Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Basisbegrippen: Goedemorgen!

Dovnload 60.56 Kb.

Basisbegrippen: Goedemorgen!



Datum05.12.2018
Grootte60.56 Kb.

Dovnload 60.56 Kb.

Begrippenlijst: Basisbegrippen:

Goedemorgen!

  1. de juf

  2. hallo

  3. spelen

  4. hier

  5. de jas

  6. de tas

  7. de stoel

  8. de tafel

  9. de kapstok

  10. het plaatje

  11. de sticker

  12. ophangen

  13. de school

  14. de groep

  15. kiezen

  16. de hoek

  17. de kast

  18. dicht

  19. open

  20. helpen

  21. samen

  22. opruimen

  23. de mama

  24. de papa

  25. weggaan

  26. zwaaien

  27. naar huis

  28. de kus

  29. halen

  30. dag!

  31. kom maar

  32. de kring

  33. zitten

  34. het (foto)boek

  35. de vraag

  36. pakken

  37. aanwijzen

  38. hoera!

  39. het liedje zingen

  40. vertellen

  41. omgooien

  42. de kleur

  43. klaar zijn

  44. het kaart(je)


welkom


  1. de naam

  2. de foto

  3. heten

  4. goedemorgen

  5. goedemiddag

  6. het speelgoed

  7. de verjaardag

  8. vol

  9. iets anders

  10. het deksel

  11. het lint

  12. het gordijn

  13. wanneer

  14. terugkomen

  15. na

  16. wie staat erop?

  17. iets zeggen

  18. groep 1

  19. spannend

  20. wie ken je?

  21. tellen

  22. het groepje

  23. het speellokaal

  24. het plein

  25. vanmorgen

  26. nu straks

  27. daarna

  28. eerst

  29. laatst

  30. vanmiddag

  31. nog meer


Plassen en wassen

  1. de wc

  2. plassen

  3. poepen

  4. het meisje

  5. de jongen

  6. de deur

  7. helpen

  8. het wc-papier

  9. de handen wassen

  10. het plaatje

  11. de kraan

  12. het water

  13. opendoen

  14. dichtdoen

  15. de zeep

  16. afdrogen

  17. de handdoek

  18. klaar zijn

  19. ophouden

  20. nodig moeten

  21. de neus snuiten

  22. de billen afvegen

  23. vies

  24. de ketting

  25. doorspoelen/
    doortrekken

  26. de knoop

  27. de rits

  28. de wc-deur

  29. bezet

  30. op tijd

  31. te laat

  32. de plas

  33. de spullen

  34. het vuil

  35. de snot(jes)

  36. ziek maken


Tussendoortje

  1. het tussendoortje

  2. het kaart(je)

  3. het eten

  4. (op)eten

  5. (op)drinken

  6. het drinken

  7. snoepen

  8. het snoepje

  9. de beker

  10. de tas

  11. openmaken

  12. dichtdoen

  13. lekker

  14. klaar

  15. op!

  16. schoonmaken

  17. schoon

  18. de zeep

  19. het fruit

  20. het brood

  21. de melk

  22. het sap

  23. het water

  24. het pakje drinken

  25. de koek

  26. de honger

  27. de dorst

  28. netjes

  29. het bakje

  30. uitdelen

  31. smakelijk eten!

  32. gezond

  33. ongezond

  34. doorslikken

  35. met volle mond praten

  36. de broodtrommel

  37. (even) wachten

  38. beginnen

  39. netjes

  40. afspoelen

  41. vies

  42. vegen

  43. de kruimels

  44. knoeien

In de kring

  1. de kring

  2. zitten

  3. de stoel

  4. ssst

  5. luisteren

  6. horen

  7. het liedje

  8. zingen

  9. het boek

  10. neerzetten

  11. het kaart(je)

  12. optillen

  13. het plaatje

  14. de sticker

  15. de kleur

  16. rood

  17. blauw

  18. de jongen

  19. het meisje

  20. het spel

  21. samen

  22. de duim

  23. rollen

  24. de bal

  25. de hoek

  26. vertellen

  27. stop!

  28. de groep

  29. de plaats

  30. klaar

  31. goeiemorgen

  32. goeiemiddag

  33. de naam

  34. het bord

  35. groep 1

  36. groep 2

  37. om de beurt

  38. eigen

  39. meedoen

  40. geluid

  41. stoppen

  42. nadoen

  43. hetzelfde

  44. rondlopen

  45. door elkaar

  46. bij elkaar

  47. ruilen

  48. waar

  49. het waar

  50. naar elkaar

  51. allemaal



  1. eerst

  2. daarna

  3. nadenken


Spelen en werken

  1. de kring

  2. wachten

  3. spelen

  4. werken

  5. het werkje

  6. het kaart(je)

  7. kiezen

  8. de hoek

  9. de tafel

  10. de kast

  11. open

  12. dicht

  13. de kleur

  14. hier

  15. daarin

  16. waar

  17. de doos

  18. de kist

  19. de bak

  20. de plank

  21. de la

  22. de puzzel

  23. het blok

  24. de pop

  25. samen

  26. helpen

  27. alleen

  28. het vriendje

  29. nieuw

  30. de groep

  31. tellen

  32. ophangen

  33. zelf

  34. opruimen

  35. klaar

  36. knippen

  37. plakken

  38. de schaar

  39. het plakselpotje

  40. het kwast(je)

  41. het papier

  42. het bord

  43. het naamkaart(je)

  44. vol

  45. de spullen

  46. de plaats

  47. neerzetten

  48. eigen

  49. het vakje

  50. aan de beurt

  51. het kruisje zetten



  1. de opdracht

  2. iets anders

  3. meespelen

  4. mee mogen spelen

  5. meedoen

  6. samendoen

  7. zonder

  8. bij elkaar zitten

  9. de wekker

  10. de zandloper

  11. netjes

  12. de rommel

  13. afmaken

  14. laten staan

  15. vanmorgen

  16. vanmiddag

  17. goed

  18. vandaag

  19. de andere dag

  20. klaar zijn

  21. het materiaal

  22. aan het werk gaan

  23. eerst

  24. dan

  25. moeilijk

  26. om de beurt

  27. nadoen

  28. zelfstandig

  29. mogen

  30. moeten

  31. doen

  32. vragen

  33. oplossen

  34. omdraaien

  35. het stoplicht


Naar buiten

  1. buitenspelen

  2. binnen

  3. aandoen

  4. uitdoen

  5. de jas

  6. de kapstok

  7. de rij

  8. de zandbak

  9. het zand

  10. de kar

  11. de schep

  12. de emmer

  13. de zeef

  14. de bal

  15. het klimrek

  16. helpen

  17. kiezen

  18. klaar zijn

  19. naar binnen gaan

  20. stampen

  21. opruimen

  22. ophangen

  23. hier

  24. daar

  25. het plein

  26. wachten

  27. doen

  28. de beurt

  29. de spullen

  30. afkloppen

  31. de voeten vegen

  32. de mat

  33. meedoen


Bewegen

  1. gymmen

  2. wachten

  3. uitdoen

  4. aandoen

  5. opruimen

  6. de sok

  7. de schoen

  8. helpen

  9. lopen

  10. stop!

  11. staan

  12. zitten

  13. springen

  14. rennen

  15. zwaaien

  16. de rij

  17. de hoek

  18. de kant

  19. stilstaan

  20. wachten

  21. los

  22. het kring(etje)

  23. het vriend(je)

  24. de stap

  25. naar achteren

  26. vasthouden

  27. opruimen

  28. de pittenzak

  29. de bal

  30. de hoepel

  31. de mat

  32. rood

  33. blauw

  34. geel

  35. groen

  36. tellen

  37. de kist

  38. de plank

  39. eerst

  40. dan

  41. opvouwen

  42. netjes neerleggen

  43. naast elkaar

  44. het speellokaal

  45. midden(door)

  46. meedoen

  47. voordoen

  48. nadoen

  49. de buiging

  50. buigen

  51. bij elkaar



  1. de stip

  2. het getal


Tot de volgende keer



  1. naar huis

  2. het plaatje

  3. laten zien

  4. aanwijzen

  5. vertellen

  6. de mama

  7. de papa

  8. dag!

  9. zwaaien

  10. de jas

  11. de tas

  12. wanneer

  13. doen

  14. maken

  15. vandaag

  16. vanmorgen

  17. vanmiddag

  18. morgen

  19. nog meer

  20. de kalender

  21. fijn

  22. leuk meenemen

  23. de spullen

  24. tot de volgende keer

  25. maandag

  26. dinsdag

  27. woensdag

  28. donderdag

  29. vrijdag




Dovnload 60.56 Kb.