Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ambiguïteit in God binnen de

Dovnload 1.04 Mb.

Ambiguïteit in God binnen de



Pagina16/21
Datum28.10.2017
Grootte1.04 Mb.

Dovnload 1.04 Mb.
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   21

7.2.6 Karakters in relatie tot elkaar: de semantische as207

18. Bal geeft als voornaamste methode om uit te maken welke karakteristieken van belang zijn voor het karakter, en welke van minder belang, het opstellen van een semantische as, waarop gevinkt wordt welke tegengestelde kenmerken de personages hebben. Ze geeft het voorbeeld van een boer, die tevens vader is. Het ligt dan in de rede dat hij sterk, hardwerkend en strikt is. De tegengestelde polen hiervan zijn zwak, lui en flexibel. Het zal niemand verbazen, schrijft Bal, als de vader wordt gecontrasteerd met zijn zwakke, vrouwelijke, artistieke zoon. Flexibel kan de zoon echter nauwelijks zijn; hij is niet in de positie om strikt of mild te zijn. Die pool zal dan gewoonlijk vervuld worden door zijn moeder.

19. De vraag die dit oproept is: valt zo’n semantisch veld ook voor de karakters in Gen. 22:1-19 te maken? De eigenschappen zouden dan ontleend moeten worden aan de wijze waarop ze zich gedurende de Abrahamcyclus hebben gedragen.

20. Dit roept echter onmiddellijk ook de vraag op, bij welke van de karakters te beginnen. In het voorbeeld van Bal is de vader immers bepalend voor de invulling van de semantische as. De zwakte en luiheid van de zoon vallen op doordat zij tegenpool zijn van de eigenschappen van de vader. Dus waar te beginnen? Het ligt voor de hand te beginnen met de protagonist. Maar dit hoeft niet noodzakelijk tot het juiste resultaat te leiden, want in het voorbeeld van Bal is niet gezegd dat de vader de protagonist is. Ook de zoon zou dat kunnen zijn. Desalniettemin is Abraham in Gen. 22:1-19 het dominerende karakter, en ligt het dus voor de hand hem het startpunt van de semantische as te laten zijn.

21. We zagen boven dat de lezer reeds verhalen lang kennis heeft gemaakt met God en Abraham. De semantische as zal dus ingevuld moeten worden n.a.v. de Abrahamcyclus en dit zal ligt moeten werpen op hun handelen in Gen. 22:1-19. Het beeld van Abraham dat bij cursorische lezing uit de cyclus naar voren treedt, is van iemand gelooft in JHWH en doet wat Deze zegt (Gen. 12:1-14; 15:4-21; 17:23-27; 21:11-14); die ondernemend/besluitvaardig is (Gen. 12:10; 13:8,9; 14:1-24; 20:1; 21:22-34), maar tevens bij tijd en wijle laf/wankelmoedig/kleingelovig is (Gen. 12:11-20; 15:1-3; 17:17; 20:2-13). Volgens de indeling op de semantische as zouden we de karakters God en Izaäk aan de hand van deze karakteristieken moeten plussen en minnen. Dit zou er dan als volgt uitzien.





Gehoorzaam/Gelovend

Ondernemend/Besluitvaardig

Laf/wankelmoedig/kleingelovig

Abraham

+

+

+

God

n.v.t.

+

n.v.t.

Izaäk

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Aan dit schema kleven echter twee bezwaren. Allereerst is er het bezwaar dat verschillende eigenschappen niet op God/JHWH van toepassing zijn omdat ze de relatie tot de godheid. God kan moeilijk zelf gehoorzaam/gelovend of het tegendeel: kleingelovig zijn: de vertelling veronderstelt immers dat God de transcendente godheid is die bepaald wat mensen moeten doen. Het tweede bezwaar is dat Izaäk Gen. 22:1-19 voor vijfennegentig procent van de vertelde tijd als object fungeert, en aldus geen karaktertrekken heeft. Izaäks vraag aan zijn vader in Gen. 22:7 roept echter wel de suggestie van naïveteit/onschuld op, en dat is binnen de vertelling ook toepasselijk, want Izaäk is onwetend dat hijzelf het beoogde slachtoffer is, terwijl Abraham dit geheim met zich meedraagt.

22. Het lijkt er dus op dat de toepassing van de semantische as op Gen. 22:1-19 vastloopt op de eigen aard van de Oud-Oosterse tekst: de tekst is niet in de eerste plaats geïnteresseerd in de psychologie van de karakters. Voor zover bijbelverhalen karakters tegenover elkaar plaatsen (bijv. Saul tegenover David; Jakob tegenover Esau) is het ten behoeve van het maken van een politieke en/of theologisch punt.

23. Maar er is wel iets dat dit schema blootlegt. In Bals theorie van de semantische as vormen de minnen de tegenpool van de positieve karaktertrekken. De vader is ‘sterk’, de zoon is als zijn tegenpool niet-sterk, en dus ‘zwak’. De vader is vlijtig, de zoon is dat niet, dus lui. In het bovenstaande schema zien we echter dat Abraham eigenschappen heeft die het tegendeel vormen van zijn eigen karaktertrekken. Hij is op sommige momenten gelovend – op andere momenten kleingelovig. Op sommige momenten gehoorzaamt hij God, op andere momenten spreekt hij God tegen. Soms komt hij over als ondernemend en besluitvaardig, en soms als passief en besluiteloos (Gen. 16; 21:8-13): op die momenten is het Sara die besluit wat er moet gebeuren. Soms is Abraham moedig, op andere momenten laf. Dit leidt tot het volgende schema:







Gehoorzaam/Gelovend

Ondernemend/Besluitvaardig

Moedig

A. als gelovige

+ in: Gen. 12:1-14; 14:21-24; 15:4-21 17:23-27; 21:11-14

+ in: Gen. 12:10; 13:8,9; 14:1-16; 20:1; 21:22-34

+ in: Gen: 14:1-16; 18:16-32

A. als ongelovige

- in: Gen. 12:11-20; 15:1-3; 17:17; 20:2-13

- in: Gen. 16:1-6; 21:8-13

- in: Gen. 12:11-20; 20:2-13

24. Het lijkt er op dat in de Abrahamcyclus de spanning niet tussen de karakteristieken van de personages wordt opgewekt, maar door een spanning in het karakter Abraham zelf, welke zich weerspiegelt in een spanning in diens verhouding tot God. Het alternatief zou een tegenstelling zijn waarin God “betrouwbaar” is en Abraham “onbetrouwbaar”. Maar is Abraham “onbetrouwbaar” omdat hij bijvoorbeeld zijn vrouw in nood afstoot? Bezien binnen de dynamiek van de cyclus lijkt het ook ten aanzien daarvan eerder te gaan om vertrouwen in God: in de episode te Gerar komt dat aan de oppervlakte door de spanning tussen Abrahams handelen en Gods belofte dat Sara een kind zal krijgen; in Gen. 12:10-20 door de spanning tussen Abrahams handelen en Gods belofte dat hij een groot volk zal worden.208 De vraag die de cyclus oproept is ook niet of God op Abraham kan rekenen, of Abraham betrouwbaar is. Abraham heeft immers steeds gedaan wat God van hem vroeg. Het punt lijkt te zijn dat Abraham op verschillende momenten twijfelt aan, of expliciet niet gelooft wat God zegt.


7.2.7 Focalisatie209
25. Bal introduceert de term ‘focalisatie’ om het perspectief mee te omschrijven, waarmee karakters en personages in het verhaal bekeken worden. Elk verhaal, tekstueel of visueel, geeft beschrijvingen. Vaak worden die beschrijvingen direct gegeven, bijv. “Tom zat in een schommelstoel op de veranda”. In dat geval is er sprake van een externe focalisator. Meer dan eens vinden we in verhalen echter beschreven hoe een karakter een object of een ander karakter waarneemt, of beschrijft. “Marja zag Tom in een schommelstoel op de veranda zitten.” Er is dan sprake van een interne focalisator. Dit geeft de verteller de mogelijkheid met subjectiviteit te spelen, bijvoorbeeld in de zin: “Marja zag Tom op de veranda zitten, zijn vadsige lichaam ingeklemd in de schommelstoel.” Dit is waar de vertelling interesse wekt, want het roept de vraag op welke waardering Marja geeft aan het gegeven dat Tom dik is, welk effect dit voor de relatie tussen de personages heeft, en welke rol dit in het verloop van de fabula gaat spelen.

26. In Gen. 22:1-19 wordt echter zeer spaarzaam gebruik gemaakt van het middel van een interne focalisator.

a. God is een interne focalisator wanneer Hij Izaäk beschrijft als “je zoon, je enige, die jij liefhebt (..)” en wanneer Hij de engel laat zeggen: “Want nu weet ik dat je God vreest, omdat jij je zoon, je enige, niet aan mij hebt onthouden.” De twee zinnen zijn dus niet alleen verbonden door identiek spraakgebruik (“je zoon, je enige”), maar ook door het gebruik van focalisatie.

b. Tweemaal lezen we dat Abraham iets ziet. “Op de derde dag hief Abraham zijn ogen op en zag de plaats van veraf.” (vs. 4) en “Abraham hier zijn ogen op en zag een enkele ram, met zijn horens verstrikt in de struiken.” (vs. 13). We krijgen niet expliciet te horen hoe Abraham de plaats of de ram ervaart. Abraham spreekt echter zowel naar aanleiding van het zien van de plaats als n.a.v. het zien van de ram. Na het zien van de plaats geeft Abraham instructie aan de knechten dat zij bij de ezel moeten wachten totdat Abraham en Izaäk terugkeren. Na het zien van de ram – en het offeren daarvan “in plaats van zijn zoon” – geeft Abraham plaats een naam: “JHWH ziet om/ voorziet”. Van deze twee spraakuitingen is de laatste het eenvoudigst te interpreteren. Het wekt de indruk bij de lezer dat Abraham de ram ervaart als Gods voorzienigheid. Het gegeven dat de plaats is gelokaliseerd op “een van de bergen” (vs. 2) en niets méér wordt vertelt dan dat Abraham er een altaar bouwde (vs. 9), roept het beeld op van een rotstop of klif, hetgeen de vraag wekt hoe Abraham de ram heeft kunnen missen. Dit suggereert verrassing.

27. Het is niet evident hoe Abraham “de plaats” waardeert aan de hand van zijn opmerking aan zijn knechten. Echter, wanneer we de twee momenten van focalisatie en de daarop volgende spraakhandelingen in elkaars verlengde beschouwen, lijkt de ontdekking van de ram de vervulling mogelijk te maken van Abrahams instructie aan zijn knechten: “nadat we aanbeden hebben, zullen we naar jullie terugkeren.” Tussen deze twee momenten ligt echter nóg een impliciet moment van focalisatie en Abrahams antwoord. Izaäk vraagt waar het lam voor het brandoffer is – hetgeen impliceert dat hij ziet dat dit ontbreekt – waarop Abraham antwoordt dat God daar zelf naar zal uitzien/omzien. Zodoende zijn er drie momenten waarop focalisatie gevolgd wordt door een verbale reactie, welke in alledrie de gevallen betrekking heeft op het lot van Izaäk. Schematisch weergegeven ziet dit er zo uit:


Focalisator

Object

Verbale reactie

Emotie

Abraham ziet

de plaats

“ikzelf en de knaap zullen daarheen gaan; nadat we aanbeden hebben, zullen we naar jullie terugkeren.”

?

Izaäk is zich bewust van.

het ontbrekende lam

“God zal voor zichzelf uitzien naar het lam voor het opgangoffer.”

?

Abraham ziet

de ram

“JHWH ziet om/voorziet”

verrassing



7.2.8 Suspense210
28. Een centraal onderdeel in elk verhaal is spanning. Bal definieert ‘suspense’ als het resultaat van de methoden waarmee de vertelling vragen oproept bij de lezer of het karakter, die pas later beantwoord worden. Met deze definitie kunnen verschillende vormen van ‘suspense’ besproken worden in termen van focalisatie.

29. Dergelijke vragen kunnen snel beantwoord worden, of pas aan het eind van het verhaal. Als de ‘suspense’ vastgehouden wil worden, dienen de vragen echter op een of andere manier terug in herinnering gebracht te worden. Suspense kan voortkomen uit de aankondiging van iets dat pas verderop in het verhaal zal plaatsvinden, of door tijdelijke stilte omtrent informatie die nodig is voor de ontknoping van het plot. In beide gevallen wordt de voorstelling die aan de lezer wordt gepresenteerd, gemanipuleerd. Die voorstelling wordt gegeven door de focalisator (intern of extern), aldus Bal. In principe valt het samen met de voorstelling die de focalisator zelf heeft, maar deze voorstelling kan ook incompleet zijn. Dit is het geval als de karakters meer weten dan de focalisator. Dit ‘meer weten’ blijkt uiteraard pas achteraf.

30. Het is ook mogelijk voor een focalisator om een voorstelling te vervalsen, door bijvoorbeeld bepaalde elementen uit het zicht te houden van de lezer. In zo’n geval weten de karakters ook meer dan de lezer. De focalisator kan ook informatie hebben die de karakters niet weten, bijvoorbeeld over de oorsprong van de gebeurtenissen. In dat geval weet de lezer met de focalisator méér dan de karakters.

31. De focalisator bepaalt dus de verhouding van kennis tussen lezer en karakters. Bal ziet vier mogelijkheden voor die verhouding, wanneer aan het begin van het verhaal een vraag wordt opgeroepen (wie deed het? Wat gebeurde er? Hoe zal het verhaal eindigen?). 1. Het is mogelijk dat noch de lezer noch het karakter de vraag kunnen beantwoorden, zoals in een detectiveverhaal. 2. Het is mogelijk dat de lezer het antwoord weet, maar het karakter niet. De vraag is dan niet wat het antwoord zal zijn maar of het karakter dat op tijd zal ontdekken. 3. Ook is het mogelijk dat de lezer het antwoord niet weet, maar de karakters wel. In dat geval is er sprake van een geheim, dat via verschillende fasen en focalisators onthuld kan worden. 4. Wanneer zowel de lezer als het karakter op de hoogte zijn van het antwoord op de vraag, is er geen spanning.

32. In onze bespreking van de narratieve cirkel zagen we dat Abrahams opdracht in conflict is met het in leven houden van zijn enige, beminde zoon. De vraag die dat oproept is hoe Abraham de opdracht kan vervullen én het leven van zijn kind kan redden. Voor de lezer schijnt dat tot de ontknoping toe als onmogelijk. De lezer wordt hier ook daadwerkelijk aan herinnerd door Abrahams instructie aan zijn knechten, en zijn antwoord aan Izaäk. Pas na de ontknoping komt hij tot de ontdekking dat Abrahams woorden (vs. 5, 8) waar zijn.

33. Wist Abraham soms meer dan de lezer? Daar lijkt het niet op. Abraham staat in vs. 10 daadwerkelijk op het punt het mes erin te steken, en de veronderstelling van vs. 12 is dat Abraham dat ook gedaan zou hebben indien de engel hem er niet van weerhouden had. Ook het gegeven dat Abraham pas naderhand de ram ontdekt (vs. 13) wijst in deze richting: indien we vs. 8 zo moeten lezen dat Abraham zeker was dat God een alternatief voorhanden had, is het immers vreemd dat de verteller Abraham de ram pas naderhand laat ontdekken.

34. Kilian, zo zagen we in hfst. 3.3.3, meent dat de introductie “God beproefde Abraham” de uitkomst reeds aan de lezer verklapt.211 Ook Fokkelman volgt deze lijn.212 De plot zou dan slechts bestaan uit de vraag of Abraham de proef zal doorstaan. Zal hij doorzetten? Dit veronderstelt echter dat de lezer weet dat de proef niet zal bestaan uit het daadwerkelijk offeren van Izaäk. Er is echter geen goede reden waarom de lezer aan de realiteit van Gods opdracht in vs. 2 zou twijfelen. Bovendien is de suspense sterker indien noch Abraham noch de lezer weten of Izaäk het er levend vanaf zal brengen.

7.2.9 Plaats en ruimte213
35. Bal schetst kort hoe een plaats in een verhaal betekenis kan krijgen. Plaatsen, locaties worden geografisch bepaald, zij het in onze verbeelding. Plaatsen dienen als raamwerk.

Twee voorbeelden kunnen dienen om aan te geven hoe ruimte werkt. Bij een karakter dat door een donker bos wandelt, een hut ontdekt en met een zucht van verlichting de deur achter zich sluit, werken buiten- en binnenruimte als raamwerk, en geeft hun tegenstelling betekenis aan beide ruimten. Als een karakter echter probeert te ontsnappen aan een benarde situatie binnen, is de betekenis juist omgekeerd. “Eindelijk vrij!” In beide gevallen heeft het raamwerk een symbolische functie.

37. In het geval van Gen. 22:1-19 lijkt de plaatsbepaling de functie van verdichting van de suspense te hebben. Aan het begin van het verhaal wordt Abraham gewezen naar een imaginaire plaats, “op een van de bergen, die Ik je wijzen zal.” De plaats is dan nog veraf. Abraham kan deze niet zien. Op de derde dag kan Abraham de plaats wel zien. Doordat in vs. 2 de plaats is gelokaliseerd op een berg, wordt de lezer gestuurd te denken aan een bergtop. Het afscheid van zijn knechten suggereert een disjunctie in de reis. Dit suggereert tot de lezer niet slechts dat Abraham met Izaäk aan het laatste deel van de reis is gekomen, maar dat de reis een andere vorm heeft aangenomen. Gezien de locatie ligt het voor de hand te denken aan een klim naar de top van de berg. Het is niet toevallig dat de verteller juist hier de intimiteit van vader en zoon schetst. Op de plaats zelf aangekomen vinden we dan de crisis en de ontknoping van het verhaal. Zo draagt het raamwerk de suspense.

1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   21

  • 208
  • 7.2.7 Focalisatie 209
  • Focalisator Object Verbale reactie Emotie
  • 7.2.8 Suspense 210
  • 7.2.9 Plaats en ruimte 213

  • Dovnload 1.04 Mb.