Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ambiguïteit in God binnen de

Dovnload 1.04 Mb.

Ambiguïteit in God binnen de



Pagina17/21
Datum28.10.2017
Grootte1.04 Mb.

Dovnload 1.04 Mb.
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   21

7.2.10 Ritme, of tijd214

38. Bal vertelt ons dat het begrip ritme een van de meer ongrijpbare onderdelen is van de verteltheorie. Toch is het onderzoeken van het ritme van een tekst belangrijk, omdat het duidelijk kan maken hoeveel aandacht bepaalde gebeurtenissen toebedeeld worden. Omdat ritme zo moeilijk kwantificeerbaar is, zijn sommigen er zelfs toe gekomen woorden te tellen. Bal meent dat het onderzoek van ritme hier het doel voorbijschiet.

39. Allereerst is belangrijk, zo houdt ze haar lezers voor, om te bepalen wat de hoeveelheid tijd is die het verhaal in zijn geheel beslaat. Toegepast op Gen. 22:1-19 zouden we kunnen vaststellen dat het verhaal van de beproeving van Abraham ongeveer een week uit het leven van de protagonist beslaat. De dag, of mogelijk avond, waarop Abraham de opdracht van God krijgt, waarna hij ‘s ochtends voorbereidingen treft voor de reis. Op de derde dag van de reis arriveert hij op het punt waar hij de beoogde plaats kan zien. De voortzetting van de tocht kan dan niet veel langer duren dan een paar uur. Na hetgeen wat daar plaatsvindt keert Abraham terug tot zijn knechten, en lezen we dat zij samen terugkeren naar Berseba, de plaats waar ze kennelijk vandaan kwamen. We hebben dan één middag/avond + drie dagen + een halve dag + drie dagen.

40. Kijken we nu naar de perioden in het verhaal waar aandacht aan wordt besteedt, dan valt op dat de meeste tijd met een paar woorden wordt samengevat. De meeste aandacht gaat uit naar de tocht van vader en zoon en wat er op de plaats zelf plaatsvindt. Daarna volgt in orde van belangrijkheid de dialoog met God in vs. 2 en de voorbereiding op de reis in vs. 3.



7.3 Meïr Sternberg – Gap theory
7.3.1 Inleiding
1. Een veld waar Mieke Bal grotendeels aan voorbij gaat, is dat van het gebruik van lacunes in het verhaal, die de lezer uitnodigen zelf invulling te geven aan het verhaal. We zagen bij onze bespreking van Von Rad (6.2.3) en Michel (6.3.3) reeds, dat juist dit aspect een grote rol speelt in Gen. 22:1-19.

Een Oudtestamenticus die zich uitvoerig met dit vlak hebben beziggehouden is Meir Sternberg Deze laat zien hoe de bijbelvertellers expliciet ‘gaten’ laten vallen in de tekst om de lezer ertoe te verleiden het verhaal zelf in te vullen. Hierdoor raakt de lezer niet alleen meer betrokken bij het verhaal, maar krijgt het ook extra dimensies. Daarbij moet worden opgemerkt dat de 'verteller' bij Sternberg een externe verteller is, die nagenoeg samenvalt met de auteur/redacteur van het verhaal.


7.3.2 Lacunes
2. Sternberg meent dat het invullen van zaken die een literair werk niet expliciet benoemt, feitelijk essentieel is voor het lezen van een tekst.

In elk verhaal moet de lezer, om het verhaal te begrijpen, tijdens het lezen bepaalde vragen beantwoorden, zoals: wat gebeurt er, of: wat is er gebeurd en waarom? Wat verbindt de gebeurtenis of situatie in het heden met wat daarvoor is voorgevallen, en hoe verhouden beiden zich tot wat er vermoedelijk zal gebeuren? Wat zijn de karaktertrekken, motieven of plannen van verschillende personages? Hoe kijkt hij aan tegen andere personages. En welke normen bepalen hun bestaan en gedrag? De antwoorden op deze vragen stellen de lezer in staat om de werkelijkheid, opgeworpen door de tekst, te reconstrueren, om zin te verlenen aan de door de tekst voorgestelde wereld.

3. Echter: in teksten worden de meeste van deze antwoorden niet expliciet gegeven. De lezer moet ze zelf voorzien, sommige van die antwoorden tijdelijk, gedeeltelijk, of onder voorbehoud, en andere compleet en uiteindelijk. Het literaire werk bestaat aldus uit stukjes en beetjes die dienen te worden verenigd in het proces van lezen. Dit invullen van de lacunes strekt zich uit van het eenvoudig met elkaar verbinden van elementen, iets dat de lezer automatisch doet, tot het vormen van complexe netwerken die bewust, met inspanning, en aarzelend worden samengesteld, onder voortdurende aan-passing in het licht van aanvullende informatie, onthuld in de latere fases van het leesproces.

Een fraai voorbeeld hiervan geeft Sternberg in een modern Hebreeuws kinderrijmpje, dat in Engelse vertaling luidt:


Every day, that's the way

Jonathan goes out to play

Climbed a tree. What did he see?

Birdies, one, two, three!
Naughty boy! What have we seen?

There's a hole in your new jeans!
De lezer of hoorder, zegt Sternberg, neemt vrijwel automatisch aan dat het gat in zijn nieuwe broek een resultaat is van de activiteit die in het rijmpje wordt beschreven, namelijk het klimmen in de boom. Het rijmpje stuurt hem in die richting, door de informatie die het geeft. Het gat zou ook het resultaat kunnen zijn van het klimmen over een hek daarvóór, of had al in de broek kunnen zitten. Maar die mogelijkheid komt niet in de lezer op of wordt al snel verworpen. De lezer geeft de voorkeur aan de veronderstelling dat het gat in de broek een gevolg is van het klimmen in de boom, omdat het hem in staat stelt het klimmen in de boom en het gat in een causaal verband te plaatsen. Door de lacune in de tekst op deze wijze in te vullen kan men de verschillende elementen in de tekst op de meest zinvolle manier met elkaar in verband brengen: dát is nu wat er gebeurt met kinderen die in bomen klimmen om kleine vogeltjes kwaad te doen! Zelfs het "What have we seen?" wordt zo begrijpelijk.

Dit eenvoudige voorbeeld laat zien hoe invulling van lacunes die de tekst open laat essentieel is voor het begrijpen van verhalen. In complexere verhalen is het invullen van lacunes veel lastiger en daarom bewuster en allesbehalve automatisch.

4. Nu bestaat er, zegt Sternberg, ook zoiets als ongerechtvaardigde invulling van lacunes. De invulling moet namelijk wel een basis hebben in wat de tekst zelf aangeeft. Illegitieme invulling ontstaat wanneer deze wortelt in wat de lezer zelf bezighoudt ("the reader's subjective concerns")215 in plaats van de normen en aanwijzingen van de tekst. Sternberg wijst hier op de rabbijnse midrasj. De hypotheses die hierin geconstrueerd worden zijn nogal eens gebaseerd op veronderstellingen die geen betrekking hebben op de wereld van de bijbel – bijvoorbeeld dat Jakob en Esau naar school gingen – en vinden geen steun in de tekstuele details of vullen plompweg in wat het verhaal zelf uitsluit.

5. Sternberg geeft vervolgens een aantal principes op grond waarvan de invulling dient te geschiedenis: (a) de verschillende materialen zoals expliciet gecommuniceerd door de tekst; (b) taal en retorische karakteristiek van de tekst; (c) de set met percepties die het genre van het werk bij de lezer oproept; (d) de bijzonder aard, normen en regelmatigheden van de wereld die het werk schetst; (e) basale veronderstellingen of algemene standaarden van waarschijnlijkheid die de lezer afleid uit het alledaagse leven en heersende culturele conventies.

6. Hierna laat hij zien hoe zo'n invulling werkt aan de hand van het verhaal van David en Batseba. Hij komt tot twee mogelijke invullingen, die met elkaar concurreren. De lezer is geneigd, in eerste instantie, om het verhaal zo te lezen dat Uria zich van niets bewust is. Uria is dan de trouwe soldaat, die eenvoudig gedupeerd wordt. Het is echter mogelijk, meent Sternberg, om het verhaal zo te lezen, dat Uria wéét wat David gedaan heeft, en in zijn koppige afwijzing van het aanbod van David om naar huis te gaan en zich bij zijn vrouw te ruste te leggen, een aanklacht tegen de koning neerlegt. "Oeria zegt tot David: de ark en Israël en Juda zitten nu in hutten, mijn heer Joab en de dienaars van mijn heer zijn gelegerd op het aanschijn van het open veld, zal ik dan binnenkomen in mijn huis om te eten en te drinken en neer te liggen bij mijn vrouw? (..)" Dat is echter precies wat David gedaan heeft, terwijl Uria voor David op het open veld gelegerd was. Zet de lezer deze stap, dan wordt de volgende vraag echter: wat vermoedt David dat Uria denkt? Doodt David Uria misschien omdat hij bang is dat Uria weet hoe de zaak ligt? Een derde mogelijkheid is dat David, net als de lezer, niet weet wat er in Uria's hoofd omgaat.216

Zo vormen zich verschillende concurrerende netwerken, betoogt Sternberg, die beiden even plausibel zijn. Zaak is nu die netwerken niet tegen elkaar uit te spelen, maar naast elkaar te laten bestaan. Ze bieden de schrijver de mogelijkheid om volgorde en causaliteit te baseren op de spanning tussen de verschillende mogelijkheid. Elke lezing kan dienen om de ander uit te balanceren en te ironiseren. Het werk krijgt hierdoor diepgang en rijkdom.217

7. Sternberg stelt dat teksten een minimum aan waarheid en een geïmpliceerd maximum aan waarheid bevatten. Het minimum aan waarheid is wat hij noemt de "foolproof composition": het lineaire verhaal, begrijpelijk voor de meest a-literaire lezer. In het geval van het verhaal over David en Uria is hoe dan ook duidelijk dat David iets kwaads heeft gedaan. Dit komt, zegt Sternberg, doordat elke onoplosbare ambiguïteit tijdens de afwikkeling van het verhaal David verder in diskrediet brengt. Dit brengt hem tot de volgende vuistregel: hoe minder verenigbaar de concurrerende hypothesen zijn in termen van plot, des te sterker is hun samengaan in termen van oordeel. Dankzij dit principe zal zelfs de lezer die de dubbelzinnigheid in de tekst geheel mist nog altijd de morele les oppikken. Ten aanzien van Gen. 22:1-19 zou dit betekenen dat de morele les – wáár geloof bestaat uit onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan wat God vraagt – de lezer evident wordt, ook als deze de dubbelzinnigheden mist.218

8. Maar wat brengt de geïmpliceerde lezer nu van deze minimale waarheid tot de gehele waarheid van de tekst?, zo vraagt Sternberg zich af. Om dat verschil te overbruggen, dienen we tijdens het lezen gevolgtrekkingen te maken, en om dit te doen moeten we eerst weten wat de correcte objecten van en voorwaarden voor die gevolgtrekkingen zijn, aldus Sternberg.

Sternberg geeft op dit punt een definitie van een lacune. Een lacune is een gebrek aan informatie over de wereld – een gebeurtenis, motief, causaal verband, karaktertrek, plotstructuur, waarschijnlijkheidsprincipe – bewerkt door een temporele misplaatsing: wat op zeker punt in de loop van de fabula plaats heeft gevonden kan op een eerder of later punt verhaald worden, of in 't geheel niet. Zo wordt Absalom's dood voorzegd, lang vóór de strijd, maar de omstandigheden bewaard voor het moment zelf (2 Sam. 17:14); wat plaats heeft gehad in de slaapkamer van de twee prostituees die hun geding voor de koning brengen, wordt bewaard tot het moment dat de zaak wordt voorgeleid; en of Uria wist wat was voorgevallen tussen de koning en zijn vrouw blijft geheim. Vooruitblikkende, achteruitblikkende en onoplosbare lacunes hebben ten minste één structurele eigenschap gemeen: ze zijn allen het gevolg van een verwringen van de chronologie waardoor de volgorde van presentatie niet langer samenvalt met de volgorde van gebeurtenissen. Het invullen bestaat eruit de continuïteit (en causale verbanden) te recon-strueren, welk de verteller bewust heeft gemanipuleerd. Zolang de schrijver de breuken niet zelf gesloten heeft met zijn gezag als alwetende verteller blijven al onze pogingen tot herstel van de continuïteit ambigue en verschillende hypotheses geldig.219

9. Lacunes in de tekst kunnen tijdelijk zijn of permanent. In geval van een tijdelijke lacune, wordt informatie die eerder ontbrak op een later tijdstip door de verteller gegeven. Sternberg geeft het voorbeeld van Simson die een liefje vindt bij de Filistijnen. De ouders klagen erover. Aan het eind van de scène blijkt echter dat "het van de Heer was, want Hij zocht een gelegenheid tegen de Filistijnen." (Ri. 4) Een voorbeeld waarbij de lacune niet wordt ingevuld ziet Sternberg in het verhaal van de Leviet wiens bijvrouw wordt verkracht te Gibea (Ri. 19:25-30). Het verhaal vertelt hoe de man tot zijn vrouw zegt op te staan, hoe er geen antwoord kwam, haar mee naar huis neemt, in stukken snijdt en deze naar alle stammen in Israël zendt. Het verhaal zegt echter niet expliciet dat ze reeds dood is wanneer de Leviet haar lichaam stuk hakt. Misschien was ze al gestorven, misschien slechts bewusteloos en heeft de Leviet haar gedood. Het verhaal laat deze lacune open. Beide hypotheses blijven staan en, zegt Sternberg: beide onderstrepen het motto van de verteller: "In die dagen was er geen koning in Israël; iedere man deed wat goed was in eigen ogen."

10. Nu is het niet zo, meent Sternberg, dat een lacune van het eerste type die ambiguïteit niet zou kunnen hebben. Tot het moment dat de externe verteller met zijn gezag als alwetende verteller de lacune definitief invult voor de lezer, is de ambiguïteit daar. Het verschil tussen de twee typen komt vooral naar voren wanneer men terugkijkt op het verhaal. Wanneer de lacune niet ingevuld wordt, doet dit de vraag rijzen waarom de verteller ervoor heeft gekozen deze informatie nergens in de chronologie op te nemen. Het voor de hand liggende antwoord op die vraag luidt dat de informatie onbelangrijk is voor de plot. Vandaar de noodzaak tot aanvullende ondersteuning dat het hier om een lacune gaat die werkelijk bijdraagt aan het drama, en niet om het ontbreken van irrelevantie informatie. Sternberg bespreekt twee aanwijzingen die lacunes zichtbaar maken: 220

11. Vragen in de directe rede: soms kan een lacune opgeroepen worden door een vraag van een personage. De ouders van Simson vragen "Is er geen vrouw onder de dochters van je stamgenoten, of al onze volksgenoten?" David vraagt aan Uria: "Waarom ben je niet afgedaald naar je huis?" Jakob vraagt aan zijn nachtelijke belager: "Zeg me je naam!" Soms weet de lezer meer dan de personages, soms weet hij evenveel, en soms minder.

Voor deze studie is dat inzicht van belang: ook Izaäks vraag aan zijn vader zet onmiddellijk de contradictie van de gang van zaken scherp neer. Er is een offergang, maar er is geen offerdier. Door de elementen vuur en hout te noemen, krijgt de vraag een concretisering.
7.3.3 Contradicties
12. Tegenstellingen tegenover elkaar gesteld: Lacunes, zegt Sternberg, brengen bij de lezer een gevoel van disharmonie tot stand. Ze brengen de ontbrekende schakel, de merkwaardigheid van het gedrag of de inconsistentie van het verhaal naar voren. Jakob vraagt Laban om zijn vrouw, maar die brengt zijn dochter Lea. Deze tegenstelling roept de vraag op waarom Jakob tot haar ingaat, een vraag die beantwoord wordt, wanneer de verteller het ochtend laat worden: "En zie, het was Lea!" Kaïn doodt Abel maar zegt niet te weten waar deze verblijft. Deze tegenstelling vraagt om uitleg, en de lezer verschaft die zelf door Kaïn een motief toe te schrijven: angst voor straf en de hoop tot het verbergen van zijn daad. Tegenstellingen brengen de lezer ertoe zelf de afstand in taal en logica te overbruggen. De lezer doet dit door een bemiddelend verband aan te nemen. Op dit punt spelen variaties in perspectief hun rol. Wie zegt/denkt/ziet dit. Sommige discrepanties worden door de perspectivische variaties verscherpt, andere gematigd. Bovendien vormen de variaties een validatie van realiteit van de lacunes in de tekst, door lijnen te impliceren waarlangs invulling van de lacunes kan plaatsvinden. Kort samengevat: wie zegt wat tegen wie, en waar wijkt het af van de weergave door een ander karakter – hetgeen ook de externe verteller kan zijn. Niet iedere visie of waardering weegt even zwaar. Om maar wat te noemen: door hun bovenmenselijk gezag overstemt het spreken van God en van de verteller menselijke oppositie. Lezers zijn geneigd tegenstellingen te overbruggen via de veronderstelling van een verschil in mate van kennis of betrouwbaarheid. Zo’n verklaring van een lacune weet zelfs de wijdste breuken te overbruggen. Jakob kan als onwetende echtgenoot in zijn handelen gerust afwijken van wat de verteller ziet, nl. Lea, evenals Kaïn in wat hij aan JHWH wil mededelen gerust kan afwijken van wat de verteller ons over hem heeft medegedeeld.221

Vanuit dit gezichtspunt kan het feit dat Abraham in wat zijn knapen en zijn zoon meedeelt over de aard en het doel van de reis (Gen. 22:5, 8) afwijkt van datgene wat God hem verteld heeft, literair goed verklaard worden. Het veroorzaakt een discrepantie, die de lezer probeert te overbruggen door ofwel te veronderstellen dat Abraham liegt, ofwel dat hij daadwerkelijk hoopt of gelovend weet, dat de reis zal aflopen zoals hij zegt. Het verhaal opent een lacune, voor welke de lezer in het verhaal invulling zoekt.

13. Anders wordt het, wanneer de externe verteller inconsistent is in zijn weergave van de gebeurtenissen, – al zouden we volgens Sternberg wat de externe verteller ons als lezers meedeelt, best met een korrel zout kunnen nemen. Wat de verteller verhaalt heeft echter vrij automatisch de status van feitelijke standen van zaken, zodat inconsistentie onverdraaglijk is. De lezer, zegt Sternberg, zoekt de oplossing hiervoor gewoonlijk niet door onwetendheid of onbetrouwbaarheid toe te schrijven aan de verteller, maar door hypotheses te ontwikkelen over wat er omgaat in het hoofd van een personage, God meegerekend. Een herhaling van eerdere gegevens die afwijkt, wordt zo tot een signaal van een verschuiving in behandeling, bijvoorbeeld van een cursorisch tot een volledige weergave, of een verschuiving in gezichtspunt, van een objectieve weergave naar een subjectieve. Wanneer de lacune eenmaal gesubjectiveerd is en verplaatst naar het bewustzijn van een personage, wordt de invulling nog slechts een probleem van het kiezen uit de mogelijke motivaties van het personage: verblinding, angst, ironie, nijd, oneerlijkheid, het redden van het eigen gezicht, dichterlijke vrijheid, conditionering, verandering van gedachte of houding, enzovoorts. De keuze hoeft niet eens eenduidig te zijn, meent Sternberg. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het verhaal van Uria. “The heart of biblical man is intricate enough to accommodate the most diverse sentiments and the most conflicting motives.”222

Ook hier zijn Sternbergs overwegingen toepasbaar op de vertelling van Gen. 22:1-19. Er ligt namelijk op narratief niveau een spanning tussen Gods opdracht aan Abraham in vs. 2 en het weerhouden van het vervullen van de opdracht in vs. 11. Gods opdracht in vs. 2 was: “Ga (..) en doe je zoon opstijgen als opgangoffer.” De boodschap van de engel in vs. 11 houdt het intrekken van die opdracht in: “Strek je hand niet uit naar de knaap, en doe hem in het geheel niets.” Dit is niet slechts een inconsistentie op het niveau van het personage van God, aangezien de plot van het verhaal zo is opgezet, dat de ontknoping een vervulling van de opdracht vergt. De nadere motivering door de engel verschaft de lezer direct de mogelijkheid om de discrepantie te overbruggen door een lacune te scheppen die ingevuld kan worden: “want nu weet ik dat je God vreest, omdat jij jouw zoon, je enige, niet aan mij hebt onthouden.” De verteller geeft hier de elementen die de lezer in staat stellen te bepalen welke overweging van Gods kant de aard (vs. 1) en inhoud van de opdracht (vs. 2) met elkaar verbindt. De verteller had die overweging tot dan toe voor de lezer verborgen gehouden.223 Alleen terugkijkend is de lezer in staat deze lacune te sluiten. De lezer trekt aldus de gevolgtrekking dat het er kennelijk niet om te doen was dat Izaäk werkelijk geslacht en geofferd zou worden, maar dat de opdracht aan het begin van het verhaal slechts een middel om te zien of Abraham “God vreesde”.

Deze opzet sorteert het volgende effect: in de chronologie van de gebeurtenissen roept de vertelling van vs. 1-2 tot aan vs. 11 de vraag op: waarom zet God een proef op die eruit bestaat dat Abraham zijn zoon aan hem opoffert? Met vs. 11 wordt de benieuwdheid naar het antwoord op die vraag bevredigd: het ging er blijkbaar om te weten te komen of Abraham God vreesde. Nu JHWH dat weet, is de uitvoering van de opdracht niet meer nodig. De inconsistentie tussen Gods opdracht en de latere negatie daarvan, en de daarmee verbonden inconsistentie in het plot, wordt daarmee verholpen. God wist al die tijd al dat Izaäk in leven zou blijven, ongeacht de uitkomst van de proef.

Uit deze ontdekking ontspringen echter onmiddellijk nieuwe literaire vragen, zoals: vanwaar de behoefte bij JHWH erachter te komen dat Abraham God vreest? De lezer wordt hierdoor gedwongen terug te gaan naar de Abrahamcyclus om op deze vraag het antwoord te vinden. Een tweede vraag die de ontdekking van Gods vooropgezette plan oproept is of Abraham er soms al die tijd weet van had dat het maar een proef was, dat hij in vs. 5 en vs. 8 een gunstiger uitkomst voorspiegelde dan de eerdere opdracht aan zijn adres rechtvaardigde? Deze mogelijkheid stuit echter op de tegenvraag waar Abraham die kennis dan vandaan zou kunnen hebben. Dit heeft tot effect dat de lezer gedwongen is heen en weer te pendelen tussen de verwondering over Abrahams voorziende blik en de onmogelijkheid van cognitieve zekerheid over de afloop. Het brengt de lezer zodoende terug bij zijn eerdere overwegingen over wat er omgaat in Abrahams hoofd, en versterkt de ambiguïteit. Deze lacune wordt door de verteller niet voor de lezer ingevuld, waardoor het antwoord open blijft.

Enkele details zijn hier het vermelden waard: door Abraham de ram te laten offeren, na de intrekking van de opdracht, bewerkt de vertelling dat de lezer beiden in causaal verband brengt. Blijkbaar is de ram een vervangingsoffer. Het neemt eventuele gevoelens van een anticlimax weg, doordat er toch iets geofferd wordt na de reis van drie dagen. Ook dat Abrahaham een doxologie laat klinken vraagt om een verklaring, die de lezer zichzelf verschaft door de doxologie in verband te brengen met de ram in eerste instantie (“de Heer zal voorzien”) en de redding van de jongen in tweede instantie (“de Heer ziet om”). Beide verklaringen vragen om voorrang, en beide worden met elkaar verenigd in een terugblik op Abrahams antwoord op de vraag van zijn zoon in vs. 8. Het blijkt nu dat Abraham waarheid uitsprak toen hij zijn zoon te kennen gaf dat God zelf in een offerdier zou voorzien, hetgeen de loochening was van het op dat moment veronderstelde gegeven dat Izaäk het slachtoffer zou zijn.

14. Incongruenties bedreigen de coherentie van het verhaal, zegt Sternberg, en de lezer poogt uit alle macht het verhaal bijeen te houden door de gaten die door inconsistenties vallen, in te vullen. De mate waarin die inconsistenties een rol spelen hangt af van de mate waarin ze invloed hebben op de plot, en de mate waarin de lezer daarvan bewust wordt gemaakt. Hoe essentiëler voor de (on)begrijpelijkheid van de plot een lacune is, hoe centraler. De lacunes die door het plot naar voren worden geschoven werpen hun schaduwen op het scherm van de psyches van de personages. We hebben zo even gezien dat dit in Gen. 22:19 inderdaad het geval is, en dat de inconsistenties in Abrahams gedrag, in Gods gedrag en in de plot de lezer ertoe brengen hypothesen te construeren over wat in hun hoofd omgaat.

Wanneer de bijbelschrijvers de aandacht op een inconsistentie wil vestigen, en de inherente ergernis hierover wil wekken, doen zij dat veelal door vertraagde onthulling, scenische weergave en nagalm, en tegenstelling door tegenoverstelling. Al deze middelen bewerkstelligen op hun eigen wijze dat een vaag en klein ongemakkelijk gevoel wordt tot een vraag die aandoet als een splinter in het brein.

Niet alleen vragen rondom de begrijpelijkheid van de plot zetten de lezer echter tot actie aan: een lacune kan zich ook bij de lezer aandringen door de implicaties voor het thema en het oordeel over de gebeurtenissen. Zo maakt het uit of David Uria bij zich roept om te bekennen, of om plannen in gang te zetten om Uria te doden.

Verder stijgt een lacune in belang door herhaling van de inconsistentie op verschillende momenten van de vertelling. Sternberg noemt hier als voorbeeld de onvruchtbaarheid van Sara, die de belofte van nakomelingschap aan Abraham op spanning zet. Die onvruchtbaarheid, zegt Sternberg, keert keer op keer terug, zodat dit een dominant thema wordt in de cyclus, wijzend op de contradictie tussen Gods belofte en Abrahams nood (Gen. 15:3).

Aan de ene kant, concludeert, Sternberg, bedreigen inconsistenties dus de coherentie van de vertelling; aan de andere kant brengt ze de lezer ertoe de grens van het geschrevene te overstijgen en zo een maximaal begrijpelijke tekst te verkrijgen.


7.3.4 Normen
15. Inconsistentie, zegt Sternberg, bestaat bij de gratie van de overtreding van normen. Zo overschrijdt Simson een ongeschreven norm wanneer hij een meisje buiten de eigen volksgenoten trouwt. De vraag van de ouders maakt die norm expliciet. Zo heeft een tekst tal van normen, die allen vallen onder de algemene norm of voorwaarde van coherentie: de werkelijkheid zoals beschreven in de tekst en de personages daarin kunnen niet voortdurend veranderen, zonder dat de tekst onbegrijpelijk wordt. Coherentie is onlosmakelijk verbonden met normen. Sternberg bespreekt enkele normen waarvan de overtreding dient om het zelf invullen van informatie te bewerkstelligen in de bijbelse verhaalkunst. Al deze normen, zegt Sternberg, zijn verbonden met een wetmatigheid bij het lezen: een breuk met culturele overtuigingen leidt altijd tot een informatieve lacune, waarvan de sluiting de norm die doorbroken wordt ofwel herstelt, ofwel vervangt.

16. Nu zijn alle normen cultureel, maar dat wil volgens Sternberg niet zeggen dat alle normen even belangrijk zijn. In het Oude Testament is de epistemische norm die goddelijke kennis tegenover menselijke kennis stelt de meest bindende en zijn overtreding, zodoende het meest verontrustend. Waarom begint de Alwetende bepaalde gesprekken met een uiting van onwetendheid, en erger nog, over zaken waarover wij zelfs zijn ingelicht, zoals de vraag waar Abel is? Wat onze verklaring als lezers ook is, deze volgt altijd dezelfde route. Het begint met het opmerken van een lacune in Gods gedrag tegen de achtergrond van de bovennatuurlijke norm en eindigt met een oplossing vanuit een verklaring die deze norm in stand houdt: God beoogt de zondaar in de val te laten lopen, een bekentenis uit te lokken, of eenvoudig het gesprek te beginnen. Om de lacune in te vullen wijst de lezer een bepaald motief toe aan Gods presentatie van een retorische vraag als een informatiezoekende vraag.

Sternberg laat echter de grenzen buiten beschouwing waarop deze norm stuit. Zo is het in Gen. 22:1-19 voor de logica van het verhaal wel van belang dat God al van tevoren wist dat er een ram op de berg zou zijn, maar evenzeer van belang dat God geen werkelijke kennis heeft van wat in Abrahams hart omgaat. Zou God dat wel weten, dan wordt de hele onderneming overbodig. Blijkbaar strekt de voorstelling van alwetendheid zich niet uit tot wat zich in het hart van mensen voordoet, tenminste niet in Gen. 22:1-19. Maar ook Gen. 18:19, waar JHWH meedeelt dat hij naar Sodom en Gomorra zal gaan om te zien of de klachten over de stad waar zijn, is goed leesbaar als authentieke uiting van onwetendheid. Men dient er dus voor te waken al te haastig een norm van goddelijke alwetendheid te veronderstellen en verklaringen te zoeken voor Gods onwetendheid. Elk individueel verhaal zelf moet die alwetendheid dragen.

Ook voor mensen onderling werkt de tekst met epistemische grenzen. We hebben daar al kennis mee gemaakt: hoe zou Abraham kunnen weten wat volgt? Het is hem immers niet verteld? De invulling is dan respectievelijk: door zijn rotsvaste geloof in de belofte, met de moed der wanhoop, of: hij wist het niet en zei maar wat. Het verhaal laat de ambiguïteit hieromtrent bestaan. Een gemakkelijker in te vullen lacune die door overtreding van de epistemische norm ontstaat is hoe Abraham, eenmaal aangekomen bij de plaats, wist welke plaats de beoogde offerlocatie was. Het wordt aan de lezer overgelaten het verband te leggen met “een van de bergen, die ik je wijzen zal” in vs. 2, en te concluderen: blijkbaar ontving Abraham op een of andere wijze een wenk van Godswege, dat het deze plaats moest zijn.

17. Sternberg bespreekt vervolgens hoe het doorbreken van een verscheidenheid aan morele en sociale normen lacunes oplevert. Wat de precieze schending is die Simson begaat door bij de Filistijnen te zoeken naar een vrouw, zijn overtreding is ernstig genoeg om de lezer, samen met Simsons ouders, tegen zich in het harnas te jagen en te verontrusten. Vergelijkbaar is Amnon’s verkrachting van Tamar, en het weerwoord van het meisje maakt dat de lezer zelf invulling geeft aan de grootte van Amnons begeerte en aan zijn karakter. Zulke normen, meent Sternberg, zijn sterk genoeg om ook impliciet nog aanwezig te zijn: hoe durft Salomo Joab neer te slaan terwijl deze de hoorns van het altaar vastheeft (1 Kon. 2:28-34); hoe durft Uria de koning zo respectloos aan te spreken (2 Sam. 11:11)? Hoe is het mogelijk dat een reiziger geen gastvrijheid vindt in de straten van Gibea, tenzij, zoals de verteller later bevestigd, de mensen daar, “lieden van laag allooi” zijn (Ri. 19:22)?

Betrokken op Gen. 22:1-19 doet dit afvragen of hier niet een dergelijke kwestie speelt. Zeker wanneer we Gen. 22:1-19 lezen tegen de godsdiensthistorische achtergrond van de polemiek tegen de Molechcultus (zie 5.4.3 – 5.4.5), is de vraag of vs. 2 niet bedoeld is een schok bij de lezer teweeg te brengen, en hem ertoe te bewegen zich af te vragen hoe de God van Abraham zoiets kan doen. De norm is immers dat dit juist het tegenovergestelde is van waar de God van Israël voor staat. De lezer blijft achter met de vraag of God werkelijk zo is, en hoe dat dan kan tot de norm wordt hersteld met de intrekking van de opdracht door de engel van JHWH. Ook de opmerking van Breukelman (zie 6.4.8) dat God zich in vs. 1-10 voordoet als een Molokh,224 en de suggestie van Michel (zie 5.4.7) dat er in het gebruik van worden als “Elohim” en “Malak” toespelingen worden gemaakt op de Molech,225 kunnen in dit licht geplaatst worden.

Vaak ook, zegt, Sternberg, bergt de vertelling de verzekering in zich dat de lezer de overtreding van de norm ziet door een handeling tegenover de overtreding te stellen. Zo wordt het gebruik van asiel in het heiligdom gedramatiseerd door de weifelende houding van de beul om Joab neer te slaan bij het altaar, het gebruik van gastvrijheid onderstreept door de weigering van de reiziger om de nacht door te brengen in een niet-Israëlitisch dorp, en door een direct causaal verband, de wandaad van de verkrachting in de erop volgende vergeldingsactie. Hoe sterker de culturele norm, des te sneller en krachtiger zal de reactie van de verteller gewoonlijk klinken.

In Gen. 22:1-19 zou men een bevestiging van de norm kunnen zien in de reactie van de engel en de verschaffing van een vervangend offer. Nu is moeilijk ondubbelzinnig vast te stellen of dit inderdaad het geval is, aangezien deze ‘tegenstelling in juxtapositie’ zoals Sternberg het uitdrukt, geheel verweven is met de plot. Vestigt het verhaal een norm, of veronderstelt het een norm?

18. De Bijbel heeft volgens Sternberg ook een psychologisch systeem van normen. Waar Sternberg culturele normen op het meso-niveau van de Israëlitische cultuur plaatst, betrekt hij de psychologische normen van de bijbel op het universele en het individuele. We vinden in het Oude Testament uitspraken als “de overwegingen van de mens zijn kwaad van de eerste af” (Gen. 8:21) tot “het rijden is als het rijden van van Jehu, de zoon van Nimsi, want hij rijdt als een gek” (2 Kon. 9:20). Nergens worden types – oude mensen, provincialen, bankiers, criminelen – als zodanig besproken en gegeneraliseerd. Elk bijbels karakter is volgens Sternberg uniek op zich, een eenmalige combinatie van universele en idiosyncratische karaktertrekken. Hun gedrag kan – afgezien van enkele schurken – dus niet worden afgeleid van een psychologisch of moreel karaktertype.

De logica van het ontstaan en het vullen van lacunes speelt zich volgens Sternberg af rond deze twee polen, het universele en het individuele. Soms ontstaan lacunes op het vlak van het universele en worden ze ook opgelost op het vlak van het universele, soms ontstaan ze op het vlak van het individuele en worden ze ook op dat vlak opgelost, veel vaker, meent Sternberg, bevindt de breuk zich op het ene vlak en bevindt de oplossing zich op het andere vlak.

Voorbeelden van lacunes die zowel ontstaan op als invulling ontvangen op het universele vlak zijn Israëls pendelen tussen geloof en twijfel, vertrouwen en angst, dankbaarheid en ondankbaarheid, herstel en terugval, dat Sternberg verklaart vanuit het bijbelse beeld van de mens als staande onder de voortdurende verleiding van de zonde waar de mens mee worstelt (Gen. 4:7). Ook persoonlijk falen kan men aldus verklaren: David valt geheel tegen zijn karakter in ten prooi aan lust en moord en hervindt zichzelf. Manoah en zijn vrouw komen van scepsis tot ontzag wanneer de bezoeker opstijgt op de vlammen van het altaar (Ri. 13:19-22)

Voorbeelden van lacunes die zowel ontstaan op als invulling ontvangen op het individuele vlak zijn Davids uitnodiging aan het adres van Mefiboset om de maaltijden bij hem te komen nuttigen in het licht van Davids weerzin voor de lammen en de blinden (2 Sam. 5:6-8). De oplossing ziet Sternberg in Davids kunst om nobele motieven strategische doelen te laten dienen: op deze manier kan David de nagedachtenis van Jonathan eren en een potentiële usurpator in de gaten houden.

Een voorbeeld van een lacune die ontstaat op het universele niveau maar op het individuele niveau invulling krijgt, ziet Sternberg in Abrahams bereidwilligheid zijn zoon te offeren. Wat op het universele niveau ongeloofwaardig lijkt, vanwege ouderliefde, wordt begrijpbaar vanuit een karaktertrek die specifiek is aan Abraham vanaf zijn eerste verschijning: heroïsch geloof, gehoorzaamheid.

Andersom kan gedrag dat onbegrijpelijk lijkt op het individuele niveau ineens begrijpelijk worden op het universele: de lezer zou het vreemd vinden dat Obadja, die “de HEER zeer vreesde” weigert Elija’s boodschap aan Achab over te brengen indien hij Obadja’s gedrag niet kon verklaren met de overweging dat deze nog meer vreest voor zijn leven (1 Kon. 18:1-14).

Net zoals de beweging van de universele validatie van de lacune naar de individuele sluiting ervan Abrahams overstijging van de menselijke norm naar voren brengt, zo suggereert ook de tegenovergestelde beweging Objadja’s lafheid. Beiden worden aan een lakmoesproef onderworpen, en beiden laten hun ware aard zien.

19. De laatste norm die Sternberg bespreekt liggen niet op het vlak van de wereld van het verhaal maar op de talige werkelijkheid die de lezer tegenkomt als hij een tekst ter hand neemt. Dit zou interessant kunnen zijn omdat er een breuk ligt tussen het gebruik van “Elohim” in vs. 1-10 en “de engel van JHWH” in vs. 11-16 ter aanduiding van de actor. De vraag is of dit kan gelden ter validatie van een lacune.

Duidelijk is wel dat “gap-theory” een aantal verschijnselen verklaart waar zowel Von Rad als Michel opmerkzaam op maken.

7.4 Jan Fokkelman – formalisatie via motieven en structuren
7.4.1 Inleiding
1. Jan Fokkelman mag in een literaire studie niet ontbreken. Hij is een vooraanstaand wetenschapper op het terrein van de literaire benadering. Fokkelman zet die literaire benadering, net als Bal, structuralistisch in. Fokkelman werkt, net als Bal, intensief met de structurerende verhaalcomponenten, zoals tijd en ruimte226, de held van het verhaal, zijn opdracht en de plot die dat constitueert.227 Nu concentreert Fokkelman zich i.t.t. Bal op een specifieke literatuurcanon, hetgeen bepaalde bijzonderheden met zich meebrengt, zoals het bestaan van afgeronde verhaaleenheden binnen cycli.228 Waar Fokkelman zich echter inhoudelijk onderscheid van Bal is dat hij zich bijzonder bezighoudt met structurerende motieven aan de oppervlakte van de tekst, zoals motiefwoorden, maar ook getallen.

2. Een voorbeeld hiervan geeft Fokkelman met Ri. 7:9-11





9b

Sta op daal af naar de legerplaats.

c

Want ik heb die in je hand gegeven

10a

Als je bang bent af te dalen

b

Daal dan samen met je knecht Pura af naar de legerplaats

11a

Je zult horen waarover zij praten

b

En daarna zullen je handen gesterkt zijn

c

En zul je afdalen naar de legerplaats.
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   21

  • 7.3 Meïr Sternberg – Gap theory 7.3.1 Inleiding
  • 7.3.2 Lacunes
  • 7.3.3 Contradicties
  • 7.3.4 Normen
  • 7.4 Jan Fokkelman – formalisatie via motieven en structuren 7.4.1 Inleiding

  • Dovnload 1.04 Mb.