Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ambiguïteit in God binnen de

Dovnload 1.04 Mb.

Ambiguïteit in God binnen de



Pagina12/21
Datum28.10.2017
Grootte1.04 Mb.

Dovnload 1.04 Mb.
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   21

5.4.4 De tofet als plaats waar kinderen werden verbrand
6. Ten behoeve van de overzichtelijkheid is er voor gekozen de weergave van dit gedeelte van Michels betoog telkens vooraf te laten gaan door de term(en) die hij analyseert.

xbz (offeren); jxv (slachten) – Michel stelt dat waar de ontvanger van het kinderoffer een ander dan JHWH is, scherper taalgebruik gebezigd wordt. Hij geeft hiervan twee soorten voorbeelden, welke dienen als bewijsmateriaal voor deze stelling: (1) In Ez. 16:21v, 36; 23:27, 39 treffen we een cumulatie aan van negatief geladen offertermen als ~D' en jxv in verband met xbz, polemische aanduidingen voor de goddelijke ontvangers (myliWLGI; afgoden(beelden), HALAT), en associaties met het eten van kinderen, dat deze passage nauwelijks geloofwaardig is als historisch bericht. (2) In Jer. 3:24 en in Jer 19:5 valt volgens Michel met literair-, resp. tekstkritische middelen aan te tonen dat “Baal” een latere redactie is.

@r;f' + vaeB' (met vuur verbranden) – Het bovenstaande maakt het in zijn optiek aannemelijk dat andere formuleringen met goddelijke ontvangers ander dan JHWH eveneens latere, polemische vertekeningen zijn ipv. historisch accurate beschrijvingen. Zo legt Michel Deut. 12:31 en 2 Kon. 17:31 uit als latere toevoegingen. De laatste passage is zijns inziens überhaupt pas denkbaar in een postdeuteronomistische setting. Deut. 12:31 vervangt het minder polemische “door vuur heen laten gaan” (vgl. Deut. 18:10) door het scherpere “met vuur verbranden”. Dan zijn volgens Michel Jer. 7:31 en 19:5, welke ook vaeB' @r;f' gebruiken, waarschijnlijk eveneens late, postdeuteronomistische toevoegingen.

De tofet is in deze passages geen verbrandingsplaats meer – hetgeen het volgens Michel in Jer. 19 oorspronkelijk wel was, maar offerplaats. Pas met de toevoeging en herduiding van deze tofet in Jer. 19:6 en 19:4e, 5 is het volgens Michel denkbaar dat Jer. 7:31 zou kunnen ontstaan. Alleen in Jer. 32:35 zouden we een oudere en authentiek deuteronomistische reminiscentie van het ‘kinderoffer’ voor ons hebben. Daarvoor spreekt het onpolemische rb[-hif’il, en de wijze waarop %l,Mol; hier gebruikt wordt: als bijwoordelijke bepaling, in de betekenis van een offerterm.

Uit het voorgaande trekt Michel de gevolgtrekking dat de rite van het “met vuur verbranden” een literaire schepping met polemische doeleinden is; waarschijnlijk postdeuteronomistisch van aard. Ze geeft volgens hem meer inzicht in de geesteshouding van de literatoren, dan over de historische werkelijkheid van de rite zelf.

rb[-hif’il + vaeB' (door vuur heen laten passeren) – Voor de historische vraag naar het kinderoffer zijn we dan aangewezen op acht gevallen waarin rb[-hif’il in verband met vaeB' wordt gebruikt: Deut. 18:10; 2 Kron. 28:3; 33:6; 2 Kon. 16:3; 17:17; 21:6; 23:10 en Ez. 20:31. Daaruit vallen 2 Kron. 28:3; 33:6 volgens Michel af als historisch irrelevant, aangezien beide passages kopieën zijn van 2 Kon. 23:10, resp. 2 Kon. 17:17, waarbij ze het meervoud “zonen” gebruiken om de aanklacht nog eens te verscherpen. Ez. 20:31 is van twijfelachtig gewicht, aldus Michel, aangezien LXX de passage in het geheel niet bevat. Met Deut. 18:10 zouden we de oudste passage van dit achttal te pakken hebben. 2 Kon. 16:3; 17:17; 21:6; 23:10 zijn volgens Michel ontleend aan de polemische zinsneden in Deut. 18:10, waarvan hij het overigens mogelijk acht dat deze niet tot de oorspronkelijke tekst behoorden: aanwijzingen voor literaire afhankelijkheid zijn een zinsnede als “volgens de gruwelen van de volken” (2 Kon. 16:3; vgl. Deut. 18:9); de opsomming van door de Israëlieten beoefende mantische praktijken (2 Kon. 17:17; vgl. Deut. 18:10); en de combinatie van beide elementen (2 Kon. 21:2). Michel duidt de koningenpassages als nawerking van Deut. 18:10, en dateert ze in de periode van de ballingschap. De polemische passages in Deut. 18:10 moeten dan ouder, van deuteronomistische of zelfs deuteronomische datum, zijn.119

Daarmee blijft 2 Kon. 23:10 over. In de vertaling van Michel: “und er [Joschija bzw. Der König] verunreinigte das Tofet im Tal Ben(e)-Hinnom, damit niemand (mehr) seinen Sohn und seine Tochter durch Feuer hinübergehen lasse für/als Molech”. De passage is echter omstreden, zoals Michel laat zien. De een meent dat het om op zich zelf staand, pre-exilisch materiaal gaat, de ander bespeurt de invloed van Jer. 7:31 “ze hebben de offerhoogten van de Tuf-oven durven bouwen, in de kloof van Ben Hinom, om hun zonen en hun dochters te verbranden in het vuur (..)”, en een derde visie is dat het tweede gedeelte van de passage een latere redactie is. Michel laat de eerste mogelijkheid buiten beschouwing. De tweede mogelijkheid acht hij niet waarschijnlijk, aangezien de schrijver geen motief had om de scherpe bewoording van Jer. 7:31 te neutraliseren door “met vuur verbranden” te veranderen in ”door het vuur laten passeren”. Michel ziet meer in de laatste optie. Dit omdat (a) 2 Kon. 23:4-15 volgens hem tal van andere polemische veranderingen in zich bergt, en (b) vs. 10 met de negatieve infinitief syntactisch afwijkt van vs. 7 en 8 welke de bijzinnen inleiden met rv,a]. Wat terminologie betreft valt 2 Kon. 23:10 te plaatsen tussen Deut. 18:10 (“Zonen en dochters door het vuur heen laten passeren”) en Jer. 32:35 (“Zonen en dochters laten doorheen passeren als/voor Molech). vaeB' in 2 Kon. 23:10 sluit volgens Michel bewust aan bij Deut. 18:10 en 2 Kon. 16:3 en 21:6, om Josia voor te stellen als de ideale koning en tegenpool van Achaz en Manasse. Het eerste deel van 2 Kon. 23:10 ziet Michel wel als preëxilisch.

tp,To (verbrandingsplaats) – Daarmee geldt 2 Kon. 23:10 voor Michel als bewijsplaats dat er een tofet in het dal Ben-Hinnom is geweest. Hij merkt daarbij echter op dat dit feit op zich nog geen aanwijzing is dat deze tofet ook maar iets met een godheid “Molech” of iets met “kinderoffers” van doen had. De verbinding van de tofet met Molech en het offeren van kinderen is in zijn optiek namelijk het gevolg van redactionele compilatie. Zo voegt Jer. 19:4e-6 volgens Michel allerlei gruwelijke noties toe aan de notie van de tofet die in vs. 1, 11-14 een rol speelt. Ervan uitgaande dat Jes. 30:27-33 gedateerd moet worden in de tijd van de Assurredactie,120 of ten laatste in de vroege exilische tijd, zouden we hier – naast Jer. 19:12v – één van de oudste bewijsplaatsen voor de tofet hebben, ook al wijkt het woordbeeld iets af met hT,p.T'. Jes. 30:27-33 spreekt echter van een verbrandingsplaats die met JHWH is verbonden: Michel wijst in dat verband op de krans die het gedeelte omklemt, welke bestaat uit het subject JHWH, en de verbinding van de wortel r[b met “zijn toorn” (vs. 27), resp. “adem van JHWH” (vs. 33).

Dit alles levert de volgende tussenconclusies op, aldus Michel: er zijn twee preëxilische bewijs-plaatsen voor een tofet (Jes. 30:33), resp. een “tofet in het Hinnomdal” (2 Kon. 23:10a). Oorspron-kelijk verbonden deze passages de tofet echter niet met kinderoffers. De oudste passages die getuigen van een “doorheen laten passeren” in de context van een “Molech”-rite in het Hinnomdal vinden we in Jer. 32:35 en mogelijk in 2 Kon. 23:10b. Michel dateert deze als laatexilisch-deuteronomistisch. Van deze twee representeert 2 Kon. 23:10b door de toevoeging vaeB' reeds een volgende stap in een polemische ontwikkeling, die de (vermeende) kinderoffer-cultus als steeds gruwelijker voorstelt. Ze veronderstelt 2 Kon. 16:3 en 21:6, maar is waarschijnlijk vóór het postexilische en postdeuteronomistische vaeB' @r;f' (Jer. 7:31; 19:5; Deut. 12:31; 2 Kon. 17:31) ontstaan. Nog jonger zijn passages die spreken van jxv (Jes. 57; Ez. 16 en 23; Ps. 106).
5.4.5 De eerstgeborenen wijden/geven aan de Molech121
7. Tegenover de bovenstaande termen, plaatst Michel de werkwoorden !tn, (Ex. 22:28v; Lev. 18:21; 20:2, 3, 4; Mi. 6:7), rb[-hif’il, zonder vaeB' (Ex. 13:12; Lev 18:21; Ez. 20:26; Jer. 32:35) en vdq (met name Ex. 13:2), die cirkelen rond het concept van het wijden van de eerstgeborene aan de godheid. Michel plaatst deze in een een chronologisch raamwerk, opgebouwd uit de onderlinge literaire afhankelijkheidsrelaties.122

a. Op grond daarvan schetst hij de volgende ontwikkeling: “Molech” duikt op wanneer de ballingschap reeds een tijd duurt, in een formulering waarin de term niet zozeer een godheid aanduidt, als wel een bepaalde wijze van offeren: “ze herbouwden de offerhoogten van de baäl in het dal van Ben Hinnom om daar hun zonen en dochters voor de Moloch [%l,Mol; = als mlk] door het vuur te laten gaan …” (Jer. 32:35a). Het in de uiteindelijke vorm mogelijk nog exilische 2 Kon. 23:10 en het vroeg na de ballingschap ontstane Lev. 18:21; 20:2, 3, 4 laten beide functies toe. Pas de glosse in Lev. 20:5 en Jes. 30:33 maken van Molech ondubbelzinnig de naam van een godheid. Vanwaar de term rb[-hif’il stamt, is niet duidelijk. Met uitzondering van Ex. 13:12 – dat waarschijnlijk berust op voorexilische traditie en JHWH als ontvanger van het toewijdingsoffer toestaat – zijn alle formuleringen met rb[-hif’il (Lev. 18:21; Ez. 20:26: Jer. 32:35) afwijzend.

Michel maakt op dit punt twee opmerkingen ten aanzien van de mlk-cultus. (1) de dubbele ontkenning in Jer. 32:35b dat de mlk-offers hun oorsprong vinden in geboden van JHWH wijst er op, dat de bevolking deze offers juist als dienst aan JHWH zag. (2) Dat de scherpe en latere vocabulaire over “de uitheemse goden” ontbreekt in samenhang met de formuleringen met %l,Mol;, is volgens Michel een aanwijzing dat dit een offerterm is geweest.

In Jer. 32:35 is niet duidelijk of vaeB' een secundaire toevoeging is, met invloed vanuit Deut. 18:10 via 2 Kon. 23:10, of dat de oorspronkelijke schrijver van het vers al meende dat de %l,Mo-rite “met vuur” voltrokken werd. Achter rb[-hif’il in Jer. 32:35 vermoed Michel bovendien de invloed van een jahwistische traditie over eerstgeborenen, welke mogelijk achter Ex. 13:12 schuilgaat.

b. Op het vlak van de verschillende rechtscorpora valt het Michel op dat positieve meldingen van eerstgeboortewijdingen en negatieve verboden van het toewijden of doden van kinderen aan goden elkaar wederzijds uitsluiten. Terwijl het Bondsboek (Ex. 22:28v), het Privilegerecht (Ex. 34:19v) en de priesterlijke en napriesterlijke wetgeving (Ex. 13:2; Num. 3:12v; 8:16vv; 18:15) wel spreken over het doden en ook van het lossen van eerstgeboren kinderen, zwijgen Deuteronomium en de Heiligheidswet hier geheel en al over. Wel kent Deuteronomium eerstgeboortewijdingen, maar die worden steevast als vee voorgesteld (Deut. 12:6, 17; 14:23; 15:19). De Heiligheids-wet maakt überhaupt geen melding van eerstgeboortewijdingen. Omgekeerd treffen we alleen in Deut. 18:10 en Lev. 18:21; 20:2-5 verboden aan.

Michel vraagt zich af of dit zwijgen wellicht voortkomt uit een obsessieve bezigheid met de uitwassen van het rb[-offers, en uit het misverstand dat het offer/wijding “door vuur” en “als/voor Molech” structureel gold voor elke eerstgeboren zoon en dochter, ipv. incidenteel, onder bepaalde voorwaarden. Datzelfde misverstand vermoedt Michel in Ez. 20:26 “.. door al wat de moederschoot splijt voorbij te laten gaan ..”, waar rb[-hif’il niet gepaard gaat met ontvanger, adnominalis, instrumentalis of doel. Ook Ex. 13:12 “draag dan al wie de moederschoot splijt over aan de ENE; van elke splijterworp van het vee die er voor u zal wezen: de mannetjes aan de ENE” draagt volgens Michel aan dit beeld bij. Hier is rb[-hif’il vanwege de kinderofferpolemiek reeds door de rechtzinnige stroming geheel en al losgeweekt van vaeB' en %l,Mol;, en is de ontvanger eenduidig als hw"hy> geworden.

Waar Michel werkwoorden als xbz, jxv, @r;f' + vaeB' en rb[-hif’il + vaeB' dus verwikkeld ziet in een polemisch proces dat de kinderoffercultus als steeds gruwelijker omschrijft, en meer en meer nadruk legde op het uitheemse karakter van de goddelijke ontvangers, lijkt hij in passages waar sprake is van !tn, rb[-hif’il (zonder vaeB') en vdq de tendens waar te nemen, dat de beschreven handelingen juist steeds vreedzamer worden voorgesteld en dat JHWH meer en meer als enige ontvanger geldt.
5.4.6 Twee klassieke kinderofferteksten (2 Kon 3:27; Ri. 11) en de term hl[-hif’il + hl'[o
8. Uiteindelijk blijven nog twee kinderofferteksten over om te verkennen: 2 Kon. 3:27 en Ri. 11. De meeste geleerden zijn het er volgens Michel wel over eens dat 2 Kon. 3:27 zeer oud is: het bericht dat de vijandige koning met de offergave van zijn zoon de Israëlieten tot de aftocht dwingt, maakt zoveel wel duidelijk.

De ouderdom van Ri. 11:30v; 34-40 is meer omstreden: volgens sommigen is hier sprake van een oude traditie; anderen, zoals Thomas Römer, menen dat de tekst in zijn geheel pas geschreven is in een postdeuteronomistische tijd. Dit omdat het moeilijk te geloven is dat een goddelijk geïnspireerde held met het kinderoffer verbonden zou worden ten tijde van de compilatie van het deuteronomistisch geschiedwerk. Voor het laatste zouden ook de parallellen tussen Gen. 22:1-19 en Ri. 11 spreken: zo is er de formulering met hl[-hif’il + hl'[o; de aanduiding van de dochter als “enige” (Ri. 11:35; Gen. 22:2, 13); de aanroep van de vader met “mijn dochter” (Ri. 11:35; vgl. Gen. 22:7); en het motief van het “zien van het offer” (Ri. 11:35; Gen. 22:8). Hieruit leidt Römer af dat de schrijver van Ri. 11 het verhaal van Gen. 22:1-19 kent en als achtergrond gebruikt. Daarnaast spelen voor Römer de parallellen met het postexilische Mirjamlied een rol (Ex. 15:20; vgl. Ri. 11:34) en de wijsheid uit Pred. 5:3v. dat het beter is geen eed af te leggen ipv. haar te breken. Maar Römers hoofdargument voor een late datering is volgens Michel dat Ri. 11 gebaseerd zou zijn op de Griekse vertelling van het offer van Iphigenia.123 Michel wijst erop dat de ontstaansdatum van zo’n parallelvertelling pas in de 3e eeuw denkbaar is, en meent dat een Israëlitisch schrijver na de scherpe veroordeling van het kinderoffer niet snel een hoofdpersoon het eigen kind zou doen offeren. Het is dan waarschijnlijker dat we in dit verhaal met het relict van een oude traditie te maken hebben, hetwelk nog voor de groeiende polemiek in het deuteronomistisch geschiedwerk ingebouwd is.

Volgens Michel is er dus goede aanleiding te denken dat we in 2 Kon. 3:27 en Ri. 11:31 met berichten te maken hebben die stammen uit oude tradities.
5.4.7 %l,mo in Gen. 22:1-19
9. Vanuit het voorgaande is het des te opvallender, aldus Michel, dat in Gen. 22:1-19 niet JHWH zelf optreedt; de bode. %a;l.m; wekt met bovenstaande passages omtrent de Molechcultus in het achterhoofd namelijk de associatie met %l,Mo. Die associatie zou volgens Michel wel eens meer dan toeval kunnen zijn. Gen. 22:1-19 heeft immers de offergave van de zoon als thema, en het woordspel op ary en har via omdraaiing van consonanten is een richtinggevende motief in de tekst. Op grond daarvan acht Michel het goed denkbaar dat ook tl,k,a]m; en %a;l.m; de bedoeling hebben de verwachting van de lezer te wekken dat %l,Mo in het verhaal zal opduiken, of tenminste dat er iets over Molech zal worden gezegd. Die verwachting wordt echter niet ingelost. Integendeel, %a;l.m; wordt direct gevolgd door hw"hy>. Michel ziet dit als een literaire valstrik, waarbij de gewekte verwachting wordt gelogenstraft door het tegendeel. “Der Bote, der bei seinem auftritt Assoziationen an Molech weckt, entpuppt sich als Bote YHWH’s (und nicht “Elohims”, oder gar “des Molech” oder “als Molech”), der gerade die Nichtausführung der mit der Opferhandlung nötigen Tötung des Sohnes erfleht.”124 Dit verklaart volgens Michel de aanwezigheid van zowel de “bode” als “JHWH” in de tekst.

Het maakt volgens Michel ook duidelijk waarom de bode “vanuit de hemel” (vs. 11) roept. Dit moet niet gezien worden als een intertekstuele verwijzing naar Gen. 21:17 of Ex. 20:22, maar om een kosmologisch contrast te tekenen met de Molechriten, die in een chtonische context thuishoren: vanuit de hemel worden dood en onderwereld tot de rede gebracht.

Kleinere toespelingen op de Molech-cultus ziet Michel oa. in het voorvoegsel l. in hl'ê[ol., dat volgens Michel grammaticaal overbodig is, en in alle overige gevallen met hl[-hif’il + hl'[o achterwege gelaten wordt. Michel werpt op dat l. wellicht de bedoeling heeft de associatie te wekken met %l,Mol;, dat we aantreffen in alle Hebreeuwse passages waar sprake is van Molech, afgezien van Lev. 20:5. Verder sluit het zevenvoudig terugkerende %lh volgens Michel goed aan bij Müllers afleiding van mlk uit HLK. Dat ook ~yhil{a/ precies zevenmaal in de tekst voorkomt, is volgens Michel geen toeval, maar bedoeld om samen met het zevenvoudige %lh en haar mlk-associatie de verwachting van Molech te wekken. Om tot dat zevental te komen moet Michel in vs. 14b & 14d dan wel ~yhil{a/ lezen. Tenslotte ziet Michel een bewust contrast tussen de dalen waarin het kinderoffer werd gehouden (Jes. 57:5), meestal het Hinnomdal (2 Kon. 23:10; Jer. 7:31; 19:5; 32:35; 2 Kron. 28:3; 33:6), en de plaats “op een van de bergen” waar Abraham zijn zoon moet doen opgaan.

Het door Michel veronderstelde consonantenspel met tl,k,a]m; en %a;l.m; is volgens hem aldus tegelijkertijd een toespeling op %a;l.m;.


5.4.8 Intertekstuele verbanden van Gen. 22:1-19125
10. Wat betekenen deze historische overwegingen nu voor de duiding van Gen. 22:1-19? Om die vraag te beantwoorden tracht Michel Gen. 22:1-19 te dateren en te verbinden met verschillende bovengenoemde passages.

Voor Michel bewijst het hechte literaire verband tussen Gen. 12:1-4a en Gen. 22:1-14, 19 dat laatstgenoemde tekst gedateerd moet worden in of na de ballingschap: de meeste geleerden zijn het er namelijk wel over eens dat Gen. 12:1-4a waarschijnlijk tijdens de ballingschap geschreven is. Gen. 22:1-14, 19 zou uiteraard ook later geschreven kunnen zijn dan Gen. 12:1-4a, aldus Michel. De tekst heeft echter geen kenmerken van postpriesterlijk auteurschap. Michel vindt het bovendien niet erg aannemelijk dat zowel de oorspronkelijke tekst als de redactie van vs. 15-18 beiden tijdens of na de invlechting van de Priesterstukken in de (voorpriesterlijke) Abrahamvertelling. Bovendien ziet Michel daarna nog een nawerking van Gen. 22:1-19 in het raamwerk van Job, wellicht zelfs nog in de 5e eeuw v. Chr. Daarnaast wijst hij erop dat Gen. 20–22 een literair geheel met tal van dwarsverbanden is. Wanneer men dit gehele complex aan de Pentateuchredactor toewijst, blijft er van voorpriesterlijke Abrahamstradities naar Michels smaak te weinig meer over.

Daar komt nog bij, dat het vrijwel ondenkbaar is, dat Gen. 22:1-19 geschreven zou zijn na de kinderofferpolemiek tijdens en na de ballingschap. Hoe zou men Abraham nog tekenen met uitgestoken hand, vraagt Michel, om zijn zoon te “slachten” na passages als Jes. 57:5; Ez. 16:21 en 23:29? En hoe zou een schrijver God de opdracht in de mond kunnen leggen iemands zoon “als opgangsgave op te doen gaan” na de polemische verdringing van rb[-hif’il door het plastische @r;f', dikwijls nog aangezet met vaeB'? Daartegenover zet Michel dat het voorexilische hl[-hif’il + hl'[o (Ri. 11:31; 2 Kon. 3:27) onpolemisch is gebruikt. In Ri. 11:31 ontbreekt afkeuring, en al lijkt 2 Kon. 3:27 zo bewerkt, dat de “toorn” welke de Israëlieten tot de aftocht dwingt niet langer die van een vreemde godheid is, het brandoffer heeft desalniettemin het beoogde effect. Weliswaar versluieren zowel Ri. 11:39 als Gen. 22:13 de beschrijvingen van het mensenoffer, maar daarin ligt volgens Michel juist een aanwijzing dat beide passages vóór de postexilische gruwelpropaganda geschreven zijn.

Vanuit zijn duiding van verscheidene elementen in Gen. 22:1-14, 19 als toespelingen op de Molech-cultus meent Michel dat er iets te zeggen valt de Akedah in verband te brengen met “door het vuur laten passeren als/voor Molech (%l,Mol;)” in Jer. 32:35 en in de eindtekst van 2 Kon. 23:10 enerzijds en “van het zaad geven om door het vuur te gaan voor Molech (%l,Mol;)” in de postexilische passages uit de Heiligheidswetgeving (Lev. 18:21; 20:2-4) anderzijds. Het drievoudig [r;z< in Lev. 20:2-5 zou volgens Michel fraai corresponderen met het drievoudig [r;z< in het later toegevoegde Gen. 22:15-18, hetgeen zou impliceren dat Gen. 22:1-14, 19 uit een eerdere tijd stamt. Het best laat zich volgens Michel echter Jes. 30:27-33 met Gen. 22:1-19 verbinden. Juist in deze preëxilische spelen motieven van verbranding, uitgaand van JHWH, een rol: de “toorn” (@a;) en de “adem” (hm'v'n>) van JHWH zijn nota bene in de omraming (vs. 27, 33) verbonden met het werkwoord “verzengen” (r[b) en in verbinding met het bepalende motiefwoord “vuur” vallen allerlei parallellen met Gen. 22:1-14, 19 te trekken: “vretend vuur” (tl,k'ao/ hl'keAa vae) in vs. 27e en 30b doet denken aan tl,k,_a]M;h;(-ta,w> vaeÞh' in Gen. 22:6b; “hout en vuur” (~yci[ew> vae) in vs. 33 met “vuur en hout” (~yciê[eh'äw> vaeh') in Gen. 22:7. Ook het “opstapelen” ($r[) van de brandstapel (hT,p.T', vs. 33) in Jeruzalem heeft zijn parallel in het “schikken” ($r[) van het hout in Gen. 22:9. Daar voegt Michel nog de glossen %l,M,îl; aWh-~G: (door Michel gelezen als %l,Mo) in vs. 33b en rh;b. hw"hy> in 29b (vgl. Gen. 22:14) aan toe. Opvallend is volgens Michel dat op die laatste glosse volgt dat JHWH “[de glans van] zijn stem doet horen” (vgl. Gen. 22:18b) en “het neerkomen van zijn arm laat zien” (vgl. Gen. 22:14). Ook de latere toevoegingen en retouches van Jes. 30:27-33 en Gen. 22:1-19 dekken elkaar dus, en bij elkaar opgeteld zijn er tot aan de redactie van beide teksten toe zoveel parallellen dat Michel dit niet als toevalligheden kan zien. Als Jes. 30:27-33 als achtergrond heeft gedient voor Gen. 22:1-19 dan kan ze ook helpen bij de datering en uitleg van met name de oudere tekst Gen. 22:1-14, 19. Daarachter zouden dan beelden steken van Jeruzalem als een “brandstapel”, een tofet, zoals het er in 587/586 moet hebben uitgezien “als YHWHs alles “versengender Zorn” “als fressendes Feuer” nicht mit Assur, sondern mit seinen eigenen Verheißungen abzuschließen schien”.126 Dat het in Gen. 22:1-19 om de beloften gaat blijkt volgens Michel wel uit de kruisverbindingen met Gen. 12 en 13. De auteur vond op de prangende exilische vraag hoe de vernietiging van Jeruzalem verbonden moet worden met die beloften het antwoord in het theologoumenon van de “beproeving” (Gen. 22:1), aldus Michel.

Al met al acht Michel het nauwelijks voorstelbaar dat Gen. 22:1-4, 19 na de ballingschap zou zijn ontstaan. De argumenten spreken bij elkaar genomen voor een exilische datering. Gen. 22:1-14, 19 is, uitgaande van het verband met Jes. 30, een theodiceetekst uit deze tijd, aldus Michel. De tekst maakt daarbij gebruik van het motief van het kinderoffer: in het licht van de belofte van Gen. 12:2a – “ik zal je maken tot een groot volk” – neemt het stuk stelling tegen kwalijke ontwikkelingen welke zich tijdens het uiteenvallen van de officiële staatscultus in het omgaan met mannelijk en vrouwelijk nageslacht konden voordoen. De verholen toespelingen op “Molech” vormen een argument, dat op de achtergrond Molechriten spelen. Mogelijk werden deze door de praktikanten gelijkgeschakelt aan jahwistische (eerst)geborenriten (vgl. Ex. 13:12a), waartoe de te veronderstellen situatie van cultische anarchie na 587/586 de mogelijkheid kan hebben geboden. Michel ziet hier ruimte voor foenicische invloed, en eventuele opname van elementen van een chtonische Molech/Malik-rite, waarvan we echter vrijwel niets weten. Hoe dan ook heeft dit verschijnsel volgens Michel slechts kort kunnen bestaan, in het licht van de na de ballingschap massief groeiende gruwelpropaganda, die zich in zijn ogen vooral richtte tegen niet-Judeeërs. “Door het vuur laten passeren” (Deut. 18:10) was volgens Michel waarschijnlijk oorspronkelijk een toewijdingsrite, welke vóór de ballingschap ontstond en pas later om polemische redenen met de Molechterminologie vermengd is (2 Kon. 23:10; Lev. 18:21; 20:2-4). Dat “Molech” en de tofet bij elkaar zouden hebben gehoord, acht Michel evenmin waarschijnlijk. Bovendien zou het volgens Michel merkwaardig zijn dat zich in de nabijheid van de officiële staatscultus op de tempelberg nog een cultus met een brandofferaltaar zou hebben voorgedaan. In de late exilische tijd, waarin Michel Gen. 22:1-14, 19 plaatst, ziet hij de elementen ‘tofet in het Hinnomdal’, ‘Molech’, ‘kinderen’ en ‘vuur’ in een chtonische context zich verdichten tot het complex ‘kinderoffers’ met al haar negatieve connotaties. In dit proces van amalgamering laat Gen. 22:1-14, 19 haar stem klinken. Ze toont de diepe ernst van de JHWH-verering aan, en stelt deze tegenover de vermeende religieuze diepgang van deels concurrerende riten. Daarnaast bewijst ze met ‘Abraham’ als type, dat JHWH zulke riten, en kinderoffers in het bijzonder, in het geheel niet wenst. In zoverre kan men volgens Michel stellen, dat Gen. 22 in het licht van akelige praktijken uit die tijd – hoe gedifferentieerd ook – een principiële theologische oplossing voor het kinderoffer biedt.

Hoewel de tijd van de (late) ballingschap een belangrijk verstaanskader biedt voor de tekst, ligt hier volgens Michel echter niet de wijdere betekenis. Om deze te ontsluiten moeten we met Michel de literaire aspecten van de tekst verkennen. Dit doen we in een volgend hoofdstuk.


1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   21

  • 5.4.5 De eerstgeborenen wijden/geven aan de Molech 121
  • 5.4.6 Twee klassieke kinderofferteksten (2 Kon 3:27; Ri. 11) en de term hl[-hif’il +
  • 5.4.7 %l,mo in Gen. 22:1-19
  • 5.4.8 Intertekstuele verbanden van Gen. 22:1-19 125

  • Dovnload 1.04 Mb.