Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ambiguïteit in God binnen de

Dovnload 1.04 Mb.

Ambiguïteit in God binnen de



Pagina5/21
Datum28.10.2017
Grootte1.04 Mb.

Dovnload 1.04 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   21

3.2.2. Evaluatie Graf Reventlow

6. De voornaamste verdienste van dit gedeelte van Reventlows betoog is dat hij enkele kritische kanttekeningen heeft geplaatst bij de gangbare theorie dat Gen. 22:1-14, 19 van de Elohist afkomstig zou zijn waardoor hij de vertegenwoordigers van deze theorie dwingt, deze positie scherper uit te werken. In de volgende paragraaf komt Rudolf Kilian aan de orde, die uitgebreid en kritisch ingaat op Reventlow.

7. Het ware verstaan van Gen. 22:1-19 komt volgens Reventlow pas voort uit een vorm-kritische benadering.

8. Conclusie m.b.t. de onderzoeksvraag: Verschillende auteurs komen via literair-kritische methoden tot verschillende voorstellen hoe Gen. 22:1-19 verdeeld moet worden. Dat zou betekenen dat deze methode ook moeilijk licht kan werpen op de spanning in het handelen van God in Gen. 22:1-19. Dit zal echter moeten blijken uit de drie voorstellen die we nu doornemen.

3.3 Rudolf Kilian: de Elohist als primaire bron
3.3.1 Inleiding
Rudolf Kilian reageert in ‘Isaaks Opferung’ op de aanval van Reventlow op de literair-kritische benadering van Gen. 22:1-19 en de toewijzing aan de Elohist. Volgens Kilian houden Reventlows argumenten geen steek en valt de elohistische oorsprong van Gen. 22:1-19 goed te verdedigen. Hij werkt deze als volgt uit:

1. Allereerst is daar de wijze waarop de Abrahamsoverlevering is opgebouwd. Zowel in de elohistische traditie als in de totaalcompositie van de Pentateuch lijkt Gen. 22:1-14, 19 organisch voort te komen uit Gen. 21:1-34. Met name de verbinding van de verhalen met de plaats Berseba wijst hier volgens Kilian op. Kilian meent dat Berseba zo’n prominente plaats inneemt in de E-laag van de overleveringsgeschiedenis dat de Elohist de thuisbasis van Abraham in Berseba plaatst. Hier worden volgens E Ismaël en Izaäk geboren; van hieruit wordt Hagar de woestijn in gestuurd (21:14); hier sluiten Abraham en Abimelech hun verdrag (21:31-34); en hier keert Abraham terug na de beproeving (22:19). Die terugkeer naar Berseba zou zich daarentegen niet laten rijmen met een jahwistische laag in de overlevering. Naast de godsnaam ~yhil{a/ (vs. 1, 3, 8, 9, 12) en het roepen van de bode vanuit de hemel (vs. 11) noemt Kilian nog het bijzondere oog van E voor de menselijke kant van zijn personages en het typisch elohistische streven de vaderen als voorbeelden naar voren te laten komen (zie onder punt 7).

2. Een jahwistische oorsprong van het gedeelte acht Kilian niet erg waarschijnlijk. De argumenten (a) dat de aanschouwelijke schildering, met name ook vs. 14, op een jahwistische hand duidt, en (b) dat de oorspronkelijke vertelling geen enkele relatie had met het huidige elohistische thema van de beproeving ter vaststelling van Abrahams godvrezendheid,37 wijst Kilian van de hand. Dat de beproeving pas in de elohistische redactie van de tekst tot thema gemaakt wordt, is juist, aldus Kilian, maar dat betekent niet dat de ‘Vorlage’ per definitie jahwistisch traditiegoed is geweest. In de regel zijn de tradities waarvan E gebruik maakt niet jahwistisch.

De enige reden dat er volgens Kilian gedacht wordt aan een andere auteur dan de Elohist is dat we de naam JHWH in Gen. 22:1-19 een aantal maal tegenkomen. Op grond van de aanwezigheid van de naam schrijven sommigen dit gehele hoofdstuk aan de Jahwist toe, aldus Kilian. Hij vindt dat niet gerechtvaardigd aangezien overige J-karakteristieken van terminologische, stilistische, theologische of compositorische aard volgens hem in het gedeelte ontbreken. Daarom moet er een andere verklaring voor het herhaaldelijk voorkomen van de godsnaam JHWH (in vs. 11, 14, 15, 16) gezocht worden.

3. Kilian begint met de verzen 15 en 16. Met de meeste geleerden is hij van mening dat vs. 15-18 secundair zijn. Aangezien hier alleen de naam JHWH te vinden is, kan dit ook de naam JHWH in de verzen 11 en 14 verklaren: die valt dan eveneens op een latere redactie van de oudere elohistische tekst terug te voeren. Jahwistisch is deze latere redactielaag echter niet: hw"hy>-~aun> (vs. 16) is immers profetische terminologie, aldus Kilian. Omgekeerd kan Kilian echter geen verklaring vinden voor ~yhil{a/ in vs. 1, 3, 8, 9 en 12 indien hij niet uitgaat van een elohistische bron, aangezien zich in deze vertelling geen na-elohistische redactie laat aanwijzen.38

3.3.2 “Jahwe” in vers 1439
4. Eigenlijk is alleen het voorkomen van de godsnaam hw"hy> in vs. 14 een probleem voor de toeschrijving aan E, meent Kilian. Die is namelijk verstrengeld met het motief van het woordspel op ha'r', dat door het gehele gedeelte heenloopt. Dit maakt het moeilijk te verdedigen dat het vers oorspronkelijk een andere naam bevatte.

Kilian pareert dit argument40 met een suggestie voor een alternatieve naam van de godheid in ha,r>yI hw"hy>. Hij wijst daartoe op de El-godheid ‘el roi, die in de buurt van be’er lacha’i ro’i vereerd zou worden (vgl. 16:13f), dus in de buurt van Berseba, waar ook het verhaal van 22:1-19 zich afspeelt (vs. 19). Daarnaast maken de Amarnabrieven en Egyptische teksten melding van een Baäl Ro’î. Vanuit de archeologie is, aldus Kilian, JHWH Jir’āê niet bekend, in tegenstelling tot El Ro’i en Baäl Ro’î. Dit suggereert dat een redactor de plaatsnaam El Jir’āê veranderd heeft in JHWH Jir’āê. Dergelijke veranderingen zien we vaker zegt Kilian, waarbij hij wijst op Gen. 16:11. Daar wordt de naam Ismael gemotiveerd met: “want JHWH heeft uw ellende gehoord.” Voor de hand liggender zou daar zijn: “want El heeft uw ellende gehoord”, en dat is hoogstwaarschijnlijk dan ook de oorspronkelijk tekst geweest. Kilian voert verder aan dat de belangrijke plaats die de godheid El innam in de godsdienst van de Kanaänieten en de latere identificatie van El met


JHWH de oorspronkelijkheid van El Jir’āê aannemelijk maakt. De enige vraag die volgens Kilian dan nog open blijft staan is of de Elohist “El” zelf reeds in een eerder stadium had vervangen.

Tegen de hier geschetste ontwikkeling kan volgens Kilian niet ingebracht worden dat “Morijah” in vs. 2 toch ook al een Jah(we)-element in zich bergt, aangezien “Morijah” in zijn ogen secundair is en geen betrekking heeft op de oorspronkelijke plaatsnaam.41 Ook het argument dat El Jir’āê eerder klinkt als belijdenis dan als een aanduiding voor een heilige plaats, overtuigt Kilian niet. In Gen. 16:13v wordt immers ook een bron ‘el ro’i genoemd.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   21

  • 3.3 Rudolf Kilian: de Elohist als primaire bron 3.3.1 Inleiding
  • 3.3.2 “Jahwe” in vers 14 39

  • Dovnload 1.04 Mb.