Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Antwoorden bij Hoofdstuk 2 Tijd van Grieken en Romeinen Oriëntatie Opdracht 1

Dovnload 59.83 Kb.

Antwoorden bij Hoofdstuk 2 Tijd van Grieken en Romeinen Oriëntatie Opdracht 1



Datum13.05.2017
Grootte59.83 Kb.

Dovnload 59.83 Kb.

Antwoorden bij Hoofdstuk 2 Tijd van Grieken en Romeinen


Antwoorden bij Hoofdstuk 2 Tijd van Grieken en Romeinen

Oriëntatie
Opdracht 1

Eigen antwoord. Bijvoorbeeld:

Het oordeel is in mijn ogen niet terecht. Er is sprake van partijjustitie. Maar het oordeel is wel begrijpelijk, omdat toen het beeld van de goden zo’n vast gegeven was dat de mensen een aantasting van dat beeld niet konden verdragen.
Opdracht 2

a 1 De mensen geven goden niet als volmaakt weer, maar laten ze allerlei dingen doen die mensen niet mogen: stelen, vreemdgaan of anderen bedriegen.

2 Het zijn mensen die bepalen hoe de goden eruitzien, namelijk zoals ze er zelf uitzien.

b Xenophanes heeft kritiek op het beeld dat de mensen van de goden geven. Hij zegt niet dat de goden die verkeerde dingen doen, maar dat mensen zulke verhalen over de goden bedenken. Xenophanes vertelt ook niet hoe goden eruitzien, maar zegt dat elk volk zich een andere voorstelling van de goden maakt.

c Waarschijnlijk dacht Xenophanes zelf dat de goden volmaakt waren en niet op mensen leken.

d Het klopt wel: De Egyptische goden hadden het lichaam van een Egyptenaar. En ook in de Egyptische mythologie doen goden dingen die mensen niet mogen, zoals bedriegen, doodslaan en verkrachten.

Het klopt niet: De Egyptische goden hadden vaak een dierenkop of werden als dier afgebeeld.

e De bron past goed bij de Griekse cultuur. Vanaf de zesde eeuw v. Chr. gingen Grieken steeds meer op zoek naar natuurlijke oorzaken van verschijnselen. Goden werden niet (of in mindere mate) als de oorzaak van iets gezien. Een gevolg was dat de Grieken ook kritisch gingen nadenken over de goden zelf.



2.1 De Griekse wereld
Opdracht 1

Het was een religieuze bijeenkomst waar alle Grieken konden samenkomen. De deelnemers aan zo’n bijeenkomst moeten wel dezelfde goden hebben vereerd en zich Grieks hebben gevoeld. Als er geen gemeenschappelijke cultuur was, had zo’n gezamenlijk religieus festival immers geen zin.


Opdracht 2

a 1 In Athene wordt niet gekeken naar afkomst, maar naar iemands vaardigheden.

2 Iedere burger van Athene moet meedoen.

b Plato vindt het niet juist dat iedereen mag meebeslissen over het beleid van de staat, omdat niet iedereen daar verstand van heeft.


Opdracht 3

a 1 Vrije mannen jonger dan 18 jaar

2 Vrije vrouwen

3 Niet-Atheners

4 Slaven

b 1 Mannen jonger dan 18 jaar waren nog niet volwassen, dus nog niet in staat om bestuurlijke taken uit te oefenen of om militair te worden ingezet.

2 Alleen mannen beslisten over bestuurlijke zaken. Zij hadden een openbare taak. De vrouw had haar taak thuis en zorgde voor huishouden en gezin.

3 Vreemdelingen (niet-Atheners) hadden geen burgerrechten. Mogelijk werden ze niet vertrouwd, bijvoorbeeld bij de verdediging van de stad.

4 Slaven waren ondergeschikt aan hun meester. Die besliste voor hen.
Opdracht 4

In Athene, een van de Griekse stadstaten, werd gediscussieerd over democratie en werd democratie in praktijk gebracht. Ook in de huidige Westerse beschaving gaan wij ervan uit dat democratie een goede bestuursvorm is en dat discussie daarover en over andere zaken mogelijk moet zijn.


Opdracht 5

a Loting: Door functies te verloten was er geen onderscheid tussen arm of rijk en wel of niet invloedrijk. Dwang of omkoping had ook geen zin, want het lot bepaalde.

Directe democratie: In Athene moest je bij de volksvergadering aanwezig zijn om mee te mogen beslissen.

b Voorbeeld van een gevolg van loting: Het systeem van partijen in de Eerste en Tweede Kamer zou vervallen. Er zouden allerlei belangrijke beslissingen genomen worden door mensen zonder ervaring of kennis van zaken.

Voorbeeld van een gevolg van directe democratie: De Eerste en Tweede Kamer zouden overbodig zijn, omdat alle Nederlanders aan de besluitvorming zouden moeten deelnemen.
Opdracht 6

a Bijvoorbeeld:

1 Wij kennen een indirecte democratie via volksvertegenwoordigers, terwijl de Grieken een directe democratie hadden. De Griekse mannen gingen zelf naar de volksvergadering.

2 In Nederland kan niet iedereen zomaar burgemeester worden of Kamerlid.

3 In Nederland is de rechtspraak geen onderdeel van de democratie: wetten maken wel, maar recht spreken niet.

4 Wij kennen geen jury bij de rechtspraak.

b Eigen antwoord. Bijvoorbeeld:

1 Ik vind het goed dat in Nederland Kamerleden worden gekozen, en dat eerst wordt onderzocht of iemand geen strafblad heeft.

Of: Ik vind dat iedereen burgemeester of Kamerlid zou moeten kunnen worden. Een loting is dan een heel eerlijk systeem.

2 Ik denk dat het goed is dat er in Nederland een scheiding bestaat tussen de wetgevende macht en de rechterlijke macht. Ik vind het goed dat iemand die de wetten bedenkt niet de persoon is die de wetten toetst, en dat een rechter niet zelf de wetten mag bedenken.


Opdracht 7

a De mannen zijn realistisch, naakt en atletisch uitgebeeld. Ze staan op een standbeen en er zit beweging in hun houding.

b De beelden symboliseerden de keuze van de Atheners voor de democratie en hun afkeer van alleenheersers (tirannen).
Opdracht 8

Protagoras erkent dat hij dingen niet weet. Hij heeft geen bewijs dat er goden zijn, hij heeft ze ook nooit gezien. Daarom erkent hij dat hij niet weet of ze er zijn en hoe ze eruitzien. Protagoras vraagt dus om een bewijs – en dat is de wetenschappelijke manier van kennis vergaren.


Opdracht 9

Herodotos beschrijft niet alleen welke ‘vreemde’ zaken hij ziet, maar hij geeft er ook een reden voor of zoekt daarnaar. Dat blijkt uit de zin: ‘Hiervoor geven ze de volgende reden…’.


Opdracht 10

Volgens de arts is de balans tussen de verschillende lichaamsvochten niet in orde. Blijkbaar is er te veel bloed in het lichaam en dat veroorzaakt de ziekte. Door met een aderlating bloed weg te laten lopen, probeert de arts de juiste verhouding tussen de lichaamsvochten te herstellen.


Opdracht 11

Bijvoorbeeld:




de Oude Grieken


maatschappij:

De Grieken bouwden imposante bouwwerken. En ze maakten realistische beelden van naakte, gespierde mannen.


De ideeën van de Grieken over kunst hebben kunstenaars en architecten door de eeuwen heen beïnvloed en geïnspireerd.



politiek:

De Grieken introduceerden de (directe) democratie.


In Nederland hebben we nu een parlementaire democratie


wetenschap:

De Grieken gingen voor het eerst op zoek naar natuurlijke oorzaken van verschijnselen, in plaats van de oorzaak bij de goden te leggen.


Hiermee legden ze de basis voor het huidige wetenschappelijke denken.




2.2 Het hellenisme
Opdracht 1

Voorbeelden van continuïteit: De oorlog is een wraakexpeditie voor de invallen van de Perzen in Griekenland in 490 en 480 v. Chr. en is daarmee te beschouwen als een voortzetting van de Perzische oorlogen. Of: Het plan van Philippos wordt na zijn dood voortgezet door zijn zoon Alexander.

Voorbeelden van verandering: In 490 en 480 vielen de Perzen de Grieken aan, nu gebeurde dat andersom. Of: Tussen de Perzen en de Grieken was al vrede gesloten. Dit is dus geen voortzetting van de oude oorlog, maar een smoesje van Philippos om Perzië aan te vallen.
Opdracht 2

De steden waren niet volledig zelfstandig, maar onderdeel van een koninkrijk.


Opdracht 3

Voorbeeld van ontwikkeling in cultuur: De Griekse taal werd verspreid over een groot deel van de toen bekende wereld, waardoor het Grieks de standaardtaal werd in de klassieke wereld.

Voorbeeld van ontwikkeling in wetenschap: De medische wetenschap werd verder ontwikkeld, doordat artsen mensen ging opensnijden voor onderzoek. Zo ontdekten ze dat je bloedvaten kunt afbinden, waardoor operaties mogelijk werden.
Opdracht 4

a 1 Het gebruik van holle en bronzen spiegels voor de reflectie van het licht.

2 De toren was van een lichtkleurige steensoort gemaakt, zodat je die van ver zag.

b 1 Bij zwaailichten en moderne vuurtorens wordt het principe van reflecterende spiegels nog steeds gebruikt.

2 Nog steeds worden vuurtorens witgeschilderd.
Opdracht 5

In de hellenistische periode verspreidde de Griekse cultuur zich over de hellenistische rijken en zelfs nog verder. Dit glas is een voorbeeld van hellenisme omdat een glas met een afbeelding van Alexandrië ook in het verre Afghanistan mooi werd gevonden en werd gebruikt.


Opdracht 6

a De beschrijving is wetenschappelijk omdat er wordt gezocht naar natuurlijke oorzaken en omdat de hier gepresenteerde theorie is gebaseerd op waarnemingen en experimenten.

1 Voorbeeld van natuurlijke oorzaken: ‘Dat maakt duidelijk dat niet de godheid het lichaam aantast, maar een ziekte’.

2 Voorbeeld van waarnemingen: het hele eerste deel van de tekst, dat duidelijk is gebaseerd op de ervaringen van Hippokrates.

3 Voorbeeld van een experiment: het tweede deel van de tekst, over de kop van de geit.

b In Alexandrië werden de medische geschriften van Hippokrates verzameld en samengevat. Ook gingen artsen verder met het doen van medisch onderzoek.


Opdracht 7

Grieken: Een groot aantal Grieken was als soldaat meegekomen met Alexander de Grote. In de nieuwe hellenistische steden, zoals Alexandrië, waren de Grieken de bevolkingsgroep met de meeste rechten. De voormalige soldaten konden er daarom betere functies krijgen dan in hun moederstad.

Joden: Ze waren al een aantal eeuwen ontheemd, in diaspora. Velen kenden geen land of stad waar ze thuishoorden. Een nieuwe stad als Alexandrië bood nieuwe mogelijkheden.
Opdracht 8

abc De Grieken koloniseerden Zuid-Italië en brachten daar kennis. Vervolgens veroverden de Romeinen Zuid-Italië en Griekenland. De kennis van de Grieken werd over geheel Italië en daarna met de uitbreiding van het Romeinse Rijk in heel het rijk verspreid. Na de Volksverhuizingen ging de kennis van de Grieken en Romeinen in West-Europa verloren, maar in het Byzantijnse Rijk, het Oost-Romeinse Rijk, bleef de kennis behouden. Arabieren hadden contacten met het Byzantijnse Rijk en namen delen van de kennis over. Door contacten van Kruisridders met Arabieren en via culturele uitwisseling tussen islamieten en West-Europeanen in Zuid-Italië en Spanje kwam de kennis uiteindelijk weer in West-Europa terug.



2.3 Imperium Romanum
Opdracht 1

a Om zich over te geven.

b Bijvoorbeeld: de geboeide Gallische gevangenen rechts en links; de houding van Caesar en de Romeinen achter hem; het handgebaar van Vercingetorix; de Gallische wapens op de grond; de Romeinen zijn bewapend, de Galliërs niet.

c 1 Het is een schilderij uit de negentiende eeuw, dus lange tijd na de afgebeelde gebeurtenissen gemaakt.

2 Het doel van de schilder was niet om precies weer te geven hoe de Romeinen en Kelten eruitzagen, maar om een heldhaftig schilderij te maken. Dit staat in het bijschrift: ‘een geromantiseerde weergave’.
Opdracht 2

Egyptische geschiedenis: Cleopatra was farao/koningin van Egypte.

Griekse geschiedenis: Cleopatra was een Ptolemaeïsche/hellenistische koningin. De taal en cultuur aan haar hof was Grieks.

Romeinse geschiedenis: Het rijk van Cleopatra was het laatste hellenistische rijk dat werd veroverd door de Romeinen. Cleopatra had liefdesverhoudingen met de Romeinse generaals Caesar en Marcus Antonius.


Opdracht 3

Horatius bedoelde dat Rome Griekenland militair gezien had veroverd, maar Griekenland veroverde Rome cultureel. Het eerste ‘veroverde’ slaat dus op de militaire verovering van Griekenland door Rome en het tweede ‘veroverde’ op de culturele verovering van het boerse en onbeschaafde Rome (de ‘onbeschaafde overwinnaar’) door Griekenland.


Opdracht 4

a Cicero vindt dat de Romeinen altijd beter zijn dan de Grieken. Zijn de Grieken toch beter in iets, dan komt dat doordat de Romeinen het niet interessant genoeg vinden.

b De Romein Cicero heeft bewondering voor de Griekse uitvindingen (positieve houding), maar hij vindt dat de Romeinen de uitvindingen hebben verbeterd (negatieve houding). Hij vindt ook dat de Grieken cultureel beter zijn (positieve houding), maar dat komt volgens hem omdat Romeinen de Griekse cultuur eigenlijk niet belangrijk genoeg vinden om er veel aandacht aan te besteden (negatieve houding). En de Grieken hebben veel bereikt door studie (positieve houding), maar de Romeinen hebben geen studie nodig, die hebben een natuurlijk talent (negatieve houding).

c Beiden vinden dat de Grieken de Romeinen cultureel de baas zijn.

d Of de Grieken of de Romeinen ‘beter’ zijn (in wat dan ook) is altijd een mening, omdat je dat niet kunt meten.
Opdracht 5

a 1 De houding van de figuren, steunend op één been (standbeen)

2 De stand van het hoofd (iets schuin opzij), de vorm van het hoofd, de ernstige blik

b Het past niet bij de ernst en de waardigheid van een Romeinse keizer om zich naakt te laten afbeelden. Of: Hier wordt de functie van Augustus als succesvol veldheer benadrukt. Dat vereist een militair uniform.

c Napoleon wilde laten zien dat hij net zo succesvol was als de Romeinse keizers. Of: Klassiek wordt vaak gekoppeld aan uitzonderlijk goed en blijvend waardevol. Napoleon wilde zich met dat idee verbinden. Hij presenteerde zich daarmee als een opvolger van de Romeinse keizers.
Opdracht 6

a Voordeel: Caesar was een tijdgenoot en direct betrokkene. We hebben hier dus een directe bron uit eerste hand.

Nadeel: Caesar was zelf een voorname ‘speler’ in de gebeurtenissen die hij beschreef. Hij was dus niet objectief, want hij wilde de mensen in Rome laten zien hoe succesvol hij was.

b Voordeel: De bronnen zijn niet ‘gekleurd’, het bronnenmateriaal is objectief.

Nadeel: Archeologische bronnen geven alleen informatie over de materiële cultuur. Dit soort bronnen moet altijd worden geïnterpreteerd. Een archeologische bron geeft bijvoorbeeld informatie over wat mensen in huis hadden, maar niet of ze er blij mee waren.
Opdracht 7

a De figuur in de graffiti (Christus) hangt aan een kruis (christelijk); hij heeft een ezelskop (antichristelijk).

b Ja, dat klopt, want volgens de tekst kozen in de eerste eeuw vooral slaven voor het christendom.
Opdracht 8

De romanisering zal toenemen. De soldaat heeft in het Romeinse leger gediend en daar kennisgemaakt met de Romeinse cultuur. Bij terugkeer kan hij die overbrengen op zijn stamgenoten.


Opdracht 9

a Een Romein richtte een altaar op voor de Germaanse godin Nehalennia. Hij nam dus een godheid van de Germanen over.

b Het altaar werd opgericht ter ere van het ‘goddelijke huis’. Daarmee wordt de Romeinse keizer en zijn familie bedoeld. Dit heeft te maken met keizerverering. Blijkbaar werd de keizer als godheid gezien.
Opdracht 10

Bijvoorbeeld: De ‘zuilen’ voor het gebouw die het voorportaal dragen. De verticale glazen panelen van het gebouw die ongeveer net zo breed zijn als de ruimte tussen de zuilen van de tempel. De hoogte van de gebouw is gelijk aan die van de tempel.


Opdracht 11

a De Griekse cultuur is de kunst en architectuur van de Grieken (theaters, tempels, realistische beelden) en het Griekse wetenschappelijk denken over mens en bestuur. Deze cultuur werd door kolonisatie verspreid. De hellenistische cultuur is de Griekse cultuur vermengd met inheemse elementen uit de door Alexander de Grote veroverde gebieden. De verspreiding ging vooral door verovering van gebieden en het daar opzetten van nieuwe steden waar zowel Grieken als andere bevolkingsgroepen gingen wonen.

b De hellenistische cultuur (zie a) is door de Romeinen overgenomen, en vooral op technisch gebied uitgebreid (amfitheater, aquaduct, gebruik van ‘beton’) en aangepast (beelden niet meer naakt). Deze aangepaste Grieks-Romeinse cultuur gaven de Romeinen bij hun veroveringen door aan volken in West-Europa.

c De Griekse cultuur werd verspreid door Griekse kolonisten. Zij zetten Griekse kolonies op in gebieden rond de Middellandse Zee. De hellenistische cultuur werd na de veroveringen door Alexander de Grote verspreid door zijn soldaten. Zij zetten nieuwe steden op en bleven daar wonen. De Grieks-Romeinse of hellenistisch-Romeinse cultuur werd verspreid door de veroveringen van de Romeinen.



2.4 De late Oudheid
Opdracht 1

a 1 Goed beeldhouwwerk is duur. Door de crisis in de derde eeuw was er niet veel geld. Als er toch al bruikbaar beeldhouwwerk is, kun je het geld beter voor iets anders gebruiken.

2 Door beeldhouwwerk van ‘goede’ keizers te hergebruiken, plaatste Constantijn zichzelf op één lijn met die goede keizers en presenteerde hij zich als hun opvolger, als ook een goede keizer.

b Reden 2 is het meest aannemelijk.


Opdracht 2

De tetrarchen staan dicht bij elkaar, met de armen om elkaar heen geslagen. Dit laat zien dat ze een eenheid zijn, dat er vriendschap is, dat ze samenwerken en elkaar helpen: dat er ondanks de opdeling van het rijk toch nog één Romeins Rijk is.


Opdracht 3

a In het tetrarchie van Diocleatianus waren er twee ‘hoofdkeizers’: de Augusti, één voor het oosten en één voor het westen. Die worden hier bedoeld. Daarnaast waren er twee onderkeizers (Caesares), ook één voor het oosten en één voor het westen.

b Als Constantijn de keuze van een god goedkeurde, kon hij nooit een echte christen zijn, want voor christenen was er maar één god en dus was er niets te kiezen. Maar Constantijn moest als keizer rekening houden met alle onderdanen en al hun mogelijke geloven. Hoe Constantijn er persoonlijk ook over dacht, het was in 313 politiek niet verstandig om alleen de christelijke god te accepteren. Een waterdicht bewijs van niet-christen zijn, ontbreekt dus.
Opdracht 4

a Nee, want laat-Romeinse keizers grepen geregeld terug op de eerste twee eeuwen van de keizertijd. De munt geeft dus informatie over kleding van Romeinse keizers, maar niet met zekerheid over kleding van laat-Romeinse keizers.

b Nee. Wij weten niet precies welke kleding een keizer in de vroege Middeleeuwen droeg. Als de keizer Romeinse kleding droeg, dan vertelt de munt de waarheid. Hier is duidelijk een Romeinse munt als voorbeeld gebruikt. De kans is groot dat gewoon de afbeelding van de kleding klakkeloos is overgenomen. De bron zegt dan niets over kleding in de vroeg-Middeleeuwen.

c Bijvoorbeeld: Wat was de invloed van de Klassieke Oudheid op munten/afbeeldingen uit de tijd van Karel de Grote?


Opdracht 5

Bijvoorbeeld:

1 De Germanen kwamen niet meer in afzonderlijke stammen, maar in grote bondgenootschappen.

2 De Germanen hadden wat bewapening en organisatie betreft veel van de Romeinen geleerd.

3 De Romeinse legers waren zwakker geworden, doordat er veel vreemde soldaten in het leger waren opgenomen en doordat de uitbetaling van soldij niet meer zo geregeld plaatsvond door de financiële problemen in het Romeinse Rijk.
Opdracht 6

a De Frank van bron 40 vocht tegen de Romeinen; hij doodde een Romeinse lijfwacht. De Frankische burger van bron 41 was een soldaat in het Romeinse leger.

b Ja. Blijkbaar hebben de opdrachtgevers van de grafsteen voor de Frank van bron 41 de Romeinse gewoonte overgenomen om op grafstenen een gedichtje of literaire tekst te zetten. Er vond dus romanisering plaats, maar dit zegt niets over de mate waarin dit gebeurde.

c Niet per se. Een argument vóór is dat grafschriften directe bronnen zijn: zoals het in de steen staat, zo is het ook geschreven. Maar in grafschriften staat datgene wat de opdrachtgever wil dat er komt te staan. Een grafschrift voor een keizer zal vrijwel zeker propaganda zijn.


Opdracht 7

Voorbeeld 1: In het Oost-Romeinse Rijk was Grieks een vrij algemene taal, in het West-Romeinse Rijk was dat vooral het Latijn. Mensen konden elkaar dus gemakkelijk begrijpen.

Voorbeeld 2: Er was een uitgebreid en veilig wegennet, zodat priesters en bisschoppen zich goed konden verplaatsen.

Voorbeeld 3: Keizer Constantijn de Grote bepaalde voor heel het Romeinse imperium godsdienstvrijheid.

Voorbeeld 4: Keizer Theodosius maakte van het christendom de staatsgodsdienst, waardoor het christendom de beschermde godsdienst werd.
Opdracht 8

a Op de munt uit 313 (bron 43) staat de keizer als symbool van de orde op aarde geflankeerd door Sol, de zon als altijd waarneembaar heidens symbool van de orde in het heelal.

De keizer op de munt uit 315 (bron 44) heeft een minuscuul klein christogram (het christusmonogram met de letters XP).

Op de munt uit 337 (bron 45) is een standaard te zien, die symbool staat voor de macht van het Romeinse leger. Op deze standaard staat het christogram. De standaard met het christogram doodt het slechte, het kwaad, in de vorm van een slang.

b Op de munt uit 313 staat geen christelijk element en staat het heidense element groot en pal naast de keizer. Dat christelijke element wordt bij de munt uit 315 steeds groter en belangrijker, terwijl op de munt uit 337 geen heidens symbool meer staat. Blijkbaar is er een geleidelijke overgang van heidens naar christelijk.

c De munt uit 337 heeft zoveel christelijke symboliek en niets heidens meer, dat je mag zeggen dat nu het christelijke element overheerst.

d Op de munt van bron 37 staat Jupiter, de oude Romeinse oppergod. Er is geen christelijk element. Die munt is geslagen tussen 315 en 319. Dit bevestigt de conclusie bij vraag c. Deze munt wijst op heidense invloeden in die tijd.

e Ook de tekst wijst op een tussenperiode waarin zowel heidense als christelijke elementen aanwezig zijn. Constantijn heeft in de tekst namelijk nog niet gekozen voor de ene god, ‘wie dat dan ook is’.

f Tot ongeveer 313 wegen de heidense elementen in zijn geloofsopvattingen het zwaarst. Daarna is er een overgangsperiode met heidense en christelijke elementen, terwijl uiteindelijk zijn keuze voor het christendom steeds duidelijker wordt.
Opdracht 9

Opdracht 3ab, 7, 8a-f



Afsluiting
Slotopdracht

Bijvoorbeeld:

1 Wat was een belangrijk verschil tussen de democratie in Athene en de democratie in het huidige Nederland?

2 Wat doet een filosoof?

3 Als de Romeinen een gebied hadden veroverd, dan probeerden ze zo veel mogelijk de bestaande machtsstructuren in stand te houden. De lokale leiders in dat gebied mochten hun leidinggevende functie behouden. Wat was voor de Romeinen een belangrijk voordeel van deze strategie?

4 Wat is het hellenisme?


Antwoordmodel:

1 Athene kende een directe democratie. Nederland heeft een parlementaire democratie.

2 Een filosoof denkt na over vragen waarop geen vaststaand antwoord is te geven.

3 Door de lokale leiders ‘in dienst te houden’, hoefden de Romeinen minder Romeinse ambtenaren en bestuurders naar de veroverde gebieden te sturen. Ze hadden zo minder mensen nodig om het grote Romeinse imperium te besturen.



4 Hellenisme is de verspreiding van de Griekse cultuur in de gebieden die door Alexander de Grote veroverd waren.


Feniks, Geschiedenis voor de bovenbouw HAVO © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort 2012 ~ ~


  • 2.1 De Griekse wereld Opdracht 1
  • 2.2 Het hellenisme Opdracht 1
  • Opdracht 2
  • 2.3 Imperium Romanum Opdracht 1
  • 2.4 De late Oudheid Opdracht 1
  • Opdracht 9

  • Dovnload 59.83 Kb.