Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Andrew Wommack Bijbelcommentaar Handelingen -hoofdstuk 22-23

Dovnload 172.33 Kb.

Andrew Wommack Bijbelcommentaar Handelingen -hoofdstuk 22-23



Pagina2/4
Datum14.10.2017
Grootte172.33 Kb.

Dovnload 172.33 Kb.
1   2   3   4

Opmerking 3 bij Handelingen 23:21: Dit wijst op een zelfmoordverdrag. Omdat Paulus een gevangene was, zou er een Romeinse lijfwacht zijn om hem te vergezellen. Als deze mannen Paulus wilden vermoorden, dan moesten ze tegen de Romeinse soldaten vechten. Dit zou ongetwijfeld een snelle dood voor hen tot gevolg hebben, zelfs als ze zouden slagen in hun missie om Paulus te vermoorden.

22 De overste dan liet de jongeman gaan en beval hem: Laat u tegen niemand erover uit, dat gij mij dit hebt te kennen gegeven.

23 En hij riep een tweetal hoofdlieden bij zich en zeide: Laat tweehonderd soldaten zich gereed houden om naar Caesarea te trekken en zeventig ruiters en tweehonderd lansdragers omtrent het derde uur van de nacht;
Opmerking 1 bij Handelingen 23:23: Dit maakte het totaal op 470 soldaten die waren aangewezen om Paulus te beschermen. Dat was een behoorlijke escorte voor één kleine apostel. De Heer gebruikte dezelfde macht die Jezus had gekruisigd en Jakobus had vermoord om de apostel Paulus op een grootse manier te beschermen.

24 en laat men rijdieren voorbrengen om Paulus daarop te zetten en veilig over te brengen naar stadhouder Felix.
Opmerking 2 bij Handelingen 23:24: Volgens de geschiedenis was Felix oorspronkelijk een slaaf die om onbekende redenen door Claudius Caesar (zie opmerking 3 bij Hand. 11:28)47 tot stadhouder (of gouverneur) van Judea was benoemd. Er wordt verteld dat Felix een vergunning had om iedere mogelijke misdaad te bedrijven en dat hij zich vaak uitleefde in iedere mogelijke wreedheid en wellust.
Felix begeerde Drusilla, de dochter van Herodes Agrippa I (zie opmerking 3 bij Luc. 3:1)48 als zijn vrouw terwijl zij nog getrouwd was met Azizus, de koning van Emesa. Hij bereikte dit met de hulp van Simon, een tovenaar.
Er wordt ook verhaald dat Felix Jonathan, een hogepriester die niet in de Schrift wordt genoemd, had laten vermoorden door schurken die zich mengden tussen de menigte die naar Jeruzalem ging om te aanbidden.
Felix zetelde in Caesarea (zie opmerking 2 bij Hand. 8:40)49 waar Paulus uit veiligheidsoverwegingen naar toe werd gebracht. Paulus verdedigde zichzelf voor Felix, waar zijn Joodse aanklagers ook bij aanwezig waren (Hand. 24:1-2), maar Felix hield Paulus twee jaar gevangen (Hand. 24:27)50. Paulus was niet in boeien, maar hij werd bewaakt door een hoofdman die toestond dat zijn vrienden hem vrijelijk konden bezoeken.
Gedurende deze tijd liet Felix Paulus bij zich roepen en hij werd bevreesd toen Paulus met hem redeneerde over rechtvaardigheid, ingetogenheid en het toekomstig oordeel (Hand. 24:25)51. Felix hield Paulus in gevangenschap om de Joden een gunst te bewijzen (Hand. 24:27) en ook omdat hij hoopte dat Paulus hem geld zou aanbieden voor zijn vrijlating (Hand. 24:26)52.
Tijdens de gevangenschap van Paulus in Caesarea werd Felix naar Rome ontboden om vragen te beantwoorden over de toenemende onrust in Judea. Felix vermeed lichamelijke straf door de tussenkomst van zijn broer Pallas, maar hij werd als stadhouder van Judea vervangen door Porcius Festus (Hand. 24:27).

25 En hij schreef een brief van de volgende inhoud:

26 Claudius Lysias groet de hoogedele stadhouder Felix.

27 Daar deze man door de Joden gevangengenomen was en door hen omgebracht zou worden, ben ik tussenbeide gekomen met mijn manschappen en heb hem buiten hun bereik gebracht, daar ik vernomen had, dat hij een Romein was;
Opmerking 3 bij Handelingen 23:27: Deze verklaring van Claudius Lysias was niet naar waarheid. Hij had niet eerder vernomen dat Paulus een Romeins burger was (Hand. 22:25-29)53 dan nadat hij hem uit de menigte had gered (Hand. 21:31)54. Dit was niets anders dan een poging om zichzelf voor eigen doeleinden in een beter daglicht te stellen dan wat hij verdiende.

28 en begerende te weten te komen, waarvan zij hem beschuldigden, bracht ik hem in hun Raad.

29 Het bleek mij, dat hij werd beschuldigd inzake vragen van hun wet, doch er was geen aanklacht, waarop dood of gevangenschap staat.
Opmerking 4 bij Handelingen 23:29: Claudius Lysias geeft hier toe dat er geen reden was om Paulus gevangen te zetten. Hij kon hem hebben laten gaan. Het is mogelijk dat hij Paulus in bewaring hield om hem te beschermen.

30 En daar mij was aangebracht, dat er een aanslag tegen deze man zou worden gepleegd, liet ik hem onmiddellijk naar u brengen en heb ik ook de aanklagers gelast in uw tegenwoordigheid te zeggen, wat zij tegen hem hebben.

31 De soldaten dan namen Paulus over, gelijk hun bevolen was, en brachten hem des nachts naar Antipatris;
Opmerking 5 bij Handelingen 23:31: Antipatris lag aan een belangrijke kustweg, op de plaats van de Oudtestamentische stad Afek (1 Sam. 4:1; 29:1)55. Herodes de Grote (zie nogmaals opmerking 3 bij Luc. 3:1) bouwde Antipatris in 9 v.C. en noemde de stad naar zijn vader Antipater.
De stad lag ruim 40 km ten zuiden van Caesarea (zie nogmaals opmerking 2 bij Hand. 8:40) en bijna 65 km ten noorden van Jeruzalem (zie opmerking 1 bij Joh. 5:1)56. In Handelingen 23:23 staat dat Paulus en de soldaten Jeruzalem om 21.00 uur in de avond verlieten en dit vers impliceert dat ze Antipatris in de ochtend bereikten. Dat was een behoorlijke prestatie, vooral ’s nachts.

32 en de volgende dag lieten zij de ruiters met hem verder trekken en keerden naar de kazerne terug.

33 Toen de anderen te Caesarea kwamen en de brief aan de stadhouder overhandigd hadden, brachten zij ook Paulus voor hem.
Opmerking 6 bij Handelingen 23:33: Deze brief van Claudius Lysias aan Felix was een formele brief.

34 En na die gelezen te hebben, vroeg de stadhouder hem, uit welke provincie hij was, en vernemende, dat hij uit Cilicië was,

35 zeide hij: Ik zal u nader in verhoor nemen, zodra ook uw beschuldigers hier gekomen zijn. En hij beval hem in het paleis van Herodes in bewaring te houden.
Opmerking 7 bij Handelingen 23:35: Dit paleis diende als gerechtsgebouw, net zoals dat in Jeruzalem waar Christus bij Zijn terechtstelling voor Pilatus werd gebracht (Matt. 27:27; Joh. 18:28)57. Beide gebouwen, dat in Jeruzalem en dat in Caesarea, waren gebouwd door Herodes de Grote (zie nogmaals opmerking 3 bij Luc. 3:1) en hadden daarom hetzelfde ontwerp.
Eindnoten Handelingen 22 en 23:

(Om in Word terug te gaan: zet de cursor in de eindnoot, klik rechts, kies "Ga naar eindnoot")


1 Hand. 8:1 En er ontstond te dien dage een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem; en allen werden verstrooid over de streken van Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen.

Hand. 9:1-2 En Saulus, nog dreiging en moord blazende tegen de discipelen des Heren, ging naar de hogepriester, en vroeg van hem brieven naar Damascus voor de synagogen, om, als hij mannen en vrouwen, die van die weg waren, zou vinden, hen gevankelijk naar Jeruzalem te brengen.




2 Hand. 26:10 wat ik dan ook gedaan heb te Jeruzalem; en ik heb vele van de heiligen in gevangenissen opgesloten, waartoe ik de macht van de overpriesters ontvangen had; en als zij zouden omgebracht worden, heb ik mijn stem eraan gegeven.


3 Hand. 26:13 zag ik, o koning, midden op de dag onderweg een licht, schitterender dan de glans der zon, van de hemel mij en hen, die met mij reisden, omstralen;


4 Hand. 9:3 En terwijl hij daarheen op weg was, geschiedde het, toen hij Damascus naderde, dat hem plotseling licht uit de hemel omstraalde;

Opmerking 3 bij Handelingen 9:3: Door dit verslag van de bekering van Saulus te vergelijken met zijn eigen verslagen van deze ervaring in Handelingen 22 en 26 krijgen we een completer beeld van wat er gebeurde. Hieronder staan de aanvullingen van Paulus op het verslag van Handelingen 9 toen hij tijdens zijn verdediging voor de Joden in Jeruzalem (Handelingen 22) en koning Agrippa (Handelingen 26) over zijn bekering vertelt.

De verschijning van de Heer gebeurde tijdens het middaguur (22:6) of de middag (26:13). Het licht was feller dan de middagzon (26:13) en omstraalde ook degenen die met Saulus reisden (26:13). Iedereen die met Saulus was viel op de grond (26:14) en hoorde de stem (vers 7), maar de anderen herkenden het niet als een stem (22:9, zie opmerking 6 bij Joh. 12:28 en opmerking 7 bij vers 7 hieronder). Handelingen 26:14 onthult dat de Heer tot Paulus in de Hebreeuwse taal sprak.

Handelingen 26 combineert de woorden van de Heer "Waarom vervolg je Mij" en "het valt je zwaar tegen de prikkels achteruit te slaan" tot één ononderbroken zin, waarmee het afwijkt van Handelingen 9:5 en 22:7-8. Het is hoogst waarschijnlijk dat Paulus de aanvullende openbaring die hij in Damascus kreeg toevoegde aan het verslag van zijn bekering in Handelingen 26 om het aan koning Agrippa te verduidelijken en daarom was de chronologische nauwkeurigheid niet een factor. In Handelingen 22:8 voegt Paulus toe dat Jezus zichzelf bekend maakte als "Jezus van Nazaret". Saulus werd verteld welke dingen de Heer in Damascus voor hem had geregeld (22:10). De verblinding van Paulus was een direct gevolg van de felheid van het licht (22:11).


5 Joh. 12:29 De schare dan, die daar stond en toehoorde, zeide, dat er een donderslag geweest was; anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.


6 Joh. 12:28 Vader, verheerlijk uw naam! Toen kwam een stem uit de hemel: Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem nogmaals verheerlijken!

Opmerking 6 bij Joh. 12:28: Dit is de derde keer dat er in de evangeliën verslag van wordt gedaan dat de Vader in een hoorbare stem tot of over Jezus sprak (1e – bij de doop van Jezus in de rivier de Jordaan - Marc. 1:11; Luc. 3:22; 2e – bij de verheerlijking van Jezus op de berg – Matt. 17:5; Marc. 9:7; Luc. 9:35).

Dit vers maakt duidelijk dat de Vader sprak met een stem. Er zijn echter verschillende verslagen van dezelfde gebeurtenis. Sommige mensen hoorden een stem en dachten dat een engel sprak. Anderen dachten dat het een donderslag was (vers. 29). Dit illustreert dat "de ongeestelijke mens niet aanvaardt wat van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is" (1 Kor. 2:14). Een vleselijk mens met een verhard hart (zie opmerking 10 bij Marc. 6:52 en opmerking 3 bij Marc. 8:17) zal altijd een natuurlijke verklaring vinden voor het bovennatuurlijke, zelfs als hij een hoorbare stem van God hoort.




7 Hand. 9:18 En terstond vielen hem als schubben van de ogen en hij kon weer zien, en hij stond op en werd gedoopt.


8 Matt. 8:16 Toen het nu avond werd, bracht men vele bezetenen tot Hem; en Hij dreef de geesten uit met zijn woord en die ernstig ongesteld waren genas Hij allen.

Opmerking 1 bij Matt. 8:16: In de evangeliën genas Jezus zeventien keer alle zieken die aanwezig waren (Matt. 4:23-24; 8:16-17; 9:35; 12:15; 14:14,34-36; 15:30-31; 19:2; 21:14; Marc. 1:32-34,39; 6:56; Luc. 4:40; 6:17-19; 7:21; 9:11; 17:12- 17). Er zijn 47 andere gebeurtenissen waar Hij één of twee mensen per keer genas (Matt. 8:1-4,5-13,14-15,28-34; 9:1-8,20-33; 12:10-13,22-23; 15:21-28; 17:14-18; 20:30-34; Marc. 1:21-31,40- 45; 2:1-12; 3:1-5; 5:1-20,25-43; 7:24-37; 8:22-26; 9:14-29; 10:46-52; Luc. 4:33-39; 5:12-15,17-26; 6:6-10; 7:1-17; 8:27- 39,43-56; 9:37-42; 11:14; 13:11-17; 14:1-5; 18:35-43; 22:51; Jn. 4:46-54; 5:2-15; 9:6-7; 11:43-44). Nergens vinden we dat Jezus weigerde om iemand te genezen. In het licht van de verklaring van Jezus dat Hij niets uit Zichzelf kon doen maar alleen wat Hij de Vader zag doen (Joh. 5:19 en 8:28-29), zijn Zijn daden genoeg bewijs dat het altijd Gods wil is om te genezen.


9 Matt. 8:17 opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken werd door de profeet Jesaja, toen hij zeide: Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen.

Opmerking 2 bij Matt. 8:17: Het feit dat in dit vers de woorden "ongerechtigheden" en "striemen" in Jesaja 53:4 vervangen worden door "zwakheden" en "ziekten" maakt duidelijk dat toen Jesaja zei "door Zijn striemen is ons genezing geworden" (Jes. 53:5) hij over fysieke genezing van onze lichamen sprak. Jezus voorzag zowel in fysieke genezing als in vergeving van zonden. Het woord "behoud" (Grieks "sozo") wordt vertaald met "heelgemaakt" in de zin van fysieke genezing in Matteüs 9:22, Marcus 5:34 en Lucas 8:48. In Jakobus 5:15 staat "het gelovige gebed zal de lijder gezond maken" (sozo). Veel schriftplaatsen noemen de genezing van onze lichamen in combinatie met de vergeving van onze zonden. Voorbeelden zijn Psalm 103:3; Jesaja 53:4-6 en 1 Petrus 2:24. Genezing is, evenzeer als vergeving van onze zonden, onderdeel van onze redding.


10 1 Kor. 11:23 Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam,

1 Kor. 15:3 Want vóór alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften,

Gal. 1:12 Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus.


11 2 Kor. 12:2-4 Ik weet van een mens in Christus, veertien jaar is het geleden – of het in het lichaam was, weet ik niet, of dat het buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het – dat die persoon weggevoerd werd tot in de derde hemel. En ik weet van die persoon – of het in het lichaam of buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het – dat hij weggevoerd werd naar het paradijs en onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken.


12 Marc. 7:13 En zo maakt gij het woord Gods krachteloos door uw overlevering, die gij overgeleverd hebt. En dergelijke dingen doet gij vele.

Opmerking 8 bij Marc. 7:13: We kunnen de positieve kracht van Gods Woord teniet doen en niets zal dat sneller doen dan de overleveringen van mensen boven Gods Woord te stellen. Gods Woord is dan nog steeds waar (Rom. 3:3-4) en zal niet ledig wederkeren (Jes. 55:11), maar het kan de negatieve resultaten van oordeel voortbrengen in plaats van de positieve resultaten van redding (Joh. 12:48). De Joden die Egypte verlieten ontvingen niet de positieve resultaten van het land dat God beloofde, omdat ze geloof niet mengden met het woord dat ze hoorden (Heb. 4:2).


13 Marc. 7:15 Niets, dat van buiten de mens in hem komt, kan hem onrein maken, maar hetgeen uit de mens naar buiten komt, dat is het, wat hem onrein maakt.

Opmerking 9 bij Marc. 7:15: Het lijkt erop dat deze verklaring volkomen tegengesteld is aan Leviticus 11:40; 22:8; Deuteronomium 14:7-8, 12-19, 21 en andere tekstgedeelten uit het Oude Testament. In Kolossenzen 2:16-17 wordt echter verteld dat deze dieetwetten uit het Oude Testament schaduwen (of afbeeldingen) waren van de geestelijke waarheden die tot werkelijkheid zouden worden in het Nieuwe Verbond. Deze Farizeeën (net zoals veel Christenen tegenwoordig) misten iedere geestelijke betekenis van deze wetten en zagen alleen de fysieke handelingen.

De echte geestelijke bedoeling waar deze dieetwetten uit het Oude Testament een afbeelding van zijn was dat we in alles heilig (apart gezet) voor God zouden moeten zijn – zelfs in wat we eten. De tekst uit het Nieuwe Testament die hiermee overeenkomt is 1 Korintiërs 10:31 “Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods.” Onder de wet van het Oude Testament was het verboden om bepaalde dieren te eten of aan te raken (Lev. 11; Deut. 14:3-21), niet omdat er iets verkeerds was met die dieren, maar om het afgescheiden zijn aan God te illustreren en om te dienen als een voortdurende herinnering aan dit apart gezet zijn. Onder het Nieuwe Testament zien we dat geen enkel dier onrein is, of zelfs maar was, van zichzelf (Rom. 14:14; 1 Tim. 4:1-5). Het aanwijzen van bepaalde dieren als onrein in het Oude Testament was zuiver symbolisch, en daarom kon Jezus dit verklaren.

Wat Jezus hier zegt heeft echter op meer betrekking dan dat er volgens het Oude Testament reine en onreine dieren zijn. Hij zei dat niets wat via de mond van iemand binnenkwam hem kon verontreinigen. Deze verklaring kan echter niet zo worden geïnterpreteerd dat we ieder soort misbruik aan ons lichaam, zoals gulzigheid en drugsgebruik, door de vingers kunnen zien. Jezus legt hier juist uit dat de toestand van het hart van iemand belangrijker is dan zijn fysieke lichaam. Het hart van een mens controleert het lichaam (Spr. 23:7). Het is niet andersom. Zonde maakt ons hart niet slecht, maar een slecht hart maakt dat we zondigen. God ziet ons hart aan (1 Sam. 16:7), en voor Hem hangt onze reinheid of onze verontreiniging er alleen van af of we gereinigd zijn in onze geest door het bloed van het Lam.


14 Hand. 15:1 En sommigen, uit Judea gekomen, leerden de broeders: Indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet behouden worden.

Opmerking 2 bij Handelingen 15:1: Om het standpunt van de Joden ten aanzien van besnijdenis te begrijpen, is het nodig om de besnijdenis in het Oude Testament een beetje te begrijpen, en hoe de Joden dit verkeerd hadden beoordeeld.

In Genesis 17:9-14 was het verbond van de besnijdenis aan Abram gegeven. In vers 14 zei de Heer dat iedere man die het vlees van zijn voorhuid niet laat besnijden uitgeroeid zou worden. Dit plaatste een grote nadruk op de daad van besnijdenis, maar zoals Paulus in Romeinen 4:3-13 uitlegt, was Abraham al gerechtvaardigd door geloof voordat hij besneden werd. Tenminste 13 jaar voordat de Heer aan Abram opdroeg om zich te laten besnijden (Gen. 17:24-26), werd Abram gered door zijn geloof (Gen. 15:6).

De Joden waren gericht op de uiterlijke daad van gehoorzaamheid in plaats van op de innerlijke daad van geloof waardoor Abraham gehoorzaam was geworden. Dit was ook de bron van twist tussen Jezus en de religieuze leiders. Zij legden de nadruk op de uiterlijke daden die de Heer had bevolen om te doen en ze gingen volkomen voorbij aan de motieven van het hart (Matt. 23:27-28), terwijl Jezus zei dat als iemand zijn hart zou reinigen, het onvermijdelijk was dat zijn daden ook zouden veranderen (zie opmerking 21 bij Matt. 23:26).

De waarheid van redding door geloof was in het Judaïsme verloren gegaan, en hoewel veel Joden in Jezus als hun Redder waren gaan geloven, probeerden ze geloof en het houden van de geboden te mengen alsof voor de redding deze beide nodig zouden zijn.

Paulus werd Gods voorvechter voor de leer van redding door genade. Zelfs Petrus en Barnabas worstelden met deze kwestie (Gal. 2:11-21). Aan het einde van zijn leven schreef Petrus over Paulus en zei hij dat zijn onderwijs moeilijk te begrijpen was, maar dat alleen diegenen die onkundig en onstandvastig waren er weerstand tegen boden (2 Petr. 3:15-16).

De vraag of heidenen wel of niet besneden moesten worden, welke op deze eerste gemeentevergadering werd besproken, was feitelijk een zaak of geloof wel of niet de basis voor redding was, of dat het geloof plus het houden van de geboden was. Door het getuigenis van Petrus overtuigde de Heer de oudsten dat besnijdenis (of het houden van ieder ander gebod) niet nodig was voor redding als er geloof in Jezus was (Rom. 3:28). Dit is de fundamentele waarheid van het Nieuwe Testament en het is de belangrijkste leerstelling van de Nieuwtestamentische brieven aan de Romeinen, de Galaten, de Efeziërs en de Hebreeën.




15 Luc. 7:9 Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich over hem, en Zich kerende tot de schare, die Hem volgde, sprak Hij: Ik zeg u, zelfs in Israël heb Ik een zó groot geloof niet gevonden!

Opmerking 3 bij Luc. 7:9: De Joden hadden het feit dat God de Israëlieten had gekozen om Zijn volk te zijn verkeerd geïnterpreteerd. Ze dachten dat niemand werkelijk God zou kunnen kennen tenzij hij een Jood was of werd. Jezus wijst bij een aantal gelegenheden op het feit dat God ook van de heidenen hield en hun gebeden beantwoordde (Luc. 4:24-27; zie introductie tot het evangelie van Lucas). Dit is ongetwijfeld Zijn oogmerk om hier zo te praten over het geloof van de hoofdman. Hij wijst de vrome Joden erop dat deze heiden een groter geloof had dan wat Hij bij welke Jood dan ook had gezien.


16 Hand. 10:45 En al de gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus waren medegekomen, stonden verbaasd, dat de gave van de heilige Geest ook over de heidenen was uitgestort,

Opmerking 3 bij Handelingen 10:45: Sommige geleerden hebben berekend dat deze gebeurtenis wel tien jaar na de Pinksterdag plaatsvond. In ieder geval was Petrus, en mogelijk ook een aantal andere Joden, al zo lang wedergeboren en wandelde hij al zo lang met de Heer in zo'n intieme relatie dat zijn schaduw mensen genas (Hand. 5:15) en anderen uit de dood werden opgewekt (Hand. 9:41). Toch waren ze totaal verrast om te zien dat God de heidenen aanvaardde, wat toch duidelijk in de geschriften van het Oude Testament was voorzegd (Jes. 11:10; 42:6; 49:6, 22; 60:3-16; 62:2; 66:19; Jer. 16:19-21; Mal. 1:11) en waarvan Jezus Zelf had gesproken (Matt. 8:11-12; 21:42-43; Joh. 10:16; Luc. 4:25-27; 13:29).

Dit illustreert dat de Heer ons niet onmiddellijk in alle waarheid leidt, maar dat er een groeiproces is (Jes. 28:9). Iedere gelovige heeft genoeg "blinde vlekken" zodat we niet het recht hebben om een "betweterig"-gedrag aan te nemen. "Indien iemand zich inbeeldt enige kennis verworven te hebben, dan heeft hij nog niet leren kennen, zoals het behoort" (1 Kor. 8:2).




17 Hand. 16:37 Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons, hoewel wij Romeinen zijn, zonder vorm van proces in het openbaar gegeseld en in de gevangenis gezet, en willen zij ons er nu ongemerkt uitzetten? Geen sprake van; laten zij zelf komen en ons eruit leiden.

Opmerking 2 bij Handelingen 16:37: De Romeinse wet verbiedt dat een Romeinse burger wordt vastgebonden en geslagen zonder een gerechtelijk vonnis (Hand. 22:25-29). Geen enkele Romein kon tot de dood worden veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben zich bij zijn aanklagers tegen de aanklacht te verdedigen (Hand. 25:16). De Romeinen beschouwden ieder onrecht dat een individuele burger werd aangedaan als een belediging aan geheel Rome. Daarom zou iedere Romeinse ambtenaar die deze wetten overtrad zeker gestraft worden, waarschijnlijk wel met de dood.


18 Hand. 16:37 Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons, hoewel wij Romeinen zijn, zonder vorm van proces in het openbaar gegeseld en in de gevangenis gezet, en willen zij ons er nu ongemerkt uitzetten? Geen sprake van; laten zij zelf komen en ons eruit leiden.

Opmerking 3 bij Handelingen 16:37: Het is interessant dat Paulus en Silas de hoofdlieden niet hadden verteld voordat zij geslagen werden dat zij Romeinse burgers waren. Ze hadden de striemen en de gevangenneming kunnen vermijden. Bij een andere gelegenheid ontliep Paulus een pak slaag door zijn burgerschap bekend te maken. Het is echter duidelijk dat het eigenlijk veel beter uitpakte zoals het nu gebeurde.

Het is voldoende om te zeggen dat de Heer hem moet hebben geleid in de manier waarop ze het deden. De meeste mensen zouden er niet voor hebben opengestaan als de Heer hen in een dergelijke richting had geleid, omdat het gepaard ging met fysieke pijn en persoonlijk lijden. Niemand zal ooit op een succesvolle manier door de Heer geleid kunnen worden totdat zij “zelf” hebben aangepakt.




19 Hand. 25:10-12 En Paulus zeide: Ik sta voor de keizerlijke rechtbank, en dáár moet ik terechtstaan. Tegen de Joden heb ik niets misdreven, gelijk ook gij zeer wel inziet. Indien ik echter schuldig ben en een halsmisdaad gepleegd heb, verzet ik mij niet tegen een doodvonnis; maar indien er niets waar is van datgene, waarvan dezen mij betichten, dan kan niemand mij bij wijze van gunst aan hen uitleveren: ik beroep mij op de keizer! Toen antwoordde Festus, na overleg met zijn Raad: Op de keizer hebt gij u beroepen, naar de keizer zult gij gaan!


20 Hand. 9:11 En de Here zeide tot hem: Sta op en ga naar de straat, die de Rechte heet, en vraag ten huize van Judas naar iemand uit Tarsus, genaamd Saulus, want zie, hij is in gebed
1   2   3   4

  • Opmerking 1 bij Handelingen 23:23
  • Opmerking 2 bij Handelingen 23:24
  • Opmerking 3 bij Handelingen 23:27
  • Opmerking 4 bij Handelingen 23:29
  • Opmerking 5 bij Handelingen 23:31
  • Opmerking 6 bij Handelingen 23:33
  • Opmerking 7 bij Handelingen 23:35
  • Eindnoten Handelingen 22 en 23
  • Opmerking 3 bij Handelingen 9:3
  • Opmerking 6 bij Joh. 12:28
  • Opmerking 1 bij Matt. 8:16
  • Opmerking 2 bij Matt. 8:17
  • Opmerking 8 bij Marc. 7:13
  • Opmerking 9 bij Marc. 7:15
  • Opmerking 2 bij Handelingen 15:1
  • Opmerking 3 bij Luc. 7:9
  • Opmerking 3 bij Handelingen 10:45
  • Opmerking 2 bij Handelingen 16:37
  • Opmerking 3 bij Handelingen 16:37

  • Dovnload 172.33 Kb.