichtgeving van de vier kranten is zo breed mogelijk onderzocht. Zowel nieuwsberichten als commentaren zijn bestudeerd. Gelet is op de plaats in de krant waar het artikel verscheen, de opmaak van het stuk, de toon en het taalgebruik, de bronnen die werden geraadpleegd, foto’s, en de auteur van het artikel. Wat betreft de nieuwsberichtgeving is gefocust op de eerste week van berichtgeving na het keerpunt, de periode met de meest intensieve berichtgeving. Wat betreft de commentaren is niet alleen gefocust op de eerste week, maar op alle commentaren die verschenen in de maand na het keerpunt. Elk artikel over een onderzocht keerpunt dat het standpunt van de krant of auteur weergaf is als commentaar in het onderzoek opgenomen. Zo was aan de stukken van Amerika-correspondent van Algemeen Handelsblad, Eddy Lachman, vaak duidelijk te zien hoe hij tegen de oorlog aankeek en zijn die ‘gekleurde’ artikelen van hem dus behandeld als zijnde commentaar. Geregeld gebruikten de onderzochte kranten experts om een kwestie op te helderen. Omdat de stukken van die experts niet als mening van de krant mogen worden aangezien, maar ook duidelijk verschillen van nieuwsberichten is een apart kopje ingeruimd voor de berichtgeving van experts. De onderzochte kranten gebruikten meerdere malen experts van buiten de krant (bijvoorbeeld als aanvulling op het nieuws van persbureaus). In sommige gevallen werden deskundigen van de eigen krant geraadpleegd. De gevallen waarbij een deskundige van de eigen krant als een expert werd aangekondigd zijn meegenomen in het onderzoek onder het kopje ‘experts’. Naast het kwalitatief vergelijkend onderzoek is ook kwantitatief onderzoek verricht. Gekeken is naar het aantal nieuwsberichten en het aantal commentaren dat na de drie keerpunten in de vier onderzochte kranten verscheen.


6. Het Tet-offensief:
The New York Times, Trouw, Het Parool en Algemeen Handelsblad

6.1 Nieuwsberichtgeving

Over geen van de drie keerpunten werd in de vier onderzochte kranten zoveel geschreven als over het Tet-offensief. In een maand tijd publiceerde The New York Times 168 nieuwsberichten over het offensief, Trouw plaatste 47 nieuwsartikelen, Het Parool 42 en Algemeen Handelsblad 50.


Op 30 januari openden The New York Times en Algemeen Handelsblad op de voorpagina met het nieuws dat de Vietcong het tijdelijke bestand met de Amerikanen had verbroken en grootschalige aanvallen had uitgevoerd. The New York Times plaatste een kaartje waarop werd aangegeven welke steden waren aangevallen. Algemeen Handelsblad gaf in een vervolg op het voorpagina-artikel op pagina 5 een overzicht van de aangevallen steden. Trouw bracht het nieuws over de aanvallen van de Vietcong op pagina 7. Het Parool ging nog niet in op het nieuws.

Op 31 januari werd duidelijk hoe groot de schade was. De schok die de verrassingsaanval van de Vietcong op Zuid-Vietnamese steden en de ambassade in Saigon tijdens het Tet-offensief had teweeggebracht, werd weerspiegeld in de berichtgeving van The New York Times en de drie Nederlandse kranten. Alle kranten openden op die dag met paginavullende artikelen over de zware gevechten in Saigon en andere delen van Zuid-Vietnam. Vooral de overval op de Amerikaanse ambassade werd breed uitgemeten in de dagbladen. Terwijl de Nederlandse kranten zich beperkten tot één groot, allesomvattend voorpagina-artikel, berichtte The New York Times in zes artikelen op de eerste drie pagina’s. Het Parool en Algemeen Handelsblad plaatsten respectievelijk 4 en 3 foto’s op de voorpagina. The New York Times plaatste ook een grote foto op de voorpagina. Op de voorpagina van The New York Times schreef Vietnam-correspondent Charles Mohr (die zelf het Tet-offensief van zó dichtbij meemaakte dat hij gewond raakte door granaatscherven) een artikel. In dit artikel werd een medewerker van de Amerikaanse ambassade in Saigon als een held afgeschilderd omdat hij het gebouw had verdedigd door een Vietcong-strijder dood te schieten.


Op 1 februari berichtten alle onderzochte kranten op de voorpagina over het feit dat er nog steeds hevig werd gevochten in Vietnam. Alle kranten plaatsten foto’s van gewonden of de aangerichte schade in Vietnam op de voorpagina. The New York Times plaatste op de voorpagina weer een artikel van correspondent Mohr en een stuk van het hoofd van het Saigon Bureau, Gene Roberts. Trouw ging op de buitenlandpagina verder in op de gevechten rond de ambassade. Algemeen Handelsblad onderscheidde zich op 1 februari duidelijk van de andere Nederlandse kranten met achtergrondinformatie. Zo schreef de correspondent in Parijs op pagina 3 een artikel over wat de Franse pers over de situatie in Vietnam schreef.

Op 2 februari publiceerden alle kranten verschillende artikelen over de voortdurende strijd in Vietnam. Het meest opmerkelijke in de kranten van 2 februari was de plaatsing van een foto. Alle onderzochte krachten maakten ruimte voor de foto van een Zuid-Vietnamese politieofficier die een Vietcong-strijder door het hoofd schoot. Dit werd later de World Press Photo van 1969 en de fotograaf kreeg de Pulitzer Prijs. Alleen Trouw plaatste de foto niet op de voorpagina. Wellicht vond de krant, vanuit het christelijk oogpunt, de foto te schokkend voor plaatsing op die plek.


Op zaterdag 3 februari berichtten alle kranten op de voorpagina over het optimisme dat Johnson had geuit over de toekomst van de oorlog. Volgens hem was het offensief van de Vietcong mislukt. The New York Times plaatste op de voorpagina artikelen van Tom Buckley, Mohr en Frankel – van het Washington Bureau - over de ontwikkelingen in Vietnam. Frankel schreef dat Johnson had geclaimd klaar te zijn voor een grote strijd om Khe Sanh. Trouw schreef een achtergrondartikel, gebaseerd op informatie van de persbureaus, over de Amerikaanse commandant Weygand. De commandant was een stuk minder positief dan Johnson: “We krijgen ze niet weg. Als we tien maal zoveel troepen hadden zou het nog een zware klus zijn. Als ze maar de stad uitgingen dan zouden we ze buiten met gemak in de pan kunnen hakken. Maar ze blijven hier en we krijgen ze niet weg”, aldus de moedeloze Amerikaanse officier in de oude keizerstad Hoeé.42 Voor Trouw was dit een beschrijving van de situatie die paste bij het standpunt van de krant over de Vietnamoorlog. In Het Parool liet de correspondent in Washington, Victor Meier, een positiever geluid horen: “Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat de natie ten slotte Johnson – geplaatst tegenover de harde slagen die het Amerikaanse prestige zijn toegebracht – in een patriottistische golf zal volgen”.43
Door gebruik van dezelfde persbureaus verschenen soms zeer vergelijkbare berichten in verschillende kranten. Op 5 februari berichtten Trouw en Algemeen Handelsblad op vergelijkbare wijze over de Vietcong die Saigon binnen wist binnen te sluipen in een bloemenwagen. Beide kranten hadden hiervoor beschrijvingen van Peter Arnett, reporter van het Amerikaanse persbureau Associated Press en later het gezicht van CNN tijdens de Golfoorlog, geraadpleegd. The New York Times en Het Parool publiceerden op diezelfde dag een artikel over een oproep van de Amerikanen om de behandeling van gevangenen correct te houden. In de periode na het Tet-offensief gebruikten de kranten meerdere keren exact dezelfde quotes. Dit was bijvoorbeeld het geval op 9 februari, toen Trouw en Het Parool over de slag om Langvei berichtten op basis van informatie van Reuter. In beide artikelen werd de quote “We deden alsof we dood waren” gebruikt.44, 45 Overeenkomsten als deze kwamen later ook voor in de berichtgeving over My Lai en de Pentagon Papers.
Naast deze overeenkomsten in de nieuwsberichtgeving over het Tet-offensief waren er ook enkele verschillen tussen de vier kranten. Trouw focuste als christelijke richtingskrant meer dan de andere drie kranten op berichten over geloofszaken. Zo publiceerde de krant bijvoorbeeld nieuwsberichten over kerken die Noord-Vietnam hielpen en over geestelijken die de vermeende oorlogsmisdaden van de VS veroordeelden.46,47 Trouw gaf bovendien meer politieke richting aan de nieuwsberichten dan The New York Times, Het Parool en Algemeen Handelsblad. Trouw, met Bruins Slot als voormalig actief politicus binnen de ARP, focuste bijvoorbeeld in de Kamerdebatten van 7 februari over de Vietnamoorlog op ARP-politicus Geelkerken, terwijl die politicus een minder belangrijke rol speelde in de nieuwsberichten van de andere kranten over diezelfde debatten. In de nieuwsberichten van The New York Times was vaak loyaliteit aan Amerika te traceren. Zo sprak de krant steevast van “Enemy” of “Foe” tegenover “the American army” of “G.I’s” - een terugkerend aspect van de berichtgeving van The New York Times - en werden Amerikaanse militairen of burgers soms afgeschilderd als helden. Dit gebeurde bijvoorbeeld in het stuk van Vietnam-correspondent Mohr op 31 januari over de verdediging van de Amerikaanse ambassade. Een gevoel van nationale trots was ook te lezen in de krant van 11 februari 1968, toen Howard Rusk (expert binnen The New York Times op het gebied van rehabilitatie van invaliden) schreef over “the civilian heroes of war”.48 In dit artikel berichtte hij over de omgekomen Amerikaanse burgers in Saigon die geen militaire functie hadden, maar wel hielpen in de strijd, zoals missionarissen. The New York Times en het Algemeen Handelsblad verschilden van Trouw en Het Parool door hun grotere aandacht voor detail, bijvoorbeeld als het ging om plaatsnamen, tijdstippen en persoonsnamen. Door gedetailleerde beschrijvingen wekten de artikelen de indruk objectiever te zijn. The New York Times publiceerde van tijd tot tijd een overzicht van wat hun correspondenten in Amerika en Europa meldden over de Amerikaanse Vietnampolitiek. Lewis, correspondent voor The New York Times in Londen, schreef op 5 februari een artikel getiteld “Outrage and Horror in Europe tempered by some sympathy for US”,49 waarin hij kranten in Europa één voor één noemde en uitlegde hoe zij schreven. Het Algemeen Handelsblad berichtte vaker dan de andere onderzochte Nederlandse kranten over de berichtgeving in andere landen ten aanzien van de Vietnamoorlog. Zo schreef de krant op 1 februari bijvoorbeeld over de Franse pers en Vietnam, op 16 februari specifiek over Le Monde en op 17 februari over de meningen van West-Duitsers ten aanzien van de Vietnamoorlog. Het Parool was in de nieuwsberichtgeving het minst uitgesproken. De nieuwsberichten waren niet zichtbaar gekleurd en oogden objectief.
6.2 Commentaren en analyses

De standpunten van de vier onderzochte kranten ten aanzien van het Tet-offensief en het Vietnambeleid van Amerika kwamen het meest duidelijk naar voren in de commentaren en analyses die de dagbladen publiceerden. In de onderzochte periode na het uitbreken van het Tet-offensief schreven The New York Times en Algemeen Handelsblad veel meer commentaren en analyses dan Trouw en Parool; respectievelijk 18 en 13 tegenover 6 in Trouw en 7 in Het Parool.



Terwijl The New York Times, Trouw en Het Parool op de eerste volle dag van het offensief, 31 januari 1968, alleen nieuwsberichten plaatsten, was het opvallend dat het Algemeen Handelsblad al een hoofdartikel publiceerde, getiteld “Raid op Ambassade – of het risico van het succes”, op pagina 3.50 In dit commentaar werden de ontwikkelingen in Vietnam en de motieven van de Vietcong geanalyseerd, terwijl de andere dagbladen alleen nieuwsberichten plaatsten. Algemeen Handelsblad wees in dit commentaar op de superieure macht van Amerika in vergelijking met de Vietcong. “De Vietcong wordt momenteel geconfronteerd met het risico van zijn succes”51 en Amerika “heeft de middelen”52 om een tweede Dien Bien Phu te vermijden. Mocht Johnson het toch niet voor elkaar krijgen om succes te boeken in Vietnam, dan zouden de Amerikanen volgens het commentaar een president kiezen die Noord-Vietnam nog harder aan zou pakken waardoor Noord-Vietnam alsnog verslagen zou worden. Algemeen Handelsblad leek niet erg onder de indruk te zijn van het Noord-Vietnamese offensief en vertrouwde op Amerika als grootmacht.

Op 1 februari 1968, een dag na het offensief van de Vietcong, verscheen in The New York Times het eerste commentaar. Dit commentaar op de ‘editorial page’ begon kritisch, met de mededeling dat pijnlijk duidelijk was geworden dat Amerika’s macht in Vietnam gelimiteerd was. Maar bovenal sprak uit deze ‘editorial’ een gevoel van afgrijzen over het “bloody path to peace”53 dat de Vietcong volgens de ‘editor’ had ingeslagen. In de hoofdboodschap leek deze ‘editorial’ wel wat op het commentaar van een dag eerder in Algemeen Handelsblad. Amerika was aan zichzelf als “superior power” verplicht om hier een passend en krachtig antwoord op te geven.54 Als Amerika daartoe in staat zou blijken te zijn, zou dat weleens een stap in de richting van vredesoverleg kunnen zijn. Uit het commentaar sprak ondanks het kritische begin vertrouwen in de militaire kracht van Amerika: “Neither Hanoi nor its allies can be eager to test the full might of the American military machine”.55 In Trouw verscheen op 1 februari een commentaar dat meteen uitgesproken kritisch was en de Vietnampolitiek van Amerika, waarvan het bestaansrecht volgens de krant de genadeslag was toegedaan, werd verworpen. Het Algemeen Handelsblad was op 1 februari al toe aan het tweede hoofdartikel dat kritischer was dan het eerste en duidelijk maakte dat Amerika zich op dat moment in een positie bevond, waarin het niet wilde zitten: het land had nog geen passend antwoord op de grootschalige aanval van de Vietcong. De “Amerikanen zullen hun tegenspoed niet zondermeer aanvaarden“56 en “de pressie in het Congres en militaire kringen op de president om geen Amerikaans prestigeverlies te accepteren is aanzienlijk”.57 Vervolgens concludeerde het Algemeen Handelsblad dat intussen onduidelijk was gebleven “hoe een opvoering van het oorlogsbeleid de Verenigde Staten nog uit de wurggreep zal kunnen bevrijden, waarin zij zich thans bevinden. […] Slechts een gigantische versterking van de grondstrijdkrachten lijkt een uitweg te bieden. En daarvoor is tijd nodig. Iets waarover Washington op dit moment niet lijkt te beschikken”.58 Bij dit commentaar verscheen een spotprent van politiek tekenaar Frits Behrendt die Noord-Vietnam afschilderde als agressor en verstoorder van de vredesonderhandelingen. Op de spotprent stonden Ho Chi Minh en Generaal Giap schietend met hun geweren afgebeeld terwijl de onderkop luidde: “Ter voorbereiding van vredesonderhandelingen”.59 Twee pagina’s verder schetste Washington-correspondent Lachman weer een iets positiever beeld dan het dagelijks commentaar: “De stemming hier werd gisteren gekenmerkt door de grimmige erkenning dat de slag harder was aangekomen dan men verwacht had, maar daarnaast ook door een vreemdsoortig gevoel van bevrediging. In de eerste plaats omdat men het idee had, dat er eindelijk weer eens een beslissend moment is aangebroken, zowel in de steden, als in het door omstreeks veertigduizend man Noordvietnamese troepen bedreigde Khesan. In de tweede plaats omdat dit samenvallen van Koreaanse en Vietnamese crises en de daardoor ontstane nationale eenheid, president Johnson gisteren de gelegenheid gaf te dreigen met de noodzaak van speciale maatregelen en volmachten”.60 Lachman duidde hier op het Amerikaanse gevoel dat het Tet-offensief misschien een keerpunt zou kunnen zijn dat een einde zou brengen aan de oorlog.

Op 2 februari becommentarieerde The New York Times het Tet-offensief in een hoofdartikel getiteld “More than a Diversion”61 op kritische wijze. Het offensief mocht niet worden onderschat volgens het commentaar op de ‘editorial page’. Tegelijkertijd werd in dit hoofdartikel benadrukt dat Amerika militair sterker was, de communisten waarschijnlijk niet lang stand zouden kunnen houden en dat de schade die de Amerikanen werd toegebracht hoofdzakelijk van psychische aard zou zijn. Eén ding was in ieder geval duidelijk voor de schrijver van dit hoofdartikel: de communisten moesten zwaar betalen voor hun acties. Columnist Reston vroeg de wereld in zijn driewekelijkse column “Washington”, op 2 februari “How long can this unspeakable slaughter and unimaginable suffering and sorrow go on?”62 en legde vervolgens uit dat de houding van “de vijand”, die tien doden accepteerde tegenover één dode Amerikaan, geen stand zou kunnen houden. “There will undoubtedly be many more gasps and much more murder in the streets before the end”.63 Uit dit commentaar sprak afgrijzen over de gruwelijkheden van de oorlog, maar ook een overtuiging van de uiteindelijke overwinning op de vijand.



De volgende dag, 3 februari 1968, schreven alle onderzochte kranten over het optimisme dat Johnson zojuist had geuit in een persconferentie. Het offensief was volgens de Amerikaanse president mislukt. Aan de andere kant berichtten alle kranten ook over de opmars van de Vietcong. Het Parool plaatste nu, twee dagen na Trouw en The New York Times, en drie dagen na het Algemeen Handelsblad, op de voorpagina haar eerste hoofdartikel getiteld “Vietnam en de Huiskamer”. In dit uitgesproken pro-Amerikaanse commentaar werd verwezen naar de rol van de bevrijders ten tijde van WOII. “Zouden wij hebben gewild dat de Engelsen hun inspanningen tegen het Hitlerregime maar liever hadden gestaakt toen hun steden werden gebombardeerd door de ‘Luftwaffe’, die daar een ravage aanrichtte onder de burgerbevolking? Zouden wij de geallieerden hebben moeten smeken om de oorlog maar liever te stoppen en Hitler het genot van vrede en overwinning te schenken toen de bombardementen van de grote Duitse steden onder Duitse burgers vernieling en leed brachten op grote schaal?”64 vroeg Het Parool retorisch. “Uit wat hierboven staat is misschien duidelijk dat, wat deze krant aangaat, wij de capitulatie niet als een middel kúnnen zien.“65 Naast dit voor Het Parool typerende betoog schreef Victor Meier, correspondent voor Het Parool in Washington, wél over de schok die de aanvallen van de Vietcong teweeg hadden gebracht, zoals Wicker, op dat moment bureauchef in Washington voor The New York Times en een belangrijke columnist voor de krant, dat een dag eerder in een nieuwsbericht op de voorpagina van The New York Times had gedaan. Trouw plaatste op 3 februari een commentaar van Jelte Rep, die in die tijd veel schreef over de Verenigde Staten. Rep uitte in het stuk op pagina 9 zijn onvrede met de aanstelling van Clark Clifford als minister van Defensie die Robert McNamara opvolgde. “Het is een ernstig verlies voor Washington dat McNamara, die ernstig twijfelde aan de waarde van de bombardementen op Noord-Vietnam en dit de president ook steeds vertelde, nu vervangen wordt door een man, die deze dodelijke geschenken van het Amerikaanse volk zelfs op christelijke en boeddhistische hoogtijdagen over de Noord-Vietnamezen wil laten uitstrooien.”66 Hieruit bleek niet alleen de wens van Trouw dat de bombardementen zouden stoppen, maar ook het christelijke karakter van het dagblad: de krant vond dat je op christelijke feestdagen niet kon vechten. Het Algemeen Handelsblad duidde in het dagelijks commentaar van 3 februari op pagina 3 op het belang van scheiding van feiten en propaganda en legde uit hoe Hongaarse kranten de gebeurtenissen in Vietnam al gelijkschakelden met de Franse nederlaag in 1954 bij de stad Dien Bien Phoe, terwijl de Amerikanen “het in een ander uiterste zochten”67 en spraken over een wanhoopsoffensief van de Vietcong.
Op zondag 4 februari reageerde The New York Times kritisch op de gewichtige uitspraken van Johnson die had verklaard dat Amerika zich nooit zou overgeven. Volgens de krant had Johnson het niet begrepen: “In pledging that Americans will never yield, Mr. Johnson has missed another crucial point. It is not for want of American courage or commitment that most of Vietnam’s principal cities were overrun last week. It is not a question of yielding.”68 Ook vermeldde het commentaar dat andere landen overwegend van mening waren dat de Amerikaanse bombardementen een sta-in-de-weg zouden zijn voor vredesonderhandelingen. Reston vulde dit commentaar op de ‘editorial page’ aan met zijn column. In “Washington: A Strange and Troubled Silence” schreef Reston dat Washington “the oriental mind” niet had begrepen en dat zonder begrip van de cultuur van de vijand moeilijk te vechten viel. 69

Na de eerste week van het offensief verschenen er steeds minder commentaren in de Nederlandse kranten. Enkele commentaren waren wél opmerkelijk. Het Parool nam het op 8 februari in een hoofdartikel op pagina 3 op voor een demonstrant die een dag eerder demonstreerde tegen de Vietcong tijdens de Kamerdebatten over Vietnam. De krant hekelde de anti-Vietnamdemonstranten, want “zij tuigden de eenzame figuur die eens op de andere zijde van de medaille wees, behoorlijk af.”70 Het Algemeen Handelsblad sprak bij hetzelfde incident slechts over een “bloedende lip”71 in een nieuwsbericht over de demonstratie, terwijl Trouw helemaal niet inging op de eenpersoons-tegendemonstratie. Trouw en Algemeen Handelsblad verwierpen vervolgens de pro-Amerikaanse demonstraties van 22 februari in West-Berlijn omdat deze waren opgezet door het plaatselijke stadsbestuur, waarbij Trouw de demonstraties zelfs vergeleek met betogingen onder aanvoering van Goebbels: “Het Berlijnse geval, met het Deutschlandlied tot slot, deed op griezelige wijze denken aan de door Goebbels geleide ‘Kundgebungen’ uit Nazi-Duitsland.”72 Het Parool besprak de demonstratie in een nieuwsbericht, maar plaatste geen commentaar met afkeuring. De krant zag vanuit het perspectief van hoofdredacteur Sandberg liever pro-Amerikaanse dan anti-Amerikaanse protesten en voelde zich waarschijnlijk niet geroepen in te gaan op het West-Berlijnse protest. In The New York Times verschenen in de ruim drie weken na 4 februari nog maar liefst acht commentaren en meestal werd in deze artikelen het Vietnambeleid bekritiseerd. “How will we save Vietnam if we destroy it in battle?”73, “A war that neither side can win”74, “A military victory is not possible, and probably never has been possible”75, en “More and more, the President and his principal aides, particularly Secretary of State Rusk, have been falling into the habit of self-pity which occasionally borders on self-delusion”76. Op 1 maart, gaf Cyrus Sulzberger, een neef van de uitgever van The New York Times en reizend correspondent voor The New York Times in Europa, zijn mening op de ontwikkelingen in Vietnam in een afgewogen column. In het stuk maakte hij duidelijk dat mensen die pleitten voor een snelle terugtrekking van Amerikaanse troepen niet beseften wat een verlies van het Amerikaanse leger voor Amerika zou betekenen. “Maybe, as I said in an earlier column, it is late to win in Vietnam; but it is also late to lose.”77

De commentaren van The New York Times en de Nederlandse kranten in de eerste dagen na het uitbreken van het Tet-offensief zetten de toon voor de berichtgeving van deze dagbladen in de rest van de maand. Trouw verwierp meteen het Vietnambeleid van Amerika. Het Parool daarentegen, stond pal achter Amerika, zoals het naar eigen visie als Trouwe bondgenoot betaamde. De enige opvallende uitzondering hierop was de plaatsing van een commentaar van de belangrijkste columnist van The New York Times, Reston, dat op 7 februari - twee dagen voor het plaatsing in Het Parool - in The New York Times was verschenen. Dit stuk, voorzien van een foto en de naam van Reston, was een voor Het Parool zeldzaam kritisch commentaar. Sandberg stond andere geluiden binnen de krant heel soms toe, mits de naam en foto van de auteur prominent geplaatst werden, zodat verwarring met zijn eigen persoon werd voorkomen. Het Algemeen Handelsblad berichtte kritisch, maar toonde zich ook begripvol ten aanzien van het Amerikaanse Vietnambeleid. Dit werd helemaal duidelijk nadat de krant op 6 februari als enige krant tijdens het offensief, in een hoofdartikel op pagina 3, zijn officiële standpunt publiceerde: “Van de vredeswil van de Verenigde Staten zijn wij overtuigd”78 en “als de bombardementen op militaire doelen in Noord-Vietnam het gestelde oogmerk dichterbij brengen – en het tegendeel is nog niet bewezen – dan vormen die bombardementen een legitiem strijdpunt”.79 Algemeen Handelsblad voegde hier wel aan toe dat ontwikkelingen kritisch geëvalueerd moesten worden. Toenmalig adjunct-hoofdredacteur Spoor kan zich nog herinneren dat hij het commentaar, volgens hem geschreven door hoofdredacteur Hofland, onder ogen kreeg: “Ik was geschokt toen dit commentaar verscheen. Dit stond lijnrecht tegenover hoe ik dacht.”80 The New York Times, die eigenlijk al vóór het Tet-offensief in de ogen van de Amerikaanse regering doorging voor een kritische lastpost, bleef kritisch, in ieder geval op de ‘editorial page’ onder leiding van de ‘duif’ John Oakes. Reston, die de Amerikaanse interventie in Vietnam aanvankelijk steunde, maar na het horen van de eerste écht negatieve berichten in 1965 toch kritisch over het Amerikaanse gezag begon te schrijven, liet nog steeds een patriottistische noot klinken. Soms verschenen er berichten van andere redacteuren, zoals militair expert Baldwin of voormalig perschef van Johnson, Bill Moyers, die positief gestemd waren over respectievelijk troepenvermeerdering en Johnsons handelen.

Kenmerkend voor zowel The New York Times als het Algemeen Handelsblad was dat na het Tet-offensief verschillende standpunten van verschillende personen ten aanzien van de Vietnampolitiek in de krant verschenen. Binnen één en dezelfde editie van The New York Times kon met meerdere uiteenlopende standpunten ten aanzien van Vietnam lezen, bijvoorbeeld op 11 februari 1968. Redacteur Rusk schreef op deze dag een patriottistisch stuk getiteld “the civilian heroes of war” waarin hij zei: “Members of our armed forces have borne the brunt of actual combat, but there are others not in uniform who have been wounded and who have suffered and died. These are the missing heroes in Vietnam. None of them had torn up or burned his draft card. They did not have to serve. They volunteered because they felt a compulsion to help the people of Vietnam”.81 Het commentaar op de ‘editorial page’ van diezelfde dag was weer kritisch en claimde dat de enige uitweg in Vietnam een politiek compromis kon zijn, want “military victory has never been possible”.82 Op dezelfde dag werd vervolgens een artikel afgedrukt van de Johnsons perschef, Moyers. Hij legde uit waarom het soms leek alsof een president loog en manipuleerde. “The president has no obligation to spoonfeed them [reporters] with a full disclosure of every facet of official thinking on every subject they see fit to probe. […] Events make lies out of the best promises. […] Circumstances change, and so must a President’s strategy. His best intentions may be aborted as a result, and he may end up in public having said one thing and doing another. […] “A president must sometimes reach conclusions from inconclusive evidence.”83 Hoofd van het Washington Bureau van The New York Times Bureau, Wicker, was vervolgens weer uitgesproken kritisch over het beleid uit Washington in zijn column “In the Nation”: “It [ the administration] has pretended to be doing one thing while doing another, and from that kind of deception “in the national interest” it is an easy leap to the shabby employment of generals and ambassadors in the propagandizing of the American people,”84 verwijzend naar ambassadeur Bunker en generaal Westmoreland, die op dat moment vaak het verwijt te horen kregen dat zij de situatie in Vietnam beter voorstelden dan die was.


Ook in het Algemeen Handelsblad verschenen bijval én kritiek ten aanzien van de Vietnampolitiek binnen dezelfde editie en soms zelfs op dezelfde pagina. Volgens Spoor was hoofdredacteur Hofland bijvoorbeeld milder ten aanzien van de Amerikaanse Vietnampolitiek dan veel van zijn eigen redacteuren en dan hijzelf. 85 Zowel pro- als anti-Amerikaanse artikelen werden acht keer na het Tet-offensief vergezeld van spotprenten van tekenaar Behrendt. Behrendt focuste soms op de verwerpelijkheid van het Noord-Vietnamese bewind, maar ook op de uitzichtloosheid van de oorlog en op de zwakte van Johnson. Op 5 februari bijvoorbeeld, tekende Behrendt de leiders van Noord-Vietnam, Ho Chi Minh en Giap af als onmenselijke agressors. Op pagina 5 beeldde hij Ho Chi Minh af als een reus die met een kolenschop Noord-Vietnamese burgers in de strijd schepte. Het onderschrift was een quote van Karl Marx: “Het belangrijkste is de mens”86. Dan weer bekritiseerde Berendt de oorlog in zijn totaliteit, bijvoorbeeld toen hij op 16 februari op pagina 3 Ho Chi Minh en Johnson een bokswedstrijd liet boksen met Oe Thant als wanhopige scheidsrechter. Kritiek op de gehele oorlog gaf hij ook in zijn spotprent van 23 februari op pagina 3, waarin twee skeletten de geweren op elkaar richtten en een masker van Johnson en Ho Chi Minh voor hun schedel hielden onder het motto: “Gezichtsverlies kunnen wij ons niet veroorloven!”.87 Op 19 februari schilderde Behrendt Johnson af als een schlemiel, toen hij met bijschrift “Twee zielen – één gedachte…”88 op pagina 3 een dieptrieste Johnson en een breed-lachende Ho Chi Minh samen liet dromen over Dien Bien Phoe.

Op 5 februari schreef het Algemeen Handelsblad in het dagelijkse commentaar dat de Amerikanen de Noord-Vietnamezen hadden onderschat, dat het pacificatieprogramma niet werkte en dat we ons moesten hoeden voor een escalatie van het Vietnamese conflict in een grote Aziatische oorlog. Bij dit commentaar dat kritisch was ten aanzien van Amerika verscheen de zojuist genoemde spotprent die het Noord-Vietnamese gezag bekritiseerde door middel van de reus Ho Chi Minh die Noord-Vietnamezen in de strijd ‘schepte’. Een dag later verscheen in het al eerder aangehaalde hoofdartikel over de Vietnam-kamerdebatten het standpunt van de krant ten aanzien van de oorlog en leken zorgen om de toekomst plaats te hebben gemaakt voor standvastigheid in het heden: “Wij weigeren te geloven, dat de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam berust op “imperialistische” motieven. De Verenigde Staten zoekt geen uitbreiding van hun macht of economisch voordeel in Zuidoost-Azië. […] Dat zij bij hun pogingen om deze doelstelling te verwezenlijken, fouten hebben gemaakt, doet niets af van de oprechtheid en de uiteindelijke juistheid van deze politiek”.89 Op 15 februari publiceerde de krant bovendien op pagina 5 twee grote artikelen – één van de correspondent in Parijs en één van de correspondent in Washington, Lachman. De correspondent in Parijs ging diep in op de vermeende oorlogsmisdaden van de Amerikaanse soldaten die zouden zijn begaan tijdens de zogenaamde “mad minute” (de minuut tijd die de Amerikaanse soldaten van hun commandanten kregen bij het binnentrekken van een Vietnamees dorp om in het wilde weg te schieten). Washington-correspondent Lachman schreef laatdunkend over de aanklachten. “Geklaagd wordt over behandeling van krijgsgevangenen, gebruik van napalm, gas- en chemische ontbladeringsmiddelen, bombardering van dorpen, wrede ondervragingen en slechte behandeling van vluchtelingen. Leest men nauwkeurig, dan blijkt dat de voorbeelden vaak geen juridisch houdbaar verband hebben met de verdragsteksten, dat vaker het Zuid-Vietnamese dan het Amerikaanse leger in het geding is en dat vaak omschrijving der daden ontbreekt welke nodig zou zijn voor een aanklacht.”90 Een uiteenzetting als deze typeerde het Algemeen Handelsblad, dat met zijn objectieve, internationale focus graag een beeld gaf van verschillende meningen van verschillende mensen in verschillende landen. Op 20 en 21 februari publiceerde de krant twee achtergrondartikelen van correspondent Lachman letterlijk getiteld: “kritiek en optimisme”91 92, waarin eerst werd ingegaan op het falen van de Vietcong en vervolgens op het inzicht van Amerikanen dat er geen zicht meer was op succes: “Nooit meer Vietnam”.93




6.3 Experts

De onderzochte Nederlandse kranten hadden geen correspondenten in Vietnam. “Een Nederlandse journalist die in opdracht van een Nederlandse krant naar Vietnam ging was een zeldzaamheid. […] Een extra correspondent in het buitenland was duur.”94 Door stukken van experts te plaatsen probeerden de kranten toch eigen nieuws te ‘maken’. In stukken waarin experts aan het woord kwamen was in de periode van het Tet-offensief vaak terug te zien hoe de krant over Vietnam dacht. Het leek erop, dat vooral Trouw en Het Parool Ruslandkenners of Amerika-deskundigen hadden gezocht van wie de ideeën meestal enigszins in het verlengde lagen van de eigen ideologie. Trouw maakte bijvoorbeeld een paar keer gebruik van de kritische analyses van Huib Hendrikse - de Ruslandkenner van de krant - zoals op 10 februari in het achtergrondartikel op pagina 9, met de kop: “Viet Cong vernietigde Amerikaanse mythe”95. Hendrikse schreef hier: “Men behoeft geen enkele sympathie voor de Viet Cong te hebben om dan ook te concluderen dat Amerika voor een volkomen verloren zaak vecht in Vietnam”.96 De expert had ook geen goed woord over voor Washington: “Verzinsels, drogredeneringen en leugens werden in een onafgebroken proces tot officiële waarheid gemaakt.”97 Op een cynische toon schaarde Hendrikse The New York Times in een rijtje van optimisten. De kremlinoloog Victor Zorza voorzag Het Parool van zijn inzichten. Hij zag de Vietnamkwestie een stuk minder somber dan Hendrikse, bijvoorbeeld toen hij op 8 februari op pagina 4 - de pagina ‘Politiek’ – zei: “Het is nu wel duidelijk dat de grootscheepse campagne van de Viet Cong en de Noordvietnamezen in Zuid-Vietnam de bedoeling had, een opstand van de bevolking tegen het regime in Saigon uit te lokken. Even duidelijk is het dat deze opzet niet is gelukt.”98 Het Parool publiceerde ook stukken van de Amerikaanse columnist Joseph Alsop die schreef over de zwakte van de Vietcong en beargumenteerde dat deze tijdens het Tet-offensief al zijn troeven uit handen had gegeven. Alsop vergeleek de plotselinge grootscheepse aanvallen van de Vietcong bijvoorbeeld met het “vruchteloze optreden van Japanse kamikazes in de slotfase van WOII.”99 Zo claimde hij: “[…] het is stellig dwaas om maar te blijven praten over een uitzichtloze oorlog – zoals zovelen in de VS doen – wanneer de andere partij zo kennelijk denkt (of vreest) dat het einde in zicht is.”100 Het Algemeen Handelsblad plaatste twee keer een artikel van Arnett, reporter van AP en neutraal ten aanzien van de Vietnampolitiek. The New York Times had met de correspondenten in Vietnam de experts in eigen huis, maar in de krant verscheen bijvoorbeeld ook de visie van militair expert Baldwin. Baldwin was vóór de Vietnamoorlog en terwijl de editorials van Oakes schande spraken van het Amerikaanse beleid in Vietnam, legde Baldwin in een ‘news analysis op 1 februari uit dat de Vietcong waarschijnlijk de publieke opinie wilde doen kantelen en dat het offensief in militair opzicht niet was geslaagd. In een ‘news analysis’ op 3 februari beargumenteerde Baldwin waarom er wel eens meer troepen nodig konden zijn in Vietnam.

7. My Lai: The New York Times, Trouw, Het Parool en Algemeen Handelsblad

7.1 Nieuwsberichtgeving

De berichtgeving over My Lai begon met het bericht in The New York Times dat luitenant Calley jr. onder verdenking was gesteld van het met voorbedachten rade vermoorden van 104 Vietnamese burgers. Wat er zich precies had afgespeeld op 16 maart 1968 in My Lai was op dit moment nog onduidelijk. Behalve het bericht over Calley werd er in The New York Times nog niet geschreven over My Lai en de kwestie bleef onbesproken in de Nederlandse kranten. Binnen een week zou hier echter grote verandering in komen.



The New York Times publiceerde op 14 november 1969 een interview met Calley dat zeer weinig informatie bevatte omdat Calley niet wilde ingaan op de aanklachten. Op dezelfde dag berichtte The New York Times correspondent in Vietnam, Robert M. Smith, op pagina 17 over een Amerikaans militair onderzoek dat was ingesteld naar de vermeende slachting in My Lai, waarvan de onderzoeksresultaten geheim moesten blijven.

De volgende dag, 15 november, schreven correspondenten Robert M. Smith en Henry Kamm over het feit dat het onderzoek van start was gegaan en dat een tweede soldaat, sergeant David Mitchell, onder verdenking was gesteld. Kamm was een van de weinige journalisten in Vietnam die het dorp mocht bezoeken en aldaar met getuigen kon praten.

Op 16 november publiceerde The New York Times een artikel op pagina 58 over de voormalige soldaat Ronald Lee Ridenhour. Hij verklaarde de persoon te zijn geweest die de legertop aanzette tot het onderzoeken van wandaden binnen het Amerikaanse leger. Hij verklaarde eveneens dat de slachting inderdaad had plaatsgevonden, maar details over de slachting werden niet vermeld.
Het ‘breaking news’ over My Lai, met de getuigenverklaringen van overlevenden, werd gepubliceerd in The New York Times op 17 november 1969 in het belangrijkste voorpagina-artikel, getiteld “Vietnamese Say G.I.’s Slew 567 in Town”. 101 Op pagina 2 werd in een vervolg op het voorpagina-artikel een zeer gedetailleerde verklaring geplaatst: een schokkend verhaal over een brute, schijnbaar gewetenloze moordpartij waarbij niemand werd gespaard. In de lead van het artikel werd beschreven hoe, volgens getuigen, de Amerikanen het dorp overvielen. “A heavy artillery barrage awakened the villagers around 6 A.M. It lasted for an hour, then American soldiers entered the village, meeting no opposition. They ordered all inhabitants out of their homes. Although the area had been largely under Vietcong control, the villagers had engaged in no hostile action against the Americans and bore no arms. The Americans forced the villagers to gather in one place in each of the three clusters of houses that formed part of the village of Songmy. […] Then the Vietnamese were gunned down where they stood. About 20 soldiers performed the executions at each of the three places, using their individual weapons, presumably M-16 rifles”.102 Naast dit artikel werd een kaartje afgedrukt van Vietnam met de locatie van Song My. Op pagina 3 werd in een achtergrondartikel een persoonsbeschrijving gegeven van de verdachte sergeant Mitchell aan de hand van een interview met hem: “Accused G.I. Found Home In the Army”.103

In Trouw en het Algemeen Handelsblad verschenen op 18 november, één dag na het ‘breaking news’ in The New York Times, de eerste berichten over My Lai. De koppen van beide kranten kwamen overeen: “New York Times onthult: ‘Amerikanen roeiden dorpje in Vietnam uit’”104 (Trouw voorpagina) en “Volgens New York Times: Amerikanen roeiden een Vietnamees dorp uit” (Algemeen Handelsblad voorpagina).105 Het Parool was een dag later met haar berichtgeving dan Trouw en het Algemeen Handelsblad. Op 19 november verscheen op pagina 9 een nieuwsbericht met de kop: “Na beschuldiging tegen VS-militairen: Onderzoek naar dood van 567 Zuidvietnamezen”.106 Op dezelfde dag plaatste The New York Times een artikel van haar correspondent in Vietnam, Kamm, over de vraag of de regering van Zuid-Vietnam de aanklachten met betrekking tot My Lai zou gaan onderzoeken. Trouw plaatste op 19 november een achtergrondartikel “Massa-moord in Vietnam”107, geschreven door David Lamb, correspondent in Zuid-Vietnam voor het Amerikaanse persbureau United Press International. In dit op getuigenverklaringen gebaseerde artikel werd beschreven wat er gebeurde op 16 maart 1968. The New York Times plaatste op 20 november op de voorpagina een artikel over getuige sergeant Michael Bernhardt, die de orders van luitenant Calley had geweigerd en nu de berichten over de massamoord in My Lai bevestigde. Een dag later publiceerden de drie Nederlandse kranten de door sergeant Bernhardt afgelegde verklaringen.

Op 20 november 1969 publiceerde de Amerikaanse krant ‘Cleveland Plain Dealer’ een reeks foto’s van voormalig legerfotograaf Ronald Haeberle. Op de foto’s was onder meer te zien hoe de levenloze lichamen van vrouwen en kinderen op een hoop voor brandende hutjes lagen. The New York Times berichtte over de publicatie van de foto’s door ‘Cleveland Plain Dealer’, maar pas twee dagen later, op 22 november, plaatste zij één van de schokkende foto’s op pagina 3. Van de Nederlandse kranten was het Algemeen Handelsblad de eerste die - op dezelfde dag als The New York Times - de lezer informeerde over de foto’s in de ‘Cleveland Plain Dealer’. Trouw en Het Parool berichtten een dag later, op 21 november, over de foto’s. De Nederlandse kranten hadden waarschijnlijk geen publicatierecht van Haeberle’s foto’s weten te bemachtigen, want in tegenstelling tot The New York Times verschenen er in deze kranten geen foto’s van de My Lai-slachting.

Vaak kwam de nieuwsberichtgeving in The New York Times, Trouw, Het Parool en Algemeen Handelsblad, net als na het Tet-offensief, overeen. Zo publiceerden de kranten op vergelijkbare, objectieve manier de getuigenverklaringen van bijvoorbeeld sergeant Bernhardt en Vietnamese overlevenden van de moordpartij. Alle kranten schreven vergelijkbare nieuwsberichten over uitspraken van de Britse Labourpoliticus en oud-minister van Buitenlandse Zaken, George Brown. Amerikanen, zo had Brown verkondigd, “moeten niet huilen” over de slachtingen in My Lai, want volgens Brown hoorden gruweldaden nou eenmaal bij oorlog. Trouw en Het Parool gebruikten op 22 november zelfs precies dezelfde opening in een artikel over Brown: “De voormalig Britse minister van buitenlandse zaken Brown heeft gisteren weer eens een rel veroorzaakt”.108,109 Beide kranten maakten voor het artikel over Brown gebruik van informatie van persbureau Reuters. Ook berichtten alle onderzochte kranten op een vergelijkbare manier op 26 (The New York Times, Het Parool, Algemeen Handelsblad) of 27 november (Trouw) over een mogelijke tweede slachting, waarbij Amerikaanse troepen schietoefeningen zouden hebben gedaan op burgers in een dorpje in de Mekongdelta. De berichtgeving over de rechtszaak tegen compagnie-commandant Ernest Medina kwam eveneens overeen. Alle kranten schreven over hoe Medina op 4 december ontkende orders te hebben gegeven die een slachtpartij tot gevolg zouden hebben gehad. Alle onderzochte kranten berichtten over de specifieke uitspraken van Medina in de rechtszaal. Medina verklaarde de lijken van 20 tot 28 vrouwen gezien te hebben en hij gaf toe een vrouw instinctief te hebben neergeschoten. Reuter was hier weer het geraadpleegde persbureau.



Ondanks de overeenkomsten in de berichtgeving over My Lai waren er, net als in de nieuwsberichten over het Tet-offensief, verschillen te ontdekken tussen de vier onderzochte kranten. Méér dan het Tet-offensief was het schandaal rond My Lai een Amerikaanse kwestie in de pers. In de maand na de openbaring van het My Lai-schandaal berichtte The New York Times 100 keer over dit drama tegenover 26 berichten in Trouw, 19 in Het Parool en 26 in Algemeen Handelsblad. The New York Times ging, meer dan de Nederlandse kranten, in op geruchten en speculaties over de slachting die ontstonden nadat nieuws over My Lai binnendruppelde. Een kleine greep uit de koppen van The New York Times geeft een beeld van The New York Times’ nieuwsberichtgeving over speculaties: “War veteran says he killed 35 to 40 in Songmy sweep”110, “G.I. says he saw Vietnam massacre”111, “Veteran says he slew ten in Vietnam killing”112, “Ex-G.I. says he saw Calley kill a Vietnamese citizen”113, “Reports of massacre doubted by man who was at Song my”.114 Gedurende de hele maand na het ‘breaking news’ over My Lai waren The New York Times, Het Parool en het Algemeen Handelsblad voorzichtig in de benaming van het gebeurde, omdat de getuigenverklaringen nog niet officieel waren bevestigd en de rechter nog geen uitspraak had gedaan. In The New York Times werden de gebeurtenissen in My Lai aangeduid als “assertions”, “charges of mass murder”, “suspected mass murder” en “the reported massacre”. Het Parool en Algemeen Handelsblad deden dit op vergelijkbare wijze en spraken over “mogelijke massamoord”, “de moord die zou zijn gepleegd/begaan”, “de beweerde massamoord/het beweerde bloedbad”, of “het bloedbad dat Amerikaanse troepen zouden hebben aangericht”. Trouw, daarentegen, sprak al meteen over “de slachtpartij” en “de massamoord”. Op 24 november plaatste Trouw een nieuwsbericht getiteld “Kapitein: ‘vernietig Son My met alles er bij’”115, waarvan de eerste zin als volgt begon: “Vlak voordat op 16 maart 1968 de bevolking van het Zuidvietnamese dorpje Son My werd afgeslacht […]”.116 Trouw was duidelijk minder behoedzaam dan de andere kranten. Aangenomen mag worden dat de krant vanuit haar kritische standpunt ten aanzien van de Amerikaanse rol in Vietnam, de gebeurtenissen in My Lai niet in twijfel trok. Trouw kende ook geen traditie van objectiverende journalistiek, zoals The New York Times en Algemeen Handelsblad die kenden. Kritiek op het Amerikaanse Vietnambeleid paste in het activistisch-progressieve Trouw van na ‘de bekering’ van Bruins Slot.

Het verschil in benadering van het My Lai-drama tussen de vier kranten was heel duidelijk te zien in de wijze waarop gepubliceerd werd over de uit Vietnam teruggekeerde Canadese arts dr. Alje Vennema. Deze dokter behandelde in Vietnam Vietnamese slachtoffers en was tijdelijk in Nederland om in een aantal speeches over zijn ervaringen te vertellen. The New York Times, Trouw, Het Parool en Algemeen Handelsblad waren ieder selectief in de weergave van Vennema’s citaten en interpreteerden zijn uitlatingen ieder op eigen, kenmerkende wijze. The New York Times plaatste op 28 november haar bericht over Vennema, bijna twee weken voordat de Nederlandse kranten over hem publiceerden. Het bericht op pagina 17 van The New York Times was veel korter dan de berichten in de Nederlandse kranten en verkondigde alleen een aanklacht: “A British [sic] doctor who spent five years in Vietnam said today that he had seen South Vietnamese troops pass through villages and regularly set fires and loot and kill unarmed civilians”.117 Het artikel eindigde met de uitspraak van Vennema dat Amerikanen niet de ergste misdadigers waren in Zuid-Vietnam: ‘He [Vennema] said South Vietnamese troops were “much much worse than American troops”’118. In Trouw werd Vennema door Rudie van Meurs, een redacteur die reportages in binnen- en buitenland maakte, veel zorgvuldiger geïntroduceerd. Volgens van Meurs ging Vennema onbevangen, of zelfs pro-Amerikaans naar Vietnam en was hij “een zonder emoties sprekende man die jaren als arts en directeur van de Canadese medische missie in de hel van het oorlogsgeweld leefde”.119 Volgens Van Meurs veranderde de houding van Vennema, nadat de arts door Amerika gemaakte slachtoffers moest behandelen, van pro-Amerikaans naar anti-Amerikaans. Trouw plaatste een quote van Vennema: “Ik heb nooit gehoord of gezien dat de Viet Cong onnodig slachtoffers maakt”120 en Trouw stelde: “Dr. Vennema constateert – en dat is tegen deze achtergrond niet zo verwonderlijk – dat de Zuidvietnamese bevolking maar ook de lagere en zelfs hogere autoriteiten de Amerikanen niet mogen. Hij mag ze zelf ook niet”.121 Daarnaast kondigde Trouw de aankomende speeches van Vennema aan in een apart artikel met de kop “Dr.Alje Vennema spreekt over Vietnam”.122 In Het Parool was het pro-Amerikaanse standpunt van de krant inzake de Vietnamkwestie te zien in de manier waarop de krant Vennema introduceerde. Er verscheen een artikel vergezeld van een foto van Vennema met het onderschrift: “Ik ben niet anti-Amerika”123. Waar Trouw Vennema deed overkomen als anti-Amerikaans, citeerde Het Parool Vennema op deze manier: “Toch ben ik niet anti-Amerikaans. Ik ben alleen tegen wat de Amerikanen in Vietnam doen”.124 Het Parool maakte, in tegenstelling tot Trouw, geen reclame voor de speech die Vennema die avond zou houden en noemde deze zelfs niet. Het is aannemelijk dat Het Parool de speech van Vennema niet aankondigde omdat de krant het standpunt van de arts ten aanzien van de oorlog in Vietnam niet onderschreef. Algemeen Handelsblad liet een hardere Vennema zien die het opnam voor de Vietcong. “Is dr. Vennema misschien pro-Vietcong?”125 vroeg de krant zich af om vervolgens Vennema’s antwoord te quoten: “Van haar politieke doeleinden weet ik niets. Ik weet alleen dat zij de enige organisatie is in wie de bevolking vertrouwen heeft. Van haar kan ik alleen maar pluspunten opsommen, terwijl alles wat Amerikanen en Zuidvietnamezen doen, negatief is”.126 Volgens een quote van Vennema in het Algemeen Handelsblad maakte de Vietcong zich zelden of nooit schuldig aan terreur. In het artikel werd ook de speech van Vennema aangekondigd, maar niet zo prominent als in Trouw en zeker niet als reclame.

Net als in de periode na het Tet-offensief waren de nieuwsberichten van het Algemeen Handelsblad en The New York Times het meest internationaal georiënteerd en verschenen er overzichten van wat media en personen zeiden over de Vietnamkwestie. Het Algemeen Handelsblad schreef bijvoorbeeld in “Aanklachten stapelen zich op”127 over wat The Los Angeles Times, The Chicago Sun Times, Life en het Noord-Vietnamese partij-orgaan Nhan Dhan schreven over My Lai. De internationale focus van Algemeen Handelsblad was groter dan die van de twee andere Nederlandse kranten, maar minder duidelijk zichtbaar dan in de periode na het Tet-offensief. Het Algemeen Handelsblad gaf in de periode van het Tet-offensief overzichten van wat Europese kranten schreven over de kwestie terwijl in de periode na het ‘breaking news’ over My Lai alleen Amerikaanse en Vietnamese bronnen geraadpleegd werden. Een voorbeeld van de internationale oriëntatie van The New York Times was het stuk van Henry Tanner, redacteur op het United Nations bureau van The New York Times, dat op 3 december op pagina 3 in The Times verscheen “Much of World views songmy affair as an American tragedy”.128 Hier werden meningen over het My Lai-drama aangehaald uit Noorwegen (een correspondent in Oslo en het Noorse parlement), Frankrijk (‘l’Express’ – Parijs), Duitsland (commentatoren en kanselier Willy Brandt), Spanje (overheidsbekleders), Griekenland (een winkelier in Athene), Joegoslavië (een overheidsbekleder uit Belgrado), Nederland (‘Het Vrije Volk’- Den Haag), Italië (‘Il Resto’- Bologna en ‘La Stampa’- Turijn), Engeland (premier Wilson) en Zweden (minister van Buitenlandse Zaken Torsten Nelsson).

Opvallend was het gebrek aan foto’s in de periode na My Lai in de vier kranten. Met uitzondering van de foto uit de ‘Chicago Plain Dealer’ die The New York Times publiceerde, verschenen er geen schokkende foto’s zoals na het Tet-offensief wel het geval was. Wel werden vaak foto’s geplaatst van kernfiguren in het My Lai drama, zoals Calley, Mitchell, Bernhardt, Meadlo en Medina. Waarschijnlijk was het gebrek aan indrukwekkende foto’s in de krant simpelweg te verklaren door een gebrek aan fotomateriaal: het was fotografen lange tijd niet toegestaan het gebied te betreden. Na opheffing van het verbod troffen ze weinig interessante situaties aan om te fotograferen.

1   2   3   4   5   6   7

  • 5.Methode
  • 6. Het Tet-offensief: The New York Times , Trouw , Het Parool en Algemeen Handelsblad
  • 6.2 Commentaren en analyses
  • 7. My Lai: The New York Times , Trouw , Het Parool en Algemeen Handelsblad 7.1 Nieuwsberichtgeving

  • Dovnload 405.37 Kb.