Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Algemeen handelsblad

Dovnload 405.37 Kb.

Algemeen handelsblad



Pagina5/7
Datum25.10.2017
Grootte405.37 Kb.

Dovnload 405.37 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

7.2 Commentaren en analyses

Anders dan in de periode na het Tet-offensief, wachtten The New York Times, Trouw, Het Parool en het Algemeen Handelsblad lang met het plaatsen van commentaren. Pas op 22 november, vijf dagen nadat The New York Times de My Lai-aanklachten in een nieuwsbericht op de voorpagina publiceerde, verschenen er twee commentaren in The New York Times. Opvallend aan de commentaren in The New York Times in de periode na My Lai, was dat de kritiek – met name op Washington – sinds het Tet-offensief groter was geworden. Bovendien waren commentaren in The New York Times , ondanks de verschillende visies van de commentatoren, steeds moralistisch en probeerden ze richting te geven aan het denken van de Amerikaanse burger over de Amerikaanse rol in Vietnam. The New York Times plaatste, net als na het Tet-offensief, beduidend meer commentaren dan de Nederlandse kranten. In The New York Times werden 18 commentaren gepubliceerd, in Trouw 6, Het Parool 3 en in Algemeen Handelsblad 6.

Uit de eerste twee commentaren op pagina 36 van The New York Times, sprak voornamelijk geschoktheid en verbazing over de gebeurtenissen in My Lai. De commentator legde in het eerste editorial uit dat Amerikaanse burgers geschokt waren en dat ook moesten zijn, maar ook zei hij dat zij de moed bijeen moesten rapen om de gewetenstest die My Lai was, onder ogen te zien. Het commentaar schotelde de Amerikanen een duidelijke denkwijze voor: “Reports of the deliberate, methodical killing of hundreds of civilians – men, women and children – by American troops in a Vietnamese village last year are so shocking, so contrary to principles for which this country has always stood, as to be beyond belief. Yet the evidence mounts daily that something horrible did take place. […] The United States public must know and face the long-suppressed facts about what may turn out to have been one of this nation’s most ignoble hours. […] Recognizing that war is always brutal and ugly, but also remembering their own shocked disapproval of German and Japanese atrocities in World War II, Americans must face up frankly to what has become a severe test of conscience”.129 In het tweede commentaar, geschreven door Lewis, met de kop “What Are We Doing to Ourselves”130 werd op sarcastische wijze kritiek geuit op het Amerikaanse handelen in My Lai. Lewis besprak eerst de Londense pers, die misstanden in My Lai vergeleek met de daden van nazi’s in Tsjechische Lidice. Hij voegde hier aan toe dat de nazi’s in ieder geval de vrouwen en kinderen nog ontzagen. Uit het commentaar sprak verbazing over het gebeurde omdat het voorval in My Lai volgens Lewis totaal niet paste in de Amerikaanse ideologie. “The reports of mass murder by American soldiers have been devastating in their effect on the British, long our closest ally. Like anyone whose trust in a friend’s honor is shadowed by doubt, they are bewildered: they meet Americans and ask: Why? How? […] If that [the asserted massacre] is even partially true, how can America ever be the same?”.131

In de Nederlandse kranten zouden geen hoofdartikelen verschijnen tot 26 november, maar op de dag van The New York Times’ eerste commentaar, 22 november, publiceerde Algemeen Handelsblad wel een stuk van haar Washington-correspondent Lachman. Dit stuk werd niet als een commentaar aangemerkt, maar uit de inleiding van dit artikel bleek dat My Lai bij Lachman dezelfde herinneringen opriep als die waar Lewis op dezelfde dag in zijn commentaar in The New York Times over sprak: de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog in Lidice. Lachman schreef: “Zonder commentaar, in volkomen stilte gedurende een onheilspellend lange minuut, toonde het televisienieuws de foto’s van wat in maart 1968 Amerikaanse zonen in naam der vrijheid deden in een Zuid-Vietnamees dorp. De opeengehoopte lijken van vrouwen, kinderen en oude mannen. In groepen voor hun hutten of in greppels bijeengedreven. Ouradour. Lidice.”132



In The New York Times van zondag 23 november, verschenen in het supplement ‘The Week in Review’ twee achtergrondartikelen over My Lai, die niet alleen duidden op de schok die het nieuws over My Lai veroorzaakte, maar ook wezen op onzekerheden: de verhalen over My Lai konden volgens het artikel nog niet voor volledig waar aangenomen worden. ‘Legal experts point out that it is important to remember that what the news media are now talking about are these ill-defined “charges” subject to change. While several Vietnamese and American witnesses have painted the painful portrait of a massace, any judgment of individuals, they say, has to be reserved’.133 Geheel passend in de internationale focus van The New York Times ging dit review ook in op de woede die in andere landen werd opgeroepen nadat de berichten over My Lai wereldkundig werden gemaakt. De schrijver sprak van “moral outrage abroad”. Het tweede artikel, van Vietnam-correspondent Kamm, wees eveneens op de onduidelijkheden in de kwestie My Lai en maakte melding van compleet verschillende verklaringen van getuigen, het Amerikaanse leger en de Vietnamese regering: “differences remain on whether Vietcong in the village may have provoked the deaths of its inhabitants by firing first on the soldiers or attacking them in other ways. Witnesses say no, the United States Army keeps silent, and the Vietnamese government yesterday said yes”.134
Op maandag 24 november verscheen in The New York Times een commentaar, wederom van Lewis, over “the dehumanization of war”.135 Lewis duidde er net als de commentaren van een dag eerder op dat nog niet duidelijk was wat er gebeurd was in My Lai; de aanklachten zouden volgens Lewis fouten kunnen bevatten of overdreven zijn. Hij wees Amerikanen echter ook op hun plicht de volledige waarheid onder ogen te zien. “But we must know. For Americans to be satisfied with less than the whole truth about such charges – to shrug them off, to be complacent – would be as much a sign of moral bankruptcy as the atrocity itself”.136 Het commentaar ging ook over de uitspraken van Brown, oud-minister van Buitenlandse Zaken in Engeland: “There is of course the view that all wars produce savagery, and that Americans should not be overly surprised or ashamed at this example. George Brown, the former Foreign Secretary, said as much the other day”.137
Op 26 november vroeg Reston, op dat moment hoofdredacteur van The New York Times, zich in zijn krant af wie verantwoordelijk gehouden zou moeten worden voor het bloedbad in My Lai. Reston had in zijn column op pagina 44 geen goed woord over voor Washington, maar nam het op voor de Amerikanen als volk. “The reporters missed the tragedy of Songmy, and no wonder. They were conned by the Pentagon propaganda chiefs in Saigon, but the Americans are a moral and gabby people and the truth finally came out”.138 Reston vervolgde met een vergelijking tussen het doden van burgers door bombardementen en de ‘point-blank’ slachtpartij van My Lai. Het is duidelijk dat Reston ‘het systeem’, opgezet door Washington, verantwoordelijk achtte voor de wandaden: “So there is a question, which is now going to the military courts. Is Paul Meadlo of Terre Haute, Ind., this tragic and limited human being, to blame? Or William L. Calley Jr., the hard-faced lieutenant, who gave the orders? Or the higher officers who watched the carnage and let it go on? Or was it ‘the system?’ […]. The president and the secretary of Defense now have to deal with the question.[…] Should the facts be suppressed, the soldiers who kill on the ground be hung and the airmen in the B-52’s who kill many more be praised? It would be interesting to hear from the President and the Vice President on these questions, but they are remarkably silent”.139

Trouw en Het Parool gingen op 26 november in op de uitlatingen van de Britse oud-minister van Buitenlandse Zaken, Brown. Het Algemeen Handelsblad plaatste geen commentaar over deze kwestie. Passend bij haar kritische houding ten opzichte van de Amerikaanse Vietnampolitiek, verwierp Trouw de uitspraken van Brown: “In het kille cynisme van Brown herkent men niets meer van het humane gezicht van het socialisme. Hier was een man aan het woord die letterlijk over lijken gaat”.140 Het Parool daarentegen, verdedigde in haar commentaar de uitspraken van Brown volledig; een standpunt waar zelfs de meeste Amerikanen zich op dat moment niet meer aan waagden. Terwijl The New York Times de uitlatingen van Brown toonde als een manier om naar de situatie te kijken, schilderde Het Parool deze af als dé manier om naar de situatie te kijken. Het Parool was hier, als trouwe bondgenoot van de Amerikanen, roomser dan de paus. Het commentaar, getiteld ‘Over dubbele moraal’, was tekenend voor de opstelling van Het Parool. 141 “De moord op burgers in het zuidvietnamese dorp Song My is een verschrikkelijk feit. Het is zeker nodig dat het tot de bodem wordt uitgezocht en dat de schuldigen hun gerechte straf krijgen. Hierover mag geen enkel misverstand bestaan. Er verdient echter wel iets aan te worden toegevoegd. George Brown, tweede man in de Britse Labour-leiding heeft dat op zijn manier gedaan. Hij noemde het onbillijk en huichelachtig, dat alle boosheid zich nu uitsluitend richt op de Amerikanen. Wat hebben wijzelf in het verleden gedaan, vroeg hij, en wat heeft de tegenpartij gedaan? Inderdaad; wat de VS-militairen in Song My hebben gepleegd is niets unieks en niets typisch-Amerikaans. Ook in Nederland moet men maar niet te luid schande roepen. De excessen in Indonesië na 1945 hebben twintig jaar in de rapporten en enkele reportages moeten sluimeren voor men hier bereid was, ze als zodanig te erkennen. […] Wanneer er bij het Song My drama iets typisch Amerikaans is, dan is het de genadeloze openhartigheid waarmee reeds anderhalf jaar na dato de feiten worden beschreven. Deze openhartigheid is een democratische deugd, en juist democraten moeten zorgen er geen slachtoffers van te worden, zoals de communisten wel eens slachtoffers worden van hun eigen propaganda. Dit voert naar die andere vraag van George Brown: wat heeft de tegenpartij gedaan? En dan kan het verhaal volgen van de onnoemelijke wreedheid en erbarmingloze terreur van de guerrilla, de strijdwijze, die de burgers prest tot medeplichtigheid, op straffe van dood en verderf, en in haar methoden aan geen enkele regel is gebonden. Hierover bestaan weinig bekendheid en klaarblijkelijk ook weinig behoefte aan bekendheid juist bij hen, die over Amerikaanse daden zo vlot en aanhoudend de staf breken. Dit is een duidelijke vorm van dubbele moraal. Uit wat George Brown nog meer heeft gezegd, mag men afleiden, dat hij de Amerikanen ziet als bewakers van de vrije wereld, nu de Britten niet meer in staat zijn deze functie te vervullen. Daarom wil hij ook, dat Amerika in Zuid-Vietnam zijn taak afmaakt. Het was een der typisch-Britse accenten in zijn betoog, en het is zeker geen dure plicht er hem in bij te vallen. Maar wel is er reden om, met het Britse blad, The Guardian, enige bezorgdheid te koesteren voor die andere tragedie, die zou bestaan in het drijven van Amerika in een nieuw isolationisme. Zonder Amerika, zegt het blad, zouden Parijs en Brussel zich thans evenzeer onder de Russische laars kunnen bevinden als Boedapest en Praag.”142

Algemeen Handelsblad publiceerde op 26 november een achtergrondartikel van Lachman, waarin de houding in Amerika ten aanzien van de slachtingen in My Lai werd bekritiseerd. Terwijl Lewis twee dagen eerder in The New York Times duidelijk maakte dat we nog niet konden weten wat er gebeurd was in My Lai, zei Lachman: “Wat er in maart 1968 in het Zuidvietnamese dorp Song My is gebeurd is nu wel bekend. Het staat uitgebreid in de krant. Hele pagina’s vol. Maar de publieke reactie bleef uit en ook die in het Congres.”143 De toon van Lachman was nogal sarcastisch in zijn constatering dat de roep om een algemeen onderzoek door een Senaatscommissie nauwelijks gehoord werd, dat gedemobiliseerde getuigen of medeplichtigen niet voor de rechter konden worden gesleept en dat compagnie-commandant Medina niet werd beschuldigd. Op een subtiele wijze verweet Lachman The New York Times onvoldoende kritische journalistiek te bedrijven wat betreft My Lai: ‘Zelfs de New York Times en Washington Post lieten door hun vier kritische correspondenten in Vietnam de achtergrond belichten van de zaak. Het dorp was Vietcong-gebied sinds de jaren veertig en nog niet gepacificeerd. De sfeer tijdens de gevechten is moeilijk te beschrijven. Het waren zogenaamde “vechtende” dorpen. De Vietcong had er een ieder: man, vrouw en kind tot vrijheidsstrijder verklaard. Het gebied was steeds weer bezaaid met booby traps en landmijnen. In een paar weken tijd had de compagnie er een kwart van haar manschappen verloren. De dag ervoor was een van de populairste jongens, Bobby Wilson, door een landmijn aan stukken gereten. Het was een nachtmerrie-sector. De jongens hadden zelf gevraagd om wraak. Ze waren woedend. Men was er toen in vier helikopters naar toegegaan. Dit alles kennelijk niet als verontschuldiging. Maar om het publiek de juiste achtergrond duidelijk te maken… ‘.144 Lachman leek hier te willen benadrukken dat The New York Times eerder excuses zocht dan werkelijke achtergronden.

Het lijkt erop dat de persoon die op 28 november het hoofdartikel in Trouw verzorgde, ’s ochtends in The New York Times het commentaar van Reston had gelezen, want ook de schrijver van dit commentaar achtte ‘het systeem’ verantwoordelijk voor de slachtpartij in My Lai. Dit stuk, zelfs met de kop “Het systeem”145 betoogde: “[…] deze militairen zijn de slachtoffers van een systeem dat zij niet hebben uitgedacht maar waarin zij worden gedwongen te werken. De werkelijk verantwoordelijken zitten ergens anders. In het Pentagon en in het Witte Huis”.146 In dezelfde lijn als Reston eindigde het commentaar moralistisch: “Men spreekt dan over oorlogsmisdaden. Dat wekt de illusie dat een oorlog zonder misdaden mogelijk is. Het verschijnsel van de oorlogsmisdaden doet evenwel de vraag rijzen of niet oorlog de misdaad is”.147 Adjunct-hoofdredacteur van Algemeen Handelsblad Spoor – die naar eigen zeggen kritischer was over de rol van de Amerikanen in Vietnam dan toenmalig hoofdredacteur Hofland - haalde Reston op 4 december zelfs letterlijk aan in zijn commentaar “My Lai en de hypocrisie”.148 Spoor schreef: “De hoofdredacteur van de New York Times James Reston vroeg zich vorige week ook niet voor niets af wat het verschil eigenlijk is ‘tussen de bomrichter in een B-52 of een artillerie-officier, die vrouwen en kinderen in een dorp vernietigt en de man, die op bevel zijn geweer afschiet. De één ziet de menselijke ellende voordat hij schiet en de ander niet; in menselijk opzicht een groot verschil, maar voor de dorpelingen is de afloop hetzelfde,’ aldus Reston. Er zit daarom zeker een flinke dosis hypocrisie in de verontwaardiging, die nu in Washington geuit wordt. Autoriteiten, die zo’n kader van geweld hebben geschapen, lijken nauwelijks het recht te hebben van de jongelieden, die zij in deze hel sturen te eisen dat zij precies weten welke grens van gruwelijkheid niet overschreden mag worden. […] My Lai is daarom niet alleen de tragedie van de Vietnamese slachtoffers of van luitenant Calley en kapitein Medina en hun manschappen. My Lai verwijst naar de politici, die de bronnen zijn van de Vietnamstrategie en het Vietnambeleid. Bij hen ligt de verantwoordelijkheid voor het patroon van geweld dat over Vietnam en zijn burgers werd uitgestort, een patroon waarvan overigens de rechtvaardiging zowel als de doelmatigheid nog altijd open vragen zijn”.149



Een week na de eerste commentaren in The New York Times, schreef Lewis op 29 november een commentaar, getiteld “Facing the Dark Reality”.150 Lewis legde in dit commentaar uit dat Amerikanen niet moesten denken beter te zijn dan anderen en dat de regering de taak had de Amerikaanse burgers te sturen. “[…] It is not much of a solace to Americans to know that other people have been guilty of inhumanity. For we thought we were different. We thought we had crossed the ocean to escape from the old tyrannies and found an idealistic society. We thought man’s fate since the fall would be overcome in America. […] The task of American leadership today, therefore, is to give us the strength to face the darkness in ourselves. Strength of that kind is nourished by unity”.151 Door de agressieve houding van Nixon en voornamelijk vice-president Agnew Spiro ten aanzien van de pers, werd het land echter alleen maar verdeeld volgens Lewis. Nixon en Spiro zouden volgens Lewis openheid moeten nastreven om het volk te helpen “the dark reality” onder ogen te kunnen zien. “In the long run any people must seek the answer to their troubles not in others but in themselves”.152
De volgende dag, 30 november, legde een commentator van The New York Times de Amerikanen uit welke lering uit My Lai moest worden getrokken in de editorial “The lesson of Songmy”.153 “The national conscience has not surrendered to the brutalization of war”154, stelde het commentaar vast. “It remains the burden of democratic government and of the national conscience to chain the bestial instincts in which war unleashes and which, unchecked, threaten a people’s heart and soul”.155 Kortom: de democratische overheid zou het beest in de mens moeten beteugelen. Reston duidde in zijn column op dezelfde pagina ook op de taken van Washington – zoals hij vaker deed als Washington-expert. Er moest volgens het commentaar een presidentiële commissie komen, want het leger verdoezelde feiten. Wicker, op dat moment lid van leiding van de editorial page en columnist, schreef op dezelfde dag dat het door Amerikanen geliefde beeld van G.I. Joe was geschaad. “Right now, we need terribly to believe in ourselves again”156, eindigde Wicker als ‘true American’.
Van de Nederlandse kranten bleef Trouw de kwestie My Lai het langst becommentariëren. Zo gebruikte Trouw op 6 december nog een kritisch stuk van Victoria Brittain, correspondent in Amerika voor het Londense weekblad New Statesman. Dit stuk, getiteld “‘Ze hebben van mijn zoon een moordenaar gemaakt’”157 maakte duidelijk dat My Lai wel eens een keerpunt in de geschiedenis kon zijn omdat het mogelijk het begin was van “een nieuwe golf van publiek protest tegen de oorlog en daarom voor Nixon even onwelkom als voor het leger is. […] Maar het belangrijkste van alles is dat Son My zelfs president Nixon kan helpen in te zien dat Vietnam een soort nederlaag is voor Amerika, ongeacht wat er op zekere dag bij vredesbesprekingen gebeurt.”158

Op 13 december nam Bruins Slot zelf het woord om het standpunt van Trouw ten aanzien van My Lai, te verdedigen in het stuk “Vervalste oorlog”.159 “Waarom, zo wordt wel eens gevraagd, publiceert Trouw de berichten over oorlogsmisdaden door Amerikaanse militairen in Vietnam bedreven zo uitvoerig? En is men niet eenzijdig in die voorlichting?”160 In woorden die leken op die van Reston van The New York Times beantwoordde Bruins Slot deze vraag: “Het gaat hier niet om de eerste plaats om wat de Amerikaanse soldaten hebben gedaan, maar wat wordt er met hen gedaan”.161 Bruins Slot was positief over de Amerikaanse maatschappij omdat deze ervoor zorgde dat zaken als My Lai tot op de bodem zouden worden uitgezocht. Als een vader nam Bruins Slot vervolgens zijn lezers aan de hand: “Laten we ons de situatie van die soldaten eens even indenken. Het gaat om jongens van een jaar of twintig” […] Ze ontdekken [naast wraakgevoel jegens alle Vietnamezen] dat ondanks de schone verhalen van president Nixon over de scholen, kerken, pagodes,en tempels die de Amerikaanse soldaten in Vietnam hielpen bouwen, ze is feite bezig zijn een land te verwoesten, dorpen plat te branden en een volk te helpen uitroeien. Dat is wat anders dan een volk te hulp komen. Ze hebben de uitzichtloosheid , de zinloosheid van de Amerikaanse politiek in Vietnam ontdekt en daarmee gaat de rest van het ideaal aan scherven. Daarvoor zijn tot dusverre 40.000 jongens gesneuveld. Ze voelen zich op een afschuwelijke manier door de Amerikaanse leiders bedrogen en ze dragen de last met zich mee van zedelijk gecompromitteerd te zijn door hun gedwongen bijdrage aan deze oorlog. […]Men mag in zulk een situatie individuele soldaten van even in de twintig, hun excessen niet zo zwaar aanrekenen als men die excessen moet aanrekenen aan een politieke leiding die een generatie van jonge Amerikanen geestelijk verminkt door ze een oorlog met een vervalst karakter in te sturen, een oorlog die daardoor een ongehoord wreed karakter krijgt en ook Amerikaanse soldaten tot wreedheid excessen en haat jegens vriend, vijand en henzelf leidt. […] “De Vietnam-oorlog is erg voor Vietnam, maar ze is eveneens – misschien niet minder – erg voor Amerika, omdat het bezig is zijn eigen kinderen kapot te maken. Dat is de betekenis van deze publicaties, dat daarvoor de ogen zullen opengaan.”162



7.3 Experts

The New York Times maakte één keer gebruik van een expert van buiten de krant om toe te lichten welke argumenten de verdediging van Calley zou kunnen aandragen in een rechtszaak. Edward F. Sherman, docent aan de universiteit van Indiana, voormalig officier in het Amerikaanse leger en specialist in militair recht, deelde in een artikel in The Week in Review van 7 december zijn visie met de lezer.163 Volgens Sherman zou de verdediging kunnen betogen dat Calley “tijdelijk gek” was geweest tijdens de slachtpartij van My Lai. Ook zou volgens Sherman beargumenteerd kunnen worden dat Calley simpelweg orders uitvoerde. Van de Nederlandse kranten gebruikte Trouw de meest opvallende expert. De Amerikaanse psychiater Dr. Robert Jay Lifton, hoogleraar aan de universiteit van Yale, gaf in Trouw aan wat er in de hoofden van de soldaten die verantwoordelijk waren voor My Lai om kon zijn gegaan. De belangrijkste reden voor de slachtpartij was volgens Lifton dat de Amerikaanse soldaten geen onderscheid konden maken tussen vriend en vijand. “Het is onmogelijk voor een dienstplichtige om te weten welke Vietnamees een gewone boer is en wie de Vietnamees, die hem de volgende dag onder vuur zal nemen. Dit leidt op zijn beurt tot een geestesgesteldheid, die direct heeft bijgedragen tot wat er in Son My gebeurd is.”164 Zowel Trouw als Algemeen Handelsblad maakten gebruik van achtergrondverhalen van de Vietnam-correspondenten van persbureaus. Algemeen Handelsblad publiceerde op 11 december een stuk van AP-correspondenten Arnett en Horst Faas over Amerikaanse burgers die zich al lange tijd zorgen maakten over de harde tactiek van het Amerikaanse leger in Vietnam. Het artikel verscheen de volgende dag in iets andere bewoordingen ook in Trouw. Trouw maakte ook nog een keer gebruik van de UPI-correspondent in Vietnam, David Lamb. Het Parool maakte op 25 november gebruik van een stuk van Henry Kamm, de correspondent in Vietnam voor The New York Times. Dit artikel kwam overeen met het artikel van Kamm dat op zondag in de bijlage van The New York Times was verschenen.165
8. De Pentagon Papers: The New York Times, Trouw, Het Parool en NRC Handelsblad

8.1 Nieuwsberichtgeving

Dat de publicatie van de Pentagon Papers voor The New York Times van groot belang was, werd duidelijk weerspiegeld in de berichtgeving in de krant. Na de eerste publicaties op zondag 13 juni 1971, was het onderwerp in The New York Times een maand lang voorpaginanieuws. De drie Nederlandse kranten plaatsten pas op 15 juni de eerste nieuwsartikelen over de publicatie van de Pentagonstudie. The New York Times schreef in een maand tijd 135 nieuwsartikelen over de Pentagon Papers. De Nederlandse kranten schreven duidelijk minder nieuwsartikelen: Trouw schreef in dezelfde periode 29 nieuwsberichten over de Pentagon Papers, Het Parool 27 en NRC Handelsblad 32. Trouw, Het Parool en Algemeen Handelsblad publiceerden vaak samenvattingen van de publicaties van The New York Times. De Nederlandse kranten maakten veelal een vergelijkbare selectie van gebeurtenissen die de Nederlandse redacties belangrijk genoeg achtten voor publicatie. Deze feiten zorgen ervoor dat de resultaten van de vergelijking van de berichtgeving over de Pentagon Papers in de vier kranten minder uitgesproken zijn dan die van de vergelijking ten tijde van het Tet-offensief en My Lai. Mogelijk waren de kranten in 1971 ‘Vietnam-moe’ en was de publicatie van de Pentagon Papers een zaak die, meer dan het Tet-offensief en My Lai, specifiek Amerika (en nog specifieker, The New York Times) aanging.



Een grote kop op de voorpagina van The New York Times van 13 juni 1971 kondigde de publicaties van de Pentagonstudie aan: “Vietnam Archive: Pentagon Study Traces 3 Decades of Growing U.S. Involvement”.166 In dit stuk, geschreven door Sheehan, werd verteld welke belangrijke informatie uit de Pentagon Papers - die overigens op dit moment nog als ‘study’ werden aangeduid – was verkregen. Het artikel behandelde puntsgewijs de kritiek op de regeringen van President Truman, Eisenhower, Kennedy en Johnson die naar voren kwam uit de Pentagonstudie. In grote lijnen werd aangegeven hoe de regeringen de druk om oorlog te voeren in Vietnam steeds verder opvoerden, totdat president Johnson in 1965 tot de aanval overging. Ook werd op de voorpagina van de krant van 13 juni een artikel van Vietnam-correspondent Hedrick Smith gepubliceerd, getiteld “Vast Review of War Took a Year”, waarin uitgelegd werd hoe de Pentagonstudie tot stand was gekomen.167 Smith gaf in het artikel ook aan dat de Pentagon Papers tekortkomingen kenden. De documenten zouden “many inconsistencies” bevatten, een goede samenvatting van de studie zou ontbreken en tijdsdruk zou een negatieve invloed hebben gehad op het resultaat. Op pagina 35 tot en met pagina 40 verschenen delen van de Pentagonstudie in de krant. In de gepubliceerde stukken werd uitgelegd hoe over een periode van dertig jaar de Amerikaanse regering zich steeds meer ging mengen in de Vietnamese situatie. Ook benadrukten de artikelen op deze pagina’s dat grote beslissingen in de aanloop naar de Vietnamoorlog in het geheim werden genomen.

The New York Times ging op 14 juni door met het plaatsen van artikelen uit de Pentagonstudie. Op deze dag verscheen op de voorpagina van The New York Times weer een groot voorpagina-artikel van Sheehan, nu met de kop: “Vietnam Archive: A Consensus to Bomb Developed Before ’64 Election, Study Says”.168 In dit artikel werd uitgelegd hoe de regering van Johnson al op 7 september 1964 consensus bereikte over luchtaanvallen op Noord-Vietnam. Op dat moment voerde Johnson een verhitte campagnestrijd met de Republikeinse presidentskandidaat Barry Goldwater. Goldwater wilde grootschalige luchtaanvallen op Noord-Vietnam, terwijl Johnson claimde gematigder te zijn. Zonder de Amerikaanse burgers te informeren bereidde Johnson echter een half jaar voor de eerste luchtaanvallen op Noord-Vietnam al bombardementen voor. Zo ontstond het beeld van een gematigde presidentskandidaat, terwijl Johnson in werkelijkheid in het geheim al met een grootschalige oorlog bezig was. Bij dit voorpagina-artikel was een korte omkaderde uitleg van de publicaties in The New York Times geplaatst: “This is the second in a series of articles on a secret study, made in the Pentagon, of American participation in the Vietnam war. The study was obtained from other sources by The New York Times through the investigative reporting of Mr. Sheehan. The series was researched and written over three months by Mr. Sheehan and other staff members”.169 Op pagina 27 tot en met pagina 32 werden weer stukken uit de Pentagonstudie gepubliceerd, hoofdzakelijk over de geheime overeenstemming binnen de regering Johnson ten aanzien van bombardementen op Noord-Vietnam.

De volgende dag, 15 juni, maakte The New York Times bekend dat er druk werd uitgeoefend om de publicatie van de Pentagon Papers stop te zetten. De krant verklaarde echter hier geen gehoor aan te kunnen geven. In het grootste artikel op de voorpagina, geschreven door chef van het Washington Bureau Frankel, werd uitgelegd waarom de krant niet in kon gaan op de vraag van minister van Justitie John N. Mitchell om publicatie te stoppen. The New York Times informeerde de lezer nauwkeurig, door haar antwoord op het verzoek van Mitchell letterlijk te publiceren: “We have received the telegram from the Attorney General asking The Times to cease further publication of the Pentagon’s Vietnam study. The Times must respectfully decline the request of the Attorney General, believing that it is in the interest of the people of this country to be informed of the material contained in this series of articles. We have also been informed of the Attorney General’s intention to seek an injunction against further publication. We believe that it is properly a matter for the courts to decide. The Times will oppose any request for an injunction for the same reason that led us to publish the articles in the first place. We will of course abide by the final decision of the court”.170 Naast dit bericht plaatste The New York Times wederom een stuk van Sheehan met nieuwe openbaringen: “Vietnam Archive: Study Tells How Johnson Secretly Opened Way to Ground Combat”.171 Bij dit artikel werd ook weer een omkaderde uitleg geplaatst zoals een dag eerder. Op pagina 19 tot en met pagina 24 werden opnieuw delen uit de Pentagonstudie afgedrukt. Volgens deze gepubliceerde artikelen besloot Johnson op 1 april 1965 in het geheim dat er grondtroepen zouden worden ingezet in Vietnam. Daarmee veranderde Johnson de koers van de oorlog ingrijpend, maar hij drong er intern op aan dat deze nieuwe stap zo min mogelijk aandacht kreeg.


Pas op 15 juni verschenen ook de eerste berichten in de Nederlandse kranten. Alle kranten publiceerden vergelijkbare artikelen op de voorpagina. Trouw kopte: “Geheim document over Vietnam gepubliceerd – Pentagon boos over onthullingen” 172, Het Parool schreef: “Deining in VS over Publikatie rapport”. 173 Het Parool plaatste bovendien op pagina 3 een artikel getiteld “Geheim rapport Vietnam-politiek VS onthullend”, waarin puntsgewijs - vergelijkbaar met de manier waarop The New York Times dit deed – conclusies uit de Pentagon Papers werden opgesomd. NRC Handelsblad publiceerde op de voorpagina een groot artikel van de correspondent in Washington, Lachman: “Laird: actie tegen Vietnamonthulling”. 174 Lachman ging in het stuk in op aanklachten van minister van Defensie Melvin Laird dat The New York Times geheimhoudingswetten zou hebben gebroken met de publicatie van de Pentagon Papers. Op de voorpagina verscheen ook een kort omkaderd bericht over de mededeling van The New York Times aan Mitchell, dat de krant niet zou ingaan op het verzoek te stoppen met het publiceren van de Pentagon Papers. Op pagina 4 vatte correspondent Lachman het eerste artikel van Sheehan uit The New York Times samen en op pagina 7 plaatste NRC Handelsblad een vertaling van het tweede artikel van Sheehan uit The New York Times.
Op woensdag 16 juni werd bekend dat The New York Times met het publiceren van de Pentagon Papers moest stoppen. The New York Times kopte: “Judge, at request of U.S., halts Times Vietnam series Four Days pending Hearing on Injunction”.175 John W. Finney, redacteur van het Washington Bureau van The New York Times, schreef op de voorpagina over de uitspraak van senator Mike Mansfield. Volgens Mansfield zouden er hoorzittingen komen om te achterhalen hoe Amerika in de Vietnamoorlog was gerold. De juridisch deskundige van The New York Times, Fred Graham, berichtte over het goede en slechte nieuws dat rechter Murray Gurfein in de rechtszaal had verkondigd. The New York Times werd een tijdelijk publicatieverbod opgelegd, maar hoefde de Pentagon documenten niet terug te geven aan de overheid voor inspectie. In het artikel werd ook de officiële reactie van The New York Times op de uitspraak van de rechter geplaatst: “The Times will comply with the restraining order issued by Judge Murray I. Gurfein. The Times will present its arguments against a permanent injunction at the hearing scheduled for Friday”.176 Op pagina 18 publiceerde The New York Times de aangevoerde aanklachten van de regering tegen The New York Times en de uitspraak van rechter Gurfein. Op dezelfde pagina berichtte The New York Times over het nieuws dat de door The New York Times gepubliceerde delen van de Pentagon Papers ook waren afgedrukt in een intern nieuwsblad van Het Pentagon. De Nederlandse kranten berichtten op 16 juni alle drie op de voorpagina over het rechterlijk verbod op publicatie van de Pentagon Papers dat The New York Times was opgelegd. Trouw maakte gebruik van persbureaus UPI en Reuter. De krant schreef objectief, maar weinig gedetailleerd over de uitspraken van rechter Gurfein. Het Parool en NRC Handelsblad waren uitgebreider in hun beschrijvingen van de kwestie omdat zij gebruik maakten van hun correspondenten in Amerika, respectievelijk Maarten van Traa en Lachman. Zo haalde Van Traa bijvoorbeeld ex-hoofdredacteur en columnist van The New York Times, Reston, aan die in een commentaar in The New York Times kritiek had geuit op de door de rechter opgelegde censuur. Van Traa schreef op pagina 9 ook over de zoektocht van de Amerikaanse regering naar het lek van de Pentagon Papers, maar zei nog niets over mogelijke uitkomsten van die zoektocht. Lachman schreef op dezelfde dag in NRC Handelsblad dat de regering al zou weten wie de geheime rapporten zou hebben ontvreemd. Ook berichtte hij over de kritiek die overheidsbeambten hadden op de publicatie van de Pentagon Papers. Trouw plaatste op pagina 7 een samenvatting van de derde publicatie van Sheehan.
Op 17 juni verschenen op de voorpagina van The New York Times twee berichten. Juridisch expert Graham ging in op het feit dat het ministerie van Justitie in naam van de regering wilde dat The New York Times de Pentagon Papers overhandigde aan de regering voor inspectie.177 The New York Times herhaalde in dit artikel het statement dat de krant eerder in de rechtszaal had gemaakt: The New York Times weigerde de documenten vrijwillig aan de regering te geven omdat de krant vreesde dat de regering via wetenschappelijke testen zou kunnen achterhalen met welke kopieermachine de geheime documenten waren gekopieerd. Zo zou ‘het lek’, Ellsberg, gevonden kunnen worden. De krant had Ellsberg identiteitsbescherming beloofd. In het tweede bericht schreef David Rosenbaum van het Washington Bureau over tegenstanders van de Vietnamoorlog in het Congres, die kritiek leverden op de regering vanwege het aanspannen van de rechtszaak tegen The New York Times. Pagina 18 stond geheel in het teken van de ontwikkelingen in de Pentagon Papers-kwestie. Een foto van de uitgever van The New York Times, Arthur Ochs Sulzberger, sprong in het oog op deze pagina. In het bijbehorende artikel, gebaseerd op een interview met Sulzberger, kwalificeerde Sulzberger de documenten als: “a part of history that should have been made available long ago”.178 Op deze pagina verscheen ook een artikel van de correspondent in Londen, Lewis, over de visies in Europese landen op de zaak. Volgens Lewis was de keuze van The New York Times om delen uit de Pentagon Papers te publiceren onomstreden in Europa: “Official sources in Britain, France, West-Germany, Spain and Portugal said they had not raised any question about the matter”.179 Op de volgende pagina werden in een paginavullend artikel de commentaren in verschillende kranten vergeleken en werd geconcludeerd dat de wereldpers grotendeels achter The New York Times stond.180 In Trouw werd op 17 juni geschreven over de houding van senator Mansfield in het artikel “Mansfield wil stukken toch openbaar maken” – waarvan de strekking overeenkwam met het artikel dat Washington–correspondent Finney een dag eerder voor The New York Times schreef. Het Parool plaatste op 17 juni geen nieuwsberichten over de Pentagon Papers. NRC Handelsblad schreef op de voorpagina op 17 juni een nieuwsbericht - “Washington wil kopie rapport NY Times” - dat vergelijkbaar was met het bericht van rechtenexpert Graham dat op dezelfde dag in The New York Times verscheen.
8.2 Commentaren en analyses

Aan het aantal commentaren dat The New York Times plaatste was te zien dat dit een zaak was die de krant aan het hart ging. In de periode van de publicatie van de Pentagon Papers plaatste The New York Times 26 commentaren. De Nederlandse kranten schreven in verhouding tot The New York Times verrassend weinig commentaren en analyses over de publicatie van de Pentagon Papers. Trouw, Het Parool en NRC Handelsblad schreven respectievelijk één, twee en zes commentaren en analyses. Een analyse van de berichtgeving in The New York Times overheerst dus in dit deel van het onderzoek. De analyse van de weinige berichten in de Nederlandse kranten toont echter de belangrijke ontwikkeling dat de standpunten van de kranten naar elkaar toekwamen.


Op de dag van de eerste publicatie van de Pentagon Papers, zondag 13 juni, schreef Reston direct een column over de publicatie. Wat opviel aan dit commentaar was de scherpe kritiek die nu specifiek gericht was op de presidenten Kennedy en Johnson. “The documents prove once more that truth is the first casualty of war and that war corrupts good men. In fact, the ambiguity of the Nixon Administration’s zig-zag withdrawal from Vietnam seems, in the light of these documents, almost innocent compared to the deceptive and stealthy American involvement in the war under Presidents Kennedy and Johnson. […] One of the many extraordinary things in this collection is how seldom anybody in the Kennedy or Johnson Administrations ever seems to have questioned the moral basis of the American war effort”.181 Reston sprak van “blunders” in de besluitvorming ten aanzien van de Vietnamoorlog en net als in de periode na de openbaringen van My Lai werd Johnson vooral afgeschilderd als een incapabele leider. “L.B.J. seems not to have been able to conceive of the notion that these enemy soldiers, about whose character and culture he knew very little, could possibly withstand the threats, let alone the use, of American military power.”182 Reston wees aan de andere kant ook op de onvolledigheid van de Pentagon Papers: “They do not, of course, tell the whole story. They are […] still ‘a confused heap of facts’”.183 Reston waarschuwde dus dat men voorzichtig moest zijn met het trekken van conclusies uit de Pentagon Papers.

Na het verschijnen van delen van de Pentagon Papers in The New York Times werd in commentaren weer ingegaan op het falen van het Amerikaanse Vietnambeleid. Op maandag 14 juni 1971, verscheen een column van de correspondent in Londen, Lewis, op pagina 37 in The New York Times: “At Home Abroad: America and the World: II”. In dit commentaar beargumenteerde Lewis dat de missie in Vietnam nu moest worden gezien als een regelrechte mislukking. “The truth that has to be accepted about Vietnam is more complicated. Our part in the war was a blunder that turned into a crime; we got into it from the best motives, with all the old American righteousness. Now we have to learn the extremely bitter lesson that good motives are not enough. Even Americans can fight a bad war, an unjustified war. What we have done has been unjustified as a matter of proportion, of means and ends. Even if the enemy were some simple devil labeled “world communism,” which he is not, his defeat would not have been worth our making millions of Indochinese peasants refugees, poisoning their crops and forests, bombing in millions of tons – and exposing our own young men to death or to loss of belief […]. In short. We must recognize that our part of the Vietnam war has been a moral failure”.184

De harde kritiek van Reston en Lewis kwam terug in een hoofdartikel op 15 juni. In deze ‘editorial’, getiteld “Withdrawal when?”, werd weer ingegaan op het falende Vietnambeleid. Het commentaar maakte duidelijk dat het tijd werd om troepen terug te trekken uit Vietnam en wees op de fouten van President Johnson in “[…] this futile, wasteful and divisive war”. “If, after years of deep and direct American commitment, a one-million-man South Vietnamese army, trained and equipped by the United States, cannot now deal with a numerically inferior foe, it never will. The President’s insistence that ultimate American withdrawal be contingent upon South Vietnamese self-sufficiency is a formula for indefinite involvement.”185

Op 16 juni, de dag waarop The New York Times werd verboden door te gaan met het publiceren van de Pentagon Papers, verschenen twee commentaren over de kwestie in The New York Times. Een hoofdartikel op pagina 44 probeerde duidelijk te maken wat het belang van publicatie van de Pentagon Papers was. In het commentaar werd The New York Times afgeschilderd als een krant die een nobel doel nastreefde en de persvrijheid probeerde veilig te stellen. “In an unprecedented example of censorship, the Attorney General of the United States has temporarily succeeded in preventing The New York Times from continuing to publish documentary and other material taken from a secret Pentagon study of the decisions affecting American participation in the Vietnam War. The Times will continue to fight to the fullest possible extent of the law what we believe to be an unconstitutional prior restraint imposed by the Attorney General. […] As a newspaper that takes seriously its obligation and its responsibilities to the public, we believe that, once this material fell into our hands, it was not only in the interests of the American people to publish it but, even more emphatically, it would have been an abnegation of responsibility and a renunciation of our obligations under the First Amendment not to have published it. Obviously, The Times would not have made this decision if there had been any reason to believe that publication would have endangered the life of a single American soldier or in any way threatened the security of our country or the peace of the world. The documents in question belong to history. […] It is the effort to expose and elucidate that truth that is the very essence of freedom of the press”.186



Op de volgende pagina schreef een woedende Reston zijn tweede commentaar over de Pentagon Papers, nu met de kop “The Endless Tragedy”. In het commentaar reageerde Reston fel op het tijdelijke publicatieverbod dat The New York Times was opgelegd. Reston haalde flink uit naar minister Mitchell, die vocht voor stopzetting van de publicatie van de documenten. “For the first time in the history of the Republic, the Attorney General of the United States has tried to suppress documents he hasn’t read about a war that hasn’t been declared.” 187 Reston was overtuigd van de noodzaak van publicatie en voorspelde dat het publicatieverbod geen stand zou houden. “This is one of the final ironies of this tragic Vietnam war, but it won’t work for long. […] In practical terms, the documents will not be suppressed. The New York Times will abide by the final decision of the courts, but too many copies of the McNamara Papers are around, and too many fundamental issues are involved to suppose that this official record of the war can be censored for long. […] And his [Mitchell’s] efforts at suppression, while they may prevail for a short time, will almost certainly fail in the long run. Mr. Mitchell, consciously or not, has raised a fundamental question: What causes ‘irreparable damage’ to the Republic? Publication of documents that expose the weaknesses and deceptions of the Government on issues of war and peace? Or the censorship of these documents in the name of ‘national security’? It will be interesting to see how the courts, and even the principal personalities react to this tangle of legal and philosophical questions. But however they react, the objective of the McNamara inquiry is going to be achieved.” 188 Van de onderzochte Nederlandse kranten schreef alleen NRC Handelsblad op 16 juni een commentaar, een hoofdartikel getiteld “politiek falen”.189 Net als in de commentaren van Reston en Lewis in The New York Times focuste het hoofdartikel in NRC Handelsblad op het falen van de Amerikaanse missie in Vietnam. Het artikel sprak van een “militair fiasco” en wees, net als de commentaren in The New York Times, de Amerikaanse regering en met name Johnson aan als schuldige. “Wat hier aan het licht komt, is dat Amerika geenszins het militaire avontuur in Vietnam is ingegleden, maar dat de acties in dat land welbewust zijn voorbereid met opzettelijke misleiding van de publieke en parlementaire opinie.”190 Volgens het commentaar trof President Johnson de grootste blaam omdat hij tijdens de verkiezingscampagne van 1964 zei dat hij geen oorlog wilde - om de verkiezingen te winnen - maar intussen bombardementen liet voorbereiden. “Nauwelijks minder schokkend is te ervaren hoeveel onheil aangericht kan worden – ook in een regeringssysteem dat niet, zoals het Duitse van 1933 tot 1945, fundamenteel misdadig is – door het cynisme dat het doel de middelen heiligt.”191 Vervolgens duidde dit hoofdartikel net als de commentaren in The New York Times op het belang van publicatie van de Pentagon Papers. “Zij [publicatie] is niet belangrijk omdat er oude koeien uit de sloot worden gehaald, maar wel omdat wordt aangetoond hoe groot het gevaar is als politieke organen te kort schieten – uit gemakzucht of uit luiheid – bij het volvoeren van hun taak. Het streven naar een herstel van de juiste verhouding tussen uitvoerende macht en parlement kan in de publikatie van The New York Times een belangrijke steun vinden.”192

Trouw schreef op 17 juni een hoofdartikel over de Pentagon Papers met de kop “Johnsons sprookjes”.193 Net als in The New York Times en NRC Handelsblad werd Johnsons handelen door de schrijver van dit commentaar bekritiseerd. “Als het Amerikaanse volk het optreden van zijn regeerders liever beoordeelt op grond van feiten, hoe pijnlijk ook, dan op basis van minder genante officiële verdichtsels, dan is het Amerikaanse volk de New York Times veel dank verschuldigd. Want met haar publikaties uit geheime regeringsdocumenten over de kwestie Vietnam lijkt deze krant een flinke tip te hebben opgelicht van de grauwsluier van officiële sprookjes en halve waarheden die kennelijk een belangrijk deel van de Amerikaanse oorlogspolitiek in de jaren ’60 aan de waarneming van het publiek heeft onttrokken.”194 Voor Trouw was dit een opmerkelijk mild hoofdartikel: “De wetenschap, dat deze regeringen niet uit doortrapte boeven bestonden en gebrek aan kennis van de omstandigheden waaronder ze hun beslissingen namen, behoren ons te beletten, op de onthullingen van de New York Times met scherpe morele veroordelingen te reageren. Voor Amerika is de beste reactie erop waarschijnlijk een grondig onderzoek van de manier waarop daar beleidsbeslissingen op het hoogste niveau tot stand komen”.195 Blijkbaar vond in ieder geval één lezer het commentaar ook uit de lijn van krant vallen, want op woensdag 23 juni schreef een zekere C.J. Honig uit Rotterdam in de rubriek “Men schrijft ons” een reactie op het milde hoofdartikel van Trouw: “Zo’n halfzacht en onprincipieel kommentaar zijn we van Trouw niet gewend!”.196 Trouw verdedigde zichzelf met een hoofdredactioneel naschrift: “In het gelaakte hoofdartikel werd o.a. vastgesteld, dat de regering-Johnson het publiek en het Congres had voorgelogen en bedrogen. Het suggereerde dus zeker niet, dat de grenzen van recht en waarheid niet overschreden zouden zijn. Evenmin werd beweerd dat dit wanbeleid niet moreel gevonnist zou mogen worden. Wél werd gewaarschuwd tegen een scherpe morele veroordeling van de betrokken politici. […] Met een heftig moreel vonnis is niemand gediend, behalve misschien degene die het uitspreekt”.197

Reston schoof in de periode na het Tet-offensief en de openbaringen van My Lai regelmatig met zijn standpunten. Hij wisselde harde kritiek af met moralistische ‘preken’ of genuanceerde uiteenzettingen. In de commentaren over de Pentagon Papers was dit ook het geval. Op 16 juni veegde Reston nog de vloer aan met de kritiek op de Pentagon Papers, twee dagen later, op 18 juni, schreef Reston een commentaar dat niet erg kritisch was. Dit commentaar, met de kop “Freedom and Security”, plaatste de rechtszaak tussen de Amerikaanse regering en The New York Times in een historisch kader. “Great court cases are made by the clash of great principles, each formidable standing alone, but in conflict limited, all neither wholly false nor wholly true. The latest legal battle, ‘The United States v. The New York Times,’ is such a case: The Government’s principle of privacy and the newspaper’s principle of publishing without Government approval. This is not essentially a fight between Attorney General Mitchell and Arthur Ochs Sulzberger, publisher of The New York Times. They are merely incidental figures in an ancient drama. This is the old cat – and – dog conflict between security and freedom. […] It is a conflict between printing or suppressing, not military information affecting the lives of men on the battlefield, but historical documents about a tragic and controversial war: not between what is right and what is wrong, but between two honest but violently conflicting views about what best serves the national interest and the enduring principles of the First Amendment.”198 Reston duidde ook op de complexe rol van de Times-reporters die moesten schrijven over de ontwikkelingen die de eigen krant betroffen: “It is an awkard thing for a reporter to comment on the battles of his own newspaper”.199

Op dezelfde pagina had de correspondent in Frankrijk, Cyrus Sulzberger, in zijn column “Foreign Affairs” geen goed woord over voor de regering die in zijn ogen met een rechtszaak probeerde de persvrijheid in te dammen. “It is ridiculous to even consider press violations of security when a free hand is allowed the officials who themselves make the policy of secrecy”.200

NRC Handelsblad publiceerde 23 juni op pagina 7 een hoofdartikel dat sprak van een “psychologische crisis” in Amerika.201 Net als veel van de commentaren in het Algemeen Handelsblad in de periode na het Tet-offensief en de openbaringen van My Lai werd de situatie in het commentaar wel uiteengezet, maar bleven scherpe veroordelingen, zoals die te vinden waren in Trouw en Het Parool, uit. “De psychologische crisis die inmiddels in de VS is ontstaan heeft veel Amerikaanse volksvertegenwoordigers van gedachten doen veranderen. De publikatie van geheime documenten waaruit blijkt dat de opeenvolgende regeringen er niet voor teruggeschrokken zijn het congres van tijd tot tijd bij de neus te nemen heeft dat proces verder versneld. Met als gevolg dat nu, althans in de Senaat, een meerderheid zich wenst uit te spreken over een zaak die de president liever in het vage laat: het moment van vertrek van de laatste Amerikaanse soldaat uit wat volgens Nixon wel eens de laatste oorlog zou kunnen zijn waarbij Amerika is betrokken.”202

Het Parool plaatste op 24 juni voor het eerst een commentaar, geschreven door redacteur Van ’t Veer, getiteld: “Gefnuikte Trots”. Voor Het Parool was de kritiek aan het adres van Johnson ongewoon direct. “Hem [Johnson] treft het ernstige verwijt dat hij ter wille van verkiezingswinst zijn werkelijke bedoelingen geheim hield. […] De problemen van Vietnam en de Vietnamezen verdwijnen naar de achtergrond. Het gaat nu om ‘wereldwijde belangen’ – een andere term voor: het prestige van de wereldmacht. En is dat ook blijkens deze documenten, niet vaak heel simpel de gefnuikte trots van de plannenmakers in Pentagon, State Department en Witte Huis die niet kunnen verkroppen dat de realiteit niet in hun schema’s past.”203

Op 25 juni benadrukte Reston in een genuanceerd geschreven column nogmaals dat de Pentagon Papers niet perfect konden zijn, maar dat er na goed onderzoek toch lering uit getrokken zou moeten kunnen worden: “If a well-balanced committee or committees of the Congress now take time to analyze the material, some of the lessons of the past will eventually come out, which was what Robert McNamara had in mind in the first place”.204 In NRC Handelsblad verscheen op 25 juni een uitgebreid commentaar van correspondent Lachman. In het commentaar, vergezeld van een foto van ‘het lek’ Ellsberg, ging Lachman in op de kritiek die de Amerikaanse regering kreeg vanwege het aanspannen van de rechtszaak tegen The New York Times over de publicatie van de Pentagon Papers. Volgens Lachman moest men niet te snel roepen dat de Amerikaanse regering verkeerd optrad in de Pentagon Papers-kwestie. Lachman: “Juist deze voor dit land historisch-traditionele gang van zaken, het ontsmetten van politieke ruzies tot er alleen droge maar duidelijke en zo zindelijk mogelijke juridische argumenten verblijven, toont al dat de snelle kritiek over “willekeur”, ja zelfs “fascistische tendensen” in dit land niet berusten op kennis van de feitelijke omstandigheden. Noch in Engeland, noch in de meeste andere landen was de publikatie van zulke geheime documenten mogelijk geweest zonder onmiddellijk politioneel optreden. In bijna geen enkel land had de regering moeite gehad om voorlopige stopzetting van publikaties te verkrijgen. Het eerste amendement op de Amerikaanse grondwet geeft het woord hier meer vrijheid dan elders. De kritiek op de persbreideling geldt dus alleen binnen de Amerikaanse normen en kan niet gebruikt worden om het land te wantrouwen dat die normen juist zo wijd stelde”.205



Op 1 juli, de dag nadat The New York Times de rechtszaak van de staat had gewonnen en door mocht gaan met publicatie van de Pentagon Papers, verscheen op de editorial page van The New York Times een hoofdartikel getiteld: “An Enlightened People”. Het artikel vatte het belang van de zaak maar weer eens samen. “For the first time in the history of the United States, the Federal government had sought through the courts to prevent publication of material that it maintained would do ‘irreparable injury’ to the national security if spread before the public. The Times, supported in this instance by the overwhelming majority of the American press, held on the contrary that it was in the national interest to publish this information, which was of historic rather than current operational nature. […] It would be well for the present administration, in the light of yesterday’s decision, to reconsider with far more care and understanding than it has in the past, the fundamental importance of individual freedoms – including especially freedom of speech, of the press, of assembly – to the life of the American democracy. ‘Without an informed and free press’ as Justice Steward said, ‘there cannot be an enlightened people’.”206 Wicker reageerde in zijn column ook op de overwinning van zijn krant. “Preventive detention, preventive eavesdropping, preventive dragnetting, preventive inhibition and preventive suppression of the news – what will they seek to prevent next, and by what dubious or extraconstitutional means? It is a sad question, made unavoidable by this ominous and continuing search for loopholes in the Bill of Rights on the part of a Government solemnly sworn to uphold it.”207 NRC Handelsblad was de eerste Nederlandse krant die de overwinning van The New York Times becommentarieerde. Meteen op 1 juli verscheen een hoofdartikel in de krant waarin het belang van de overwinning werd benadrukt, maar waarin ook – net als in de commentaren in The New York Times - werd gewaarschuwd voor voorbarige conclusies. “Zeker, de regering wordt door die publikatie in de grootste verlegenheid gebracht, maar de veiligheid van de staat of de levens van Amerikaanse soldaten wordt niet in gevaar gebracht door de publikatie van documenten die betrekking hebben op de jaren 1945-1967. En beslissend is niet de verlegenheid van de regering, maar die veiligheid en die levens. Nu die publikatie hervat gaat worden, mag nog eens bedacht worden dat die documenten niet het definitieve oordeel bevatten over de politici die voor de Vietnampolitiek van die jaren verantwoordelijk zijn. Er zijn nog vele niet-gepubliceerde documenten, die een ander licht op de zaak kunnen werpen. Ook moge bedacht worden dat een regering niet veroordeeld kan worden op grond van het hebben van plannen. Iedere regering heeft, als het goed is, een reeks plannen voor eventualiteiten. Zou ze die niet hebben, dan zou ze, indien die eventualiteiten werkelijkheid worden, terecht van onvoorbereidheid beschuldigd kunnen worden.”208

Op zondag 4 juli dag benadrukte The New York Times haar kritische houding ten aanzien van de regering in een hoofdartikel. “As an early opponent of the escalation of American military force in Vietnam, this newspaper has never attacked the motives of those leaders, but we have criticized and we continue to criticize their wisdom, their sense of values and their failure fully to apprise the people and Congress of the implications of decisions taken in secret.”209 The New York Times kreeg veel steun vanuit de pers in de strijd om de publicatierechten van de Pentagon Papers, maar er waren ook veel Amerikanen die vonden dat The New York Times Amerika met de publicatie niet diende. De krant leek zich in dit commentaar te verdedigen tegen dit verwijt. In het artikel werd beschreven dat het geen gemakkelijke beslissing was geweest om over te gaan tot publicatie. Het artikel duidde weer op het belang van de overwinning voor de Amerikaanse bevolking. “The fact remains that out of the publication of this material, the American people emerge the gainers. They have gained in knowledge of the past, which should serve them well in the future. They have gained in an understanding of their rights under the Constitution. And they have gained in the perennial effort of free men to control their government rather than vice versa.”210

Op 6 juli plaatste Het Parool een hoofdartikel over de Pentagon Papers. “Over die uitspraak [dat The New York Times weer mag publiceren] kan men zich slechts verheugen. Het gaat hier heel duidelijk om documenten van inmiddels historisch belang.”211 Het Parool benadrukte wel dat “enige terughoudendheid bij het uitspreken van een oordeel” geboden was. Ook wees het artikel op een mogelijke eenzijdigheid van de documenten omdat ze in opdracht van McNamara, die zelf was gaan twijfelen aan de oorlog, waren geschreven. Daarnaast blikte het commentaar vooruit op de gevolgen van de publicaties: “Overigens is de publikatie op zichzelf een politiek feit, met politieke gevolgen. Het gevoel van malaise en weerzin ten aanzien van de oorlog in Vietnam zal er nog door versterkt worden. Niet de nationale veiligheid wordt daardoor bedreigd, maar wel wordt de bereidheid van het Amerikaanse volk en van degenen die in Vietnam dienen of moeten dienen, om ‘vol te houden’ verder aangetast”.212

Op 8 juli ging Wicker in zijn column in op de opmerking van de voormalig staatssecretaris Dean Acheson dat er een zelfregulerend orgaan voor de pers “to stimulate more ethical professional relations with the Government” zou moeten komen.213 Acheson bekritiseerde Neil Sheehan voor het aannemen van de geheime Pentagondocumenten, maar Wicker nam het in deze column voor Sheehan op. Volgens Wicker wilde McNamara zelf dat de documenten gepubliceerd zouden worden en had Sheehan gedaan wat hij moest doen.


1   2   3   4   5   6   7

  • 8. De Pentagon Papers: The New York Times , Trouw , Het Parool en NRC Handelsblad 8.1 Nieuwsberichtgeving
  • 8.2 Commentaren en analyses

  • Dovnload 405.37 Kb.