Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Andrew Wommack Bijbelcommentaar Handelingen -hoofdstuk 22-23

Dovnload 172.33 Kb.

Andrew Wommack Bijbelcommentaar Handelingen -hoofdstuk 22-23



Pagina3/4
Datum14.10.2017
Grootte172.33 Kb.

Dovnload 172.33 Kb.
1   2   3   4

Opmerking 3 bij Handelingen 9:11: Tarsus was de hoofdstad van Cilicië en de geboorteplaats van de apostel Paulus. Paulus werd in Jeruzalem opgevoed "aan de voeten van Gamaliël" (Hand. 22:3), maar na zijn bekering keerde hij naar Tarsus terug, totdat Barnabas hem opzocht en hij zijn openbare bediening begon.


21 Hand. 6:9 Doch er stonden sommigen op van hen, die waren van de zogenaamde synagoge der Libertijnen, der Cyreneeërs en der Alexandrijnen en van de Joden uit Cilicië en Asia en redetwistten met Stefanus,

Opmerking 5 bij Handelingen 6:9: Cilicië was een zuidoostelijke provincie van Klein-Azië met als voornaamste plaats Tarsus, de geboorteplaats van Saulus.


22 Hand. 11:28 en één uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius.

Opmerking 3 bij Handelingen 11:28: In het Nieuwe Testament worden vier Romeinse keizers genoemd. De eerste keizer is Augustus, of Octavius, een achterneef van Julius Caesar, één van de grootste generaals aller eeuwen en dictator van Rome, die omstreeks 44 v. Chr. werd vermoord. Augustus deelde aanvankelijk de Romeinse troon met Marcus Antonius en Lepidus, maar werd uiteindelijk alleenheerser van Rome en kreeg de keizerstitel. Augustus vaardigde het bevel uit dat de hele wereld belasting moest betalen, wat als gevolg had dat Jozef en Maria naar Betlehem moesten gaan waar Jezus werd geboren (Luc. 2:1-7). Augustus stond toe dat er op zijn kosten dagelijks in de tempel werd geofferd. Caesarea Filippi en Caesarea aan de Zee werden door Herodes ter ere van hem gebouwd (zie opmerking 3 bij Luc. 3:1). Hij stierf omstreeks 14 na Chr. op 67-jarige leeftijd.

De tweede keizer die in de Schrift wordt genoemd is Tiberius. Hij was de aangenomen zoon van Augustus en er wordt naar hem verwezen in Matteüs 22:17, Marcus 12:14; Lucas 3:1; 20:22; Joh. 19:12. De stad Tiberias aan het meer van Galilea werd door Herodes Antipas voor hem gebouwd (zie eveneens opmerking 3 bij Luc. 3:1). Tiberius stierf in 37 na Chr. op 79-jarige leeftijd.

De derde keizer die in de Schrift wordt genoemd is Claudius. Hij volgde in 41 na Chr. keizer Caligula op en stierf in 54 na Chr. op 64-jarige leeftijd omdat zijn vrouw Agrippina hem had vergiftigd.

De vierde keizer die in de Schrift wordt genoemd is Nero. Naar hem wordt verwezen in Handelingen 17:7; 25:8, 10-12, 21; 26:32; 27:24; 28:19; en Filippenzen 4:22. Hij was de aangenomen zoon van Claudius en stond bekend om zijn wreedheid, inclusief het vergiftigen van zijn stiefbroer Britannicus om de troon te bemachtigen. Hij beschuldigde de volgelingen van Christus ervan dat ze Rome in brand hadden gestoken, wat een massaslachting onder de Christenen tot gevolg had. Hij werd door zijn troepen in de steek gelaten en pleegde in 68 na Chr. op 32-jarige leeftijd zelfmoord.




23 Hand. 22:4 En ik heb deze weg ten dode toe vervolgd door mannen en vrouwen in boeien te slaan en gevangen te zetten.


24 Rom. 13:5 Daarom is het nodig zich te onderwerpen, niet slechts om de toorn, maar ook om des gewetens wil.

1 Kor. 8:7-12 Maar niet bij allen is die kennis. Want sommigen, in hun geweten nog niet los van de afgod, eten (dit vlees) als afgodenoffer en hun geweten, dat zwak is, wordt erdoor besmet. Nu zal wat wij eten, ons niet bij God brengen; eten wij niet, wij zijn er niet minder om; eten wij wèl, wij zijn er niet meer om. Maar ziet toe, dat deze bevoegdheid van u niet tot aanstoot voor de zwakken worde. Want indien iemand u, die kennis hebt, (aan tafel) ziet aanliggen in een afgodentempel, zal hij met zijn zwak geweten dan niet gestijfd worden tot het eten van offervlees? Dan gaat er immers iemand, die zwak is, ten gevolge van uw kennis verloren, een broeder, om wiens wil Christus gestorven is. Door zó tegen de broeders te zondigen, en hun geweten, indien het zwak is, te kwetsen, zondigt gij tegen Christus.

1 Kor. 10:25-29 Al wat in de vleeshal te koop is, moogt gij eten, zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar, want de aarde en haar volheid is des Heren. Indien een der ongelovigen u uitnodigt en gij wenst te gaan, eet dan alles, wat u wordt voorgezet, zonder dat gij navraag doet uit gewetensbezwaar. Doch indien iemand tot u zegt: Dat is gewijd vlees, eet het dan niet, om hem, die u dat te kennen gaf, èn om het geweten. Ik bedoel nu niet uw eigen geweten, maar dat van die ander. Want waartoe zou mijn vrijheid beoordeeld worden door eens anders geweten?


25 2 Kor. 1:12 Want dit is onze roem, het getuigenis van ons geweten, dat wij in heiligheid en reinheid Gods, niet in vleselijke wijsheid, maar in de genade Gods, in de wereld verkeerd hebben, in het bijzonder ten opzichte van u.

1 Tim. 1:5 En het doel van (alle) vermaning is liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof.

1 Tim. 1:19 met geloof en met een goed geweten. Omdat sommigen dit hebben verworpen, heeft hun geloof schipbreuk geleden.

1 Tim. 3:9 maar het geheimenis des geloofs bewarend in een rein geweten.

2 Tim. 1:3 Ik breng dank aan God, die ik, evenals mijn voorouders, met een rein geweten dien, dat ik u onophoudelijk mag gedenken in mijn gebeden, nacht en dag.


26 Heb. 9:9 Dit was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd, in zoverre gaven en offers gebracht werden, die niet bij machte waren hem, die (God daarmede) dient, voor zijn besef te volmaken.

Heb. 9:14 hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?

Heb. 10:2 Immers, zou anders het offeren daarvan niet opgehouden zijn, doordat degenen, die de dienst verrichten, na eenmaal gereinigd te zijn, generlei besef van zonden meer hadden?

Heb. 10:22 laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water.

Heb. 13:8 laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water.


27 1 Petr. 2:10 u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.

1 Petr. 3:16 en met een goed geweten, opdat bij al het kwaad, dat men van u spreekt, zij, die uw goede wandel in Christus smaden, beschaamd gemaakt worden.

1 Petr. 3:21 Als tegenbeeld daarvan redt u thans de doop, die niet is een afleggen van lichamelijke onreinheid, maar een bede van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus.


28 2 Tim. 4:2 verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting.

Titus 1:15 Alles is rein voor de reinen, maar voor hen, die besmet en onbetrouwbaar zijn, is niets rein. Maar bij hen zijn zowel het denken als het geweten besmet.




29 Hand. 24:1 En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananias met enige oudsten en een advocaat, Tertullus, om tegen Paulus bij de stadhouder hun klachten in te dienen.

Hand. 25:2 En de overpriesters en de voornaamsten der Joden dienden klachten tegen Paulus bij hem in.




30 Hand. 4:17 maar om te voorkomen, dat het nog meer onder het volk verbreid wordt, laat ons hun dreigend gebieden tot niemand meer te spreken op gezag van deze naam.

Opmerking 2 bij Handelingen 4:17: De reden waarom deze oversten wilden dat Petrus en Johannes niet meer in de naam van Jezus gingen prediken en onderwijzen was volkomen egoïstisch. Ze gaven niet om de zieken die de genezende aanraking van Jezus nodig hadden of de verlorenen die de redding nodig hadden die alleen Jezus kan geven. Ze dachten alleen maar aan zichzelf. Als alle Joden zich zouden bekeren tot Christus, dan zouden deze oversten niet meer de leiders zijn. Ze wilden hun macht en gezag handhaven en daarom vochten ze tegen de macht en het gezag van Jezus.

Tegenwoordig gaat het nog net zo. Mensen gebruiken leerstellige kwesties om te verhullen waar het werkelijk om gaat. De waarheid is dat "door overmoed slechts twist ontstaat" (Spr. 13:10). Mensen die graag de eerste willen zijn (3 Joh. 9) zijn gewoonlijk de aanstichters van vervolging. Dit is een belangrijke reden waarom Paulus de gemeente gebood om niet een pas-bekeerde in een gezagspositie te plaatsen (1 Tim. 3:6).




31 Hand. 5:17 Maar de hogepriester stond op en allen, die met hem waren – de zogenaamde partij van de Sadduceeën – en zij werden vervuld met naijver,

Opmerking 1 bij Handelingen 5:17: Het Griekse woord dat hier met "naijver" wordt vertaald, is "zelos". Dit woord wordt 18 keer in het Nieuwe Testament gebruikt en wordt vertaald als naijver (6 keer), naijverig (1 keer), ijver (5 keer), ijveren (1 keer), nijd (3 keer), afgunst (1 keer) en moeite (1 keer). Dit is een ander woord dan het Griekse woord dat in het Nieuwe Testament ook met "naijver" wordt vertaald waar het betekent dat het "verdriet veroorzaakt, niet omdat iemand anders het heeft, maar omdat men het zelf niet heeft en probeert zo'n gebrek in zichzelf aan te vullen". Deze naijver van de Sadduceeën had daarom zijn basis in afgunst of jaloezie.

In Spreuken 13:10 staat: "Door overmoed onstaat slechts twist". Zelfgerichtheid is altijd de wortel van iedere twist en vervolging. Deze Sadduceeën waren jaloers op de aanhang die de apostelen kregen. Zij wilden die erkenning en de roem omdat ze de geestelijke leiders van Israël waren, en die positie werd bedreigd. Ze konden niet wedijveren met de geestelijke kracht van de apostelen en daarom namen ze hun toevlucht tot fysiek machtsvertoon.

Als je er op deze manier naar kijkt is vervolging eigenlijk een compliment van onze vervolgers. We zouden ons moeten verheugen dat wij het waard zijn om ter wille van Zijn naam smadelijk behandeld te worden (Hand. 5:41).


32 Hand. 20:30 en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken.

Opmerking 11 bij Handelingen 20:30: Weer zien we dat trots, of het verhogen van jezelf, ten grondslag ligt aan alle scheidingen (Spr. 13:10). Dit veroorzaakte dat de Farizeeën Jezus en de apostelen vervolgden (zie opmerking 2 bij Hand. 4:17 en opmerking 1 bij Hand. 5:17), en dit veroorzaakt ook twisten in de tegenwoordige gemeente.


33 Hand. 16:25 Maar omstreeks middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gods lof, en de gevangenen luisterden naar hen.


34 Hand. 16:9 En Paulus kreeg in de nacht een gezicht; er stond een Macedonisch man, die hem toeriep: Steek over naar Macedonië en help ons.


35 Hand. 16:10 Toen hij het gezicht gezien had, zochten wij dadelijk gelegenheid om naar Macedonië te vertrekken, daar wij eruit opmaakten, dat God ons had geroepen om hun het evangelie te verkondigen.


36 Hand. 21:4 En wij vonden de discipelen en bleven daar zeven dagen. Dezen zeiden Paulus door de Geest, dat hij zich niet naar Jeruzalem moest inschepen.

Opmerking 4 bij Handelingen 21:4: Sommige mensen hebben geopperd dat dit vers eigenlijk niet zegt dat de Heilige Geest Paulus verbood om naar Jeruzalem te gaan. De Heilige Geest zei juist dat hij niet naar Jeruzalem zou moeten gaan als hij niet vervolgd wilde worden. Als dat het geval was, dan had Paulus een keuze en kon hij eenvoudigweg ervoor gekozen hebben om door te reizen naar Jeruzalem. Dit zou een antwoord geven op de vele vragen of dit een voorbeeld was dat Paulus God ongehoorzaam was.

Hoewel er een argument voor is dat uit dit vers wordt geconcludeerd dat Paulus een keuze werd gegeven, wordt het niet duidelijk gezegd. Op het eerste gezicht zou dit vers suggereren dat Paulus de Heilige Geest ongehoorzaam was, hoewel dit helemaal niet strookt met zijn eerdere handelingen (bijv. Hand. 16:6-7) en zijn latere verklaringen (Hand. 23:1). Het is opmerkelijk dat Paulus in zijn latere brieven dit niet een zonde of vergissing noemt en dit geeft te meer een reden om ervan uit te gaan dat hij een keuze moet hebben gehad.




37 Hand. 21:11 Toen deze bij ons gekomen was, nam hij de gordel van Paulus, en zich voeten en handen bindende, zeide hij: Dit zegt de heilige Geest: De man, van wie deze gordel is, zullen de Joden te Jeruzalem zo binden en uitleveren in de handen der heidenen.

Opmerking 2 bij Handelingen 21:11: Anders dan de boodschap van de Heilige Geest die Paulus in Tyrus ontving (zie nogmaals opmerking 1 bij Hand. 12:20), werd in deze profetie niet gezegd dat Paulus niet naar Jeruzalem zou moeten gaan. Er werd hem verteld wat hem daar zou gebeuren (zie opmerking 4 bij Hand. 21:4).


38 Hand. 24:27 Maar de overste Lysias is tussenbeide gekomen en heeft hem met groot geweld buiten ons bereik gebracht.


39 Hand. 25:2-3 En de overpriesters en de voornaamsten der Joden dienden klachten tegen Paulus bij hem in, en verwachtten van hem een gunst ten nadele van Paulus, verlangende, dat hij hem naar Jeruzalem zou laten komen, daar zij een aanslag smeedden om hem onderweg om te brengen.


40 Hand. 25:10-11 En Paulus zeide: Ik sta voor de keizerlijke rechtbank, en dáár moet ik terechtstaan. Tegen de Joden heb ik niets misdreven, gelijk ook gij zeer wel inziet. Indien ik echter schuldig ben en een halsmisdaad gepleegd heb, verzet ik mij niet tegen een doodvonnis; maar indien er niets waar is van datgene, waarvan dezen mij betichten, dan kan niemand mij bij wijze van gunst aan hen uitleveren: ik beroep mij op de keizer!


41 Hand. 16:10 Toen hij het gezicht gezien had, zochten wij dadelijk gelegenheid om naar Macedonië te vertrekken, daar wij eruit opmaakten, dat God ons had geroepen om hun het evangelie te verkondigen.

Opmerking 3 bij Handelingen 16:10: Vanwege dit gezicht was er geen twijfel dat de Heer hem had geleid om het Evangelie in Macedonië te prediken. Daarom zouden de meeste mensen niets anders dan goede dingen verwachten, omdat ze wisten dat ze in de perfecte wil van God waren. Maar binnen de kortste keren zaten Paulus en Silas echter in een blok in een kerker in Filippi. Paulus en zijn gezelschap werden ook vervolgd in Tessalonica (Hand. 17:5-9) en Berea (Hand. 17:13), zodat Paulus voor zijn leven moest vluchten (Hand. 17:14-15). Ze hadden niets anders dan problemen, maar het is zeker dat ze precies dat deden wat de Heer wilde dat ze deden.

De misvatting dat “als God er bij is, zullen er geen problemen zijn” is niet alleen verkeerd, maar het is gevaarlijk. Dit soort denken heeft gemaakt dat veel mensen “ervan afzien” van wat God hen verteld heeft te doen als dingen niet gaan zoals ze verwachten. Als Paulus zo had gedacht, dan zou satan het Evangelie een halt hebben toegeroepen.

Onze problemen komen niet van God (zie opmerking 48 bij Joh. 15:2). Daarom zouden we niet om problemen moeten bidden (Matt. 6:13), maar we zouden ze ook niet moeten aangrijpen als een “vermomde zegen van God”. We hoeven niet geschokt te zijn als er beproevingen komen (1 Petr. 4:12), maar problemen, of een gebrek aan problemen, bevestigen of ontkennen niet Gods wil voor ons.


42 Matt. 7:3-5 Hoe zult gij dan tot uw broeder zeggen: Laat mij de splinter uit uw oog wegdoen, terwijl, zie, de balk in uw oog is? Huichelaar, doe eerst de balk uit uw oog weg, dan zult gij scherp kunnen zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen.


43 Rom. 16:7 Groet Andronikus en Junias, mijn stamgenoten en medegevangenen, mannen onder de apostelen in aanzien, die reeds vóór mij in Christus geweest zijn.


44 Rom. 16:11 Groet mijn stamgenoot Herodion. Groet hen, die behoren tot de kring van Narcissus, die in de Here zijn.


45 Rom. 16:13 Groet Rufus, de uitverkorene in de Here, met zijn moeder, die ook voor mij een moeder is.


46 Rom. 16:21 Mijn medearbeider Timoteüs en mijn stamgenoten Lucius, Jason en Sosipater, groeten u.


47 Hand. 11:28 en één uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius.

Opmerking 3 bij Handelingen 11:28: In het Nieuwe Testament worden vier Romeinse keizers genoemd. De eerste keizer is Augustus, of Octavius, een achterneef van Julius Caesar, één van de grootste generaals aller eeuwen en dictator van Rome, die omstreeks 44 v. Chr. werd vermoord. Augustus deelde aanvankelijk de Romeinse troon met Marcus Antonius en Lepidus, maar werd uiteindelijk alleenheerser van Rome en kreeg de keizerstitel. Augustus vaardigde het bevel uit dat de hele wereld belasting moest betalen, wat als gevolg had dat Jozef en Maria naar Betlehem moesten gaan waar Jezus werd geboren (Luc. 2:1-7). Augustus stond toe dat er op zijn kosten dagelijks in de tempel werd geofferd. Caesarea Filippi en Caesarea aan de Zee werden door Herodes ter ere van hem gebouwd (zie opmerking 3 bij Luc. 3:1). Hij stierf omstreeks 14 na Chr. op 67-jarige leeftijd.

De tweede keizer die in de Schrift wordt genoemd is Tiberius. Hij was de aangenomen zoon van Augustus en er wordt naar hem verwezen in Matteüs 22:17, Marcus 12:14; Lucas 3:1; 20:22; Joh. 19:12. De stad Tiberias aan het meer van Galilea werd door Herodes Antipas voor hem gebouwd (zie eveneens opmerking 3 bij Luc. 3:1). Tiberius stierf in 37 na Chr. op 79-jarige leeftijd.

De derde keizer die in de Schrift wordt genoemd is Claudius. Hij volgde in 41 na Chr. keizer Caligula op en stierf in 54 na Chr. op 64-jarige leeftijd omdat zijn vrouw Agrippina hem had vergiftigd.

De vierde keizer die in de Schrift wordt genoemd is Nero. Naar hem wordt verwezen in Handelingen 17:7; 25:8, 10-12, 21; 26:32; 27:24; 28:19; en Filippenzen 4:22. Hij was de aangenomen zoon van Claudius en stond bekend om zijn wreedheid, inclusief het vergiftigen van zijn stiefbroer Britannicus om de troon te bemachtigen. Hij beschuldigde de volgelingen van Christus ervan dat ze Rome in brand hadden gestoken, wat een massaslachting onder de Christenen tot gevolg had. Hij werd door zijn troepen in de steek gelaten en pleegde in 68 na Chr. op 32-jarige leeftijd zelfmoord.




48 Lucas 3:1 In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder over Judea was, en Herodes viervorst over Galilea, en zijn broeder Filippus viervorst over Iturea en het land Trachonitis, en Lysanias viervorst over Abilene.

Opmerking 3 bij Lucas 3:1: Deze Herodes, bekend als Herodes Antipas, was de zoon van Herodes de Grote (zie opmerking 1 bij Luc. 1:5) en hij heerste over Galilea. Zijn broer, Herodes Archelaüs, heerste over Judea en Samaria (Matt. 2:22). Een andere broer, Filippus, die in dit vers wordt genoemd, had een vrouw die Herodias heette (vers 19), die de dochter was van weer een andere zoon van Herodes de Grote, Aristobulus, die niet in het Nieuwe Testament wordt genoemd. Deze Herodias verliet haar echtgenoot (en oom) Filippus en trouwde met Herodes Antipas. Johannes de Doper sprak hierover zijn afkeuring uit (Marc. 6:17-20). Herodias won het van de bedenkingen van Herodes Antipas en zij liet hem onthoofden. De zoon van Herodes Antipas, Herodes Agrippa I, wordt in Handelingen 12 genoemd. Hij werd door een engel des Heren geslagen en door wormen gegeten. De kleinzoon van Herodes Antipas was Herodes Agrippa II, die bijna door Paulus werd overgehaald om Christen te worden (Hand. 26:28).


49 Hand. 8:40 Maar Filippus bleek te Asdod te zijn; en hij trok rond om het evangelie te prediken aan alle steden, totdat hij te Caesarea kwam.

Opmerking 2 bij Handelingen 8:40: Caesarea was een stad aan de kust van Palestina die van 25 tot 13 v.Chr. door Herodes de Grote was gebouwd. De naam betekent "behorend aan Caesar" en de stad werd ter ere van keizer Augustus gebouwd. Het ligt ongeveer 38 km ten zuiden van de berg Karmel.

Nadat hij was weggevoerd bevond Filippus zich in Caesarea en Handelingen 21:8 vertelt dat hij in Caesarea ging wonen. Cornelius, een Romeinse hoofdman die Christen werd, woonde ook in Caesarea (Hand. 10:1). Paulus bezocht deze stad twee keer en stichtte er een gemeente (Hand. 18:22; 21:8, 16). Later werd Paulus hier gevangen genomen (Hand. 23:23, 33) en moest hij voor Festus en Agrippa verschijnen (Hand. 25:1-4, 6-13). Caesarea was een andere plaats dan Caesarea Filippi (zie opmerking 1 bij Matt. 16:13).




50 Hand. 24:27 Maar toen de termijn van twee jaar voorbij was, kreeg Felix tot opvolger Porcius Festus; en daar Felix de Joden een gunst wilde bewijzen, liet hij Paulus in gevangenschap achter.


51 Hand. 24:25 Maar toen hij sprak over rechtvaardigheid en ingetogenheid en het toekomstig oordeel, werd Felix bevreesd en antwoordde: Ga voor heden heen; wanneer ik nog eens gelegenheid heb, zal ik u wel weder ontbieden;


52 Hand. 24:26 en tegelijkertijd hoopte hij, dat hem door Paulus geld zou worden aangeboden. Dit was ook de reden, dat hij hem telkens weer liet komen en zich met hem onderhield.


53 Hand. 22:25-29 En toen men hem met de riemen in de houding strekte, zeide Paulus tot de hoofdman, die erbij stond: Moogt gij een Romein, en dat zonder dat hij een vonnis heeft, geselen? Toen de hoofdman dit hoorde, ging hij naar de overste, berichtte het hem en zeide: Wat gaat gij doen? Want deze man is een Romein. En de overste ging erheen en zeide tot hem: Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zeide: Ja. En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som verkregen. Maar Paulus zeide: Doch ik bezit het door geboorte. Dadelijk hielden dan zij, die hem gerechtelijk moesten onderzoeken, op; en ook de overste werd bevreesd, nu hij bemerkte, dat hij een Romein was en hij hem had laten binden.


54 Hand. 21:31 En terwijl zij hem poogden te vermoorden, kwam bericht in bij de overste der bezetting, dat geheel Jeruzalem in opschudding was


55 1 Sam. 4:1 Israël trok ten strijde tegen de Filistijnen en legerde zich bij Eben-Haëzer; de Filistijnen echter hadden zich gelegerd te Afek.

1 Sam. 29:1 De Filistijnen verzamelden al hun legers te Afek, terwijl de Israëlieten bij de bron te Jizreël gelegerd waren.




56 Joh. 5:1 Daarna was er een feest der Joden en Jezus ging op naar Jeruzalem.

Opmerking 1 bij Joh. 5:1: De stad Jeruzalem ligt 25 km ten westen van de Dode Zee en de rivier de Jordaan en 50 km ten oosten van de Middellandse Zee. Het is op vier heuvels gebouwd: Sion, Moria, Acra en Bezetha, en wordt in het oosten, westen en zuiden door diepe valleien omgeven.

Hoewel de naam “Jeruzalem” “stad van vrede” betekent, zijn er sinds de tijd van Jozua tot op vandaag tenminste 28 belegeringen geweest waarbij honderdduizenden hun leven verloren. Eén bron meldt dat 600.000 Joden werden gedood toen de Romeinen onder Titus in 70 AD Jeruzalem verwoestten.

1   2   3   4

  • Opmerking 5 bij Handelingen 6:9
  • Opmerking 3 bij Handelingen 11:28
  • Opmerking 2 bij Handelingen 4:17
  • Opmerking 1 bij Handelingen 5:17
  • Opmerking 11 bij Handelingen 20:30
  • Opmerking 4 bij Handelingen 21:4
  • Opmerking 2 bij Handelingen 21:11
  • Opmerking 3 bij Handelingen 16:10
  • Opmerking 3 bij Lucas 3:1
  • Opmerking 2 bij Handelingen 8:40
  • Opmerking 1 bij Joh. 5:1

  • Dovnload 172.33 Kb.