Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ambiguïteit in God binnen de

Dovnload 1.04 Mb.

Ambiguïteit in God binnen de



Pagina18/21
Datum28.10.2017
Grootte1.04 Mb.

Dovnload 1.04 Mb.
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   21

Door motiefwoorden op strategische locaties te zetten, zegt Fokkelman, onstaat een patroon, een dubbele ring, waar in het centrum vs. 10a-11a staat. Dit is een signaal dat dit het belangrijkste is.Gideon moet afdalen naar de legerplaats, als hij bang is, want daar zal hij te horen krijgen dat de vijandelijke soldaten bang zijn vanwege een droom, en dat geeft hem de moed te overwinnen.229

3. Niet alleen woorden, maar hele zinnen en alinea’s in de verhalende gedeelten van het Oude Testament zijn volgens Fokkelman aldus gegroepeerd in patronen, soms evenwijdig (ABC//ABC), soms concentrisch (ABC-CBA) en soms met een op zichzelf staand lid in het centrum (ABCXCBA). Zo’n verband is volgens Fokkelman geldig als er sprake is van aantoonbare relaties en de structuur leidt tot een beter begrip van de tekst. Deze relaties kunnen worden gevormd door een overeenkomst, een contrast of een mengvorm van beide.230

Een voorbeeld geeft Fokkelman in de drie ontmoetingen die David heeft op de heenweg en terugweg van zijn vlucht uit Jeruzalem (1 Sam. 15:32-16:13;19:17-40). De laatste ontmoeting heen en de eerste terug is die met Simi, die David vervloekt wanneer deze verloren lijkt te hebben en om genade smeekt als David de greep op de troon heeft hersteld. De tweede ontmoeting op de heen- en terugweg is die met Siba, de verzorger van Mefiboset (heen) en met Mefiboset (terug). Siba helpt David met mondvoorraad, maar beschuldigt Mefiboset van verraad. David heeft pas gelegenheid dat te onderzoeken bij zijn terugkomt. Het blijkt niet waar en hij schippert tussen het belonen van Siba voor diens hulp, en het invullen van zijn eed aan Mefiboseth’s vader, Jonathan. De eerste ontmoeting heen en de laatste terug is die van David met Chusai en Barzillai. De namen lijken al op elkaar, zegt Fokkelman; hun beweging is precies tegenovergesteld: Chusai wil blijven maar wordt naar het Oosten gestuurd, Barzillai wordt uitgenodigd te blijven maar vertrekt zelf naar het Oosten, en in beide gevallen is er sprake van de zinsnede tot last zijn (1 Sam. 15:33v.; 19:34).231

4. Fokkelman ziet zulke structurering niet alleen in woorden, maar ook in getallen, hetzij expliciet genoemd, hetzij onuitgesproken aanwezig in de tekst. Hieronder is Fokkelmans uitwerking van zo’n getallenstructuur specifiek voor Gen. 22:1-19 weergegeven.
7.4.2 Genesis 22:1-19
5. Fokkelmans structuuranalyse van Gen. 22:1-19 is in een reactie op een exegese van hetzelfde gedeelte door Francis Landy. Diens uitvoerige analyse van slechts 306 woorden Hebreeuwse tekst illustreert volgens Fokkelman de potentie van dit bijbelgedeelte. Deze gaat daarbij uit van de veronderstelling dat de aandachtige interpretatie door de lezer deel uitmaakt van de levende tekst. Hij ziet Landy’s interpretatie als de superstructuur van de substructuur die de tekst biedt. Fokkelman probeert in zijn essay te verklaren hoe de verteller erin slaagt controle te houden over een vertelling , waarin zoveel wordt opgeroepen met zo weinig tekst.

6. Die tekst bestaat volgens Fokkelman uit een harmonieus systeem van evenwicht en parallellismen. Hij geeft vier aspecten van de vertelling weer, waarin dit te ontdekken valt: 1. De verhouding tussen gesproken woord en gebeuren; 2. woordaantallen; 3. getallen in de tekst; 4. de tekst als binair/tertiair weefsel.232


7.4.3 Gesproken woord en gebeuren. Het gesproken woord als motor van het verhaal.
7. Fokkelman laat zien dat de vertelling een regelmatige afwisseling vertoont tussen verhaalde gebeurtenissen en het gesproken woord. Hij geeft het onderstaande schema:

Gesproken woord
Gebeuren







[A

koptitel ‘beproeving’ v. 1ab]233

B

opdracht: offeren (v. 1c-2b)

C

reis (v. 3-4)

D

instructie aan knechten (v. 5)

E

ingrediënten, klimtocht (v.6)

F

gesprek vader en zoon (v. 7-8)

G

aankomst, altaar, etc. (v. 9-10)

H

opdracht: dood je zoon niet (v. 11-12)

I

vervangend offer (v. 13)

J

naamgeving (v. 14)







K

zegen (v. 15-18)

L

terugkeer (v. 19)

De elementen nu, die het verhaal werkelijk bepalen en voortdrijven, bevinden zich volgens Fokkelman in de serie van gesproken woorden. De tekst van de verteller is daarentegen is weinig méér dan een opsomming van de gebeurtenissen. Zo ontketent het gesproken woord van Gods opdracht in vs. 1-2 de dramatische ontwikkelingen. Het drama wordt geïntensiveerd door het gesproken woord van Abraham aan zijn knechten en later aan Izaäk (vs. 5, 8). Abrahams woorden bergen zowel hoop, bedrog, een gok, vertrouwen, wanhoop en verbijstering in zich. Dit brengt de lezer ertoe de betekenis zelf in te vullen. Het gesproken woord van de engel van JHWH (vs. 11) brengt de ontknoping.

8. Daarmee is spanningsboog rond. Deze loopt van de opdracht in B naar de tegenopdracht in H, die elkaars negatieve pendant zijn. De spanning die deze tegenstelling oproept, vindt zijn neutralisering in het vervangend offer (I). Als twee andere paren in de gesproken tekst die elkaar in evenwicht houden noemt Fokkelman de naamgeving van de berg (J) die terugverwijst naar Abrahams voorzegging aan Izaäk dat JHWH zal voorzien (F); en de zegenspreuk door de engel van JHWH in vs. 16-18 (K), die volgens Fokkelman aansluit bij het eerdere ingrijpen van de engel (H).

De afwisseling van gesproken woord en gebeurtenissen verdeelt de tekst in drie delen, aldus Fokkelman, met de heenreis naar (C) en aankomst op de offerplaats (G) als
afbakeningen.234

9. Volgens Fokkelman valt vs. 1ab buiten de weergave van de gebeurtenissen. Dit zou blijken uit het gegeven dat hS'nI ~yhil{a/h' geen deel uitmaakt van de keten van wyqtl-vormen in de rest van het gedeelte. Vs. 1ab functioneert dan als koptitel die het erop volgende als “beproeving” duidt. Aldus wordt de lezer voorbereid op wat komen gaat: de opdracht is ‘maar’ een proef. God zal het niet zover laten komen dat Abraham zijn zoon werkelijk moet slachten. Dit voorkomt dat de spanning ondraaglijk zou worden. Het verhindert de lezer ook zich geheel met Abraham te identificeren, en verdeelt zijn aandacht volgens Fokkelman op twee niveaus: dat van de alwetende die neerziet op de ploeterende mensen, en dat van de vader die in het duister tast. De aandacht van de lezer wordt van meet af aan verdeeld, en daardoor ook verdubbeld.235



7.4.4 Woordaantallen als structurering en expliciete getallen in de tekst.
10. Fokkelman laat zien hoe de vertelling ook balans schept via woordaantallen. Fokkelman neemt de woordaantallen tellen, ontdekken we volgens Fokkelman een hoge mate van kwantitatieve regelmatigheid. Vs. 1-2 (37); vs. 3-4 (35); vs. 5-6 (35); vs. 7-8 (28); vs. 9-10 (35) ; vs. 11-12 (35) ; vs. 13-14 (33) ; vs. 15-18 (54); vs. 19 (14). Fokkelman wijst op de opvallende viervoudige terugkeer van het getal 35, omspannen door twee getallen die samen op de som van 70 uitkomen, namelijk 37 en 33. Vs. 15-19 heeft bijna net zoveel woorden: 54 + 14 = 68. Het kritieke punt lijkt zo ook met woordaantallen gemarkeerd: vs. 1-18 = 135 woorden / vs. 9-10 = 35 woorden / vs. 11-19 = 136 woorden.

11. Dat de tekst getalgevoelig is blijkt volgens Fokkelman ook uit het veelvuldig gebruik van getallen in de tekst, zoals in “doe hem opstijgen als opgangoffer op een van de bergen” (vs. 2b); “hij nam twee van zijn dienstknapen met hem”(vs. 3a); “op de derde dag hief Abraham zijn ogen op”; “zo gingen zij tweeën samen” (vs. 6b, 8b); “riep de engel voor een tweede maal” (vs. 15b) en “Be’er-sjeva”, de bron van zeven, (19ab). Tot op de klim naar de top van de berg geeft het patroon 1-2-3-2 te zien, hetgeen een begin van symmetrie is. Fokkelman verwacht vervolgens een 1, maar krijgt een 2 met de herhaling van “zo gingen zij tweeën samen”. Deze asymmetrie is volgens Fokkelman bewust gekozen. Als het offer van Izaäk zou zijn doorgegaan zou er slechts één van beiden zijn overgebleven, maar omdat Izaäk in leven blijft, “gaan zij tweeën.” ‘Drie’, het getal dat voltooiing uitdrukt is een passend getal voor de dag dat de reis voltooid wordt en ‘zeven’, dat volheid en rijkdom uitdrukt, vormt een fraaie afsluiting van het verhaal

12. Fokkelman ziet daarnaast een woordspel op de wortel dx'a, (één). We vinden deze driemaal in dyxiy" (“enige”) en drie maal in wD'x.y: (“samen/vereend”). Ook hier wijst Fokkelman op de uitgekiende balans: “enige” bevindt zich steeds in het door God gesprokene, “samen” steeds in de weergave van het gebeuren. Zo bezien is wD'x.y: ~h,ynEv. Wkl.YEw: een innerlijke tegenspraak: twee en één staan naast elkaar, maar hun betekenis botst. Zijn de vader en de zoon werkelijk zo verenigd?, vraagt Fokkelman zich af. Gods opdracht heeft de vader de vijand van de zoon gemaakt. De isolering van Izaäk als de dyxiy" dreigt de wD'x.y: ten onder te doen gaan. Ook Abraham wordt geïsoleerd door de test, gaat door schrikwekkende eenzaamheid, maar alles keert zich ten goede: Abraham heeft “zijn enige zoon” niet van God weerhouden en God op zijn beurt onthoudt “de enige zoon” niet van Abraham. Het ambigue “samen” van vs. 6a, 8b wordt uiteindelijk het ondubbelzinnige “samen” in vs. 19ab.236
7.4.5 De tekst als twee-/drievoudig weefsel

13. Getalsmatige structuren spelen volgens Fokkelman zelfs een rol op het niveau van de verhaalstructuur. Het weefsel is z.i. gespannen langs twee- en drievoudige patroon. Het terugkerende binaire patroon is dat van de omslag: zo bijvoorbeeld de belangrijkste constructie van de vertelling – de plot: in vs. 1-10 wordt het verhaal voortgestuwd en bouwt de spanning op; de ontknoping vindt plaats in vs. 11-12 waarna de vertelling zich snel ontspant. Allerlei elementen die ambigue en duister waren vóór vs. 11 worden vanaf dit punt ondubbelzinnig en helder. De vraag “waar is het lam voor het opgangoffer” (vs. 7) wordt de ontdekking van de ram als het offerdier (vs. 13). Het onzekere “zien” naar de plaats (vs. 4), wordt het opgeluchte zien van de ram (vs. 13); De gok of God zal zien (vs. 8), wordt de belijdenis dat God ziet (vs. 14);. De leugen om bestwil “wij zullen naar jullie terugkeren” (vs. 5) wordt bewaarheid (vs. 19), terwijl het ondermijnde “samen” (vs. 6; 8), het gezegende “samen” in de terugkeer wordt (vs. 19) Al deze parallelle omkeringen dienen de plot, en vormen koppels rondom de spil van het verhaal (vs. 10), waarin grimmige onzekerheid plotseling omgebogen wordt tot ruimte, leven en bevestiging.237

14. Hetgeen plaatsvindt op de as van de drieslag is volgens Fokkelman echter nog belangwekkender. Zo zijn er drie actieve karakters: God, Abraham Izaäk, die elk spreken; er zijn drie monologen en drie dialogen, allen van gelijke structuur; de vertelde tijd heeft zijn climax op de derde dag. Het gesproken woord in vs. 5 en vs. 7-8 deelt de vertelling in drie delen; de volgende losse elementen keren drie maal terug: de vocativus “Abraham!” (vs. 1c; 11a [2x]); de zinsnede “zo gingen zij (...) samen”; de zinsnede “je zoon, je enige”; de [plaats] die God Abraham zou zeggen (2b; 4; 9a); en de sleutelzin “God ziet” (8a; 14ab).

15. Fokkelman legt vers 14b uit als de climax van het verhaal; een knooppunt waar twee trio’s samengeknoopt worden, namelijk Gods “zien” (vs. 8a, 14a, 14b) en Abraham “zien” (vs. 4 en vs. 13a; vs. 14b). Wie ziet er, God of Abraham? De passieve vorm (nif’al ha'r') snijdt volgens Fokkelman een ondubbelzinnige interpretatie af. De vertaling “Op de berg van JHWH is uitzicht” (vision) is Fokkelman daarom sympathiek, ook vanwege de aforistische klank. De betekenis van het bij elkaar komen van Gods “zien” en Abrahams “zien, duidt hij als volgt: Abrahams wanhoop en geloof vertellen ons dat Gods zicht het zicht van de sterveling omvat en leidt. De context van de Abrahamcyclus bevestigt deze lezing, want het “gezien worden” door God is karakteristiek voor de cyclus.238 Zelfs allerlei locaties, bomen en bronnen krijgen namen krijgen waarin het werkwoord ha'r' (yairo yx;l;, 16:13v) of allitererende varianten zoals arey" (vrezen) en hry–hi. (onderrichten; 12:6) verwerkt zijn.239



7.4.6 Theologische boodschap van Gen. 22:1-19
16. Gen. 22:1-19 bevat volgens Fokkelman een universele les aan de hand van de archetypische gestalte van Abraham. Abrahams kind kan niet volwassen en onafhankelijk worden als hij niet bereid het is los te laten en het kind symbolisch terug te geven aan de bron waaruit hij het op wonderbaarlijke wijze ontvangen heeft. Die bron wordt in Gen. 17/18 God genoemd, maar kan z.i. echter ook geduid worden als ‘het leven’, ‘de natuur’ of ‘de menselijke bestemming’.

17. De reis kan ook als een mystieke doortocht worden geïnterpreteerd. Zijn reis van drie dagen is dan een innerlijke zoektocht, waarna hij in vs. 4 eerst verschrikt en onzeker om zich heen kijkt, zich vervolgens geheel overgeeft en uit handen geeft om uiteindelijk tot een nieuw “zien” te komen, eenvoudig en praktisch, met een verrassend geheel alternatief perspectief in vs. 13.


18. Hoe dan ook ziet Fokkelman het gebeuren een groeiproces. Hij vergelijkt de vertelling met een hogedrukpan waarin Abraham versneld in het reine moet komen met het loslaten van Izaäk. Een kind is helemaal je eigen vlees en bloed, en tegelijkertijd geheel anders. Identificatie en anders-zijn vertonen een zeer specifieke dynamiek in de relatie tussen ouder en kind. Ze vormen een paradox. De precieze plaats om dit waar te nemen bij Abraham is op de berg. De berg vormt volgens Fokkelman een literair-spiritueel uitkijkpunt. Daar gaan Abrahams ogen open voor de werkelijkheid, een werkelijkheid die geheel anders is dan hij had verwacht. “Op de berg van JHWH is uitzicht.”240

19. De structuren in de oppervlakte van de tekst waar Fokkelman op wijst kunnen een goed hulpmiddel zijn bij het maken van een exegese vanuit een literair oogpunt. Fokkelmans benadering past goed binnen de literaire methode. Zijn numerieke analyse van Gen. 22:1-19 lijkt echter in precies die valkuil te stappen, waar hij voor waarschuwt. Al te gemakkelijk verliest de exegeet zich in structuren, die hij vervolgens op de tekst drukt. Bovendien is de relatie met de literaire aspecten van de tekst zoek.



7.5 Conclusie
Door de theorie steeds direct op Gen. 22:1-19 te betrekken, hebben we niet alleen een aantal handvatten in handen om tot een exegese te komen die de tekst kan analyseren t.a.v. onze onderzoeksvraag zonder de vraag in de tekst in te lezen; we hebben ook reeds behoorlijk wat exegetische resultaten geboekt.
7.5.1 Resultaten Mieke Bal
In onze bespreking van Mieke Bal kwamen we tot de volgende inzichten:

1. Elk verhaal kent een narratieve cirkel, een proces van voor- of achteruitgang. We zagen dat dit in Gen. 22:1-19 een interne spanning oplevert: Abraham moet een opdracht vervullen, maar die opdracht is tegelijkertijd een offer. Deze spanning is verweven met de spanning in de rol die God in de ontknoping van het plot vervult (7.2.3).

2. Abraham kan gezien worden als de hoofdpersoon van Gen. 22:1-19 (7.2.4).

3. De voorgeschiedenis maakt dat we een beeld hebben van de karakters van Abraham en God, via de herhaling van gedrag. Soms bestaat de plot er echter uit dat het karakter echter verassend verandert (7.2.5).

4. De semantische as is een instrument om in kaart te brengen wat de dynamiek van onderlinge relaties is. De semantische as werkt met contrasten. We zagen dat die contrasten voor de relatie tussen Abraham en God enerzijds, Izaäk anderzijds niet opgaat. Abraham lijkt eerder in conflict met zichzelf (7.2.6).

5. Wanneer men Bal’s overwegingen omtrent perspectief (“focalisatie”) toepast op Gen. 22:1-19 valt het licht op Gods uitspraken over de waarde van Izaäk voor Abraham (“je zoon, je enige, die jij liefhebt”, vs. 2; “Want nu weet ik dat je God vreest, omdat je je zoon, je enige, niet aan mij hebt onthouden.”, vs. 12) en op wat Abraham/ Izaäk waarneemt. Gods waarneming onderstreept het belang van Izaäk voor Abraham. De waarneming van Abraham/Izaäk (de plaats; het ontbrekende lam; de ram) en Abrahams verbale reactie daarop zet de schijnwerper op Abrahams vooruitlopen op Gods voorzien van een vervangend brandoffer (7.2.7).

6. Een verhaal roept spanning op door de vraag op te roepen: hoe zal het aflopen. Daarom is het niet waarschijnlijk dat Gen. 22:1 bedoeld is om de plot reeds te verklappen. Evenmin is het waarschijnlijk dat we Abrahams uitspraken (vs. 5, vs. 8) moeten lezen als indicatie van kennis over de goede afloop. (7.2.8)

7. Zowel het gebruik van ruimte als dat van tijd vestigt de aandacht op de tocht van vader en zoon (7.2.9 & 7.2.10).


7.5.2 Resultaten Meïr Sternberg
In onze bespreking van Sternberg kwamen we tot de volgende inzichten:

1. Lacunes in teksten hebben de bedoeling vragen op te roepen. De tekst vraagt om invulling. Dit is een ondersteuning voor de literaire benadering zoals we die vinden bij Von Rad (6.2.3) en Michel (6.3.3). Von Rad vult immers de lacunes in die de tekst creëert, en Michel wijst op elementen in de tekst die lacunes en ambivalenties veroorzaken. Sternberg maakt onderscheid tussen het inlezen van de eigen subjectieve preoccupaties in de tekst en het ontdekken van authentieke lacunes (7.3.2). Hij geeft een aantal principes en criteria aan de hand waarvan echte lacunes kunnen worden vastgesteld, zoals het stellen van een directe vraag (“Waar is het lam voor het opgangoffer?”); contradicties (God die het offeren van Izaäk stopt; Abraham die zegt dat zij terug zullen keren/ dat God zal voorzien) en het overtreden van normen (God die opdracht geeft tot het slachtofferen van het eigen kind; Abraham die mogelijk liegt).

2. In al deze gevallen dwingt de tekst de lezer een oplossing te zoeken. Deze probeert namelijk uit alle macht de consistentie in wat hij leest te bewaren (7.3.3, pt. 14)

3. Zo schept de plot een lacune: waarom trok God de opdracht Izaäk te offeren in? De tekst vult deze lacune zelf in door de lezer in een antwoord op de vraag te voorzien: God wilde te weten komen of Abraham God vreest. Dit roept weer een nieuwe lacune op: vanwaar de behoefte bij God erachter te komen of Abraham hem vreest? (7.3.3, pt. 13)

4. Sternberg gaf drie type normen: epistemische, culturele/sociale en psychologische normen. (a) Een voorbeeld in Gen. 22:1-19 van een overtreding van de epistemische norm is dat Abraham weet welke berg door God bedoeld is, zonder dat vermeldt wordt hoe hij aan die informatie komt. Dit leidt de lezer ertoe, aan te nemen dat Abraham een wenk van God kreeg. Een ander voorbeeld is wanneer Abraham tot zijn jongens zegt dat hij met Izaäk terug zal keren en tot Izaäk zegt dat God zal voorzien. Abraham kan dat niet weten en dit dwingt de lezer een verklaring te zoeken.

(b) Een voorbeeld van een overtreding van een culturele/ sociale norm is de opdracht tot het slachtofferen van Izaäk. Bezien tegen de achtergrond van de propaganda tegen de kinderoffers zoals Michel deze schetst (zie 5.4.3 – 5.4.5), is het niet onwaarschijnlijk dat die opdracht de lezer wil schokken. De tekst zou dan zelf een spanning teweeg brengen tussen het godsbeeld van de lezer (oorspronkelijk de gelovige Israëliet) en de tekst. In vs. 11 vult ze de daardoor ontstane lacune in. Dit is een sterk argument vóór de stelling dat de spanning in Gods handelen in vs. 2 en vs. 11.

(c) Een voorbeeld van een overtreding van een psychologische norm is dat Abraham in staat is zijn eigen kind te doden. In het algemeen geldt dat ouders dat niet over hun hart kunnen verkrijgen. Dat Abraham er wel toe komt, vraagt om een verklaring. Die verklaring vindt de lezer in het toeschrijven van een groot geloof aan de kant van Abraham.
7.5.3 Resultaten Jan Fokkelman
In onze bespreking van Fokkelman kwamen we tot de volgende inzichten:

1. Uit onze bespreking van Fokkelman werd duidelijk dat men via motiefwoorden structuren in de tekst op het spoor kan komen.

2. Fokkelmans numerieke analyse van Gen. 22.1-12 lijkt echter nogal speculatief. Ook is onvoldoende duidelijk hoe zijn analyse verband houdt met de literaire aspecten van de tekst.

Hoofdstuk 8 – Gerichte exegese Gen. 22:1-19


8.1 Inleiding
1. De theorievorming van Bal, Sternberg en Fokkelman stelt ons in staat een literaire analyse te maken van Gen. 22:1-19, gericht op de vraag of er een spanning is in het handelen van God. Bal heeft ons een narratief raamwerk gegeven waaraan de structuur van de vertelling opgehangen kan worden; Sternberg heeft handvatten gegeven voor het verkennen van lacunes in de tekst; en van Fokkelman hebben we vernomen hoe een tekst bijeengehouden wordt door structurering via motiefwoorden. We behandelen hier niet alle literaire aspecten van de tekst, maar slechts die welke licht werpen op onze vraagstelling.

De hoofdvraag, of er spanning is in het handelen van God, kunnen we nu in een aantal deelvragen uiteen leggen.

(a) In hoeverre valt er op het niveau van de plot een spanning in het handelen van God aan te wijzen?

(b) In hoeverre kan gap theory een bijdrage leveren aan het op het spoor komen van spanningen in het handelen van God?

(c) Welke structurerende motieven wijzen op een spanning in het handelen van God?
Vraag a en b zijn niet goed te scheiden van vraag c, aangezien de structurerende motieven waar wij naar op zoek zijn niet op zichzelf staan maar functioneren in samenhang met de opbouw van het plot en het literaire motief van de lacune.
8.2 Plot en suspense & literaire motieven
2. De opdracht en de vervulling van de opdracht vormt de plot, de spanningsboog rond welke de gebeurtenissen zich clusteren. God stelt Abraham voor een taak. Dit roept de vraag op of Abraham deze taak zal volbrengen, wekt interesse, hetgeen vertelspanning oplevert. Er wordt echter onmiddellijk een obstakel op weg naar het doel gelegd. De opdracht die Abraham krijgt, houdt namelijk de vernietiging in van zijn “enige” zoon, waarbij de tekst expliciet vermeldt: “die jij liefhebt”. Dit creëert een paradox, een situatie waarin Abraham verliest als hij de opdracht uitvoert, en verliest als hij het niet doet.241 In de terminologie van Bal: de te bereiken vooruitgang is verbonden met achteruitgang. De suspense stijgt hierdoor exponentieel. De vraag is nu niet slechts of Abraham erin zal slagen de opdracht uit te voeren maar of Abraham erin zal slagen zowel de opdracht te vervullen als zijn zoon in het leven te behouden, en indien niet, welke van de twee tegengestelde doelen Abraham dan zal weten te bereiken?

Dat deze paradox daadwerkelijk wordt opgeworpen door Gods opdracht en dat ze daadwerkelijk de vertelspanning bewerkstelligt, blijkt uit de oplossing van de paradox in de ontknoping: Abraham heeft aan Gods opdracht voldaan én zijn zoon in het leven behouden. Zo vormt zich een spanningsboog van opdracht naar ontknoping, waaraan de vertelde gebeurtenissen en het drama hangen.

Deze opzet verraadt ook direct de protagonist van het verhaal: Abraham. Het is Abraham die de opdracht ontvangt en Abraham die haar tot een goed einde brengt.

3. De spanningsboog van opdracht naar ontknoping blijkt ook uit de structuur van Gen. 22:1-19, herkenbaar in motiefwoorden. De opdracht die Abraham ontvangt is gegoten in een dialoog welke in haar opbouw en afzonderlijke elementen terugkeert in de ontknoping.242




Vers 1b-2: Te bereiken vooruitgang & achteruitgang

i

ii

iii



iv

en Hij zei tot hem: “Abraham”

en hij zij, “Zie, hier ben ik.”

En Hij zei: “Neem je zoon, je enige, die jij bemint, Izaäk (..)

Doe hem daar opstijgen als opgangoffer (..)”


Vers 7: Dramatische spits



i

ii

iii



iv

Toen zei Izaäk tot Abraham, zijn vader: “Mijn vader”.

En hij zei: “Zie, hier ben ik,

mijn zoon.”

En hij zei: “(..) waar is het lam voor het brandoffer?”


Verzen 11-12 Ontknoping



i

ii

iii



iv

Maar de engel van JHWH riep vanuit de hemel tot hem: “Abraham, Abraham!”

En hij zei: “Zie, hier ben ik”

“Je zoon, je enige,

heb je mij niet onthouden.”


De complementaire relatie tussen ontknoping en opdracht wordt helder zichtbaar in element iv. Het “niet onthouden” van de zoon in vs. 12 staat op hetzelfde niveau (iv) als het “doe hem daar opstijgen als opgangoffer” van vs. 2. Dit werkt contrasterend en versterkt de indruk bij de lezer dat vs. 11-12 de vervulling afkondigt van de opdracht van vs. 1b-2.

Bovenstaande opstelling van de drie dialogen vestigt ook de aandacht op een derde dialoog, die zich halfweg tussen beide anderen bevindt. Zoals bovenstaande schema toont, heeft ze dezelfde structuur als de andere twee dialogen. Niet alleen de structuur, maar ook Izaäks vraag verwijst terug naar de opdracht. Abrahams antwoord, dat er op volgt (vs. 8) wijst echter vooruit naar de ontknoping, die inhoudt dat God in plaats van Izaäk voorziet in een dier om te offeren.

4. Op het niveau van de plot valt een spanning waar te nemen in Gods handelen in vs. 1b-2 en vs. 11-12. De letterlijke vervulling van opdracht in vs. 1b-2 wordt door Gods eigen toedoen in vs. 11 verhinderd. Deze spanning valt samen met de tegenstrijdige functie die God in de vertelling heeft. Deze vervult hier zowel de rol van antagonist, die Abrahams toekomst bedreigt, als de redder van die toekomst.

5. Deze spanning lijkt haar weerklank te hebben in de godsnamen. Wanneer de godheid Abra-ham opdraagt zijn zoon te doden klinkt de naam ~yhil{a/h'. Juist op het moment dat de godheid ingrijpt en de jongen behoedt van de door Hemzelf opgedragen dood, klinkt in het verhaal de naam hw"hy>. We hebben in onze bespreking van Benno Jacob gezien dat, hoewel de verschillende godsnamen in het boek Genesis geen consequent onderscheiden functie hebben, er voldoende aanleiding is om te denken dat de godsnamen in het boek Genesis verschillende aspecten van het goddelijke kunnen aanduiden (zie 6.5). Men zou, in navolging van Breukelman (6.4.7; 33)243 in de wisseling in godsnamen dus een markering kunnen lezen van een wisseling in Gods houding naar Abraham toe, waarbij de laatste naam markeert hoe God ten laatste is. Deze lezing wordt bevestigd door het credo dat volgt op het ingrijpen door de Engel van JHWH: “Op de berg van JHWH laat Hij zich zien” (vs. 14). Dat vers laat zich vanuit de wisseling in godsnamen als volgt uitleggen: in zijn omzien naar en zijn voorzien in de nood wordt zichtbaar wie de God van Abraham in relatie tot de gelovige mens en in relatie tot Israël ten diepste wil zijn. Dit staat echter op gespannen voet met hoe God zich betoont vs. 2, zeker wanneer de observatie in acht nemen van Michel dat de combinatie van het kinderoffer en %a;l.m; de suggestie aan de Molech kan oproepen (zie 5.4.7).244 Tegenover de reddende gestalte van de hw"hy> %a;l.m; in vs. 11 zou dan de toespeling op de gestalte van de %l,Mo komen te staan in vs. 2.
Excurs – de hw"hy> %a;l.m; als literair motief
6. Op dit punt doet zich echter de vraag voor waarom de hw"hy> %a;l.m; hier ten tonele gevoerd wordt, ipv. eenvoudig hw"hy>. Deze vraag heeft zowel een conceptuele als een literaire component. De conceptuele component betreft de onderlinge verhouding tussen hw"hy> en de hw"hy> %a;l.m;: zijn deze termen aanduidingen van hetzelfde, aanduidingen voor verschillende gestalten, of aanduidingen voor verschillende aspecten van de godheid? Op een literair niveau zou polarisering van ~yhil{a/ en hw"hy> een antithese opleveren die fraai overeenkomt met de spanning in de plot. Dus waarom is er gekozen voor hw"hy> %a;l.m; ipv. hw"hy>? Dit is de vraag naar het literaire motief.

(a) Het antwoord op deze laatste vraag zou voor een deel gevonden kunnen worden in de door Michel opgeworpen these, dat in Gen. 22:1-19 gespeeld wordt met allusies naar de Molech.245 Dit kan echter moeilijk dienen als de gehele verklaring, want daarvoor is de allusie van %a;l.m; op %l,Mo niet sterk genoeg, en bovendien zou men deze allusie dan eerder verwachten in vs. 2, als ~yhil{a/ %a;l.m; (vgl. Gen. 21:17). Er moet dus een bijkomende verklaring zijn.

(b) Die aanvullende verklaring zou gelegen kunnen zijn in de gedachte dat juist de hw"hy> %a;l.m; de reddende presentie van JHWH vertegenwoordigt en met name in doodsbedreigende situaties direct optreedt.246

(c) Een mogelijk antwoord zou gelegen kunnen zijn in de directe parallel in de ontmoeting van Hagar met de hw"hy> %a;l.m; in Gen. 16:7-14. Beide verhalen spelen zich af buiten het ontgonnen cultuurland; beiden geven een etymologie van een cultusplaats, gebaseerd op het werkwoord har (Gen. 16:14 en 22:14); in beide verhalen gaat de etymologie vergezeld met de belofte van nageslacht (vgl. Gen. 6:10; 22:1) en de belofte van overwinning (vgl. Gen. 16:12 met 22:17b). Hieronder zijn beide etymologieën naast elkaar weergegeven, ter vergelijking:




Gen. 16:14

Gen. 22:14

yair\ lae hT'a; hT'a; h'yl,ae rbeDoh; hw"hy>-~ve ar'q.Tiw:

a

ha,r>yI hw"hy> aWhh; ~AqM'h;-~ve ~h'r'b.a; ar'q.YIw:

yairo yrex]a; ytiyair' ~l{h] ~g:h] hr'm.a' yKi

b




yairo yx;l; raeB. raeB.l; ar'q' !Ke-l[;

c

`ha,r'yE hw"hy> rh;B. ~AYh; rmea'yE rv,a]

De etymologie in Gen. 16:14 volgt structuur I van Fichtners categorieën (En hij noemde zijn/haar naam X; want hij sprak/dacht..).247 De tweede etymologie is, zoals we hebben gezien, een mengvorm. De reden hiervoor zou kunnen liggen in het gegeven dat ze geen werkelijke plaatsnaam geeft, maar een gangbare belijdenis over het heiligdom: op de berg van JHWH laat Hij zich zien. Daarnaast zijn er een aantal semantische verschillen. Het is uit deze verschillen duidelijk dat Gen. 22:14 geen kopie is van Gen. 16:14, terwijl de overeenkomsten te groot zijn om te negeren.

De relatie tussen de twee gedeelten is moeilijk vast te stellen. Welk gedeelte heeft de ander beïnvloed? Of stammen beiden eenvoudig uit dezelfde traditielaag (J of JE)? Dat laatste is niet zonder meer waarschijnlijk, aangezien een redactie op het niveau van de samenstelling van de Abrahamcyclus de beloften van vs. 15-18 heeft ingevoegd, die Gen. 22:1-19 nog nauwer verbinden met Gen. 16:7-14. Het is onwaarschijnlijk dat de redactor de overeenkomst tussen de beloften in Gen. 16:11v. en 22:17 over het hoofd zou hebben gezien. In ieder geval merken wij als lezers de overeenkomsten op. Wat beide gedeelten op thematisch niveau met elkaar verbindt is dat de hw"hy> %a;l.m; ingrijpt om te verhinderen dat Abraham zijn zoon verliest. Of dit echter de plaatsing van de hw"hy> %a;l.m; in vs. 11vv. heeft bepaald, valt niet met zekerheid te stellen.

Wat de reden voor de invoering van de hw"hy> %a;l.m; ook is geweest, het effect ervan is wel een maximale literaire verwarring over de identiteit van God in relatie tot zijn opdracht en de intentie daarvan. Door de hw"hy> %a;l.m; te laten zeggen “Want nu weet Ik dat jij God (~yhil{a/) vreest” (vs. 12) ontstaan er niet minder dan drie instanties: de hw"hy> %a;l.m;, die vermoedelijk uit naam van hw"hy> handelt en spreekt, hw"hy> zelf die deze hemelse boodschapper zendt en middels hem spreekt, en ~yhil{a/, die daadwerkelijk een personage is in vs. 1 en wiens epitheton in vs. 12 dus niet louter als bijvoeglijk naamwoord kan klinken (“dat jij een godvrezend mens bent”). De inconsistentie versterkt de indruk van een interne spanning in Gods uitingen. Dat de lezer dit vrijwel zonder uitzondering interpreteert als Gods eigen uitingen, komt doordat het boek Genesis regelmatig meerdere epitheta ter aanduiging van God gebruikt, en God zich in de verhalen regelmatig bedient van engelen. De suggestie van interne spanning in de godsvoorstelling is ongeacht de herkomst van deze inconsistentie, – ongeacht of ze bewust is gecreëerd of slechts het product is van het toevallige samenvallen van omstandigheden. De drie epitheta leveren zo’n eigenaardige combinatie op dat dit waarschijnlijk inderdaad een gevolg is van toevallige samenloop van omstandigheden. Dit maakt echter voor het effect op de tekst geen verschil.


Einde excurs
7. Maar is er wel werkelijk een tegenstelling in Gods handelen? Volgens een aantal uitleggers wordt de ontknoping van vs. 11-12 reeds voorspeld door het “God stelde Abraham op de proef” in vs. 1. Dit zou vooraf aan de lezer verraden dat het niet werkelijk de bedoeling is dat Izaäk sterft, maar dat het slechts een proef betreft.248 Gods ingrijpen in vs. 11-12 ligt dan in dezelfde lijn als Zijn opdracht in vs. 1-2.

Deze interpretatie veronderstelt echter dat het begrip “beproeving” de inhoud van de beproeving teniet doet. Het werkwoord hsn-pi verschaft echter slechts een direct motief voor Gods handelen. Het stelt niet de reikwijdte vast van de opdracht. Voor zover de lezer aan het begin van de vertelling weet, houdt de beproeving in, dat Abraham Izaäk werkelijk moet doden. Pas tijdens de ontknoping komt de lezer tot de ontdekking dat vs. 1 inhield dat het van meet af aan de bedoeling was dat Izaäk in het leven zou blijven. Dit strookt tevens met de observatie van Sternberg, dat elk verhaal spanning creëert door informatie achterwege te laten, of uit de chronologische volgorde te lichten en elders heen te verplaatsen. Wanneer het verhaal de lezer op een onbewaakt ogenblik verrast en een valse indruk, eerder gegeven, als zodanig onthult, springen de elementen van de plot in een nieuwe vorm, hetgeen de lezer alle plezier van het onverwachte verschaft.249 Dat is wat vs. 11 doet met “God beproefde Abraham” in vs. 1 wat de ram in vs. 13 doet met Abrahams antwoord aan Izaäk in vs. 8, dat God zelf zal zien naar een offerdier.

Op een literair niveau pleit voor de interpretatie waarin de lezer zich in deze lezing van het verhaal op hetzelfde kennisniveau als Abraham bevindt, dat zo’n lezing de suspense van het verhaal maximaliseert: niet alleen Abraham kan niet zeker zijn van de goede afloop, ook de lezer niet; integendeel, beiden worden door de opdracht gedwongen van het ergste uit te gaan. Dit is eveneens wat de opeenvolging van de kernwoorden in vs. 10 (hand – mes – slachten) suggereert: het volgende moment zal het mes zich werkelijk in de hals van de jongen dringen.

Dit betekent dat de lezing welke hsn-pi. ziet als een mededeling vooraf over de schijn van het gebeuren, als onjuist moet worden aangemerkt. Men kan dat alleen stellen met de kennis van de goede afloop van het verhaal reeds in gedachten. Kennis die de lezer bij aanvang van het verhaal nog niet heeft. Het is zelfs denkbaar dat het verhaal zó gelezen wil worden dat Abraham zich wel degelijk bewust was van het gegeven dat hij werd beproefd, terwijl hij de opdracht zijn zoon te offeren ontving,250 en dat het werkwoord hsn-pi. enkel dient om de lezer te sturen, zodat deze weet: het gaat God niet zozeer om het slachtoffer, maar om te zien of Abraham bereid is zover te gaan zijn zoon te doden.

1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   21

  • 7.4.3 Gesproken woord en gebeuren. Het gesproken woord als motor van het verhaal.
  • 7.4.4 Woordaantallen als structurering en expliciete getallen in de tekst.
  • 7.4.5 De tekst als twee-/drievoudig weefsel
  • 7.4.6 Theologische boodschap van Gen. 22:1-19
  • 7.5.1 Resultaten Mieke Bal
  • 7.5.2 Resultaten Meïr Sternberg
  • 7.5.3 Resultaten Jan Fokkelman
  • 8.2 Plot en suspense literaire motieven
  • Excurs – de

  • Dovnload 1.04 Mb.