Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ambiguïteit in God binnen de

Dovnload 1.04 Mb.

Ambiguïteit in God binnen de



Pagina10/21
Datum28.10.2017
Grootte1.04 Mb.

Dovnload 1.04 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   21

5.3.3 Kinderoffers: een godsdiensthistorisch thema in vogelvlucht

2. Noort behandelt vervolgens de vraag of het verband tussen Gen. 22:1-19 en het kinderoffer wellicht daarin ligt, dat de vertelling in verhaalvorm een oplossing aandraagt voor de opvatting dat alle eerstgeborenen aan JHWH moeten worden afgestaan (Ex. 22:28b). Dit zou dan dezelfde oplossing zijn welke Ex. 34:20 aandraagt, nl. de vervanging van het menselijke slachtoffer door een dier. Hij meent echter dat het niet erg waarschijnlijk is dat Gen. 22:1-19 dat beoogt te zeggen, aangezien het idee dat de eerstgeboren zoon aan JHWH toebehoort – met uitzondering van Ex. 22:29 – altijd gepaard gaat met de mogelijkheid van vervanging (Ex. 13:13,15). Bovendien strookt het idee dat er ooit daadwerkelijk menselijke eerstgeborenenoffers werden gebracht niet met wat we weten over geschiedenis van de godsdienst in de Levant.

3. Wel zijn er aanwijzingen dat in crisissituaties soms een kind werd geofferd aan de godheid om een belegering te doorstaan of een zaak van nationaal of gemeenschappelijk belang te dienen. De teksten van het Oude Testament verbindt het kinderoffer met twee specifieke gegevens: Allereerst is daar een topografisch detail. In Jer. 7:31v; 19:6, 12-14 komen we de tp,To tegen in het dal van (Ben) Hinnom. De term lijkt een naam van een locatie, maar de teksten verwijzen naar haar functie, de verbrandingsplaats voor kinderoffers. Noort meent dat tp,To waarschijnlijk een bošét-vocalisatie is van wat oorspronkelijk tp'T. (vuuraltaar) was.

4. Daarnaast verbindt de Hebreeuwse bijbel het kinderoffer met de %l,mo (Lev. 18:21; 20:2-5; II Kon. 23:10; Jer. 32:35). Lange tijd dacht men dat het hier ging om een godheid waaraan stelselmatig kinderen werden geofferd. Deze gedachte vond steun in de duizenden stelae met Punische, Neo-Punische en Latijnse inscripties op de begraafplaatsen van Carthago en in het verhaal van Diodorus Siculus, die vertelde hoe kinderen geofferd worden in de brandende oven van Kronos. Dit leverde het beeld op van een gruwelijke Kanaänitische godheid met de naam Molech van wie niets anders bekend was dan dat hij kinderen eiste om op te vreten. Het voornaamste probleem rond deze voorstelling is dat “Molech” met zijn cultus vanuit het niets opdoemt. Er zijn wel pogingen ondernomen Molech met de Oud-Oosterse godheid Malik te verbinden, maar deze stuiten op de moeilijkheid dat Malik nergens iets met kinderoffers van doen heeft. Bovendien verdwijnt Malik aan het begin van het eerste millenium v. Christus geheel uit beeld. Het schijnt Noort onwaarschijnlijk toe dat een godheid eerst volledig uit het gezichtsveld van het Oude Oosten verdwijnt om dan zo’n 500 jaar later plotseling volledig ontwikkeld en griezelig belangwekkend op te duiken in Jeruzalem – en dan ook nog eens alleen daar. Noort sluit zich aan bij de bevindingen van Hans-Peter Müller, die %l,mo afleidt van “gaan”, or in de causatief: “presenteren”, “aanbieden”. %l,Mol. Betekent dan “als aanbod”, “als offergave”. Ook hier ziet Noort de werking van een bošét-vocalisatie. Deze verbastering maakte het vervolgens mogelijk alle mlk-offergaven als offers aan een uitheemse god voor te stellen en een gezuiverde JHWH-verering te introduceren.

5. Met het verdwijnen van de God Molech, zegt Noort, is de vraag naar het kinderoffer nog niet beantwoord. Want dat er kinderen werden gedood als offergave, dat lijken de oudtestamentische teksten toch wel aan te duiden. Noort behandelt dan twee pogingen, aan deze teksten een andere interpretatie te geven: (a) M. Weinfeld meent dat het mlk-offer een initiatie en toewijding was aan een uitheemse cultus, en niet het slachten en verbranden van baby’s. Dit leidt hij af van het idioom: de terminologie van de mlk-offers is verbonden met !tn en rb[-hif., niet met de gebruikelijke slachtofferterminologie: xbz, jxv, brq. Hier heeft Weinfeld volgens Noort een belangrijk punt. Zijn interpretatie van toewijding baseert Weinfelt volgens Noort echter op het Boek Jubileeën, de Septuaginta en latere rabbijnse bronnen. Direct bewijs vanuit het Oude Testament geeft Weinfelt niet. “Zijn zonen en dochters door het vuur doen gaan” legt hij uit als een initiatie door het passeren tussen toortsen, een rite die bekend is uit de heidense wereld. Maar dit, zegt Noort, past niet goed in de oudtestamentische context. Weinfelt zou dan ook toegeven dat Ezechiël, Deuterojesaja en Dtr-Jeremia “sporadische kinderoffers” in gedachten zouden kunnen hebben gehad.

(b) De tweede apologetische verklaring is dat de Punische kinderoffers niet daadwerkelijke slachtoffers zouden zijn, maar crematies van vroeg gestorven kinderen. Een argument hiervoor is dat de resten werden gevonden naast foetussen en geofferde geiten. Het mlk-offer zou dan een verzoek zijn aan de godheid, het kind in de goddelijke sfeer op te nemen. Noort weerspreekt deze uitweg met twee argumenten: allereerst is er geen bewijs dat vroeggestorven kinderen een buitengewone rol speelden in de gewone cultus en in de riten omtrent dood en leven. Ten tweede overstijgt het aantal begraafplaatsen van kinderen in de leeftijd van één tot vier jaar in Punische nederzettingen het aantal dat men zou verwachten in geval van natuurlijke sterfte. De Punische begraafplaatsen zijn dus een aanwijzing dat kinderoffers wel degelijk voorkwamen in de Umwelt van Israël.

6. Noort meent dat het Oude Testament voldoende aanleiding geeft te denken dat ook in Israël zelf het kinderoffer voorkwam. De mlk-praktijk die Jeremia zo scherp veroordeelt kan men volgens hem niet uitsluitend duiden vanuit de gebruikelijke heidense cultuspraktijken. Zowel de profeet als Josia’s reformatiemaatregelen spreken beiden van buitengewone zaken, en niet slechts van de gebruikelijke deuteronomistische tegenstand tegen uitheemse cultussen en goden. Noort trekt hieruit de conclusie dat het mlk-offer een rite was waarin kinderen inderdaad werden geofferd en verbrand, een praktijk die volgens hem bekend was, en gedeeltelijk geduld werd door profeten zo vroeg als de 8e eeuw (Jes. 30:33; Mi. 6:7). Noort ziet vervolgens twee mogelijkheden: indien er een kinderoffer was vergelijkbaar met de Punische gebruiken, dan moet het op regelmatige basis in de praktijk zijn gebracht in de 8e en 7e eeuw v. Christus. Indien het kinderoffer echter slechts plaatsvond in crisissituaties, hetgeen de verwijten aan de koningen dat juist zij hun zonen door het vuur lieten gaan “%l,Mol.”, suggereren, dan zou het plaats hebben gevonden op een irreguliere chronologische basis. De polemiek in de Hebreeuwse bijbel suggereert volgens Noort een mix van beide.

1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   21


Dovnload 1.04 Mb.