Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Basketbal klas 1 (3 tegen 3)

Dovnload 71.71 Kb.

Basketbal klas 1 (3 tegen 3)



Datum01.08.2017
Grootte71.71 Kb.

Dovnload 71.71 Kb.



BASKETBAL klas 1 (3 tegen 3)


Bij het basketbaltoernooi in de klas 1 bestaat een team uit 3 spelers. Het doel van het spel is de bal in de basket van de tegenpartij te werpen en de andere ploeg te verhinderen om punten te scoren.


HET VELD:

(er wordt gespeeld op een half veld)

* Het speelveld is rechthoekig, officieel 26 meter lang en 14 meter breed, en wordt begrensd door 2 zijlijnen en 2 achterlijnen (fig. 1).

* Omdat deze zij- en achterlijnen op het ONC niet aanwezig zijn, gelden in de zalen van het ONC de scheidingswand, de banken, de streep voor de toestelruimte en de (achter)muren als zij- en achterlijnen. In klas 1 spelen we op een half veld.

* De 2 grijze gebieden zijn de buckets. Verder zijn de vrijeworp-lijnen, de recht van aanval lijnen en de cirkels voor de sprongballen aangegeven.



Fig. 1


BELANGRIJKE SPELREGELS:
Recht van aanval:

  • Recht van aanval haal je in het recht van aanval gebied (RVA-gebied). Dit is tussen de middenlijn en de gele lijn.

  • Dit recht heb je nodig om te mogen scoren. Met andere woorden, zonder recht van aanval tellen doelpunten niet.

  • Je hebt recht van aanval als een van je teamgenoten of jijzelf met de bal in het RVA-gebied is geweest.

  • Je verliest het recht van aanval als
    1. De tegenstander het recht van aanval bemachtigd.
    2. Als er een doelpunt is gemaakt. Dan begint de partij die niet heeft gescoord in het RVA-gebied met de bal. Automatisch nemen zij nu ook het recht van aanval over.


Hoe ga je met de bal om?

Bij basketbal speel je de bal met je handen. Je mag niet lopen

met de bal in je hand en je mag de bal ook niet spelen met je

voet of met je vuist.


Doelpunt:

Je maakt een doelpunt wanneer de bal van bovenaf door de

basket gaat. Hierbij gelden de volgende regels:


  • Een gewoon doelpunt telt voor 2 punten.

  • Een doelpunt uit een vrije worp telt voor 1 punt.

  • Na een gewoon doelpunt of een geslaagde laatste vrije

worp moet de tegenpartij de bal vanaf het RVA-gebied in het spel brengen

  • Op het ONC spelen we niet met “3- punters”.


Pivoteren:

Dit betekent: “ronddraaien”.

Als je gestopt bent met de bal in je handen, mag je draaien rond

de eerste voet die je hebt neergezet nadat je de bal hebt

vastgepakt. Het kan heel handig zijn om een tegenstander

kwijt te raken. Je draait hem gewoon je rug toe.

Let op: Als je deze eerste voet optilt, maak je een pas en dus een loopfout.
Dribbelen:

Een speler mag dribbelen met de bal. Je stuit de bal dan met je hand, waarbij je mag overgaan van het dribbelen met je ene hand naar het drib­belen met je andere hand.

De hand moet tijdens het dribbelen wel boven het midden van de bal blijven en je mag de bal ook niet tegen je lichaam klemmen. Je mag niet meer verder dribbelen wanneer je de bal met twee handen tegelijk hebt aangeraakt. Doe je dat toch dan heet dat “second-dribble”. Na een doelpoging mag je wél weer gewoon gaan dribbelen.

Afpakken van de bal:

Als een tegenstander aan het dribbelen is, mag je proberen de bal weg te tikken. Je mag hem daarbij echter niet aanraken!



Bij een tegenstander die stilstaat met de bal in zijn handen mag je de bal vastpakken (klas 1) en/of uit de handen tikken/trekken (klas 2). Ook hier geldt dat je de tegenstander niet (ruw) mag aanraken.
De loopregel:

  • De loopregel van het dribbelen: Als je begint met de dribbel, moet je eerst stuiten voor je gaat lopen. Als je eerst een pas maakt en dan pas stuit, is het een loopfout.

  • De loopregel van het stoppen: Als je na het dribbelen wilt stoppen, mag je, als je gestopt bent met stuiten, nog 2 passen maken. We noemen dat: stoppen in het 1-2 ritme. Dit houdt het volgende in: De 1e voet die aan de grond komt nadat je de bal gepakt hebt is je 1e pas, de volgende voet is je 2e pas. Je mag, zoals gezegd, nu wel pivoteren op de 1e voet, maar je mag deze 1e voet niet optillen of verschuiven.

  • De loopregel vanuit stilstand: Als je de bal krijgt terwijl je stilstaat, is het niet toegestaan om twee passen lopen. Je mag dan alleen pivoteren. Om welke voet je pivoteert maakt in dit geval niet uit.

  • De loopregel van de lay-up: Als je wilt scoren vanuit een dribbel, kun je het beste gebruik maken van het 1-2 ritme. Je springt dan bij je 2e pas omhoog en gooit de bal op het hoogste punt van je sprong via het bord in de basket.


Speler uit - bal uit:

  • Je bent uit als je de grond op of voorbij de zij- of achterlijnen raakt. Op het ONC ben je dus uit als je de muur of de bank raakt terwijl je balbezit hebt.

  • De bal is uit wanneer hij een speler raakt die uit is, of een voorwerp buiten de zij- of achterlijnen.

  • De speler die de bal gaat inwerpen moet buiten de zijlijn gaan staan, op een plaats die het dichtst bij het punt is waar de bal uit ging. Gaat de bal via de achterlijn uit, dan wordt hij vanaf de achterlijn weer ingeworpen!

Op het ONC hebben we, zoals gezegd, geen zijlijnen. De bal wordt bij ons gewoon aan de zijkant genomen. De overige spelers mogen hierbij niet hinderen.
Seconden-regels:

  • De 5 seconden-regel: Als je de bal in je handen hebt, moet je deze binnen 5 seconden afspelen.



OVERTREDINGEN EN FOUTEN:

  • Als tegen een van de spelregels gezondigd wordt zonder dat er sprake is van persoonlijk contact, heet dit een overtreding. Na een overtreding krijgt de tegenpartij de bal. Hij moet de bal dan vanaf de zijlijn weer in het spel brengen.

  • Het is bij basketbal niet toegestaan een tegenstander aan te raken. Nou kan dit natuurlijk niet altijd voorkomen worden, maar als het opzettelijk gebeurt of zodanig dat het de tegenstander hindert, is er sprake van een persoonlijke fout (ook wel "pé" genoemd).

Je moet een tegenstander dus altijd op zo'n manier verdedigen dat hij zich nog normaal kan bewegen. Ook mag je een dribbelende tegenstander niet met je armen de weg versperren of tegen hem opbotsen. Omgekeerd mag een dribbelende speler niet opbotsen tegen de romp van een stilstaande verdediger.



  • Een speler die zich onsportief gedraagt in woord of gebaar, of die onbeleefd is tegen de scheidsrechter kan hiervoor bestraft worden met een technische fout.


Bestraffingen van fouten:

  • Als de fout onopzettelijk werd begaan tegen een speler die niet bezig was met een doelpoging, krijgt de tegenpartij een inworp vanaf de zijlijn.

  • Was de speler wel bezig met een doelpoging dan:

is het doelpunt geldig als het werd gemaakt en wordt er boven­dien 1 vrije worp toegekend.

Worden er 2 vrije worpen toegekend als er geen doelpunt werd gemaakt.



  • Na 3 fouten (pé ‘s) in een wedstrijd moet je het veld verla­ten (in een officiële wedstrijd na 5 pé ‘s). Je mag wel vervangen worden door een wisselspeler.


Vrije worpen:

Een vrije worp wordt genomen door de speler tegen wie de per­soonlijke fout is gemaakt. Deze speler moet hierbij achter de vrijeworplijn staan. De overige spelers mogen dan niet in het vrijeworp­gebied komen, en staan als volgt opgesteld:



  • 2 spelers van de verdedigende partij op de plaatsen het dichtst bij de basket, aan weerszijden van de bucket.

  • 2 spelers van de aanvallende partij daarnaast aan weerszijden van de bucket .

  • 1 speler van de verdedigende partij daar weer naast.

  • de overige spelers staan buiten de witte halve cirkel.

Wordt de laatste bal misgeschoten en heeft de bal de ring geraakt, dan gaat het spel meteen verder.
Sprongbal:

Een sprongbal wordt genomen in de cirkels. Er zijn drie situaties waarin dit voorkomt:



  1. De wedstrijd wordt begonnen met een sprongbal in de middencirkel.

  2. Wanneer 2 tegenstanders allebei de bal stevig vast hebben, wordt er ook een sprongbal gegeven ("balvast"). Deze sprongbal wordt genomen in de dichtstbijzijnde cirkel.

  3. Bij een bijzondere situatie, bijvoorbeeld als de bal vast komt te zitten tussen de ring en het bord.

Ook deze spron­gbal wordt genomen in de dichtstbijzijn­de cirkel.
Tijdens de sprongbal moeten beide springers zich aan de kant van hun eigen speelhelft opstellen. De bal mag door iedere speler 2x aangetikt (maar niet gevangen!) worden.

De rest van de spelers mag niet in de cirkel komen, maar wel op de helft van de tegenpartij.


BASISTECHNIEKEN:
a. De chest-pass.

Een veel gebruikte manier om de bal over te spelen bij basketbal is de chest-pass. Je hebt hierbij de bal vast met 2 handen aan weers­zijden van de bal en je duimen achter de bal. Je draait nu je handen in de richting van je lichaam, waardoor er spanning ontstaat in je vingers. Vervolgens pers je de bal als het ware naar voren, onder­steund door een

naar voren gerichte beweging van je lichaam (fig. 2).



Fig. 2
Een slimme variant op de chest-pass is de bounce-pass. Hierbij gooi je de bal niet door de lucht naar een medespeler, maar via een stuit. Zo'n bal is vaak moeilijk te verdedigen voor een tegenstander.


b. De lay-up.

De lay-up is een prima techniek om mee te scoren vanuit een dribbel. De volgende punten zijn hierbij van belang (rechtshandige speler vanaf rechts, zie fig. 3):



  • Kom, indien mogelijk, schuin aandribbelen. In principe dribbel je met je rechterhand als je van rechts komt en met je linkerhand als je van links aankomt. Dit om te voorkomen dat een tegenstander de bal wegtikt.

  • Pak de bal aan het einde van je dribbel met twee handen vast. Je moet het moment van pakken van de bal zo timen dat je bij de volgende 2 passen de volgorde rechts-links krijgt. Denk erom dat je niet meer passen mag maken dan deze twee passen.

  • N

    a de laatste twee passen spring je in één beweging door omhoog. Je zet hierbij

dus af met je linkerbeen.

Spring zoveel mogelijk

omhoog (niet naar voren)

en in de richting van de

basket.


  • Op het hoogste punt van

je sprong gooi je de bal

met je rechterhand tegen

het bord. Mik hierbij op

de rechterbovenhoek van

het zwarte vierkantje op

het bord.

Fig. 3


c. Het set-shot.

Een veel gebruikte manier om van afstand te schieten is het set-shot. De volgende punten zijn hierbij van belang (fig. 4):

- Hou de bal vast met twee handen, waarbij de bal vooral rust

op je rechterhand. Kijk over de bal heen naar de basket.

- Buig je benen licht en strek ze vervolgens. Beweeg

tegelijkertijd de bal omhoog. Vlak na het begin van deze

schietbeweging laat de linkerhand de bal los.

- De bal verlaat de hand op het moment dat het lichaam en

de rechterarm gestrekt zijn. Een duw vanuit de “polsslag”

besluit het schot.



Fig. 4


BASISTACTIEKEN
a. Man-to-man verdediging.

De meest gebruikte verdedigingstactiek bij het basketbal is de man-to-man verdediging. Bij deze tactiek is iedere speler in de verdedi­ging verantwoordelijk voor zijn eigen tegenstander. De volgende punten zijn hierbij van belang:



  • Spreek voor het begin van de wedstrijd met je eigen team af welke tegenstander door wie verdedigd zal wor­den. Let op: Het kan best zo zijn dat je directe

tegenstander in de aanval niet dezelfde is als je directe tegenstan­der in de verdediging.



  • Zorg ervoor dat, als er gewisseld wordt, de wisselspeler weet wie hij moet verdedi­gen.

  • Als je als team de bal verliest, stel je dan zo snel mogelijk op rond de bucket. Elke speler wacht daar vervolgens zijn eigen tegenstander op.

  • Hou je tegenstander altijd voor je, dat wil zeggen sta altijd tussen je tegenstander en de basket.

  • Zit je tegenstander niet te dicht op de huid. Ten eerste omdat de kans op een pé dan vrij groot is, en ten tweede omdat het dan moeilijker is om je tegenstander voor je te houden. Alleen als een tegenstander de bal in zijn handen heeft, ga je wat dichter bij hem staan en probeer je door met je armen te zwaaien een pass of een schot te bemoeilijken of zelfs te verhinderen (fig. 5).



b. Fast-break.

Als de tegenpartij nog niet terug is op eigen helft dan kun je proberen een snelle aanval op te zetten (fast-break). Dit doe je door de bal snel over de tegenstanders heen naar een medespeler te gooien die bij de basket vrij staat of een vrije dribbel heeft naar de basket (lay-up).


Fig. 5



Scheidsrechterstekens:










Sprongbal:

Beide spelers hebben de bal vast of het begin van de wedstrijd. (In de cirkel). Twee duimen omhoog.


Lopen met de bal:


Draai je handen om elkaar.

Wijs daarna in de speelrichting.



Uitbal:

Wijs in de speelrichting.











Persoonlijke fout‘P’:

Alleen als dit genoteerd wordt bij overtreding (bijv. 3 P’s is eruit): Wijs de speler aan en doe je vuist omhoog.



Vrije worpen:

Wijs de plaats van de vrije worp aan en geef met je andere hand het aantal vrije worpen aan.



Second dribble:

Beweeg je handen op en neer.

Wijs daarna in de speelrichting










Doordringen (fout van de aanvaller):

Sla met je vuist in je handpalm.

Wijs daarna in de speelrichting.


Op de handen/ armen slaan:

Sla met de zijkant van je hand op je onderarm.

Wijs daarna in de speelrichting.

3 seconden regel:

Wijs de speler aan en houd drie vingers op.

Wijs daarna in de speelrichting.








Doelpunt:

Geef met je vingers het aantal punten aan:

1 punt (strafworp)

2 punten (foto) of

3 punt (van achter de lijn gescoord)


Duwen/aanraken door de verdediger:

Maak met twee handen een duwbeweging.



Wijs daarna in de speelrichting.




  • Lopen met de bal

  • Dovnload 71.71 Kb.