Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ambiguïteit in God binnen de

Dovnload 1.04 Mb.

Ambiguïteit in God binnen de



Pagina4/21
Datum28.10.2017
Grootte1.04 Mb.

Dovnload 1.04 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   21

Hoofdstuk 3 – Literair-kritische benadering



3.1 Inleiding
1. Literaire kritiek Sinds de opkomst van de bronnentheorie (JDEP), heeft men Gen. 22:1-19 geprobeerd aan een of meer bronnen toe te wijzen. De verschillende godsnamen speelden daarbij een voorname rol. Zo schrijft Abraham Kuenen vs. 1-13, 19 toe aan de Elohist,28 en vs. 14-18 tot de “van E afhankelijke gedeelten” van J “tot aanvulling of uitbreiding van de berichten dier oorkonde bestemd.”29 Dit staat bij Kuenen binnen een breder raamwerk waarin hij in Gen. 1–19 J als de hoofdbron aanwijst, en in Gen. 20–22 E als hoofdbron.30 De macroverdeling van Julius Wellhausen is vergelijkbaar: Gen. 18–19 rekent hij, op wat kleine aanpassingen na, tot de Jahwist, en Gen. 20–22 tot de Elohist.31 Ten aanzien van de verdeling van Gen. 22:1-19 komt hij echter tot een andere keus. Weliswaar ziet hij de hoofdmoot als elohistisch materiaal; het voorkomen van de godsnaam JHWH in dit gedeelte schrijft Wellhausen echter niet toe aan de Jahwist, maar aan de redactionele arbeid van de Jehovist.32

2. Belang voor de onderzoeksvraag: De vraag naar de literaire kritiek is van belang voor deze studie, omdat de vraag naar de verschillende redactionele lagen mogelijk een verklaring biedt voor de vermeende tegenstelling in Gods handelen met Abraham in deze verzen. Indien verschillende auteurs de hand in dit gedeelte hebben gehad, laat zo’n tegenstelling zich ras verklaren. Indien daarentegen één auteur de hand in het gedeelte heeft gehad, kan de tegenstelling ook bewust bedoeld zijn.

De literair-kritische methode gaat bovendien in op de verschillende godsnamen in het gedeelte. Dat is belangrijk, aangezien de verschillende godsnamen de indruk van een interne spanning vergroten.

3. Overzicht: We beginnen de bespreking in dit hoofdstuk met enkele gezichtspunten uit de tweede helft van de twintigste eeuw. In zijn studie uit 1998 markeert Heinz-Dieter Neef de discussie tussen de exegeten Reventlow en Kilian als een waterscheiding in het exegetisch onderzoek naar Gen. 22:1-19. Tot dit moment was de literair-kritische methode de dominante benadering binnen de bijbelwetenschap om een aantal spanningen in Gen. 22:1-19 te verklaren.



  • Reventlow is van mening dat de literair-kritische problemen van Gen. 22:1-19 een onontwarbare knoop zijn en het zwaartepunt zou moeten verschuiven naar de Vormkritische benadering. Hij gebruikt Kilians exegese als voorbeeld van een literair-kritische benadering.

  • Kilian verdedigt daarop de literair-kritische methode, door heel Gen. 22:1-14, 19 toe te schrijven aan de Elohist. Hij plaatst op zijn beurt kritische kanttekeningen bij de exegetische benadering van Reventlow.

  • John Van Seters neemt binnen de literair-kritische benadering een opvallend standpunt in door Gen. 22:1-19 in zijn geheel aan de Jahwist toe te schrijven.

Bij Neef lijken de standpunten van Kilian en Van Seters bij elkaar te komen. Hij is van mening dat een latere redactor, de Jehovist gebruik heeft gemaakt van zowel een Jahwistische als een Elohistische bron.

3.2 Henning Graf Reventlow: kanttekeningen bij de literair-kritische methode
3.2.1 Bespreking
Reventlow is niet tevreden met de literair-kritische verklaring van Gen. 22:1-19. Meestal wordt Gen. 22:1-19 door aanhangers van de methode aan de Elohist toegeschreven. De argumenten hiervoor zijn volgens Reventlow nagenoeg altijd dezelfde: ~yhil{a/ als aanduiding voor God (vs. 1, 3, 8, 9, 12); de vermoedelijke openbaring van God in de nacht (vs. 1v.; vgl. 20:3; 21:12); de goddelijke uitredding welke opgemerkt wordt bij het opslaan van de ogen (vs. 11; 21:17); enkele taalkundige eigenaardigheden zoals hKo in vs. 5 (vgl. 31:37). Daarnaast wordt op de emotionele diepgang van de vertelling gewezen, alsmede op haar religieuze toon die de hoogste eerbied voor God en het uiterste vertrouwen in de goddelijke leiding bezingt.

Er zijn echter, aldus Reventlow, ook altijd tegenstemmen geweest, die de toewijzing van deze tekst aan de Elohist in twijfel trokken.33 Ook Reventlow ziet flinke moeilijkheden wat deze toewijzing betreft.

1. Zo klinkt naast de godsnaam ~yhil{a/ in vs. 11, 14, 15, 16 ook de godsnaam hw"hy>, die voor de Jahwist karakteristiek zou zijn. Zelfs indien men vs. 15 en 16 als latere redactie buiten beschouwing laat, blijven vs. 11 en 14 over. Men kan de godsnaam hw"hy> in vs. 11 niet wegpoetsen met het argument dat dit onder invloed van de “bode van JHWH” in vs. 15 wel geredigeerd zal zijn, zegt Reventlow. hw"hy> is in vs. 14 namelijk onlosmakelijk onderdeel met het woordspel op har, zowel in vs. 14 zelf als elders in de tekst. Uit het gegeven dat hY"rIMoh; (vs. 2) bij dit motief aansluit, door de godsnaam JHWH of de verkorting “Jah” te combineren met een vorm van har, trekt Reventlow de conclusie dat het woordspelmotief oud moet zijn. Gunkel ziet volgens Reventlow goed dat het verbale aspect van het woordspel gepaard gaat met een theofoor aspect, maar komt op grond van zijn literair-kritische veronderstellingen tot de slotsom dat hier oorspronkelijk de godsnaam lae geschreven was. Vanuit zijn tweede veronderstelling, dat het woordspel op een cultusplaats wees, kwam Gunkel vervolgens tot de reconstructie “Jeruël”. Maar het lokaliseren van deze plaats levert volgens Reventlow zulke grote problemen op, dat Gunkels voorstel nauwelijks weerklank vond. Men had volgens Reventlow echter ook de weg moeten verlaten waarop Gunkel hiertoe kwam.34

2. Verschillende taalkundige argumenten die voor een toewijzing aan E worden aangevoerd zijn volgens Reventlow problematisch. De openbaring in de nacht vindt men bijvoorbeeld ook in Gen. 28:10vv., een J-stuk. Daar komt nog bij dat over de wijze waarop God aan Abraham verschijnt niets in de tekst te vinden is, terwijl de komst van God in dromen of visioenen nu juist wel een kenmerk zou zijn van de Elohist. Ook de inleidende formule, “Na deze dingen gebeurde het dat”, kan men terugvinden bij de Jahwist (o.m. in Gen. 15:1; 22:20; 39:7; 40:1; 48:1).

3. Sommige uitleggers menen dat de stijl van de vertelling meer karaktertrekken vertoont van de jahwistische vertelstijl dan de elohistische, zoals het vermogen om een scène levendig te schilderen zonder alles uit te spellen. De religieuze diepgang die de passage kenmerkt, valt ook te vinden bij J. Ook wat stijl betreft is de hand van de Elohist dus niet eenduidig. Vanuit een literair-kritische benadering zou men het gedeelte eveneens kunnen toeschrijven aan J of een bronnenmenging van J en E.35

4. Reventlow betwijfelt of de literair-kritische methode de complexiteit van de tekst wel recht kan doen. Hij betoogt dan ook dat beslissend inzicht in de tekst niet gezocht moet worden in de literaire bronnen, maar in de preliteraire lagen. Nu heeft Gunkel die stap al gezet, door de vertelstof als sage en daarmee als mondelinge overlevering te bestempelen. Maar volgens Reventlow slaagt Gunkel er niet in de beide lagen – mondeling en literair – op elkaar te betrekken. Hun onderlinge verhouding blijft onopgehelderd. Reventlow meent dat Gunkel in zijn beoordeling van de literaire bronnen teveel in beslag werd genomen door de literair-kritische denkwijze. Zo dwingt Gunkels vooronderstelling dat Gen. 22:1-4, 19 van de Elohist afkomstig moet zijn hem tot de conclusie dat l{ae een wezenlijk onderdeel moet zijn geweest van het woordspel. Aangezien dit woordspel verweven is met de loop van het verhaal moet dit motief echter teruggaan tot het de mondelinge voorfase. Gezien het samengaan van elementen die enerzijds voor E, anderzijds voor J kenmerkend zijn blijft de schoen wringen voor wie Gen. 22:1-19 zuiver literair-kritisch benadert.

5. Er is weliswaar een tussenoplossing mogelijk, zegt Reventlow, waarbij men een literaire voorfase veronderstelt die zowel door J als E is benut. Reventlow wijst op een these van Martin Noth dat J en E hun versies van het verhaal hebben ontleend aan een gemeenschappelijke bron (G), die reeds de hoofdthema’s en het verloop van het huidige verhaal kende. Maar Noth geeft al toe, aldus Reventlow, dat er vrij weinig over G te weten te komen valt. Bovendien laat Noth de verschillen tussen J en E nagenoeg buiten beschouwing. Juist daar helpt zijn hypothese niet verder. Bovendien verschuift deze these de vraag naar de verhouding tussen de schriftelijke en mondelinge overleveringslagen slechts.36

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   21

  • 3.2 Henning Graf Reventlow: kanttekeningen bij de literair-kritische methode 3.2.1 Bespreking

  • Dovnload 1.04 Mb.