Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ambiguïteit in God binnen de

Dovnload 1.04 Mb.

Ambiguïteit in God binnen de



Pagina7/21
Datum28.10.2017
Grootte1.04 Mb.

Dovnload 1.04 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   21

3.4.2 Evaluatie Van Seters

1. Van Seters wenst het verhaal als eenheid te lezen. Hij komt daar onder meer toe omdat hij het splitsen van het verhaal in een oorspronkelijk en een niet-oorspronkelijk deel willekeurig acht. Hoe maak je nu uit welk deel authentiek is, en welk niet? Hoe kies je welke godsnaam prioriteit heeft? Dit is een sterk punt.

2. Van Seters’ kritiek op de traditionele vierbronnenhypothese (JDEP) en het functioneren van het criterium van de godsnamen daarbinnen is in al zijn beknoptheid raak. De versplintering van tekstporties die zich als literaire eenheden laten lezen is inderdaad frustrerend, alsook het gegeven dat het voorkomen van de verschillende godsnamen geen houvast biedt. Het gegeven van gedeelten met afwisseling in de godsnamen moet elke nuchtere onderzoeker te denken geven. Van Seters voorstel om uit te gaan van successieve redacties op hetzelfde corpus lost een groot aantal problemen op. Tegelijkertijd roept het de vraag op welke falsificatiemogelijkheden dit voorstel biedt.

3. Van Seters gooit het roer daarom radicaal om, en gaat er vanuit dat de gehele tekst van Gen. 22:1-19 Jahwistisch van aard is. Dit is echter hoogst problematisch. Zelfs indien we meewegen dat Van Seters in het toewijzen van literaire eenheden aan bronnen vanuit alternatieve uitgangspunten werkt dan de traditionele bronnenkritiek,63 valt zijn argumentatie voor het toewijzen van Gen. 22:1-19 en Gen. 21:8-21 spaarzaam te noemen. Met name een vergelijking van Elohistische en Jahwistische karakteristieken schittert door afwezigheid in Van Seters’ bespreking van Gen. 21:8-21. Die omissie is vermoedelijk verbonden met het gegeven dat Van Seters het bestaan van een elohistische redactielaag ontkent. De jahwistische laag zelf zou stammen uit de exilische tijd en een uitgebreide bewerking zijn van een eerdere bron. Die zou hebben bestaan uit het verhaal van Abraham in Egypte (Gen. 12:10-20), Hagars vlucht (Gen. 16:1-12) en de geboorte van Izaäk (18:1a, 10-14, 21:2, 6-7) en het eerste supplement van de Abrahamgeschiedenis, namelijk Abrahams verblijf aan het hof van Abimelech (Gen. 20:1-17; 21:25v, 28-31a).64 Desalniettemin zouden we een gedetailleerde vergelijking van motieven en zinswendingen in Gen. 21:8-21 en J verwachten. De twee bij de Jahwist terugkerende thema’s van het beërven van land en het worden tot een volk lijken op zichzelf een wat smalle basis om Gen. 21:8-21 dan maar aan J toe te schrijven. Dit neemt niet weg dat Van Seters enkele goede vragen stelt aan de traditionele toewijzing van Gen. 21:8-21 aan E. De thema’s van het beërven van het land, verbonden met het motief van de uitdrijving, en het worden tot een volk van Abrahams nageslacht zijn namelijk inderdaad thema’s die met name bij J voorkomen. Zo vinden we het beërven (vry) van het land o.m. in Gen. 15:3v, 7v; 24:60; het uitdrijven (vrG) van de volken o.m in Ex. 23:28-31; 32:1v; 34:11; en het worden tot een volk o.m. in Gen. 12:2; 18:18, 26:3-4. De aanwezigheid van twee jahwistische thema’s problematiseert de toeschrijving van Gen. 21:8-21 aan E.

4. Wat onder punt 3 gezegd is geldt ook hier. De aanwezigheid van twee uitdrukkingen die verder slechts bij J voorkomen, stelt wel de toeschrijving van Gen. 22:1-19 aan E voor problemen, maar is op zichzelf te weinig om Gen. 22:1-19 dan maar tot J te rekenen.

5. Vanuit Van Seters’ kritiek dat het criterium van de godsnamen ter splitsing van de bronnen teksten fragmenteert die verder goed functioneren als literaire eenheden, valt zijn afwijzing van de validiteit van dit criterium goed mee te maken. We zien bij Kilian dan ook dat hij Gen. 22:1-14, 19 als afgerond verhaal aan één auteur toeschrijft, en de godsnaam JHWH toeschrijft aan redactie vanuit de toevoeging van vs. 15-19. Daarmee lijkt de hypothese dat twee redactionele bronnen ten grondslag hebben gelegen aan Gen. 22:1-19 van de baan.

6. Van Seters wijst de toeschrijving van vs. 15-18 aan een latere redactor af. In zijn optiek passen deze verzen prima bij een Jahwistische vertelling. Zijn hoofdargument om vs. 15-18 tot de oorspronkelijke tekst te rekenen is dat het vrijwel ondenkbaar is dat een redactor na E zo’n 300 jaar na J zou schrijven in de stijl en theologische scopus van J: daarmee doelt hij op passages als Gen. 12:2v; 13:15v; 15:5, 24:60 die de zegen aan de patriarch en zijn nageslacht benadrukken. Dit lijkt hem “a rather lame rationalization of the old source hypothesis.”65 Blijkbaar houdt Van Seters geen rekening met de mogelijkheid dat een eindredacteur van de Abrahamcyclus of van het boek Genesis aan zou kunnen knopen bij formuleringen elders in de Abrahamcyclus teneinde dit verhaal in een breder theologisch verband te zetten, en te markeren dat de cyclus hier zijn ontknoping krijgt. In lijn met Van Seters’ eigen observaties zou hij de redactie dan aan P kunnen toeschrijven.66 Daarnaast gaat Van Seters compleet voorbij aan de opmerking van Reventlow, dat uitdrukkingen in vs. 16 als hw"hy>-~aun>, het “zweren bij zichzelf” en rv,a] ![;y: yKi noch in J, noch in E voorkomen.67 De analogie in stijl van Gen. 22:15-18; 12:2v; 13:5v en 15:5, 24:60 blijft beperkt tot de opbouw van en motieven in de zegenspreuken. Het voornaamste argument van Van Seters staat dus op wankele bodem. Op deze argumentatie valt echter een en ander af te dingen: (a) Van Seters gaat ervan uit dat het slagen voor de proef noodzakelijk een beloning eist. Op verschillende andere plaatsen waar God zijn uitverkorene op de proef stelt (hsn-pi) is echter evenmin sprake van een beloning (Ex. 16:4; Ex. 20:20). Het is daar eenvoudig een doel op zich, om erachter te komen of de beproefde God vreest en zijn inzettingen in acht neemt. Dat komt fraai overeen met Gen. 22:12. (ii) Het argument dat de lange zegenspreuk de ontknoping te lang uitstelt, lijkt niet zo sterk, aangezien dezelfde zegenspreuk de afronding van het verhaal ook uitstelt. (b) Bovendien blijft het problematisch voor Van Seters’ these, dat de verzen afwijken in toon en thema. (c) Van Seters verwart motieven op het niveau van het verhaal met motieven op het niveau van de Abrahamcyclus: in Gen. 21:8-21 wordt de belofte van nageslacht door de engel aan Hagar voorafgegaan door de belofte van God aan Abraham (vs. 13). De belofte bevindt zich daarmee op het niveau van het verhaal zelf. Deze anticipatie ontbreekt in Gen. 22:1-19. Daar ontbreekt het thema van nageslacht op het niveau van het verhaal. Dit thema wordt aan het verhaal toegevoegd door haar plaatsing binnen de bredere literaire context van Gen. 21-22, en de plaatsing van dat gedeelte binnen de context van de gehele Abrahamcyclus. Concluderend kunnen we stellen dat de argumentatie van Van Seters niet opweegt tegen de aanwijzingen dat vs. 15-18 een latere redactie zijn.

7. Conclusies m.b.t. de onderzoeksvraag. Dat er discussie mogelijk is over de toewijzing van (delen van) Gen. 22:1-19 aan één of meerdere bronnen, maakt dat een verklaring voor de vermeende spanning in Gods handelen vanuit deze methode niet bepaald geloofwaardig is. En als het voorkomen van verschillende godsnamen in het gedeelte niet goed verklaard kunnen worden als behorend bij een specifieke bron, vraagt dit om een alternatieve verklaring.


3.5 Heinz-Dieter Neef: de Jehovist als primaire bron68
3.5.1 Bespreking
Heinz-Dieter Neef meent dat Gen. 22:1-19 tot de jehovistische redactielaag van de boeken Genesis tot en met Numeri behoort. Hij komt tot die beoordeling door eerst de toeschrijving aan de Elo-hist en de Jahwist te bekritiseren, en vervolgens een relatie te leggen tussen Gen. 22:1-19 en tek-sten uit de jehovistische redactielaag, waarin van de engel van JHWH sprake is.

1. De toeschrijving aan de Elohist bekritiseert Neef allereerst door te verwijzen naar de omstredenheid van de datering van de Elohist. Sommigen plaatsen de Elohist zo vroeg als 760 v. Chr., anderen zo laat als de vroege postexilische tijd. Ten tweede wijst hij op het feit dat we in de vertelling eveneens de godsnaam hw"hy> aantreffen. Het argument dat vs. 11 oorspronkelijk ~yhil{a/ kende en vs. 14 een latere invoeging betreft, is in zijn ogen een noodoplossing. Immers, waarom heeft de redactor dan slechts in vs. 14, en niet ook in vs. 1, 3, 8, 9, 12 de godsnaam veranderd? Voor de toewijzing aan de Jahwist geldt volgens Neef hetzelfde, aangezien ook die uiteenlopend gedateerd wordt, en in Gen. 22:1-19 naast de naam hw"hy> ook ~yhil{a/ wordt gebruikt. Daarom is het volgens Neef een heilloze onderneming om te proberen het gedeelte aan één van de klassieke bronnen toe te delen.

2. Neef bespreekt vervolgens het voorstel van Timo Veijola om Gen. 22:1-14, 19 in de postexilische tijd te plaatsen.69 Aangezien we in een volgend hoofdstuk over de godsdiensthistorische benadering van Gen. 22:1-19, bij Ed Noort (zie 5.3.3), nog een uitvoerige kritiek op deze datering van Veijola zullen doornemen, volstaan we hier met het uitwerken van het punt waar Neef bij aansluit en dat hem tot een andere datering dan Veijola leidt.

3. Volgens Veijola speelt de engel in Gen. 22:11vv een bijzondere rol. Hij ziet hierin een werkelijke engel, een hemelwezen. Veijola wijst daarbij op het feit dat de engel Abraham “vanuit de hemel” roept. Dit wijkt af van de voorstellingen van godsboden in de overige aartsvadervertellingen. De voorstelling behoort volgens Veijola tot een later stadium in de engelenleer. Neef meent dat Veijola gelijk heeft in de observatie dat de engel in dit verhaal als representant van God fungeert. Neef ziet echter meer verwantschap tussen de engel in Gen. 22:11 en passages over de Engel van JHWH in Ex. 23:20-22; 32:34; 33:2; (Ri. 2:1-5; 5:23). In deze passages stelt de engel zich op aan de kant van JHWH en treedt naar voren als gezant en leidende actor, waarbij de engel JHWH’s missie en goddelijke autoriteit overneemt. In al deze passages is de engel volgens Neef de representant van de uitredding en tegenwoordigheid van JHWH. Hij verschijnt in buitengewone situaties, om Israël te beschermen of om JHWH’s oordeel aan te kondigen vanwege haar ontrouw. De engel is aan zijn opdracht gebonden en verdwijnt van het toneel na het vervullen ervan. Neef plaatst deze passages op het niveau van jehovistische redactie, die in de boeken Genesis tot en met Numeri. Deze jehovistische laag is volgens Neef een voorbereiding op de Deuteronomistische redactie. Neef plaatst de Jehovist in de tijd van de val van Samaria in 722, en de machteloosheid van Juda tegenover de Assyrische militaire expansie. Volgens Neef veronderstelt Gen. 22:1-14, 19 dus de passages over de engel van JHWH in Ex. 23:20-22; 32:34; 33:2, en daarmee kan in zijn optiek de Jehovist als terminus a quo aangewezen worden.

4. Neef vervolgt met het duiden van de theologie van de Jehovist en de betekenis van deze theologie voor de duiding van Gen. 22:1-14, 19. Hij sluit zich aan bij een studie van Peter Weimar, die de Jehovist duidt als een vroegdeuteronomistische tekstlaag van de Pentateuch vóór P.70 De Jehovist zou een literair geschoolde schrijver zijn die theologische accenten zet. Hij zou ervan uitgaan, dat de existentiële bedreiging, welke Israël in haar geschiedenis meer dan eens onderging, niet zomaar iets was dat van buiten op Israël afkwam, maar iets wat van JHWH zelf uitgaat. JHWH zelf brengt volgens de Jehovist Israel in kritische omstandigheden, situaties van leven en dood. Israël kon zich slechts door zulke situaties heen slaan door zich onvoorwaardelijk op God te verlaten, aldus Neef, in navolging van Weimar. JHWH is voor de Jehovist niet slechts een reddende en bevrijdende God; zijn handelen kan ook bedreigend zijn. De Jehovist laat deze spanning bestaan. Hij zou theologische verwantschap hebben met het boek Deuteronomium, en zich theologisch concentreren op Jeruzalem.

5. Neef komt vervolgens tot een datering van Gen. 22:1-14, 19: de afwezigheid van kenmerken, behorend tot P geeft een terminus ad quem, de inhoudelijke nabijheid tot de Jehovist een terminus a quo. Daarbinnen moet Gen. 22:1-14, 19 geschreven zijn. Daarnaast ziet Neef een verwantschap met de Deuteronomische-deuteronomistische literatuur op grond van de de verwijzing naar Jeruzalem en het motief hsn-pi. + God als subject. Zo lezen we in Deut. 13:4 dat God het volk op de proef stelt, om te zien of het hem volgt en Hem vreest. Ri. 2:22 stelt de beproeving zo voor, dat God de volken in het land laat, om Israël zo te testen, of ze wel op de wegen van JHWH gaat. Verder sluit Neef zich aan bij een opmerking van H.J. Stoebe, dat hsn (met een persoon als object) een verbondenheid veronderstelt, een gemeenschappelijke relatie op grond waarvan men iets beproeven, verwachten, hopen en vrezen vermag. De uitkomst van de beproeving wordt bepaald door de houding van de beproefde partner.71 Op grond van bovenstaande argumenten dateert Neef de vertelling in de late 7e eeuw voor Chr.

6. Op de exegese lijkt Neefs literair-kritische plaatsbepaling van Gen. 22:1-19 weinig invloed te hebben. Neef besteedt behoorlijk wat aandacht aan de vertelaspecten van het verhaal, is bovendien van mening dat het niet los te maken valt uit haar literaire context, de verhalenkrans rondom het personage van Abraham (Gen. 12–25): Gen. 22:1-19 veronderstelt de verhalen die er aan vooraf gaan, waarin God en Abraham een intieme band opbouwen, aldus Neef. Gen. 22:1-19 vormt het hoogtepunt tussen de ontmoetingen van God en Abraham. God komt te weten dat Abraham een diep vertrouwen in Hem stelt, en Abraham weet dat hij zich op God kan verlaten.

7. Gen. 22:1-19 is dus een “Vertrauensgeschichte”, maar deze gaat gepaard met een enorme aanvechting, volgens Neef. Een aanvechting ten aanzien van God. Hij neemt deze aanvechting op drie vlakken waar. (a) Op het vlak van de verteller van Gen. 22:1-19: deze gaat ervan uit dat God de vrijheid heeft om Abraham te vragen zijn enige zoon te offeren, maar heeft de vertelling zo geconstrueerd dat duidelijk wordt dat God dit offer niet wil. Het verbale ingrijpen van de engel overstemt het eerdere bevel Izaäk te offeren; (b) Op het vlak van het personage Abraham: zijn aanvechting met God wordt in vs. 2 aangeduid, als Izaäk, die hij moet doden, wordt gekenschetst als zijn enige en beminde zoon. Neef verbindt het woord “enige” met het Oudtestamentische verstaan dat het verlies van de enige zoon of dochter een ramp betekende voor de ouders. In de sobere, gedetailleerde beschrijvingen van voorbereidingen van de reis (vs. 3) en van het offer (vs. 9) ziet Neef een literaire techniek die beoogt de lezer onwillekeurig deel te maken van Abrahams leed. (c) Op het vlak van de lezer en hoorder van de vertelling: die lezer maakt Abrahams gang met diens zoon volgens Neef mee. De lezer weet volgens Neef meer dan Abraham; hij weet dat het slechts om een beproeving gaat. Dit roept echter de vraag op wat de zin is van de beproeving: hoe kan God zo’n opdracht geven? Waarom riskeert hij de dood van Izaäk? De opdracht roept stil verzet op bij de lezer, meent Neef, vanuit de geloofservaring met deze God. De lezer weet dat God een God van het leven is, en het leven van zijn volk en van elk mens wenst. De lezer kent Hem als de redder uit Egypte en uit de verhalen over uitredding van vele persoonlijke noodsituaties. God zelf geeft op de vragen van de lezer geen direct antwoord, aldus Neef, maar blijft met zijn handelen Zichzelf, zoals Hij in de verhalen van Israël naar voren treedt, uiteindelijk trouw. Hij roept middels de engel en bevrijdt daarmee de lezer en hoorder uit de nood van de godsaanvechting. Neef duidt dit aldus: “Nur Gott selbst kann aus dieser tiefsten Not befreien und niemand sonst.”72




1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   21


Dovnload 1.04 Mb.