Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ambiguïteit in God binnen de

Dovnload 1.04 Mb.

Ambiguïteit in God binnen de



Pagina15/21
Datum28.10.2017
Grootte1.04 Mb.

Dovnload 1.04 Mb.
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   21

7.2.3 De narratieve cirkel202

8. Een fabula kan beschouwd worden al een bepaalde groepering van een reeks gebeurtenissen, aldus Bal. Verschillende literatuurtheoretici – waaronder Aristoteles – menen dat in elke fabula drie fasen onderscheiden kunnen worden: de potentiële mogelijkheid, de gebeurtenis (of realisatie), en het resultaat (of conclusie) van het proces. Het is echter niet noodzakelijk dat een potentiële mogelijkheid wordt gerealiseerd. Bovendien is, zelfs als een gebeurtenis tot stand komt, een succesvolle conclusie niet altijd gegarandeerd.

9. Bal onderscheidt op dit punt twee mogelijke processen: een proces van vooruit- en achteruitgang. In combinatie met de hiervoor gemaakte opmerking dat elke potentiële mogelijkheid niet noodzakelijk geactualiseerd wordt in een gebeurtenis, komt Bal tot het volgende schema:


De te bereiken vooruitgang 

{

Proces van verbetering  {

Verbetering bereikt

Verbetering niet bereikt

Geen proces van verbetering




De voorziene achteruitgang 

{

Proces van achteruitgang  {

Resulterende achteruitgang

Achteruitgang vermeden

Geen proces van achteruitgang



De verschillende processen van verbetering of achteruitgang vormen samen, gegroepeerd in bepaalde combinaties, een narratieve cyclus. Bal ontleent deze term aan Claude Bremond.203 Elk van die processen heeft zijn eigen semantische inhouden. Bremond geeft er een aantal:




Vooruitgang

Achteruitgang

De vervulling van de opdracht

De misstap

De tussenkomst van bondgenoten

Het ontstaan van een verplichting

De eliminatie van de tegenstander

Het offer

De onderhandeling

-

De aanval

De doorstane aanval

De voldoening

De doorstane strafvoltrekking

Het valt direct in te zien hoe dit relevant is voor Gen. 22:1-19: daar moet Abraham juist een offer brengen teneinde de opdracht, die hij aan het begin van het verhaal krijgt, te vervullen. Het proces van vooruitgang valt dus samen met een proces van achteruitgang. Dit creëert een interne spanning in de vertelstructuur. Deze interne spanning correspondeert met de rol van God in de vertelling. De ontknoping bestaat daaruit dat zowel de vooruitgang is bereikt (de opdracht is vervuld) als de achteruitgang vermeden (Izaäk leeft nog), iets dat aan het begin van het verhaal onmogelijk leek.



7.2.4 De protagonist: criteria204
10. Elk verhaal kent zijn hoofdpersoon. De technische aanduiding hiervoor is ‘held’. Het voornaamste probleem is volgens Bal de connotatie van heroïsme die dit oproept: een hoofdpersoon kan immers ook heel wel een anti-held zijn, iemand die voor een taak of probleem gesteld wordt maar deze problemen niet overwint door zijn eigen inertie. Koning Saul in het eerste boek Samuël zou hier als voorbeeld kunnen gelden, al wordt al gauw duidelijk dat hij faalt om David des te heroïscher uit te doen komen. Zelf lijkt me de term “protagonist” adequaat. Deze kan dan ook fraai tegen eventuele “antagonisten” gesteld worden.

11. Bal geeft een aantal criteria op grond waarvan men kan bepalen wie de protagonist in een verhaal is: 1. Bepaaldheid: uitgebreide informatie omtrent uiterlijk, psychologie, motivatie en verleden; 2. Distributie: de protagonist komt vaak voor in het verhaal, met name ook op belangrijke momenten; 3. Onafhankelijkheid: de protagonist kan alleen voorkomen of monologen houden; 4. Functie: bepaalde handelingen zijn typisch voor de rol van de van de protagonist: een protagonist vormt allianties, verslaat vijanden, ontmaskert verraders, e.d., kortom alles wat het verhaal tot een ontknoping brengt; 5. Relaties: de protagonist met het grootste aantal karakters.

12. Abraham voldoet in Gen. 22:1-19 aan vier van deze vijf kenmerken: 1. De lezer heeft bij aanvang van de vertelling over Abraham de meeste informatie ontvangen in de cyclus, zoals zijn herkomst, worsteling, twijfels, angst; 2. Abraham ontbreekt in geen enkele scène, terwijl andere personages elkaar afwisselen. geen ander karakter pleegt zoveel handelingen alleen: zie vs. 3, vs. 4, vs. 6, vs. 9, vs., 10, vs. 13, vs. 14a, vs. 19a; 3. wanneer Abraham de ram offert (vs. 13), worden Izaäk en de engel uit de beschrijving gelaten, waardoor alleen Abraham met het object overblijft; 5. Abraham heeft een relatie met zowel Izaäk als met God/de engel. Izaäk heeft in het verhaal enkel een relatie met Abraham, evenals God/de engel.
7.2.5 Van actor naar karakter205
13. Binnen Gen. 22:1-19 zijn alle actors tevens ‘karakters’, dwz. antropomorf; ze lijken op mensen.206 Dat geldt zelfs voor God, die iets te weten wil komen, en daartoe een test ontwerpt waaraan hij Abraham onderwerpt.

14. Onder het kopje ‘Predictibility’ werkt Bal uit hoe een schrijver een raamwerk bij de lezer veronderstelt of schept waarin karakters automatisch bepaalde eigenschappen krijgen toegeschreven. Zo wekt het karakter Miss Marple een bepaalde verwachting door de voorstelling die mensen hebben van een oudere dame die vrijgezel is gebleven: nieuwsgierigheid, een grote hoeveelheid vrije tijd, betrouwbaarheid, onschuld, naïveteit. Deze eigenschappen zijn noodzakelijk voor het verloop van de fabula. Hetzelfde geldt voor God en de engel in een cultuur waarin bijbelverhalen gemeengoed zijn. In die verhalen is het meestal zo dat God de gelovige redt en de vijanden van de gelovige straft, en spelen engelen steevast de rol van uitvoerders van Gods wensen.

15. In de paragraaf ‘Construction of content’ geeft Bal vier principes die het beeld van karakters verder bepalen: herhaling, accumulatie, de relatie tot andere karakters en transformatie. Zo merkt Frits van Egter in Reve’s De Avonden herhaaldelijk kaalheid bij anderen op. Daar komt bij dat hij eveneens intens bezig is met andere tekenen van verval: herfst, ziekte, ouderdom, de dood, tijd. Bij elkaar scheppen die het beeld van een jongeman die inzit over vergankelijkheid en de dood. Dit is van belang omdat ook ons verhaal niet op zichzelf staat. Wanneer Gen. 22 aanvangt hebben God en Abraham al een geschiedenis achter de rug van een tiental verhalen. Die verhalen maken dat de lezer zich een beeld heeft gevormd van beide karakters.

16. De lezer heeft zich tevens een beeld gevormd van beider relatie. Volgens Bal worden relaties in de meeste verhalen opgezet volgens gelijkmatigheden en contrasten. Als de vader een hardwerkende, strenge man is, is de zoon veelal een losbol. Dat creëert namelijk suspense.

17. Ten slotte: karakters kunnen veranderen. Soms kan de transformatie die een karakter ondergaat de gehele samenstelling van het karakter veranderen zoals het die leek te hebben tijdens de analyse van de onderlinge relaties. Wanneer de belangrijkste karakteristieken van een karakter zijn bepaald is het makkelijker om transformaties te traceren en hen te beschrijven.

1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   21

  • Vooruitgang Achteruitgang
  • 7.2.4 De protagonist: criteria 204
  • 7.2.5 Van actor naar karakter 205

  • Dovnload 1.04 Mb.