Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Beelden van Christus in Genesis

Dovnload 86.92 Kb.

Beelden van Christus in Genesis



Datum23.09.2018
Grootte86.92 Kb.

Dovnload 86.92 Kb.

Beelden van Christus in Genesis


door Dr. M. R. de Haan

Oorspronkelijke titel: “Portraits of Christ in Genesis”.

Vier radioboodschappen in een serie van vijf delen, uitgezonden door de Radio Bible Class, Grand Rapids, Michigan, U.S.A. - deel 2

Alle Schriftaanhalingen komen uit de Statenvertaling 19771



HOOFDSTUK 1


Twee van de discipelen van de Heer Jezus gingen op de dag van Zijn opstanding van Jeruzalem naar Emmaüs. Zij spraken over de gebeurtenissen van de laatste drie dagen. Zij herhaalden telkens weer hoe teleurgesteld zij waren over het feit dat alles zó met de Heer Jezus was afgelopen. Hadden zij niet innig gehoopt dat Hij hun Messias zou wor­den? Nu was Hij aan het kruis op Golgotha gestorven. Hier­door was hun hele hoop en verwachting van het komende Koninkrijk verloren gegaan.

Opeens voegde de Heer Zich bij hen, maar Hij werd door hen niet herkend. Hij vergezelde hen op de weg en luis­terde enige tijd naar hun droevig relaas. Maar in plaats van medeleven en medelijden te krijgen, ontvingen zij van Hem een strenge vermaning. Onze Heer zei tegen de discipelen:

“... O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet deze dingen lijden, en [alzo] in Zijn heerlijkheid ingaan?” (Lukas 24:25, 26).

Nadat wij de vermaning van de Heer Jezus hebben gelezen komen wij aan een vers in Lukas 24 dat buitengewoon be­langrijk is, en wel vers 27:

“En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem [geschreven] was”.

Op twee heel belangrijke dingen wil ik u wijzen.

Ten eerste: “En Hij begon bij Mozes”. Ten tweede: “Hij legde hun uit, in al de Schriften2, hetgeen van Hem [geschreven] was”. Hieruit zien wij dat de Heer Jezus hun uitlegde wat Mozes en de profeten over Hem te zeggen hadden.

De discipelen wisten niet dat Hij over Zichzelf sprak. Zij wisten niet dat dit dezelfde Jezus was die nu met hen sprak. Al spoedig merkten zij dat deze Man hun dingen over de Heer Jezus vertelde, die zij tevoren nooit in de Schriften gezien hadden. Geen wonder dat zij Hem dringend uitno­digden binnen te komen. Zij wilden zo graag dat deze Man hen nog meer over de Heer Jezus in de boeken van Mozes en al de Schriften vertelde. Zij luisterden en aten als het ware zijn woorden op. Toen nam deze onbekende Man brood en Hij brak het. Nadat Hij het gezegend had gaf Hij het hun. Plotseling gingen hun ogen open. Zij herkenden Hem als Jezus, hun Heer en Meester. Hij was het dus Zelf geweest die hun had uitgelegd wat in al de Schriften op Hem be­trekking had.

Ik heb me vaak afgevraagd hoe deze twee discipelen de Heer Jezus herkenden. Ik weet dat de Bijbel zegt:

“En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem” (Lukas 24:31).

Maar wát zagen zij toen hun ogen geopend werden? En wat was het dat hun ogen opende? Ik denk dat wij het antwoord vinden in het verslag dat zij aan de andere discipelen gaven. Nadat zij de Heer hadden herkend, verdween Hij onmiddel­lijk. Zij echter keerden meteen naar Jeruzalem terug om aan de elven en nog meerderen te vertellen wat zij hadden be­leefd. Luistert u naar hun verslag:

“En zij vertelden, hetgeen op de weg [geschied was], en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods”. (Lukas 24:35).

Let u op deze twee dingen: 1) Zij vertelden hoe de Heer voor hen de Schriften geopend had en daarbij met Mozes begonnen was. 2) Hoe zij Hem herkend hadden. Dat was bij het breken van het brood. Let u vooral op deze woorden: “... hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods”.

Toen de Heer Jezus het brood nam en het brak en het aan hen gaf zagen zij iets. Er waren wonden in zijn handen. Toen Hij hun het brood gaf zagen zij zijn handen. De door­boorde handen van de Heer Jezus maakten Hem bekend.

Later komen wij dezelfde geschiedenis tegen. Terwijl deze twee discipelen van hun ontmoeting met de Heer vertelden, verscheen Hij plotseling in hun midden.

“En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zij een geest zagen. En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen [zulke] overleggingen in uw harten? Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en beenderen, gelijk gij ziet, dat Ik heb. En toen Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en de voeten” (Lukas 24:37-40).

Deze zelfde geschiedenis herhaalde zich bij wat Thomas be­leefde. Thomas had gezegd dat hij niet zou GELOVEN tot hij het bewijs in Zijn handen en voeten zag.

Een week later verscheen de Heer Jezus aan de discipelen en op Thomas wijzend zei Hij:

“Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en wees niet ongelovig, maar gelovig” (Johannes 20:27).

Wat was de oorzaak dat het zo lang duurde vóór de discipe­len Hem herkenden nadat zij Hem ontmoetten? Het kwam omdat zij niet geloofden wat in AL de Schriften over Chris­tus geschreven stond. Zij hadden wèl geloofd wat met hun wensen in overeenstemming was, het overige hadden zij ter zijde gesteld. Maar al te graag geloofden zij in de komst van de Messias. Hij zou dan Israël bevrijden, het koninkrijk van David oprichten en het tijdperk van vrede en gerechtigheid brengen. Dát namen zij graag aan. Maar die gedeelten uit de Schriften die vertelden van zijn lijden en verwerping wer­den terzijde gesteld. De Heer Jezus had de twee discipelen die op weg naar Emmaüs waren berispt dat zij maar een deel van de Schriften geloofden. Nu was Hij bij zijn dis­cipelen en stond op het punt hen te verlaten. Weer zegt Hij dat zij AL DE SCHRIFTEN MOETEN GELOVEN. De Heer nodigde de discipelen uit Hem te betasten en de wonden te bezien die in zijn handen en voeten waren. Zo zouden zij kunnen vaststellen dat Hij inderdaad de opgestane MENSE­LIJKE Jezus was en niet een geest. Hij vroeg iets te eten:

“En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honingraten. En Hij nam het, en at het voor hun ogen” (Lukas 24:42, 43).

Let u nu goed op:

“En Hij (Jezus) zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog met u was, [namelijk] dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen. Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage” (Lukas 24:44‑46).

Wellicht vraagt u: Waarom zoveel nadruk op de berisping van de Heer Jezus aan zijn discipelen dat zij niet AL DE SCHRIFTEN geloofden? In zekere mate kunnen wij het de discipelen niet kwalijk nemen dat zij de Heer Jezus niet herkend hebben in het gehele Oude Testament. Hoeveel ern­stiger is het niet met ons gesteld als wij niet geloven AL wat de Schriften leren. Wij staan immers achter de gebeur­tenissen van Golgotha en Pinksteren.

Wij leven in een tijd van kritiek, een tijd van twijfel en vrees en vragen over de Bijbel. De Schriften hebben voor menige gelovige hun gezag verloren. De Bijbel wordt door velen van de Belijdende Kerk niet in ere gehouden. Er wordt over ge­redetwist. Zij wordt verdraaid, veranderd, herzien door zelf­verzekerde en onbetrouwbare theologen en vertalers. Er is heden ten dage een groei in de loochening van het Woord van God. Veel van de aanvallen zijn gericht tegen de boe­ken van Mozes. Ons wordt verteld dat de geschiedenis van de schepping, van de zondeval, de Hof van Eden en de ark van Noach slechts overgeleverde volksverhaaltjes zijn. Ons wordt opgelegd te geloven dat het eerste deel van de Bijbel geen historisch gebeuren is of een letterlijk verslag van de schepping, de zondeval en de verlossing. Ons wordt verteld dat wij, als wij dit verslag letterlijk geloven, tonen dat wij niet ter zake kundig zijn, niet wetenschappelijk ontwikkeld.

Onze geleerden hebben reeds lang het geloof in het verslag volgens het boek Genesis opgegeven.

Dit alles hebben wij u verteld om u te laten zien dat het onmogelijk is een deel van het verslag aan te nemen en de rest te verwerpen. Als delen van de Bijbel mythen zijn en als andere delen waar zijn, wie is dan de rechter om uit te maken wat waar is en wat niet? Wij herhalen, het is ALLES OF NIETS. De Heer Jezus zei dat AL DE SCHRIFTEN van Hem spreken. Hij geloofde de boeken van Mozes. Hij zei:

“Meent niet, dat Ik u aanklagen zal bij de Vader; die u aanklaagt, is Mozes, op wie gij gehoopt hebt. Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven” (Johannes 5:45, 46).

De Heer Jezus bestrafte de mensen van zijn tijd dat zij niet AL DE SCHRIFTEN geloofden. Maar welke verontschuldi­ging hebben wij dan, nu wij het licht van het Nieuwe Testa­ment hebben en de verlichting van de Geest van Pinksteren? Toch is de onwetendheid van de doorsnee‑gelovige betref­fende het Woord van God verschrikkelijk en schokkend.

Dit zal velen van u verwonderen en onaangenaam in de oren klinken. Toch was één van de meest ontmoedigende dingen in mijn dienst te bemerken dat sommigen, nadat zij jaren onderwezen waren, nog kleine kinderen waren wat de ken­nis van het Woord van God betrof. Soms vroeg ik mij af: Waarin faalde ik in mijn dienst? Hoe komt het dat de men­sen elke week naar de onderwijzingen komen luisteren en toch zo weinig geïnteresseerd zijn in de Bijbel? Komt het omdat de mensen, net als eens de discipelen eertijds, alleen aannemen wat zij graag willen horen en het overige afwij­zen?

Het doel van de Radio Bible Class is niet alleen om in het Woord te onderwijzen, meer nog is haar taak mannen en vrouwen er voor te interesseren het Boek PERSOONLIJK te bestuderen. Maar dat vraagt studie. Dat vraagt meer dan alleen maar het Onze Vader herhalen en de 23ste Psalm op­zeggen. Studie betekent werk!

Daarom proberen wij in deze boodschappen in u een ver­langen te wekken om meer van het Woord van God te we­ten. Maar meer nog willen wij u behulpzaam zijn deze stu­die tot een goede levenssteun te maken.

In deze lessen over Beelden van Christus in Genesis willen wij proberen u te laten zien hoe u de Heer Jezus overal en altijd in de Bijbel vindt. Daarvoor hebt u het licht van het Nieuwe Testament nodig. Wij beseffen dat zonder dit licht het onmogelijk is de vele beelden en schaduwen van het Oude Testament te herkennen. Maar mèt het licht van het Nieuwe Testament is het eenvoudig. Als wij maar bereid zijn DE SCHRIFTEN TE ONDERZOEKEN. In onze volgende boodschappen zullen wij met onze studie in het boek Gene­sis over BEELDEN VAN CHRISTUS verder gaan.

Wij zagen Hem reeds in het allereerste vers van Genesis: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde”.

In het licht van het Nieuwe Testament weten wij dat de grote God, de Schepper, niemand anders was dan Jezus Christus, het eeuwige Woord, want Johannes zegt:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is” (Johannes 1:1-3).

Dan zien wij in Adam een beeld van onze Heer Jezus.

Adams bruid werd genomen uit zijn verwonde zijde. Ten­slotte wordt Adam gezien als een beeld van Christus in zijn liefde voor zijn bruid. Ook hij redde haar door Zijn “dood”.

In onze volgende boodschap zullen de EERSTE aanhalingen komen waar de Verlosser bij name genoemd wordt. Ook het EERSTE duidelijke beeld van Golgotha. Het zal u helpen als u het derde hoofdstuk van Genesis zorgvuldig doorleest. Dan kunt u al een duidelijk beeld zien van Hem die gezegd heeft:

“Onderzoekt de Schriften; want gij meent daarin het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen” (Johannes 5:39).


HOOFDSTUK 2


De Bijbel bevat van Genesis tot Openbaring een ononderbro­ken getuigenis over de Heer Jezus Christus. Hij heeft Zelf gezegd dat al de Schriften op Hem betrekking hebben (Lucia 24:27). Hierbij is natuurlijk het eerste boek van Mozes3 inbegrepen, het boek dat heden zo meedogenloos en brutaal aangevallen wordt. Het blijkt dat de Heer Jezus het van tevoren heeft gezien dat zogenaamde theologische geleer­den het eerste deel van de Bijbel, dat door Mozes geschre­ven was, zouden aanvallen. Daarom nam Hij extra moeite de nadruk te leggen op zijn eigen geloof in de geschiedkun­dige juistheid van de Pentateuch4, oftewel de geschriften van Mozes. De Heer Jezus zei:

“Meent niet, dat Ik u aanklagen zal bij de Vader; die u aanklaagt, is Mozes, op wie gij gehoopt hebt. Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven. Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven?” (Johannes 5:45‑47).

Deze woorden van de Heer stellen ons voor de vraag: Had de Heer Jezus ongelijk toen Hij zijn onverdeelde instemming betuigde met de geschriften van Mozes? De boeken van Mo­zes verwerpen is hetzelfde als de Heer Jezus Christus Zelf verwerpen. Immers, zij die ons voor onontwikkeld houden en zichzelf voor intellectuelen en geleerden verwerpen open­lijk de woorden van de Heer Jezus en noemen zich nog Christenen.

Wat zij zeggen

Immers, deze zogenaamde intellectuelen en geleerde theo­logen lachen om de letterlijke uitleg van de Schriften. Ge­heel ongegrond beweren zij dat de eerste vijf boeken van de Bijbel zijn samengesteld door meer dan tien schrijvers. Zij zouden geschreven zijn honderden jaren nadat Mozes heeft geleefd. Openlijk verklaren zij dat Mozes helemaal niet heeft geleefd maar een verzonnen persoon was, bedacht door deze valse schrijvers. Volgens deze geleerden zijn de boeken van Mozes slechts een mythe en een verward verslag over de oorsprong van het volk en de wetten van Israël. De boeken Ruth en Esther zijn slechts romantische liefdesverhalen; zij zouden pure fantasie zijn. Vele van deze critici ontkennen dat David ook maar één Psalm geschreven heeft. En dit wordt geleerd in onze zogenaamde Christelijke (!) hogescho­len. Het wordt van menige kansel gepredikt.

Tenzij iemand wederom geboren wordt . . .

Deze onzin kan een gelovige in Jezus Christus wel verwar­ren. Toch mag het ons er niet van weerhouden in AL de Schriften te blijven geloven. Wij herhalen het: het is ALLES OF NIETS. Voor de gelovige is het feit dat de Heer Jezus op elke bladzij van de Schriften gevonden kan worden dui­delijk en niet mis te verstaan. Hoe hebben wij dan te staan ten opzichte van de onbekwaamheid van deze hoog ontwik­kelde geleerden die toch niet zien wat het meest eenvoudige kind van God wél in de Bijbel ontdekt? De Heer Jezus legt dit uit in zijn onderhoud met de zeer ontwikkelde geleerde die Nicodémus heette. Hier was de voornaamste leider van het volk Israël, een TOPFIGUUR. En toch was hij geheel blind voor geestelijke dingen. Hij vroeg aan de Heer: “Hoe kan dit geschieden?” De Heer gaf hem het antwoord “GIJ MOET WEDEROM GEBOREN WORDEN” (Johannes 3:7). Nicodé­mus was met al z’n opleiding en ontwikkeling zo blind als een mol en daarom zegt de Heer Jezus:

“...tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Ko­ninkrijk Gods niet ZIEN” (Johannes 3:3).

Hij kan het niet ZIEN. Hij is blind voor geestelijke dingen, hoewel hij de knapste geleerde in de wereld kan zijn. Hebt u zich wel eens afgevraagd waarom sommige van onze wijzen, of onze natuurkundigen, of onze sterrenkundigen, aardrijkskundigen, medici, doktoren en leraren er in falen Gods hand te zien in al hun onderzoekingen? Het komt een­voudig omdat iemand vóór hij wedergeboren is totaal blind is voor geestelijke zaken. Paulus zegt dat duidelijk als hij aan de Korinthiërs schrijft:

“Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden” (1 Korinthiërs 2:14).

In de tweede brief aan de Korinthiërs zegt hij

“Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in hen, die verloren gaan; In wie de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, [namelijk] der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is” (2 Korinthiërs 4:3, 4).

Dit geeft de oplossing waarom de meest eenvoudige gelovige in Christus een mijn vol schatten vindt in de Bijbel en de meest geleerde en ontwikkelde ongelovige geen glimp van deze heerlijkheid ziet.

In deze boodschappen over beelden van Christus in Genesis leren wij zonder moeite door heel het Oude Testament typen, schaduwen, beelden en grondlijnen van de Heer Jezus te ontdekken. Vaak werd kritiek op ons geleverd omdat wij de Heer Jezus zagen in de moeilijke duistere gedeelten van de Bijbel. Zij beschuldigen ons ervan dat wij fantaseren als wij typen en beelden van Christus zoeken in elk deel van de Schrift. Maar het feit dat zij het niet zien, betekent niet, dat wij het niet zien. Wij zijn niet verantwoordelijk voor hun blindheid.

De eerste Evangelieboodschap

Nu kunnen wij voortgaan met meerdere beelden van Chris­tus in de Schriften. Wij noemen de EERSTE belofte van de Verlosser in de Bijbel. Die staat in het begin van Genesis:

“En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; dat zal u de kop vermorze­len, en gij zult het de verzenen (= de hiel) vermorzelen” (Genesis 3:15).


De mens was aan Gods opdracht betreffende de verboden vrucht ongehoorzaam geweest. Daarom was hij onder het oordeel van de dood gekomen. Adam en Eva probeerden zich voor God te verbergen. Zij trachtten hun naaktheid te be­dekken met bladeren van een vijgeboom. Maar het hielp niet. Daarom kwam God te hulp met de belofte. Wij her­inneren u er aan dat dit een ware profetie is en een beeld van Christus de Verlosser. Wij wijzen op een aantal belang­rijke feiten in deze eerste belofte over de verlossing.

1) Let u er eerst op dat deze oorlogsverklaring en uiteinde­lijke overwinning op de vijand tegen de slang werd gezegd en niet tegen moeder Eva. Het lijkt of Satan de eerste scher­mutseling tegen het Woord van God gewonnen heeft. Toch blijkt uit Genesis 3:15 dat dit slechts het begin van een conflict is dat zal eindigen in een algehele overwinning voor het ZAAD van de vrouw.

2) Let u er dan op dat de belofte van de overwinning heel kort na de zondeval werd gegeven. Het gebeurde zelfs vóór Adam en Eva uit de hof verbannen werden. God had gezegd dat op hun zonde de straf van de dood stond, zowel licha­melijk als geestelijk. Maar vóór de arme zondaar kon ster­ven en voor altijd verloren zou zijn kwam God met de heer­lijke belofte van verlossing. Hiermee worden Paulus’ woor­den belicht:

“...waar de zonde meerder geworden is [daar] is de genade veel meer overvloedig geweest” (Romeinen 5:20).

3) Let u er ten derde op dat wij hier de eerste toespeling hebben op de MAAGDELIJKE GEBOORTE van de Heer Je­zus. Hij wordt hier immers HET ZAAD VAN DE VROUW genoemd. Elk menselijk wezen dat sinds de dagen van Adam en Eva geboren is, is het zaad van Adam. Het zaad volgt al­tijd de mannelijke lijn. Maar er is één uitzondering op deze regel: Jezus Christus die “het zaad van de vrouw” wordt genoemd. Adam wordt in dit vers in het geheel niet ge­noemd. En dit is de enige keer in de Bijbel waar iemand “het zaad van de vrouw” wordt genoemd. Het was Eva die voor Satans verleiding bezweken was. God bestemde ook de vrouw ertoe de Verlosser ter wereld te brengen. Door de vrouw was de zonde in de wereld gekomen en door de vrouw zou de Heiland komen. Door de vrouw was de vloek geko­men, en door de vrouw zou Hij komen die de vloek zou weg­nemen.

Ja, inderdaad, “waar de zonde meerder geworden is [daar] is de genade veel meer overvloedig geweest”. De komende Heiland zou uit een maagd geboren worden, zonder menselijke vader. Critici hebben de leer van de maagdelijke geboorte belachelijk ge­maakt en zij hebben speciaal Jesaja 7:14 aangevallen:

“...Ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een zoon baren, en Zijn naam Immanuël heten”.

Deze ‘geleerden’ zeggen dat het Hebreeuwse woord “almah” ook “jonkvrouw” kan betekenen. Hoe het ook zij, in het Nieuwe Testament blijkt de ware betekenis uit het verslag van de maagdelijke geboorte van de Heer Jezus (Mattheüs 1:23 en Lukas 1:27). Maar de openbaring van de maagdelijke geboorte gaat terug tot de hof van Eden waar de komende Bevrijder het zaad van de VROUW wordt genoemd en niet het zaad van de MAN.

4) Let u er dan voorts op dat er over twee soorten zaad wordt gesproken: Het zaad van de slang en het zaad van de vrouw. Daar het zaad van de vrouw een persoon voorstelt zal het zaad van de slang ook een persoon voorstellen. Satan zal een MENS van het zaad krijgen evenals de vrouw. Deze twee PERSONEN zullen later de Christus en de Antichrist zijn. Christus zal de Zoon van God zijn, geboren op bovenna­tuurlijke wijze. De Antichrist zal zichzelf in de eindtijd als “de mens der zonde, de zoon des verderfs” (2 Thessalonicenzen 2:3), openbaren.

In Genesis 3:15 wordt gesproken over de eindstrijd van deze eerste oorlogsverklaring. Het zal gaan tussen Christus en de Antichrist. Dat het zaad van de slang een letterlijke persoon zal zijn is de enige logische conclusie. Immers, het zaad van de vrouw zal ook een PERSOONLIJKE, MENSELIJKE VER­LOSSER zijn, de Man Jezus Christus.

5) Nog iets valt ons op in dit onuitputtelijke beeld van de komende Verlosser in dit eerste Evangelie in Genesis 3:15. Dit laatste is van het allergrootste belang als wij deze strijd en overwinning van de eindtijd willen verstaan. In Genesis 3:15 is het begin van de strijd tussen Satan en Christus. De­ze strijd zal zijn hoogtepunt bereiken in de volledige over­winning van de Heiland. Wij hebben het verslag van deze uiteindelijke overwinning in het laatste boek van de Bijbel5. Het conflict begint in Genesis en eindigt in Openbaring.

De persoonlijke Antichrist wordt verslagen en in de poel van vuur geworpen bij de tweede komst van Christus (Openba­ring 19:20). Ook Satan zelf zal later in deze plaats geworpen worden. (Openbaring 20:10). Tussen deze twee gebeurtenis­sen (Genesis 3 en Openbaring 20) ligt een geschiedenis vol strijd. Soms lijkt die strijd in voordeel van de vijand te zijn, want u moet er op letten dat er twee gewonden zullen zijn volgens Genesis 3:15. Het zaad van de slang zal de hiel6 van het zaad van de vrouw vermorzelen. Uiteindelijk zal het zaad van de vrouw de kop van de slang vermorzelen. De eerste vermorzeling heeft reeds plaats gevonden. Toen de Verlosser voor de eerste maal kwam leek het op een over­winning voor de vijand. De Verlosser werd immers aan het kruis ter dood gebracht. Daar werd zijn hiel vermorzeld (een symbool van het lijden en de dood van onze Heiland). In Je­saja 53:5 staat van Hem:

“Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om on­ze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld”.

Dit deel van de belofte en de voorzegging van Genesis 3:15 is geschied. Het gebeurde bijna twee duizend jaar geleden. Maar de andere vermorzeling (van de kop van de slang) ligt nog in de toekomst. Dit zal in vervulling gaan bij de tweede komst van Christus. De hiel van de Heiland werd bij zijn eerste komst verbrijzeld.

Satans hoofd zal verpletterd worden bij de tweede komst van Christus. Dit is de enig mogelijke uitleg van Genesis 3:15.

Wij moeten de nadruk leggen op het verschil tussen de twee “vermorzelingen”, niet alleen wat betreft de tijd wan­neer dit gebeurt, maar ook wat betreft de gevolgen. Het verbrijzelen van de hiel is NIET FATAAL. Het zal echter het einde zijn van Satans aanval - zowel op de Verlosser als op de ver­losten - wanneer Satans hoofd verpletterd wordt, want dit is WEL FATAAL. Het zal plaats vinden als onze Heer persoonlijk en met macht naar de aarde terugkeert:

“En hij greep de draak, de oude slang, welke is de duivel en Satanas, en bond hem duizend jaren; En wierp hem in de afgrond” (Openbaring 20:2, 3).

Het bewijs

Wat een bewijs dat het Woord van God waar is! Hij al­leen die van te voren de afloop kent, kan zulke precieze on­weerlegbare grondlijnen van heel de komende geschiedenis geven. Wie anders kan dit samenvatten in dertig woorden en dat reeds in de hof van Eden. Men vraagt zich inderdaad verwonderd af hoe critici en ongelovigen alleen al in deze ene tekst niet het onbetwistbare bewijs zien van de Godde­lijke inspiratie. Welk menselijk brein kan zulke voorzeggin­gen bedenken? Dat komt omdat dezelfde macht die de vrouw in de hof verleidde ook de ogen verblindt van hen die niet geloven. Maar de gelovigen worden door deze aanvallen op de Bijbel niet in de war gebracht. Wij hebben immers zulk een machtig bewijs van de Goddelijke openbaring van Gods Geest door dit onfeilbaar Woord. Als u in dit alles niet Gods openbaring betreffende Zijn Zoon ziet dan bent u nog ver­blind in uw ongeloof. De Bijbel heeft geen bewijs nodig. Zij moet slechts eerlijk gelezen en geloofd worden. Dan zal elke bladzijde van het Boek een beeld van de Christus Gods openbaren.
HOOFDSTUK 3

Het Oude Testament is een boek vol schaduwbeelden. Het bevat van Genesis tot Maleachi7 beelden van de komende Verlosser, die het Middelpunt van de Bijbel is. Paulus zegt dat het verslag van het Oude Testament onder de wet tot doel had een “een schaduw (te zijn) der toekomende dingen” (Kolossenzen 2:17).

Een schaduw is “een afwezigheid van licht”, waardoor op een vlakte de vormen van een bepaald voorwerp of lichaam te zien zijn doordat de lichtstraling onderbroken is. Het is een vage weergave van een bepaalde voorstelling. Een scha­duw moet licht hebben en er moet een voorwerp zijn. Het voorwerp houdt het licht tegen en laat zijn schaduwbeeld min of meer vaag naar zijn eigen vorm zien.



Het voorwerp van de openbaring van het Oude Testament dat zijn schaduw laat zien is Jezus Christus. Paulus zegt dat het Oude Testament een schaduw was van hetgeen komen moest, maar de werkelijkheid (het lichaam) is Christus. Of de schaduw vaag of duidelijk is hangt af van de hoek waar­mee het licht het lichaam beschijnt. Een voorbeeld: Ik sta vroeg in de ochtend, kort na zonsopgang in het zonlicht. Het schaduwbeeld van mijn lichaam is dan niet in overeenstem­ming met mijn ware grootte. Het beeld strekt zich uit over het voetpad, en over de weg en het verdwijnt in het grasveld daarachter. De schaduw openbaart alleen maar dat er een lichaam is dat het licht tegenhoudt. Als de zon hoger komt te staan wordt de schaduw korter, maar ook duidelijker. De vorm en de lengte van de schaduw komen meer in overeen­stemming met de werkelijkheid van het lichaam. In de och­tend, als de zon met een hoek van 45 graden aan de hemel staat zal de schaduw dezelfde afmeting hebben als het li­chaam. Er beginnen nu onderdelen en omtrekken zichtbaar te worden. Als in het middaguur de zon haar hoogtepunt be­reikt, verdwijnt de schaduw; dan is alleen het lichaam zichtbaar. Zo is het ook met de voortgaande openbaring in de Bijbel. Toen heel lang geleden in Genesis de zon van de openbaring begon te schijnen waren er al schaduwen van toekomstige gebeurtenissen, maar zij waren onduidelijk en vaag. Zonder meer licht waren zij niet te onderscheiden. Wij zijn het eens met het gezegde: “grote gebeurtenissen werpen hun schaduwen vooruit”. Dit is ook van de Bijbel waar. Eerst is het moeilijk het lichaam dat de schaduw af­geeft te herkennen, maar als meer licht komt wordt het li­chaam zichtbaar. Zo was het ook toen tweeduizend jaar geleden de Heer Jezus kwam. Toen vielen de schaduwen weg door de heerlijkheid van Hem die het licht der wereld is. Nu hebben wij het volle licht van het Nieuwe Testament. Hier­door kunnen wij Christus in de schaduwbeelden en typen, zoals Hij profetisch was afgebeeld, zien.
Voortgaande openbaring

Nu hebben wij de gehele openbaring van Christus. Hierdoor zien wij een schaduwbeeld in het allereerste vers van de Bij­bel “In den beginne schiep God”. Deze Schepper, God, was, zoals wij in een voorgaande boodschap zagen, Jezus Chris­tus8 Zelf (Johannes 1:3). Toen zagen wij een iets duidelijker schaduwbeeld in de schepping van Adams bruid die geno­men werd uit zijn gewonde zijde. Ook hierin zagen wij een beeld van de Heer Jezus. Het licht ging helderder schijnen en wij zagen Adam als een beeld van de Heer Jezus in Zijn liefde voor Zijn bruid. Dit was een zo grote liefde dat Hij in haar plaats wilde “sterven”. In onze laatste boodschap za­gen wij in Genesis 3:15 een heerlijk beeld van Christus in het zaad van de vrouw.
Steeds duidelijker

In ditzelfde hoofdstuk (Genesis 3) wordt een nog helderder licht geworpen op de belofte van het zaad. De schaduw geeft nu een niet mis te verstaan beeld hoe de Verlosser de won­derbare redding zal voltooien. Dit vinden wij in Genesis 3:21 en het wordt Gods eerste Evangeliepreek genoemd.

Iedereen zou dit vers moeten kennen.

“En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken (= klederen) van vellen, en trok ze hun aan”.

In dit vers dat zich afspeelt in de prille menselijke geschie­denis zien wij Gods oprecht verlangen naar het behoud van de zondaar. Het is de eerste geheel duidelijke openbaring van Golgotha. Voordat wij dit onbeschrijfelijk heerlijke vers bezien moeten wij iets over de omstandigheden vertellen. De mens was aan God ongehoorzaam geworden. Hierdoor was hij onder het oordeel van de zonde gekomen. Adam en Eva waren zich bewust geworden van hun toestand. Maar de zonde had hun ogen verblind. En in plaats van tot God te vluchten om hulp probeerden zij heel dom of zij hun eigen redding konden bewerkstelligen. Zij dachten dat zij iets kon­den DOEN om zich voor God weer toonbaar te maken. Vóór­dat de mens in de zonde viel, was hij bekleed met het kleed der onschuld. Zodra hij echter gezondigd had verloor hij de­ze bedekking en hij kwam er achter dat hij schandelijk naakt was. De Bijbel zegt:

“Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen en maakten zich schorten” (Genesis 3:7).

Helaas, de vijgebladeren voldeden niet. Adam en Eva wis­ten diep in hun hart heel goed dat hun schorten niet toerei­kend waren, als zij immers geloofd hadden dat hun bedek­king voldeed dan zouden zij zich niet voor God hebben verborgen (Genesis 3:8-10).


De Heer komt te hulp

Daar Adam en Eva zich voor God verborgen zocht de Heer hen. Welk een betoning van genade en:

“waar de zonde meerder geworden is, [daar] is de genade veel meer overvloedig geweest”. (Romeinen 5:20).

De Heer negeerde hun vergeefse pogingen vol­komen toen zij probeerden hun schuld te bedekken. En in het volgende vers lezen wij deze heerlijke, onuitputtelijke, wonderbare boodschap die spreekt van redding en genade:

“En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en trok ze hun aan” (Gene­sis 3:21).

Er zouden boekdelen geschreven kunnen worden over al die heerlijke waarheden die in dit beeld over Gods voorzienin­gen voor de gevallen zondaar verborgen liggen. Wij kunnen slechts op enkele wijzen.

De grondlijnen voor een volkomen behoudenis

God nam een offerdier (wellicht een lam). Hij slachtte het dier voor Adams ogen. Om hun naakte lichamen legde Hij de vellen. In deze handeling legde God een eeuwig Goddelijk grondbeginsel waarvan geen afwijking mogelijk is. In deze daad legde God drie onschendbare regels voor de verzoening van de zonde.

1) Uit dit eerste verslag van een God aangenaam offer blijkt dat alles door God gedaan is. Het dier was een gave van God en niet het werk van de mens. Hoe heerlijk en duidelijk zien wij hierin het beeld van onze Heer Jezus, het volmaak­te Lam van God. De Here God alleen maakte de dierenhui­den klaar om Adam en Eva te bekleden. Zij deden niets, ab­soluut niets. Het enige offer dat God welgevallig is moet Gods werk zijn en Gods vrije gave. Onze eerste ouders hoef­den zelfs de dierenhuiden niet zelf om te doen. Ook dit werd door God gedaan. Wij lezen immers: “God ... trok ze hun aan”.

2) Verzoening kan alleen geschieden door de dood van een onschuldige plaatsvervanger. Het dier dat God doodde om in de huiden te voorzien had geen deel aan Adams zonde. Het was een onschuldig offerdier. De mens kon zijn eigen zonde niet verzoenen, want de straf was vastgesteld. Wij le­zen in Genesis 2:17:

“...want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven”.

Als er ook maar één dag was voorbijgegaan zonder dat er in een plaatsvervanger voorzien was zouden zij op diezelfde dag dat zij gezondigd hadden, gestorven zijn. Daarom kwam God, voordat de eerste dag voorbij was, tot hen met de bood­schap van de redding. Op dezelfde avond van de dag waar­op Adam zondigde kwam God met zijn plaatsvervangend lam. Dit blijkt duidelijk uit het verslag. Wij lazen dat Adam en Eva zich verborgen. Daarna maakten zij de armzalige schor­ten van vijgebladeren. Toen kwam God diezelfde dag om hen te bevrijden (Genesis 3:8 e.v.).

3) De verzoening kon alleen door BLOEDVERGIETEN ge­schieden. Hoewel in het verslag niet over bloed gesproken wordt moeten wij dit wel als vanzelfsprekend aannemen.

God kon niet over de huiden van de plaatsvervanger be­schikken zonder het dier te doden en het bloed te vergieten. Let u ook op het verschil tussen Gods bekleden en Adams zwakke poging daartoe. De bekleding van Adam om zijn naaktheid en zonde te bedekken wordt SCHORTEN van vij­gebladeren genoemd. Gods bekleding wordt “rokken (= oud woord voor klederen) van vellen” genoemd. Het Hebreeuwse woord voor schorten is khagore. Dit kan ook met “gordel” vertaald worden. Het woord voor kleding is kethoneth en duidt op een complete bekleding van hoofd tot voeten. Dit zelfde woord wordt voor de hoge priesterlijke kleding gebruikt, een bekleding van het gehele lichaam.

Gods volmaakte grondlijnen

Nog eens de drie punten van een welgevallig verzoeningsof­fer:

1) Het moet Gods gave zijn, en alleen Zijn werk.

2) Het moet geschieden door de dood van een onschuldige plaatsvervanger.

3) Het moet geschieden door bloedvergieten.

Dit is dan Gods eerste uitleg over het enige offer voor de zonde dat Hij kan aanvaarden.

Als een of meerdere delen aan dit offer ontbreken dan moet God het offer afwijzen. Van dit standpunt uit kunnen wij door de hele Bijbel zoeken wat God ons wil leren over de plaatsvervangende verzoening door het bloed. Waar deze voorwaarden aanwezig zijn neemt God het offer aan, anders moet God het afwijzen. Hiervan hebben wij reeds in het vol­gende hoofdstuk een voorbeeld.

Adam en Eva hadden twee zonen, Kaïn en Abel. De jon­gens hadden zeker wel door Adam van de dierenvellen en de daar aan voorafgaande geschiedenis gehoord. Waar zou­den deze jongens anders de kennis over het offer dat God verlangt vandaan hebben? Deze beide jongens waren reli­gieus. Zij geloofden in God. Kaïn leek wel de meest religieuze van hen beiden. Van hem lezen wij immers het eerst dat hij de Heer een offer wilde brengen. De religie van Kaïn zouden wij als volgt kunnen samenvatten:

“... dat Kaïn van de vrucht des lands de HEERE offer bracht”. (Genesis 4:3).

Kaïn was echt heel religieus. Hij voelde dat hij voor de ver­zoening van zijn zonden iets moest doen. Denkt u er wel aan dat Kaïn een offer aan de HEERE bracht.

Maar God wilde daar niets van hebben. Wij lezen:

“Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan” (Gene­sis 4:5).

Waarom nam God Kaïns offer niet aan? Wel eenvoudig: omdat Kaïn geen acht had geslagen op Gods bepalingen zo­als die duidelijk kenbaar waren gemaakt bij de dierenvel­len. De eerste fout van Kaïn was dat hij van “de vrucht des lands” bracht. Dit was het resultaat van zijn eigen werk, terwijl een lam een gave van God was.

De tweede fout was dat Kaïns offer niet in verband stond met de dood van een plaatsvervangend offerdier.

De derde fout was dat er geen bloed vergoten was en “zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving” (Hebreeën 9:22). Daarom sloeg God geen acht op Kaïns toegewijde godsdienst van de werken.

God nam Abels offer wèl aan, want wij lezen:

“En Habel (= Abel) bracht ook van de eerstgeborenen van zijn schapen, en van hun vet. En de HEERE zag Habel en zijn offer aan” (Genesis 4:4).

Waarom sloeg Hij acht op Abels offer? Wel, omdat Abel vol­deed aan Gods eisen voor een welgevallige verzoening.

1) Hij bracht een lam (van de eerstelingen van de kudde).


2) Hij doodde het op het altaar, en
3) er werd bloed vergoten.

Hoe God te kennen gaf dat Hij Abels offer aannam en Kaïns offer weigerde wordt ons niet verteld. Het kan zijn dat vuur van de hemel Abels offer in brand stak. Dat was immers ook de manier waarop God later toonde dat Hij het offer aannam. (Zie Leviticus 9:24, 1 Koningen 18:38 en 2 Kronie­ken 7:1).

Aan de voorwaarden die in de hof van Eden gesteld wer­den kan niet getornd worden. Als ergens aan deze voorwaar­den wordt voldaan neemt God het offer aan. Als deze voor­waarden geschonden worden weigert Hij het offer. Denkt u in dit verband maar aan het offer van Abraham op de berg Moria. Of neemt u het Pascha: Het was Gods gave, een lam; het moest sterven en het bloed moest aan de bovendorpel en aan de deurposten gestreken worden.

Dit grondbeginsel vindt u door de hele Bijbel, zowel in de offeranden van Israël als in de slachtoffers van het Oude Testament.

Tenslotte wijkt dan de schaduw. Degene op Wie dit alles wijst, verschijnt. In de volheid van de tijd heeft God Zijn Zoon gezonden. Hij werd door Johannes de Doper aangekondigd als “het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!” (Johannes 1:29). Hij voldeed aan alle eisen van dat eerste duidelijke beeld van Hem in Genesis.

1) Hij was Gods genadegave want:

“Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe” (Johannes 3:16).

De vijgebladeren van de werken der wet konden niet aan de eis voldoen.

2) Hij moest sterven als een plaatsvervanger voor zondaars. Dat deed Hij, want Paulus zegt:

“Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven” (Romeinen 5:10).

3) Tenslotte: de verlossing door Christus moet plaatsvinden door het vergieten van Zijn bloed. Petrus zegt:

“Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen... verlost zijt... maar door het dierbaar bloed van Christus”. (1 Petrus 1:18, 19).

Dit alles was in schaduwen afgebeeld en beloofd in het eer­ste welgevallig offer. Het is een verslag van een gebeurtenis in de prille menselijke geschiedenis:

“En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken (= klederen) van vellen, en trok ze hun aan” (Genesis 3:21).

Wat is het ongeloof toch blind en dom! Hoe kan er iemand zijn die in deze daad van God niet de hele heilsgeschiedenis ziet? In het licht van het Nieuwe Testament kan niemand zeggen dat hij het beeld van Christus, ons in Genesis 3:21 achtergelaten, niet ontdekt.

God heeft op elke bladzijde van de Bijbel het aangezicht van Christus afgebeeld. Als wij de Heilige Geest zijn werk laten doen zal Hij onze blinde ogen openen en wij zullen heerlijke openbaringen van Jezus Christus ontdekken.


HOOFDSTUK 4

“Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn maaksel ...” (Efeziërs 2:8‑10).

Als er ook maar één leerstuk in de Bijbel kristalhelder is, dan is het de leer van de “rechtvaardiging uit het geloof, zonder werken der wet”. Het heil is genade en sluit elk men­selijk werk of pogen uit. Dit was de allereerste les die God de gevallen mens leerde nadat hij gezondigd had. Adam pro­beerde met het werk van zijn eigen handen zijn naaktheid te bekleden. Toen kwam God en zag de schorten van vijge­bladeren niet aan; maar Hij spoedde Zich om in een redding door genade te voorzien. God nam een lam, doodde het, liet zijn bloed vloeien en bekleedde toen de mens met de huiden van het geslachte dier.

Voor een geestelijk verlicht gelovige is dit een onmiskenbaar beeld van onze Heer Jezus Christus. Hij was immers “om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld” (Jesaja 53:5). In het begin van de menselijke geschiedenis legde de Heer het grondbeginsel dat “het heil van de Heer” is, en dat menselijk werk geen deel of waarde hebben bij de verlossing. Spoedig nadat de mens uit de hof van Eden ge­dreven was vertelt de Heilige Geest van een ander voorval om de waarheid van de behoudenis die door genade is, te bevestigen: Het verslag van Kaïn en Abel en hun offers. Kaïn bracht vruchten van zijn eigen werk en werd afgewe­zen. Abel gaf aan God het offer dat Hem welgevallig was, daar hij een onschuldig, plaatsvervangend lam bracht

Er zijn maar twee godsdiensten

Door de geschiedenis van Kaïn en Abel ontdekken wij het feit dat er maar twee godsdiensten in de wereld zijn: een echte en een valse. Wij onderscheiden vele, vele godsdiensten: Christendom, Islam, Boeddhisme, Hindoeïsme, enz. enz.

Wij verdelen het Christendom in Gereformeerden, Lutheranen, Evangelischen, Presbyteranen, Baptisten, enz. enz. Maar dit zijn slechts menselijke indelingen. Voor God gelden er slechts twee:

1) De godsdienst van de werken.

2) Een behoudenis door genade, door het geloof.

Elke kerk of richting of religieuze groep, hoe die ook moge heten, die leert dat de mens iets kan doen of verdienen om zijn behoudenis te verkrijgen, is een valse godsdienst. Dat is de godsdienst van de vijgebladeren en van het offer van Kaïn. Maar wie leert dat de mens geheel verloren, niet in staat is zichzelf te redden en daarom alleen op Gods werk moet zien, dat zijn degenen die het ware heil ontvangen on­der welke naam zij ook bekend staan.

Satan verleidde Adam en Kaïn. Hij kreeg hen zover dat zij dachten dat zij iets konden doen en daardoor behouden wor­den of tenminste God een beetje moesten helpen bij het werk; maar God weigerde en schonk behoudenis door ge­nade. Sindsdien heeft Satan zijn werkwijze niet veranderd. Nog steeds verleidt hij de mensen en zegt hun dat zij moeten geloven dat zij God kunnen behagen met menselijk werk en streven.

Dat het heil door genade is, is een verootmoedigen­de boodschap. De mens wil nog wel toegeven dat hij ziek is en wat hulp nodig heeft. Maar zeg hem dat hij “dood is in overtredingen en zonde” en dat hij geheel niet in staat is daar zelf met eigen werken een keer in te brengen, en hij zal be­ledigd zijn. Ja, pas als de mens gewillig is toe te geven dat hij niets kan doen, maar geheel van de genade van God afhan­kelijk is, kan hij gered worden. Hoevelen zingen het beken­de lied zonder de diepe waarheid en zijn boodschap te be­seffen:

Niet door eigen werk of kracht

wordt uw heil’ge wet volbracht;

hoe ook ‘t hart vol ijver gloeit,

en aan ‘t oog een traan ontvloeit,

het heil komt niet door mijn geween,

Gij, Heer, redt mij, Gij alleen.

Dit was dan het basisonderwijs over de behoudenis dat de Heer aan onze eerste ouders lang geleden in Genesis 3 gaf. Hoe duidelijk is het beeld van Degene die komt om het lam van God te zijn. Hij kwam voor zondaars die zichzelf niet konden redden. Hoe blind kunnen mensen zijn dat zij niet in al deze openbaringen van God Zijn geliefde Zoon zien!

Geen wonder dat Satan meedogenloos en volhardend aanval­len onderneemt op de eerste boeken van de Bijbel, en speci­aal op het boek Genesis. Wij zien in dit eerste Bijbelboek deze beelden van Christus. Als de duivel het boek Genesis kan weerleggen zal het hele grondbeginsel ter aarde vallen. Genesis is het rotsvaste fundament van het programma voor het behoud van de mens. Weerleg het boek Genesis en wij hebben geen antwoord op de schepping van het heelal, de doodsoorzaak en de aanwezigheid van de zonde. En zonder het verslag van Genesis over de zondeval, de oorzaak van de dood en Gods voorzieningen hebben wij ook geen ant­woord op de vele problemen van het leven. Als Genesis niet waar is, waar komt dan de zonde vandaan?

Hoe zullen wij ziekten, kwalen, lijden, oorlogen, geveld, bloedvergieten en dood verklaren? Het boek Genesis geeft het enige antwoord. Laat de weerleggers en ongelovigen die dit verslag ontkennen ons eens een uitleg geven voor de toe­stand van de wereld, het boze hart van de mens, zijn lijden en angst, het harteleed en tenslotte de dood. Als het verslag van Genesis een mythe is, laten zij dan eens te voorschijn komen met een meer logische mythe dan het verslag van Mozes!


Abel is een beeld van Christus

Voordat wij de geschiedenis van Kaïn en Abel beëindigen moeten wij er op wijzen dat Abel zelf een beeld is van de Heer Jezus Christus. Zijn Gode welgevallig offer was een onmiskenbaar beeld van de Heiland daar het voldeed aan alle voorwaarden die God in Genesis 3:21 gelegd had. Maar Abel is zelf ook een schaduwbeeld van het komende Zaad, hij is om zijn trouw aan God verworpen en vermoord door zijn broeder. In de geschiedenis van Kaïn en Abel hebben wij een schaduw van het programma betreffende Gods be­schikkingen voor Zijn volk Israël. Zij worden door Kaïn af­gebeeld die zijn broeder Abel vermoordde. De apostel Jo­hannes legt dit in zijn eerste brief uit:

“Want dit is de verkondiging, die gij van de beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben. Niet gelijk Kaïn, [die] uit de boze was, en zijn broeder doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren, en van zijn broeder rechtvaardig” (1 Johannes 3:11,12).

Bij het licht van het Nieuwe Testament zien wij hierin een beeld van de verwerping en kruisiging van Hem die meer is dan Abel. Eveneens zien wij het daaropvolgende oordeel over hen die Hem verworpen hebben. De Bijbel zegt:

“En al deze dingen zijn hun overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn” (1 Korin­thiërs 10:11).

Abel wordt dan een schaduwbeeld van Christus. Want ook Christus voldeed aan Gods eisen van een volkomen offer en ook Hij werd door zijn broeders verworpen. Abel was de eerste schaapherder in de geschiedenis. Daarom wijst hij ons rechtstreeks naar Hem die gezegd heeft:

“Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen” (Johannes 10:11)

Abel stierf een gewelddadige dood en het vergoten bloed riep om vergelding. U zult zeker in dit korte verslag van Genesis 4 de treffende overeenkomst zien tussen de dood van Abel en de kruisiging en de dood van de Goede Herder, waar Abel een beeld van was. Nadat Abel vermoord was lezen wij

“En de HEERE zeide tot Kaïn: Waar is Habel (= Abel), uw broeder? En hij zeide: Ik weet [het] niet; ben ik mijns broeders hoeder? En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broeder, dat tot Mij roept van de aardbodem. En nu zijt gij vervloekt van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om het bloed van uw broeder van uw hand te ontvangen. Als gij de aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde” (Genesis 4:9‑12).

Dit alles was een profetisch beeld van wat op Golgotha ge­beuren zou. Hier was de Herder Israëls gekomen om zijn volk te bevrijden. Maar het volk had zijn offer geweigerd en uit nijd leverden zij Hem over (Mattheüs 27:18). Daarom kwam het volk onder het oordeel Gods. Het bloed van hun Broeder riep van de bodem in antwoord op hun eigen woor­den: “Zijn bloed [kome] over ons, en onze kinderen” (Mattheüs 27:25). Het oordeel van God werd openbaar in de ver­vloeking van het land. God vervloekte Kaïns bedrijf zodat hij gedwongen was zijn landbouwwerkzaamheden (zijn eerste beroep) op te geven. Dit alles gebeurde evenzo in het land Kanaän. Dit wordt immers beschreven als een land van koren en wijn, van melk en honing maar het werd een woestenij. Dit was ook voorspeld. Mozes schreef in Leviticus 26:32:

“Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen”.

Dit alles lag besloten in het beeld van Kaïn toen God hem uit het land verdreef. Zo werd ook Israël uit het land ver­dreven en het werd een voortvluchtig en zwervend volk op aarde. Ook dit was voorspeld.

“Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn” (Leviticus 26:33).

Uit het land verdreven ging Kaïn heen en verbleef in bet land Nod (Genesis 4:16). De uitdrukking “het land Nod” be­tekent een land van “zwerven”. Nu was hij stadsbewoner geworden in plaats van landbouwer.

“En Kaïn ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod ... en hij bouwde een stad, en noemde de naam van die stad naar de naam van zijn zoon, Henoch (Genesis 4:16, 17).

Gods eeuwig plan

De laatste tweeduizend jaar is het beloofde land verlaten geweest. Pas kort is een deel daarvan hersteld door de staat Israël. Toch is het grootste deel van de Joden nog verspreid onder de volken. Zij zijn hier de voorwerpen van Gods spe­ciale zorg en bescherming. Nadat God het oordeel over Kaïn had uitgesproken zegt Kaïn:

“Zie, Gij hebt mij heden verdreven van de aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan” (Genesis 4:14).

Nu grijpt vrees het hart van Kaïn aan. Iedereen schijnt nu zijn vijand te zijn. Wanhopig zegt hij:

“al wie mij vindt, mij zal doodslaan”.

Dit alles was een profetie van de geschiede­nis van het volk zoals het hier door Kaïn voorgesteld wordt. Zij zijn immers eeuwenlang onder de volken verstrooid en vervolgd. Wij denken aan wat nog maar kort geleden in Duitsland en andere landen gebeurd is. Als God hen toen niet bewaard had zou het volk. reeds lang zijn uitgeroeid. Maar God is een God van grote genade en nu komt Hij de schuldige Kaïn verdedigen. Wij lezen deze bemerkenswaar­dige woorden:

“Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond” (Genesis 4:15).

Verbazingwekkende, wonderbare, onbeschrijfelijke genade! Kaïn die het niet verdiend heeft, wordt het voorwerp van Gods bovennatuurlijke bewaring. Hij stelt een teken aan hem opdat anderen zien dat hij een voorwerp is van Zijn speciale bescherming. Zien wij in dit alles niet het beeld van de bovennatuurlijke bewaring van het verstrooide volk Is­raël? In genade zal Hij hen bewaren. En als Zijn groot pro­gramma voor hun heil het einde nadert zal Israël behouden worden, weer hersteld zijn in haar land, een hoofd van vol­ken. Dit is VORSTELIJKE GENADE. God beloofde Kaïn te beschermen en te bewaren en Hij hield Zijn woord. Zo heeft God in zijn eeuwig verbond met Abraham. Isaäk en Jakob beloofd dat Zijn Zaad voor eeuwig zou bestaan. En in Zijn Zaad zouden alle geslachten der aarde gezegend worden.

“Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelf), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob” (Romeinen 11:25, 26).


verhoevenmarc@skynet.be - www.verhoevenmarc.be - www.verhoevenmarc.be/NieuwsteArtikelen.htm

1 Uit het voorbericht van de Statenvertaling 1977: “Na de oorspronkelijke uitgave van de Statenvertaling in 1637 ‘door last van de Hoogmogende Heren Staten Generaal’ onderging te tekst meermalen wijzigingen. De bekendste is die volgens ‘Van Rave(n)steyn’ uit 1657. De spelling van het Nederlands was toen nog niet vastgelegd en vele woorden kregen in de loop der tijden een andere betekenis. Er verschenen steeds weer nieuwe edities, aangepast aan de ontwikkeling van de Nederlandse taal. De voorliggende uitgave volgt deze traditie”.

2 Het Oude Testament - de Hebreeuwse Bijbel - heeft bij de Joden de naam TeNaCH (naar: Tora, Nebiim, CHetubim)

1. Tora (Wet, ook ‘Mozes’ genoemd, begint bij Genesis)

2. Nebiim (Profeten, begint bij Jozua)

3. Chetubim (Geschriften, ook ‘Psalmen’ genoemd, begint bij de Psalmen)



3 Genesis.

4 Benaming (sinds ca 160 n.C.) voor de eerste 5 boeken van de Bijbel; door de Joden echter ‘Tora’ of ook ‘Mozes’ genoemd.

5 Openbaring.

6 Iemand met vermorzelde hiel kan niet rechtop blijven staan, maar valt. Dit wijst op de vernedering van Christus. Een verpletterde hiel is echter niet fataal. Een verpletterde ‘kop’ (van de slang) is dat wèl.

7 Maleachi is het laatste boek van het Oude Testament.

8 Zie ook Kolossenzen 1:16,17: “want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen door Hem”.



  • De eerste Evangelieboodschap
  • De grondlijnen voor een volkomen behoudenis
  • Gods volmaakte grondlijnen
  • Er zijn maar twee godsdiensten
  • Abel is een beeld van Christus
  • “En Kaïn ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod ... en hij bouwde een stad, en noemde de naam van die stad naar de naam van zijn zoon, Henoch (Genesis 4:16, 17).

  • Dovnload 86.92 Kb.