Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Antwoorden bij Hoofdstuk 7 Tijd van pruiken en revoluties Oriëntatie op het tijdvak Opdracht 1

Dovnload 74.35 Kb.

Antwoorden bij Hoofdstuk 7 Tijd van pruiken en revoluties Oriëntatie op het tijdvak Opdracht 1



Datum25.10.2017
Grootte74.35 Kb.

Dovnload 74.35 Kb.

Antwoorden bij Hoofdstuk 7 Tijd van pruiken en revoluties


Antwoorden bij Hoofdstuk 7 Tijd van pruiken en revoluties

Oriëntatie op het tijdvak
Opdracht 1

a Bron 1: Niemand sprak.

Bron 2: Men raakte in gesprek.

Bron 3: Iedereen praatte.

Bron 4: Het was lawaaiig in het huis.

Bron 5: Wie kon lopen, vertrok te voet; wie dat niet meer kon viel.

b In de achttiende eeuw werd de Klassieke Oudheid nog steeds hoogstaand geacht. Dat is te zien aan het gebruik van het Latijn in de teksten rond de tekeningen en aan de mythologische figuren Bacchus en Ceres.

c Naar: 3 De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de Klassieke Oudheid. Dit is een kenmerkend aspect uit de Tijd van ontdekkers en hervormers (zie hoofdstuk 5).


Opdracht 2

a Troost heeft kritiek op de levenswijze van de elite. Het ging de elite voor de wind. Door de handel werd men erg rijk (oorzaak). Maar door de rijkdom werd men verwaand en verkwistend: men leefde er lustig op los (gevolg).

b Economisch: De concurrentie van Engeland en Frankrijk werd sterker. Deze landen namen op het gebied van nijverheid, handel en scheepvaart voor een deel de rol over van de Republiek. Politiek: De positie van de Republiek verzwakte ook doordat het absolutisme zorgde voor een versterking van de machtspositie van Frankrijk, en door Engelse maatregelen zoals de Akte van Navigatie.

c De minder serieuze en zakelijke instelling van de kooplieden en regenten. Plezier wordt belangrijker dan werk.


7.1 Slavenhandel en abolitionisme
Opdracht 1

1 Van Europa naar Afrika: geweren, textiel (wollen stoffen, katoen, zijde), aardewerk, alcoholische dranken, diversen (parels, spiegels, lood en ijzeren staven)

2 Van Afrika naar Amerika: slaven

3 Van Amerika naar Europa: huiden, cacao, tabak, suiker, koffie, ruwe katoen.


Opdracht 2

Een deel van de door de VOC aangevoerde spullen uit Azië (vooral katoen en zijde) werd via Europa doorverkocht aan Afrika.


Opdracht 3

Nee, want de gegevens zijn verzameld op enkele illegale slavenschepen in de nadagen van de slavenhandel. De gegevens zijn niet representatief voor alle slaven die tijdens de top van de slavenhandel werden verhandeld.


Opdracht 4

Op dit schip werd de stank weggewerkt door fris ruikende stoffen te verspreiden. De werkelijke oorzaak van de stank werd niet verholpen, maar alleen gecamoufleerd.


Opdracht 5

1 De plantages uit de beginperiode waren aangelegd in de meest vruchtbare en best toegankelijke gebieden.

2 Voor de aanleg van de koffieplantages was erg veel arbeid nodig (voor het droogleggen en het graven van de sloten en kanalen)

3 Het onderhoud van de koffieplantages kostte erg veel arbeid (voor het twee keer per jaar uitbaggeren van de sloten).


Opdracht 6

a Door het brandmerk kon iedereen zien wie de eigenaar van een slaaf was. Zo kon altijd worden vastgesteld wie de eigenaar van een weggelopen slaaf was.

b Als het brandijzer niet heet genoeg was, werd het geen blijvend litteken. Als het brandijzer te heet was, kon de slaaf gewond raken, ziek worden en eventueel overlijden. Dan was het een verliespost.

c Na de afschaffing van de slavernij toonden sommige voormalige slaven hun brandmerk met trots, om te laten zien dat zij de vernedering en uitbuiting van de slavernij hadden overleefd en dat ze nu vrij waren.


Opdracht 7

Vaak overleed een groot deel van de slaven tijdens de oversteek van Afrika naar Amerika. In zo’n geval werd er weinig of geen winst gemaakt, of zelfs verlies geleden. Bovendien voer het merendeel van de schepen zonder retourlading van Amerika naar Europa. Tijdens dit deel van het traject werd dan ook geen winst gemaakt.


Opdracht 8

a Nee, het is geen representatieve bron, want Equiano is een van de weinige slaven die leerde lezen en schrijven en die zichzelf kon vrijkopen. Hij was een uitzondering.

b Aan de ene kant is het een betrouwbare bron, want Equiano heeft dat wat hij beschrijft zelf meegemaakt. Aan de andere kant is het geen betrouwbare bron, want Equiano behoorde tot de antislavernijbeweging en had er belang bij om de slavenhandel en slavernij zo ongunstig mogelijk af te schilderen.
Opdracht 9

Het idee van de abolitionisten was dat als er geen nieuwe slaven mochten worden aangevoerd, de slavenhouders voorzichtiger en zuiniger met hun slaven zouden omgaan. Want als een slaaf stierf, dan kon hij niet door nieuw aangevoerde slaven worden vervangen.


Opdracht 10

a Het protest van de abolitionisten tegen slavernij en slavenhandel heeft succes gehad, want er zijn boeken over verschenen en het parlement heeft zich ertegen uitgesproken. En een voormalige stuurman op een slavenschip voelt zich gedwongen zich te rechtvaardigen en uit te leggen dat vijftig jaar eerder slavenhandel nog geen verwerpelijke activiteit was.

b Vóór: De bron is bruikbaar om de behandeling van slaven te bestuderen, want Nettelbeck maakte de behandeling van slaven als stuurman op een slavenschip van nabij mee.

Tegen: De bron is niet bruikbaar, want Nettelbeck schrijft zijn herinneringen op om zich achteraf te rechtvaardigen.


Opdracht 11

a 1 VOC


2 tarwe

3 Portugal

b 1 De VOC hield zich vooral bezig met de handel met Zuidoost-Azië en niet met slavenhandel.

2 Tarwe werd niet op de plantages in de koloniën verbouwd en koffie, katoen en cacao wel.

3 Portugal had juist een grote rol gespeeld in de slavenhandel en niet bij de afschaffing van de slavenhandel. De rol van Portugal in de slavenhandel was aan het eind van de achttiende eeuw al lang uitgespeeld.

c 1 De trans-Atlantische slavenhandel is onderdeel van de driehoekshandel, omdat op het eerste deel van de reis de schepen vanuit Europa goederen naar Afrika brachten waarmee slaven werden gekocht. De slaven werden vanuit Afrika naar Amerika gebracht, waar ze op plantagekoloniën tewerk werden gesteld. Daarna voeren de schepen terug naar Europa, eventueel met goederen uit Amerika om in Europa te verkopen.

2 Koffie, katoen en cacao waren de belangrijkste producten die op de plantagekoloniën werden verbouwd. Deze producten waren vooral voor de Europese markt bestemd.

3 Mede door de memoires van Equiano en door de inzet van andere abolitionisten werd in 1807 in Engeland de slavenhandel afgeschaft.


7.2 Rationeel optimisme en verlicht denken
Opdracht 1

a Men was gewend om klakkeloos over te nemen wat de Kerk zei. Iets anders denken zou tot een conflict met de Kerk kunnen leiden, omdat de denkbeelden strijdig konden zijn met wat in de Bijbel was geschreven.

b Verlichtingsfilosofen vertrouwden volledig op de rede, het verstand. Nieuwsgierigheid en de wil om meer kennis te vergaren, of iets anders te denken dan men gewend was, zouden de mensheid vooruit brengen. Daar was lef, durf voor nodig.
Opdracht 2

Dit laat zien dat de makers niet bang waren voor censuur of vervolging. Er was in Engeland blijkbaar vrijheid van drukpers en vrijheid van meningsuiting. In Frankrijk bestond geen vrijheid van drukpers, maar dit werd op grote schaal omzeild.


Opdracht 3

In een encyclopedie staat kennis over heel uiteenlopende onderwerpen, ook over maatschappelijke thema’s, waarover de meningen kunnen verschillen.


Opdracht 4

Bij het absolutisme is de wil van de koning wet. Malesherbes was in dienst van de koning, maar gehoorzaamde de koning niet. Het absolutisme brokkelde dus af.


Opdracht 5


Tijd van vorsten en regenten

Tijd van pruiken en revoluties

Latijn

volkstaal

specialistisch

algemeen

natuurwetenschappen

menswetenschappen

theoretisch

populariserend


Opdracht 6

Eigen antwoord. Bijvoorbeeld:




wetgevende macht:
parlement

wetten maken

uitvoerende macht controleren


uitvoerende macht:
regering

bestuur


politie


rechterlijke macht:
rechters

onafhankelijk

onpartijdig

toetsen aan de wet


Bij het absolutisme zijn de wetgevende en uitvoerende macht in één hand: die van de koning. De koning heeft veel invloed op de benoemingen van de hoogste rechters. Bij de driemachtenleer (trias politica) zijn de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht van elkaar gescheiden. De drie machten moeten elkaar in evenwicht houden en controleren. De koning heeft daarbij veel minder macht.


Opdracht 7

a 1 Verlichtingsfilosofen schreven niet alleen over politieke onderwerpen, maar ook over andere onderwerpen en maatschappelijke problemen, zoals sociale verhoudingen, onderwijs, opvoeding, economie, godsdienst.

2 In de Verlichting lag de nadruk op het gebruik van het verstand. Door verstandige maatregelen zou de maatschappij beter en rechtvaardiger worden, dacht men.

b Verlichtingsfilosofen vonden dat alle mensen van nature gelijk zijn. In Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet is deze gelijkheid vastgelegd.


7.3 Verlicht absolutisme
Opdracht 1

De belastinginners vroegen meer geld dan eigenlijk nodig was of mocht. Maar de wet stond dit misbruik toe.


Opdracht 2

De kale, gebogen persoon heeft een werktuig (een hak) in zijn hand om land te bewerken. Op zijn rug zitten twee personen met dure kleding aan. Zij hebben vellen papier uit hun zak steken. De achterste heeft een zwaard om. Op het zwaard, en op de vellen papier en het werktuig, staan teksten. Op de grond eten konijnen van een kool en vogels eten zaad op.

Verbeeld wordt dat de arbeiders de lasten moeten dragen van de eerste en tweede stand. De eerste en tweede stand hebben allerlei voorrechten, waarvoor de arbeiders extra hard moeten werken.
Opdracht 3

1 Zo kon de koning de adel tevreden houden en zouden deze edelen zijn gezag niet ondermijnen.

2 Een grote hofhouding gaf de koning aanzien en status.
Opdracht 4

a Vooral indirecte belastingen

b In de achttiende eeuw konden belastingpachters een vooraf met de koning afgesproken bedrag aan belastingen innen, en meestal wilden ze nog meer. Nu legt de belastingdienst een individuele aanslag op die afhankelijk is van het inkomen.

c De koning was verantwoordelijk voor de manier waarop de belastingheffing was georganiseerd en had hiervoor toestemming gegeven (= Koninklijke goedkeuring). De groep van belastingpachters vroeg van de bevolking een veel groter bedrag aan belastingen dan met de koning was afgesproken (= bende van roofzuchtige bandieten).


Opdracht 5

a


Wetgevende macht

een actieve economische politiek gevoerd

Uitvoerende macht

de belastingheffing effectiever gemaakt,

de overheidsbureaucratie verder geprofessionaliseerd



Rechterlijke macht

de rechtspraak hervormd

b Frederik de Grote stond open voor veranderingen die ten goede kwamen aan het volk, maar hij bleef degene die de besluiten nam, een alleenheerser, een despoot.


Opdracht 6

Eigen antwoord. Bijvoorbeeld:

Eens, want de politiek van Frederik II heeft veel positiefs opgeleverd.

Oneens, want zijn persoonlijkheid was niet erg positief.


Opdracht 7

a Als een grootse en indrukwekkende gebeurtenis. Het sterfbed zou met veel pracht en praal zijn weergegeven, met veel hovelingen in vol ornaat.

b Frederik de Grote vond dat het staatsbelang boven het individuele belang ging.

c De geestelijkheid ontbreekt.

d Frederik de Grote hechtte weinig waarde aan godsdienst en hij twijfelde zelfs aan het bestaan van God.
Opdracht 8

Frederik de Grote is een verlicht vorst, omdat hij zich verantwoordelijk voelt voor (het welzijn van) zijn onderdanen.

Frederik de Grote is een absoluut vorst, omdat hij zich als vorst ziet als het alles regelende hoofd van de staat.
Opdracht 9

ab
Gedrag van een verlicht despoot



wel

niet

Schrijvers en geleerden ontvangen.

Verkiezingen organiseren.

Lijfstraffen afschaffen.

Een parlement instellen.

De gevangenissen uitmesten.

Inzage geven in de staatsfinanciën.

Wetboeken opstellen.

Zich als vorst laten verheerlijken als een god.

Hard werken voor het welzijn van zijn onderdanen.




Eigen antwoord. Bijvoorbeeld:

Religieuze tolerantie stimuleren.



Eigen antwoord. Bijvoorbeeld:

Handelen uit eigen belang.



Tolerant immigratiebeleid.

Regeren als een tiran.


7.4 Democratische revoluties
Opdracht 1

De Franse koning had in 1788/1789 problemen met: mislukte oogsten, een niet sluitende begroting en hoge rentebetalingen. Hoge rentebetalingen en een niet sluitende begroting komen ieder jaar terug en kunnen niet in korte tijd worden opgelost. Dat zijn dus structurele problemen.


Opdracht 2

In Frankrijk was de groei van de bevolking sneller gegaan dan de uitbreiding van het aantal banen of toename van de agrarische productie.


Opdracht 3

a Fraternité

b Broederschap, het idee dat iedereen elkaars broeder is.

c De meest radicale aanhangers van de Verlichtingsdenkbeelden.


Opdracht 4

a De nuit de sacrifices was een sociale revolutie, omdat toen een vorm van sociale onrechtvaardigheid werd beëindigd.

b Het aannemen van de Declaration des droits … is een voorbeeld van een politieke revolutie, omdat hierin de (politieke) rechten en plichten van vorst en onderdanen werden vastgelegd.

c Eigen antwoord. Bijvoorbeeld: De nuit de sacrifices, omdat toen een einde werd gemaakt aan een situatie die al bijna duizend jaar bestond.


Opdracht 5

a Vóór 14 juli 1789 werd de Bastille nauwelijks nog gebruikt: in de gevangenis zaten slechts zeven gevangenen. Na de val van de Bastille werd deze gebeurtenis afgeschilderd als de val van hét instrument bij uitstek van het absolutisme. De Bastille kreeg een symboolfunctie.

b Op dit moment is 14 juli de belangrijkste nationale feestdag in Frankrijk.
Opdracht 6

Tot 1789 had Lodewijk XVI de absolute macht in handen en regeerde hij vanuit Versailles. In 1789 verloor hij, na het bijeenroepen van de Staten-Generaal, de greep op de gebeurtenissen. In het najaar van 1789 werd hij gedwongen om naar het centrum van Parijs te verhuizen, zodat de felle Parijzenaars druk op de ketel konden houden. In 1791 werd de macht van de koning in de Grondwet aan banden gelegd. Weer een jaar later werd de monarchie zelfs helemaal afgeschaft. In januari 1793 eindigde Lodewijk onder de guillotine.


Opdracht 7

De tekenaar behoorde tot de aanhangers van de radicale richting. Hij presenteert het hoofd van Lodewijk XVI als een waarschuwing. Het bloed van de slachtoffers (= tegenstanders van de revolutie) wordt ‘onzuiver’ genoemd.


Opdracht 8

a Hij bedoelde daarmee dat hij hoopte dat er geen Franse onderdanen zouden worden gedood als gevolg van de dood van hun vroegere koning.

b Nee, er vielen daarna nog tienduizenden slachtoffers.

c Twijfel aan de betrouwbaarheid: De afscheidswoorden waren niet door Lodewijk opgeschreven of het papier is niet bewaard gebleven. In de tekst van Schama staat dat Lodewijk ‘probeerde’ de menigte toe te spreken en dat er veel rumoer was, waardoor de kans groot is dat de woorden onverstaanbaar waren.

Geen twijfel aan betrouwbaarheid: Het is een gebeurtenis waarbij erg veel mensen aanwezig waren. De kans is dus best groot dat op basis van flarden of fragmenten die verschillende personen hebben opgevangen, een reconstructie van de afscheidswoorden is gemaakt. Het was een belangrijke gebeurtenis, dus de kans is ook best groot dat een aantal mensen goed zal hebben geluisterd naar de woorden van Lodewijk XVI en die hebben genoteerd.
Opdracht 9

De bron lijkt beter bruikbaar voor een onderzoek naar de hoge belastingdruk, omdat de informatie over de belastingdruk betrouwbaar lijkt, want zelfs de kroonprinses schrijft dat de belastingdruk te hoog is.

De bron lijkt minder bruikbaar voor een onderzoek naar de populariteit van Marie-Antoinette, omdat de bron daarvoor niet betrouwbaar genoeg is. De brief is immers door haarzelf geschreven.
Opdracht 10

a 1 Hij ontpopte zich als een alleenheerser die geen tegenstand duldde.

2 Hij liet grote openbare werken uitvoeren.

3 Met de Code Napoléon zorgde hij voor eenheid in de rechtspraak in Frankrijk.

b 1 Familieleden profiteerden van zijn successen.

2 De veldtocht naar Rusland werd een enorme mislukking.

c Eigen antwoord. Bijvoorbeeld:

Meer eens, want Napoleon heeft veel dingen gedaan in het belang van het land en zijn onderdanen.

Meer oneens, want door zichzelf tot keizer te kronen, liet hij duidelijk merken dat hij alleen wilde heersen en zichzelf als uitverkorene zag.
Opdracht 11

ab Eigen antwoord. Bijvoorbeeld:

J.L. David was een Franse kunstenaar. Kort voor het uitbreken van de Revolutie kreeg zijn werk een duidelijk antimonarchistische strekking. In 1792 werd hij gekozen als afgevaardigde voor de Conventie. Daarna werd hij, samen met Robespierre, lid van het Comité du Salut public. Daarmee werd hij een van de uitvoerders van het beleid van de radicaalste revolutionairen. Na de val van Robespierre hield David zich een tijdje op de vlakte om later weer als hofschilder bij Napoleon in dienst te komen. In deze perioden maakte hij telkens kunstwerken die de grootsheid van de verschillende personen of stromingen benadrukte. David heeft zich dus telkens aangepast aan de politieke stroming die op dat moment aan de macht was. Hij was een duidelijk voorbeeld van ‘zo de wind waait, zo waait mijn hoedje’. Hij schrok er niet voor terug om de machthebbers in zijn schilderwerken te idealiseren. Bij de beoordeling van de historische betrouwbaarheid moet er steeds rekening mee worden gehouden dat hij zijn werk steeds in opdracht maakte van de persoon of de groep die op dat moment aan de macht was.
Opdracht 12

a 5 - 3 - 7 - 8 - 1 - 2 - 6 - 4

b De veranderingen die door de revolutionairen in Frankrijk werden ingevoerd, riepen weer tegenstand op bij andere groepen. Telkens waren er groepen die het met een deel van de veranderingen niet eens waren en deze openlijk of in het geheim saboteerden. Toen de Terreur dit verzet de kop wilde indrukken, werd de ontevredenheid alleen maar groter. Zo werd de weg geplaveid voor de staatsgreep van Napoleon. Tijdens zijn bewind werden eerst de vrijheid en later bijna alle gelijkheidsidealen van de revolutie opgeofferd. Aan het eind was men zo’n beetje terug bij af.
Afsluiting
Slotopdracht

a bron 40 - bron 44 - bron 43 - bron 41 - bron 42

b Bron 40 = kenmerkend aspect 2: Jefferson laat zich kennen als een echte aanhanger van de idealen van de Verlichting (in het bijzonder het streven naar vrijheid en het geloof in de volkssoevereiniteit).

Bron 41 = kenmerkend aspect 4: Jefferson bewonderde de Franse Revolutie, ook toen deze in terreur ontspoorde. Als president was hij bereid om Napoleon de helpende hand toe te steken.

Bron 42 = kenmerkend aspect 3: Als president was Jefferson niet bepaald een volbloed democraat, maar had zijn bewind karaktertrekken van dat van een verlichte despoot.

Bron 43 = kenmerkend aspect 1: Jefferson maakte als plantage-eigenaar deel uit van de slavenhouderseconomie: in principe was hij voor vrijheid voor iedereen, maar in de praktijk gold dit niet voor slaven.

Bron 44 = kenmerkend aspect 2 of 4

c Uit deze uitspraken blijkt dat Jefferson bedenkingen had tegen de democratie, kritisch stond tegenover godsdienst, en een groot aanhanger was van het idee van volkssoevereiniteit en van vrijheid van meningsuiting. De Franse verlichtingsfilosofen, zoals Voltaire en De Montesquieu, dachten daar precies hetzelfde over. Daarom passen de opvattingen van Jefferson bij wat in de tweede helft van de achttiende eeuw gebruikelijk was.





Feniks, Geschiedenis voor de bovenbouw HAVO © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort 2012 ~ ~

  • 7.1 Slavenhandel en abolitionisme Opdracht 1
  • Opdracht 2
  • 7.2 Rationeel optimisme en verlicht denken Opdracht 1
  • Opdracht 3
  • Opdracht 5 Tijd van vorsten en regenten
  • 7.3 Verlicht absolutisme Opdracht 1
  • Opdracht 9
  • 7.4 Democratische revoluties Opdracht 1
  • Afsluiting Slotopdracht

  • Dovnload 74.35 Kb.