Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Arm en rijk in de bijbel

Dovnload 0.52 Mb.

Arm en rijk in de bijbel



Pagina1/11
Datum21.09.2017
Grootte0.52 Mb.

Dovnload 0.52 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


ARM EN RIJK IN DE BIJBEL

Anne Kooi

Hub Crijns

Trinus Hoekstra

Rentia Hendrikx

Gerard Zuidberg

Bram Grandia

Henk Baars

Hans Visser

Margrietha Reinders

Anne Marie Booij

Mirjam Schuilenga

Ploni Robbers-van Berkel

Kees Tinga

Paula Irik

Ab Harrewijn

met gedichten, gebeden en liederen van o.a. Jan van Opbergen
Samenstelling en redactie: Ab Harrewijn, Peter de Bie

ISBN-nummer 90-75684-02-9

Dit boek is een uitgave van de werkgroep Arme Kant van Nederland/EVA

in het kader van de campagne 'Om Sociale Gerechtigheid'

November 2001
Druk: Drukkerij de Pelmolen te Utrecht

Omslagontwerp: Addy de Meester, Instituut voor Publiek en Politiek



VOORWOORD 3

1. WANT DE ARMEN HEBT GE ALTIJD MET U 4

Anne Kooi 4



2. OVER WERK VALT VEEL TE ZEGGEN 9

Hub Crijns 9



3. GOD OF MAMMON! 15

Trinus Hoekstra 15



4. STILLE BOERENREVOLUTIES 20

Rentia Hendrikx 20



5. DE ARMEN BRENGEN DE GOEDE BOODSCHAP BINNEN 27

Gerard Zuidberg 27



6. STEEK EEN HAND UIT EN HELP 31

Bram Grandia 31



7. SCHULDEN VOELEN TWEEMAAL SCHULDIG 39

Henk Baars 39



8. DEZE GERINGEN KUNNEN NIET GEMIST WORDEN 43

Hans Visser 43



9. HONGEREN EN DORSTEN NAAR GERECHTIGHEID 47

Margrietha Reinders 47



10. DE RIJKE JONGELING 54

Anne Marie Booij 54



11. BROOD VOOR DE HONDJES 59

Mirjam Schuilenga 59



12. DE RIJKE MAN EN DE ARME LAZARUS 65

Ploni Robbers-van Berkel 65



13. RIJK ÉN RECHTVAARDIG? 69

Kees Tinga 69



14. EN ZE HADDEN ALLE DINGEN GEMEENSCHAPPELIJK 73

Paula Irik 73



15. WEEST NIET BEZORGD ... of ... WIE NIET WIL WERKEN ZAL OOK NIET ETEN (?) 77

Ab Harrewijn 77



VOORWOORD



"Gerechtig­heid is een kostbaar bijbels woord. Het betekent scheve verhoudingen recht­zetten, recht doen aan misdeelde mensen, oprichten wat terneer­gesla­gen is. Gerech­tigheid is één van de werkwoorden van een God die niet boven de partijen staat, maar die zeer partijdig is. Hij is het meest met de minsten. En hij meet de kwaliteit (zeggen de profeten van Israël) aan de mate waarop er gehandeld wordt met hen die onderop geraakt zijn. Zo simpel ligt dat in een overigens niet zo simpel boek als de bijbel. (…) Dat kerken de armoedeproblematiek onder het hoofd 'gerechtigheid' hebben gezet (op voorgang dus van hun eigen Heilige Schrift) betekent niet minder dan een revolutie in hun eigen geschiedenis. Voordien stond het onder het kopje 'barmhartigheid' of erger nog 'liefdadigheid'. (…) Maar nu is dan eindelijk de ware naam van armoede ontdekt. Die naam is onrecht. Er is geen andere naam, en die naam mag er ook niet meer af. De bijbel noemt armen en ontrechten altijd in één adem. Afscheid dus van de liefdadigheid."
Met deze woorden zette de toenmalige algemeen secretaris van de Raad van Kerken in Nederland, ds. W.R. van der Zee, tijdens de eerste conferentie 'De arme kant van Nederland' in 1987 de toon voor de anti-armoedecampagnes van de kerken die zouden volgen.
De bijbel is een krachtige bron van inspiratie voor diegenen die zich niet neerleggen bij scheve verhoudingen van verarming en verrijking. De bijbel spreekt vaak heldere taal over armoede en rijkdom. In de geschiedenis van de kerkelijke anti-armoedebeweging is vaak uit deze bron geput. De bundel 'Arm en rijk in de bijbel' wil een aantal vindplaatsen van teksten over arm en rijk aanreiken. Diverse auteurs hebben op verzoek van de werkgroep Arme Kant van Nederland/EVA hun licht laten schijnen over die teksten en geven daarbij hun uitleg.
Er was zoveel keus uit treffende teksten over armoede en rijkdom dat dit boekje wel 5 keer zo dik had kunnen worden. Maar er is niet gestreefd naar compleet­heid; en ook niet naar het samenstellen van een wetenschappelijke studie naar armoede en rijkdom in de bijbel. Dat vergt veel meer onderzoek en een grotere samenhang.
Dit boekje wil veeleer de discussie opwekken in gemeentes en parochies. Het is een gebruiks­boekje voor leerhuizen, catechese, bijbelkringen, gemeente/parochie-avonden en voor in kerkdiensten. En het is een boekje voor de belangstellende in het onder­werp, om eens rustig te lezen.
Voor u ligt een herdruk van een eerdere uitgave uit 1995. Het is echter niet een ongewijzigde herdruk. In 1995 bevatte het boekje tien exegeses van bijbelgedeelten over armoede en rijkdom. Deze teksten zijn nog steeds zeer de moeite waard en zijn dan ook opnieuw opgenomen. Maar de bundel opent met 5 nieuwe bijdragen die in 2001 zijn geschreven.
Vijftien heel verschil­lende bijdragen. De een rustig en degelijk de tekst uitleggend, de ander kort en prikkelend naar de actualiteit en de derde verrassend nieuw of eigenzinnig. De auteurs zijn in het dagelijkse leven op verschillende plekken betrokken bij de sociale presentie van de kerk in de samenleving. Zoals in de werkgroep Arme Kant van Nederland/EVA (Economie, Vrouwen en Armoede), in het arbeidspastoraat, het diaconaat en pastoraat in oude wijken, enzovoorts.
De artikelen worden afgewisseld met gedichten, liederen, gebeden of andere teksten. De meeste zijn afkomstig van Jan van Opbergen en komen uit de Amsterdamse basisgemeente Het Kompas.
Allen die meewerkten aan deze bundel willen wij bedanken voor hun bijdrage. Wij hopen dat het boekje de functie krijgt waarvoor we er alle aan gewerkt hebben: dat het mag prikkelen tot gesprek over armoede en rijkdom in onze tijd en over de vraag welke positie de kerk en de gelovigen daarin innemen.
Werkgroep Arme Kant van Nederland/EVA

Utrecht, november 2001

1. WANT DE ARMEN HEBT GE ALTIJD MET U



Johannes 12: 1-8

Anne Kooi



1. Jezus dan ging zes dagen vóór het Pascha

naar Bethanië, waar Lazarus was

die Jezus uit de doden had opgewekt.

2. Zij dan maakten voor hem aldaar een gastmaal

en Martha diende,

en Lazarus was een van hen die met hem aanlagen.

3. Maria dan had een pond zalfolie genomen

van onvervalste zeer kostbare nardus

en zalfde de voeten van Jezus

en droogde zijn voeten met haar lokken

en het huis werd vervuld van de geur van de zalfolie.

4. Daar zei Judas Iskarioth, een van zijn leerlingen,

hij die van zins was hem over te leveren:

5. waarom is deze zalfolie niet verkocht voor driehonderd

denariën, en gegeven aan de armen?

6. Maar dit zei hij niet omdat het hem

aangaande de armen ter harte ging,

maar omdat hij een dief was

en de beurs had

en droeg hetgeen werd toegeworpen.

7. Jezus dan zei: Laat af van haar

opdat zij dit zal bewaren tot de dag van mijn begrafenis.

8. Want de armen hebt ge altijd met u,

mij echter hebt ge niet altijd.
(vertaling Th. Naastepad)
Het is misschien een jaar of tien geleden dat er in Nederland een discussie ontstond over de mate waarin armoede als maatschappelijk gegeven te accepteren was. Die discussie was even plotseling als heftig, maar al gauw werd duidelijk dat deze in een lange traditie stond. "Er zullen immers altíjd armen zijn, in iedere willekeurige samenleving en in welk tijdsge­wricht dan ook", was het argument van degenen die zich stoorden aan het 'politiek acti­visme' van mensen uit de school van de Arme Kant van Nederland en EVA. Dit onder verwijzing naar de tekst "want de armen hebt gij altijd bij u" van Johannes 12: 8, die ook te vinden is in Mat­theüs 26: 11 en Marcus 14: 7. Het bestaan van armen zou een 'natuurlijk' en een door God in de scheppingsorde vastgelegd gegeven zijn. Strijden tegen armoede met de bedoeling die op te heffen zou water naar de zee dragen zijn: onbegonnen en zinloos werk, en bovendien tegen de bedoelingen van God zelf in.

De tegenargumenten waren er ook. Kort samengevat: "Nergens in deze teksten staat dat het bestaan van armoede gelegitimeerd wordt. Integendeel, ze zijn een oproep om nooit te rusten in onze niet-aflatende taak om de maatschappij kritisch onder de loep te nemen. Wanneer we ooit voortijdig zouden denken dat armoede is opgelost, zijn ze een aansporing om beter te kijken. In Gods rijk zal er geen armoede zijn. Het is niet aan ons om in welke samenleving of in welk tijdsgewricht dan ook, dat uit te roepen."

Tegenwoordig lijkt die hele discussie weer verstomd te zijn. De houding van velen ten aanzien van het bestaan van ar­moede is eerder blasé: we weten het nu wel en andere prioriteiten dringen zich op. Maar hoe je het ook wendt of keert, in teksten als die van Johan­nes worden we aangespoord om steeds weer opnieuw en in welke context dan ook, het cen­trum van het armoededebat te zoeken. Het is de vraag of we 'het', en of we het 'in de tegenwoordige tijd' wel weten. Tegelijkertijd zijn er velen die ons in het zoeken naar bete­kenis in deze teksten vóórgingen en waarachter wij niet meer terug kunnen. Eén van hen waar­aan deze bij­drage schat­plichtig is, is Thomas Naastepad (1921-1996). Het is niet voor niets dat ook zijn verta­lingen hier gebruikt zijn.
Het huis van de arme

Johannes opent zijn verhaal over de zalving van Jezus met een bepaling van de tijd en de plaats. Het was zes dagen voor het Pascha, en het gebeurde in Bet­hanië. Betha­nië bete­kent letterlijk: 'huis van de arme'. Over waar dit Bethanië nu precies ligt is nogal wat ver­war­ring. In het eerste hoofdstuk van het Johannesevangelie lezen we dat het de plek is waar Johannes de Doper doopte. In Johannes 1: 28 staat dat dit aan de overkant van de Jordaan ge­beur­de. Tussen Jeruzalem en Bethanië ligt dus de Jordaan, de doodsrivier, en op de kaart ligt Jeruzalem al gauw zo'n 30 kilometer van de Jordaan af. In het verhaal van de opstand­ing van Lazarus horen we op­nieuw iets over de ligging van Betha­nië. Er staat in Johannes 11: 18 dat Bethanië vlak bij Jeruzalem gelegen is op een afstand van onge­veer vijftien stadiën (een stadie is 180 m). De afstand is dan hooguit drie kilo­me­ter. Dat kan geografisch niet met elkaar kloppen. Je zou nu kunnen zeggen dat dit betekent dat het 'huis van de arme' in prin­cipe overal zou kunnen staan. Maar dat gaat voorbij aan de bijzondere beteke­nis van beide plekken die in Johannes weldegelijk worden genoemd. Het over-Jordaanse herinnert aan de plek waar Israël na de tocht door de woestijn volkomen berooid aan­kwam. Martha, Maria en Lazarus wonen op die plek. Zij belichamen in feite het Israël van vóór het moment waarop het het beloofde land binnentrok. Zij herinneren aan de lege handen waarmee een groep ontheemden en ontsnapte slaven begonnen is een nieuwe samen­leving op te bouwen. Toen is gezegd: het moet een àndere samenleving wor­den. De herin­ne­ring aan het slavenbe­staan en aan de uittocht uit Egypte moeten er voor zorgen dat die mis­stan­den zich in het nieuwe bestaan nooit kunnen vestigen. De dubbele plaats­bepa­ling van Betha­nië wijst nu op de dubbelzinnigheden van Israël van Jezus' dagen. Want nu ligt er onder de rook van Jeruzalem (de stad van vrede) in het centrum van het land opnieuw een dorp dat naar het over-Jordaanse teruggedrongen is. Bethanië wordt van de stad om hoopvol naar op te trekken, te weten: Jeruza­lem, ge­schei­den door de doodsrivier. Er is op­nieuw een kloof tussen de leven­den en de doden. Maar het is een kloof tussen de levende doden van Bethanië en de dode leven­den van Jeruzalem.


God helpt

Want het verhaal van de zalving in Johannes 12 is direct verbonden met het verhaal van de opstanding van Lazarus in Johannes 11. Beide verhalen verwijzen naar elkaar. Aan het begin van het verhaal van de opstanding van Lazarus staat er dat Maria, de zus van Lazarus, degene was die Jezus gezalfd had met mirre (11: 2). Terwijl dat verhaal pas in het volgende hoofdstuk wordt verteld. Net zo wordt er aan het begin van het verhaal van de zalving (12: 1) verwezen naar het verhaal van de opstanding van Lazarus. Naast de hoofdpersoon Maria, is het ook Lazarus die een centrale figuur is in dit verhaal van de armen. Thom Naastepad beschrijft hem zo: "In de parabel van Lucas (16: 19 -31) heeft de arme deze naam, tegenover de rijke. Maar bij Johannes wordt hij veel schriller getekend: een dode, tegenover de levenden; want in de schrift is een machteloze als een dode, hij doet niet mee in het land der levenden; er wòrdt met hem gedaan. Deze eeuw, die armen maakt en hen daarna uitstoot, is een eeuw des doods. Maar uit die eeuw is Lazarus opge­wekt. Men dacht dat men van hem af was, nadat hij de weg was gegaan van alle vlees. Maar zie, hij leeft: zonder zijn aanwezigheid kan dit Pascha op de grote sabbat niet beginnen. 'Lazarus' heet hij: 'God helpt'. Hij is aangewezen op Gods hulp, in de veronder­stelling dat de mensen hem niet helpen, zoals ook het woord 'genade' een genadeloze wereld veronderstelt, en het woord 'rechtvaardiging' een bestaan dat ons niet rechtvaar­digt." Pas als we deze geschiedenis van de ten dode overgeleverde Lazarus in onze oren hebben, krijgen we oog voor de enorme verrassing die in het verhaal van de zalving door Maria verkondigd wordt. Want hoe is het toch mogelijk dat in het huis van deze arme mensen zoiets kostbaars gevonden wordt! Johannes laat nadrukkelijk weten dat de nar­dusmirre die Maria gebruikt om Jezus te zalven echt is en geen surrogaat. Kostbaar. Bij de begrafenis van Jezus treffen we in het Johannesevangelie Nicodemus aan, die ook mirre meebrengt. Maar hiervan wordt gezegd dat het een mengsel is van mirre en aloë (19: 39). De olie van de aloë is heel wat gewoner dan die van de nardusplant. Nicodemus brengt er ongeveer 100 pond van mee. Dat is honderd maal zoveel als dat ene pond dat Maria heeft. Alles bij elkaar zal het misschien wel net zo duur ge­weest zijn. Dat zal echter voor de beter gesi­tueerde Nico­demus geen rol hebben ge­speeld: de mirre van Nicode­mus was in die zin niet kostbaar. Maar dat Maria nardusmirre heeft, getuigt van een omgekeerde wereld. Wanneer God helpt worden de armen niet met wat afleggertjes naar de marge van de samenleving gedrongen. Dan worden de armen niet met samengeschraapte aalmoezen in leven gehouden om in hun vernederde staat een functioneel teken aan de wand te zijn. Integendeel. Wanneer God helpt zijn het de armen die, je zou haast zeggen, stinkend rijk zijn. Juist in het feit dat Maria geeft met een verkwistende weldaad wordt de arme in haar of zijn waarde gelaten. Zo zijn we immers geschapen: niet als rijke of arme, maar als mens. Niet om ten onder te gaan in de zorgen over het levensonderhoud, maar om te over te kunnen geven.

Verwachtingspatroon

Toch beleven wij de werkelijkheid niet zo. Het argument van Judas om de nardusmirre te verkopen en de opbrengst aan de armen te geven, komt op ons realistisch over, afgezien van de moge­lijk valse bedoelingen die hij daarbij had. Wat dat laatste betreft: er zijn pogin­gen gedaan om hem verder van ons af te zetten dan de Griekse tekst van het Johan­nesevangelie voor waar wil heb­ben. In de NBG vertaling staat dat Judas "als beheerder der kas de inkomsten wegnam". Dat is dan een simpele verklaring voor het feit dat hij als dief wordt aangemerkt. Hij wordt dan de onbetrouwbare penningmeester die een greep in de armen­kas doet. Geen wonder dat wij ons daardoor niet aangesproken voelen. Maar de vertaling ".. en droeg hetgeen werd toegeworpen", die in essentie weergeeft wat ook de statenverta­ling leest, geeft heel anders aan wat het verband is tussen de kwalificatie van Judas als 'dief' en de uitleg daarvan. Judas deed geen greep in de armenkas, maar hij droeg (beheer­de) het­geen werd toege­wor­pen (de aalmoe­zen). Het feit dat hij de liefdadigheid in handen had en ook hoog hield, dat maakte hem tot een dief. Want dit alles zei en deed hij niet "omdat het hem aangaande de armen ter harte ging". Zo kan het dus zijn. Juist het hóóg houden van de armen­kas maakt je tot dief van de armen. Want het stigmatiseert mensen die weinig of niets te verteren hebben. Het houdt hen gevangen in onze harteloze eer­zucht en ont­neemt hen het recht op een vol­waar­dig leven. Het bevestigt het gangbare verwachtingspatroon ten aanzien van rijk en arm.

Wanneer Jezus dan zegt: "want de armen hebt ge altijd met u" refereert hij aan de tekst van Deuteronomium 15: 11 over het sabbatsjaar.
Deuteronomium 15: 7-11

7. Als er een behoeftige onder u zal zijn,
één uit uw broeders,


in één van uw poorten,
in uw land dat de Heer, uw God, u geeft,
zo zult gij uw hart niet verstokken,
uw hand niet toesluiten voor uw behoeftige broeder;


  1. nee, openen zult gij, openen uw hand voor hem,
    en lenen zult gij, lenen aan hem, genoeg
    voor zijn gebrek waarin het hem ontbreekt.


  2. Bewaar u! Anders klimt er in uw hart een Belialswoord dat zegt:
    het zevende jaar, het jaar van de vrijlating nadert,
    en dan wordt uw oog boos tegen uw behoeftige broeder,
    en dan geeft gij hem niets,
    en hij roept over u tot de Heer,
    en dan is er zonde in u!


  3. Geven, hem geven zult gij,
    en uw hart zal niet boos zijn als gij hem geeft;
    want omwille van dit woord zal de Heer, uw God,
    u zegenen in al uw werk, en al uw doen,
    en in alles wat gij ter hand neemt.


  4. Want de behoeftigen zullen niet ophouden
    in het midden van het land;
    daarom gebied ik u zeggend: openen zult gij,
    openen uw hand, voor uw broeder, voor uw bedrukte,
    en voor uw behoeftige, in uw land.



Vertaling Th. Naastepad.
Dit is zo'n tekst die tot ons komt uit de herinnering aan het over-Jordaanse.

In deze tekst wordt het er ingehamerd: openen, openen, lenen, lenen, geven, geven, ope­nen, openen. De behoeftige onder u moet levens­kan­sen gebo­den wor­den. Want uw land is het door uw God gegeven land. 'Uw' God is in deze tekst even 'intiem' als uw behoefti­ge, uw broe­der, uw hand, en uw hart. En wat dat betreft: Bewaar u! Wanneer het zevende jaar - het sabbats­jaar - nadert, kan het zijn dat je iemand niet wilt lenen omdat je weet dat die lening binne­nkort kwijt­ge­schol­den zal worden. Dan klimt er in uw hart een Belials­woord. In 2 Corinthiërs 6: 15 schrijft Paulus: "Welke overeenstemming is er tussen Chris­tus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige? Welke gemeen­schap­pelijke grond­slag heeft de tempel Gods met afgoden?" De verwijzing naar Belial heeft voor Paulus de connotatie van het absoluut verwerpelijke. Belial staat voor de afgoden. De tegenstelling in Deutronomium is: òf je hart verstokken, òf je hand openen. Een compro­mis of middenweg, zo wil Paulus zeggen, is er niet. Het openen van je hand naar de behoef­tige is een permanente opgave. Het zijn de armen die het handelen van Israël richting zullen geven. Het zal niet ophou­den, altijd zullen de armen bij je zijn. Dat bete­kent: niet alleen op momenten dat er gegeven wordt voor de armenkas, maar op elk moment en vooral in je handelen, in je werk. "Want omwille van dit woord" ben je geze­gend in je werk en in alles wat je doet. Een dief is in deze context iemand die mensen hun mid­delen van bestaan onthoudt, iemand die mensen vernedert door ze op egocen­trische gronden uit te sluiten van het maatschappelijk functioneren.


Gods rijk

In Deutronomium 15: 4 lezen we, opnieuw in de vertaling van Thom Naastepad,: "Maar geen behoef­tige zal er bij u moeten zijn". De regels van vers 7 t/m 11 zijn daarop gericht. Het moet niet zo zijn, maar zolang er nog één arme onder ons is, verbindt God zijn toe­komst aan hem of haar. Zo nabij als de armen ons zijn, zo nabij is het rijk van God.

"Mij echter hebt ge niet altijd", zegt Jezus. Hij die wijst op het 'omwille van dit woord' van Deuteronomium, zal ook zelf verwijzing worden van dit woord. Jezus wijst Judas terecht wanneer hij tegen Maria uitvalt: "Laat af van haar opdat zij dit zal bewaren tot de dag van mijn begra­fe­nis." Het gebaar van haar zalving zal bij haar blijven, haar bijblijven, maar ze zal het ook bewa­ren tot het moment dat het zijn ware betekenis krijgt: op de dag van Jezus' begra­fenis. Het is alsof de geschiedenis van Jezus in Bethanië nog moet begin­nen. Vanuit de plek onder de rook van Jeruzalem, loopt de weg door het graf van Lazarus heen naar het over-Jordaanse, door de rivier waar Johannes staat te dopen heen, naar de plaats van de hoopvolle verwachting van het beloofde land.

Het is zes dagen voor het Pascha, vertelt het Johannesevangelie. Nog zes dagen, en op de zevende dag zal het Pascha zijn: het feest waarop Israël de uittocht uit het slavenhuis van Egypte viert. De zes dagen die letterlijk nog-te-gaan zijn, verwijzen zo via Exodus naar Genesis, naar de eerste zes dagen van het scheppingsverhaal. De dag waarop deze ge­schiedenis nu speelt, verwijst naar de eerste dag van de schepping: de dag waarop God zei: "Er zij licht" (Gen 1: 3). In het Johannesevangelie is die verwijzing niet te ver ge­zocht. In Johannes 1: 1-6 horen we hoe nauw de evangelist betrokken is op het boek Genesis: "In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God." In de openingszinnen van Johannes wordt, net als in Genesis, het licht 'gesteld', geponeerd bijna, en de duister­nis be­grensd. Er wordt in herinnering gebracht hoe de condities waaronder mense­lijk - echt menselijk - leven ­mogelijk is, worden geschapen. Nu dan, in dit huis van de arme, in Betanië, daar daagt de schepping. Voleinding en schepping buigen naar elkaar toe. In de opstanding van de arme wordt de scheppingsorde van de nieuwe aarde gesteld. Die tijd zal komen, maar wij zullen die niet de onze noemen. Die tijd zal ons vanwaar niets komen kan, kostbaar gege­ven zijn.


Anne Kooi is werkzaam als arbeidspastor in de provincie Gelderland vanuit het Regionaal Dienstencentrum Gelderland
Noot:

De gebruikte teksten zijn te vinden in: Th. J. M. Naastepad,

Pasen en Passie bij Johannes, deel 1. Verklaring van een bijbelgedeelte. Kampen 1986.

Van horen zeggen, uitleg van het boek Deutronomium. Baarn 2001.

WAAR HEB IK U ONTMOET?

Hub Crijns
Mijn werken is bidden

en mijn bidden is werken.

Ik zoek al doende uw Naam.
Eeuwige, gij ziet als een herder om

naar alle mensen van uw kudde.


Bezoeker, gij doorbreekt de stille

fluistering van het ziekbed met uw lach.


Losser, gij bevrijdt mensen

van de tralies die cellen hebben.


Kleder, gij kleedt de onbeschutte

en onbeschermde mens met uw mantel.


Onthaler, gij schenkt aan de reiziger

en laatkomer uw gastvrijheid.


Schenker, gij kent onze dorst

en lost die op met frisse drank.


Krachtgever, gij weet de lege maag

van hongerige mensen te vullen.


In mijn gebed zocht ik uw Naam,

vond het spoor van uw gerechtigheid,

en deed de werken van uw barmhar­tigheid.
Maar toen ik een hongerige een broodje gaf,

een dorstige een blikje sinas kocht,

een vreemdeling hielp met zijn papieren,

mijn kleren deelde met een bijstandsgezin,

een gevangene in zijn cel bezocht,

een zieke een bloemetje bracht,

met de weduwe in de straat een praatje maakte,

- wanneer en waar -

zag ik u toen?
"De Koning zal hen ten antwoord geven:

Voorwaar, Ik zeg u:

al wat gij gedaan hebt voor een

dezer geringsten van mijn broeders

hebt gij voor Mij gedaan"

(Mattheüs 25, 40).

2. OVER WERK VALT VEEL TE ZEGGEN


  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

  • VOORWOORD 3 1. WANT DE ARMEN HEBT GE ALTIJD MET U 4
  • 6. STEEK EEN HAND UIT EN HELP 31
  • 10. DE RIJKE JONGELING 54
  • 15. WEEST NIET BEZORGD ... of ... WIE NIET WIL WERKEN ZAL OOK NIET ETEN () 77
  • 1. WANT DE ARMEN HEBT GE ALTIJD MET U Johannes 12: 1-8
  • 2. OVER WERK VALT VEEL TE ZEGGEN

  • Dovnload 0.52 Mb.