Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Beeldende Vorming: Beeldende begrippen – Hoofdstuk 5 (blz. 110 – 133). Materiaal

Dovnload 165.67 Kb.

Beeldende Vorming: Beeldende begrippen – Hoofdstuk 5 (blz. 110 – 133). Materiaal



Pagina1/4
Datum25.08.2018
Grootte165.67 Kb.

Dovnload 165.67 Kb.
  1   2   3   4

Beeldende Vorming:

Beeldende begrippen:
Beeldende Begrippen – Hoofdstuk 5 (blz. 110 – 133).

Materiaal.

Materiaal is datgene wat door een kunstenaar wordt bewerkt of verwerkt, of waarop een kunstwerk wordt aangebracht (de drager). Elk materiaal kan maar op een paar manieren worden bewerkt. Vanwege de aard en de structuur van het materiaal zijn sommige ontwerpen dus niet in een bepaald materiaal te realiseren.



Materiaalstructuur.

Elk materiaal heeft een eigen samenstelling of structuur. ( glad, vezelachtig, korrelig enz.) De structuur bepaalt de mogelijkheden en de beperkingen om het materiaal te bewerken of te verwerken.



Gereedschap.

Je gebruikt gereedschap om het materiaal te verwerken of te bewerken. Je kunt gereedschap onderdelen in:



  • Handgereedschap.

  • Machinaal gereedschap.

  • Digitale programma’s.

Techniek.

Een techniek is de beheersing van de manier en het gereedschap om materiaal te bewerken of te verwerken. Techniek kun je indelen in:



  • 2D – technieken: droge en natte technieken in tekenen en schilderen.

  • Grafische technieken.

  • 3D – technieken: modelleren, gieten, beeldhouwen en construeren.

  • Digitale technieken.

Drager.

Wordt in algemeen gebruikt voor papier, karton, schildersdoek etc. waarop getekend, geschilderd of gedrukt wordt. Voor 2D toepassingen.



Factuur.

De sporen die het gereedschap na de bewerking zichtbaar achterlaat in het oppervlak van een werkstuk, worden factuur genoemd.



Textuur.

Textuur is een voelbare oppervlak.



Afwerking.

Na de bewerking volgt meestal de afwerking. De afwerking heeft tot doel het resultaat van de bewerkingen te verfraaien en / of te beschermen, zoals schuren, polijsten, slijpen enz.



Droge techniek: tekenen.

Tekenen is een droge techniek, omdat het gedaan wordt met droog tekenmateriaal, zoals potlood en krijt.


Natte techniek: schilderen.

Met natte materialen kun je zowel tekenen als schilderen.



Grafische technieken.

Kenmerkend voor grafische technieken is de reproduceerbaarheid van de tekening of schildering: een beeld kan opnieuw worden afgedrukt. Er zijn vier principes:



  • hoogdruk: houtsnede, linoleumsnede.

  • Diepdruk: ets, kopergravure, staalgravure.

  • Vlakdruk: lithografie, offset.

  • Doordruk: zeefdruk.

Digitale technieken.

Hebben betrekking op computertoepassingen waarin geluid, stilstaande of bewegende beelden en teksten in de vorm van digitale bestanden worden gebruikt. Digitale kunst, fotografie en film.



3D – technieken: ruimtelijk vormgeven.

Binnen driedimensionaal vormgeven onderscheiden we modelleren, gieten, beeldhouwen en construeren. Beeldhouwen wordt ook gebruikt als benaming voor alle technieken voor ruimtelijk vormgeven, dus ook voor boetseren of construeren.



Modelleren, boetseren, plastisch vormgeven.

Bij modelleren wordt zacht gemaakt of plastisch materiaal bewerkt en vervormd om in een gewenst model gebracht te worden. Dat gebeurt door kneden, indrukken, uitrekken, buigen enz.



Gieten.

In brons gieten → eerst een model boetseren waarvan een gitmal van kan worden gemaakt.



Construeren.

Bouwen, samenstellen, lijmen of lassen zijn constructietechnieken,



Beeldhouwen.

De basistechnieken van beeldhouwen zijn zagen, slijpen, hakken, beitelen, gutsen enz. in een vrij hard materiaal, meestal hout of natuursteen.



Tekening, tekenen.

Kenmerkend voor een tekening is het lineaire karakter van de afbeelding, die is opgebouwd uit lijnen, stippen, strepen of krassen. Verder is de hanteringwijze van het tekenmateriaal op de drager van belang.

Je kunt tekenachtig of schetsmatig en schilderachtig tekenen. Technisch tekenen: gebruik maken van linialen, passers, driehoeken enz.

Technieken zijn o.a. afhankelijk van:



  • het gebruikte tekenmateriaal.

  • De ondergrond waarop wordt getekend.

  • De controle over de fijne motoriek van hand en pols

  • De bedoeling van de maker: precies of losjes en schetsmatig

  • Al dan niet verdoezelend.

Schets, schetsen.

Schetsen is een losse, zoekende manier van tekenen. Een schets is meestal een opzet voor een definitieve tekening of schilderij.



Tekenmateriaal.

De bekendste tekenmaterialen zijn± papier als meest gebruikte drager, potlood, krijt, houtskool, stift en inkt.



Arceren.

Een herhaling van kleine lijntjes om een vlak te vullen. Arceringen kunnen worden gemaakt met allerlei tekenmateriaal. Er zijn verschillende soorten arceringen:



  • parallel- arccering

  • Kruis – arcering.

Potloodtekening.

Er zijn honderden verschillende soorten potloden. De stiften hebben een verschillende hardheid. H= hard. B= zacht. Er worden ook cijfers gebruikt. 5B is zachter dan een 3B.



Houtskooltekening.

Houtskool dringt nauwelijks in het papier door en is daardoor gemakkelijk weg te poetsen. Vooral voor schetsen.



Krijt.

Er zijn verschillende soorten krijt. Met krijt kun je goed schilderachtig schetsen.



Pastel.

Zachter en brosser dan vetkrijt en hecht het zich niet zo goed op de ondergrond. De kleurvakken alten zich dan ook gemakkelijker vervagen of in elkaar over poetsen. Wordt vooral gebruikt voor schilderachtig tekenen, schetsen. Het materiaal waarop het wordt gebruikt bepaald mede het resultaat.



Fixeren.

Potlood en krijttekeningen geven af, waardoor de eigenlijke tekening vervaagt. Om dat te voorkomen moet de tekening gefixeerd worden. Het fixeermiddel bestaat meestal uit een oplossing van hars, spiritus of cellulose en een oplosmiddel dat bij het spuiten snel verdampt.



Pentekeningen.

Tekenen met pen en inkt leent zich goed voor schetsen en studies.



Penseeltekening.

Behalve met een pen kun je ook met een penseel tekenen. Hierdoor wordt het erg schilderachtig.



Gewassen tekening.

In een gewassen tekening wordt de inkt van sommige partijen opgelost met water of ingeschilderd met een verdunde oplossing van de tekeninkt of waterverf.



Inkt.

Oost – Indische inkt en sepia zijn de meest gebruikte inkten voor pen, penseel, en gewassen tekeningen.



Schilderen.

Schilderen is een techniek waarbij de maker verf opbrengt op een drager: de ondergrond. Bij het toepassen van schildertechniek moet je rekening houden met:



  • soort verf

  • eventuele toevoegingen aan de verf.

  • Penseelvoering

  • Schildermateriaal.

  • Ondergrond of drager.

  • Eventueel een combinatie van technieken.

Kleuren mengen.

Een belangrijk onderdeel is het mengen van kleuren. Secundaire kleuren krijg je door het mengen van twee primaire kleuren. Tertiaire kleuren ontstaan door vermenging van drie primaire kleuren met elkaar of met wit of zwart. Mengen kan op verschillende manieren:



  • Opbrengen van transparante kleurlagen.

Als verf dun en doorzichtig is, blijven kleuren van de onderliggende lagen doorschijnen. Ze leveren een gemengde kleur op met bovenliggende lagen.

  • Mengen van pigmenten.

Twee of meer kleuren door elkaar te roeren.

  • Optische kleurmenging.

Betrekkelijk kleine stipjes van verschillende kleuren lijken naast elkaar en van een afstand gezien één kleurvlak te vormen. Bij offsetdruk, pointillisme en weefsels wordt deze manier van mengen toegepast.

Verf.

Afhankelijk van de gebruikte verfsoort onderscheiden we bijvoorbeeld:



  • gouaches: plakkatverfschilderijen.

  • Aquarellen ( waterverfschilderijen)

  • Acrylschilderijen.

  • Olieverfschilderijen.

Met een medium verdun je de verf. Elke verfsoort kent zijn eigen medium.

Penseelvoering.

Aan de penseelvoering herken je de techniek van het schilderen.



Egaal schilderen.

De bedoeling van egaal schilderen is dat het geschilderde vlak overal dezelfde kleur heeft. Dat kan alleen als de verf over het hele oppervlak even dik en gelijkmatig wordt opgebracht.



Muurschildering.

Geschilderde voorstelling op een muur. Meestal hebben muurschilderingen een decoratieve en representatieve functie, vooral al het gaat om de verfraaiing van een kamer of een hal.



Fresco.

Muurschildering die aangebracht is op een verse vochtige kalklaag. De techniek van het maken van verf heeft veel tijd nodig, hierdoor moest de kunstenaar een paar keer stoppen. Je kunt dus zien dat het in dele is gemaakt.



Grisaille.

Om op muren en plafonds de illusie van reliëfs op te roepen, schilderde men met grijze verf zgn. grisailles.



Graffiti.

Vooral een modern fenomeen. In de vorige eeuw overgewaaid van Amerika naar Europa.



Tempera(schilderij).

Gemaakt door het vermengen van droge, poedervormige pigmenten met eidooier en water. Uitgevonden in Egypte, tijdens Romeinse tijd. Om diepere kleuren te krijgen wordt tempera laag na laag aangebracht op een witte ondergrond van krijt of gips.



Olieverf ( schilderij)

Schilderen met olieverf werd in de 15e eeuw in Vlaanderen uitgevonden. Sterke effecten.



Dekkend schilderen.

Is de kleur van de onderliggende drager uiteindelijk niet meer zichtbaar. Voor deze techniek is een dekkende verf nodig. (olieverf, acrylverf enz.)



Impasto, pasteus.

Is en schildertechniek waarbij de verf in zeer dikke streken of klodders op het doek wordt aangebracht. De verf wordt daarvoor soms met toevoegingen verdikt.



Transparant (doorzichtig) schilderen.

De onderliggende kleur of de tekening blijft tijdens het transparant schilderen nog doorschemeren. Bij een aquarel blijf het wit van het papier door de kleurlagen zichtbaar. Bij glaceren met olieverf, tempera of acryl worde dunne, transparante kleurlagen over elkaar heen geschilderd. Glaceren is een oude schildertechniek. De kunstenaar begint met een gedetailleerde tekening die daarna laag voor laag wordt overgeschilderd.



Schilderen moet toetsen.

Een toets is een likje verf dat met een penseel wordt opgebracht. ( george seurat)



Tamponneren.

Manier van stempelen met een stugge, harde tamponneerkwast. De verf is dik en onverdund.



Aquarel, waterverf.

Een aquarel wordt geschilderd met waterverf, verf die je kunt verdunnen met water. Bij nat – in – nat wordt het papier eerst nat gemaakt. Dit zorgt voor uitlopers en toevallige effecten.



Dripping.

De techniek van het druppelen werd voor het eerst toegepast door de Amerikaan Jackson Pollock. Ingewikkeld netwerk van kleurige lijnen zonder enige verwijzing naar een voorstelling.



Materieschildering.

Verder dan impasto. Er wordt zand, gips en / of textiel vermengd met verf. Wordt dus ruw en reliëfachtig.



Combine painting.

Worden ook ruimtelijke objecten in het schilderij verwerkt of wordt daarop geschilderd.



Gemengde technieken.

Meestal wordt er begonnen in een techniek opin een bepaald materiaal en wordt deze techniek gecombineerd met een andere techniek en één of meer andere materialen. Voorbeeld: waterverf met pastel enz.



Tweeluik (diptiek), drieluik (triptiek) , veelluik ( polyptiek)

Een schilderij dat uit meerdere delen bestaat.



Collage.

Een collage is een techniek, waarbij allerlei stukjes stof, papier, ijzerdraad, touw enz opgeplakt worden. Ook de grafische vormgeving van letters van opgeplakte stukjes drukwerk speelt een rol in de compositie.



Fotomontage.

Variatie op de techniek van de collage. Voor het eerst toegepast door de dadaïsten.



Décollage.

Werkwijze voor het maken van een décollage is eenvoudig. Je scheurt stukken van affiches, die in dikke lagen over elkaar zijn geplakt, van de muren of van reclamezuilen, zodat onderliggende affiches zichtbaar worden.



Airbrush.

Is een spuittechniek, waarbij een nevel van verf wordt opgespoten. Geleidelijke kleurovergangen nodig. Door het verstuiven is het beeld aan de rand onscherp. Voor scherpe begrenzingen maakt met gebruikt van sjablonen. Voor TV en films wordt het vaak gebruikt.

Met Airbrus make – up wordt er een dun laagje verf over het gehele gezicht of lichaam aangebracht zodat het een egaal geheel wordt. Zo kunnen modellen en acteurs er niet alleen perfect uitzien, ze kunnen ook elke gewenste kleur krijgen. Dit wordt vaak gebruikt in theaters.

Sjabloon.

Scherpe begrenzingen krijg je ook met sjablonen, een uitgespaarde vorm van de voorstelling. Een sjabloon dient om de gedeelten af te dekken en niet ingekleurd of afgedrukt mogen worden. Sjablonen worden gebruikt bij schilder – en druktechnieken.



Grafiek, grafische kunst, prent ( kunst)

Grafiek valt op door zijn uitzonderlijk fijne tekentechniek op een klein oppervlak. Als een ontwerp wordt afgedrukt, spreek je van een afdruk of prent. Als een grafisch werkstuk door een grafisch kunstenaar in kleine oplagen wordt afgedrukt, spreek je van grafiek. Kranten, tijdschriften, boeken, stickers, bankbiljetten etc. worden in grote oplagen gedrukt door een grafisch bedrijf of drukkerij.



Grafische technieken.

Vier principes:



  • hoogdruk: houtsnede, linoleumsnede.

  • Diepdruk: ets, kopergravure

  • Vlakdruk: lithografie, offset, printers.

  • Doordruk: zeefdruk.

Dit wordt zowel artistiek als industrieel toegepast.

Oplage, afdrukken.

Oplage: aantal afdrukken dat gemaakt wordt. In vergelijking met de oplagen van kranten of tijdschriften, zijn de oplagen van grafiek . grafische kunst heel beperkt.

De drukplaat slijt bij elke drukgang een beetje en daarom is de kwaliteit van de laatste afdruk minder dan die van de eerste afdruk. Afdrukken van beperkte oplage:


  • de kunstenaar kan zijn werk aan meer afnemers verkopen.

  • Vanwege de oplage is grafiek goedkoper dan een uniek werk.

Beelddrager.

Plaat met de afbeelding die afgedrukt wordt tijdens het drukproces heet beelddrager.



Drukvorm.

Een drukvorm is een beelddrager die bij hoogdruk gebruikt wordt. Een drukvorm bestaat uit hoge en lage delen. Nadat een tekening op de plaat is gemaakt, worden de delen die niet moeten worden afgedrukt weggesneden of weggestoken. De hoge delen worden ingeïnkt en kunnen op onder andere papier afgedrukt worden met behulp van een drukpers. De afdrukken zijn altijd het spiegelbeeld van de drukvorm. Bekendste vormen: houtgravure, de houtsnede en de linosnede.



Hoogdruk.

Is een druktechniek, waarbij alleen de hoger liggende delen van de drukvorm worden afgedrukt. Voorbeelden: houtsnede, houtgravure, linosnede en kartondruk.



Kleurendruk.

Er is voor elke kleur bij grafische prentkunst een afzonderlijke drukplaat nodig. De drukvormen moeten precies op elkaar aansluiten. Bij het industriële offsetdrukken kan men volstaan met vier kleuren: magenta, cyaan, geel en zwart.



Drukgang.

Elke keer als in het ambachtelijke drukproces van lino – en houtsnedes een kleur wordt gedrukt, noemen we dat een drukgang. Om een prent met twaalf kleuren af te drukken, heb je dus twaalf drukgangen nodig.



Houtsnede.

Oudste vorm van grafiek. Bij deze hoogdrukmethode wordt de voorstelling op een vrij zachte houten plaat getekend. Het hout om de voorstelling heen wordt weggestoken met speciale gutsen. Daardoor komt de beelddrager hoger en vrij te liggen. De tekening wordt nu geïnkt met een roller en vervolgens afgedrukt.



Lino(leum)snede.

Is een hoogdruk. Net als bij een houtsnede worden de overbodige delen weggestoken. De drukvorm is echter van linoleum en niet van hout.



Houtgravure.

Is grafiek volgend de hoogdrukmethode, maar is niet hetzelfde als een houtsnede. Bij een houtgravure wordt de tekening in kopshout gegraveerd. Bij een houtsnede gebeurt dit in langshout. Voor het uitsteken gebruikt de graveur een burijn. Houtgravures maken een verfijnde tekening en een grote oplage mogelijk. Daarom werden ze gebruikt voor illustraties in boeken.\



Rubbing, frottage.

Rubbing is een afdruk van het reliëf. Een rubbing maak je dor een stuk papier over het af te wrijven oppervlak te leggen en vervolgens met krijt, potlood, of een inktroller over het papier te wrijven. Tijdens het wrijven verschijnt het reliëf langzamerhand als tekening op het papier. Frottaga is het franse woord voor rubbing.



Diepdruk.

Diepdruk is een druktechniek, waarbij alleen de dieper liggende delen van de drukvorm worden afgedrukt. In de drukplaat worden groeven getekend of gekrast, die gevuld worden met drukinkt en vervolgens worden afgedrukt.



Droge – naald – ets.

Is een diepdruktechniek, waarbij met een staalhard graveerijzer een tekening in een koperen of zinken drukplaat gekrast wordt. Die spiegelglad gepolijst is. Het graveren laat oneffen randjes ( bramen) achter langs de lijnen. De plaat wordt daarna ingeinkt en de overtollige inkt wordt er afgeslagen, zodat er alleen inkt in de groeven achterblijft. De afgedrukte lijnen maken door de bramen een tere indruk.



Mezzotint.

Droge techniek en dus geen ets procedé. De palat wordt met een wiegijzer ruw gemaakt, dat de plaat een volledig zwart gekorrelde afdruk zou geven. Dan worden met schafijzer en schrapers zones terug glad gemaakt. De zwarte parijen worden ook nog met een droge naald of burijn bijgewerkt. De ruwe delen van de plaat houden de inkt vast. De gepolijste delen niet.



Kopergravure, lijngravure.

Kopergravure is voortgekomen uit de droge – naald – ets. Bij de kopergravure worden de bramen langs de groeven verwijderd.



Ets.

Etsen is een proces waarbij een tekening in metaal wordt uitgebeten door een zuur met het doel er een afdruk van te maken. In de afdeklaag maakt de kunstenaar de tekening die afgedrukt moet worden. Vervolgens wordt de drukplaat in een estblad gedompeld. Het zuur in dat bad bijt de weggekraste lijntjes uit in de drukplaat. Op de plaatsen waar de afdeklaag is blijven zitten, kan het zuur niet doordringen. De lijntjes worden zo in de palat geëtst. Na het bad wordt de plaat schoongemaakt, ingeïnkt en afgedrukt in een pers.



Aquatint.

Is een etstechniek waarin grijstonen of kleurtonen te zijn zijn, zoals bij een gewassen tekening. De grijzen ontstaan door harspoeder op de plaat te stuiven en vast te smelten. Het zuur kan alleen de etsplaat invreten op de plaat rond de harsdeeltjes. Door de duur van inbijten te varièren, krijg je lichte of donkere vlakken.



Vernis – mou.

Is een etstechniek waarbij de etsen nauwelijks van gewone tekeningen te onderschieden zijn. Hierbij wordt de etsplaat met kleverige lag afgedekt. Over de lak wordt een papier gelegd,, waarop met een hard potlood getekend wordt. ALs dit papier weggehaald wordt, blijft er op de plaats van d elijnen lak aan het papier kleven.



Vlakdruk.

Is een grafische techniek, waarbij afdrukken worden gemaakt van een vlakke drukplaat. Het gedeelte dat niet moet worden afgedrukt is inktafstotend gemaakt. De afdrukken zijn het spiegelbeeld van de voorstelling op de drukplaat.



Lithografie, steendruk.

Is een vlakdruktechniek, gebaseerd op het feit dat vet en water elkaar afstoten. Met vet krijt wordt een voorstelling op een glad geschuurde kalkstenen plaat getekend. Als de steen geïnkt wordt, blijf er alleen inkt op de vette tekening zitten. Die wordt dan afgedrukt.



Monoprint, monotype.

Eenmalige afdruk. Op een plaat wordt met drukinkt een tekening gemaakt. Terwijl de inkt nog nat is, wordt over de tekening een stuk papier gelegd waarop de tekening wordt afgedrukt.



Zeefdruk.

Is een druktechniek die gebaseerd is op het doordrukprincipe. Met een stevig rubber strip met handvat, wordt de drukinkt door de zeef gedrukt. De inkt komt op het papier of de stof onder de zeef terecht, behalve op de plaatsen die afgedekt zijn door het sjabloon.



Grafische vormgeving.

Horen het ontwerpen van logo’s en huisstijlen, die zorgen voor de visuele identiteit van een instelling of bedrijf.



Typografie.

Is de vormgeving van gedrukte of not te drukken teksten. De typografie is altijd beïnvloed door stijlen in de beeldende kunst en de architectuur.



Lettertype, font.

Zijn soorten letters die allemaal hun eigen kenmerken hebben. Alle lettertype worden ontworpen in verschillende uitvoeringen:



  • kapitaal en kleine letter

  • recht en schuin

  • mager en vet

  • met schreef of schreefloos.

Monogram.

Een monogram is een kunstige combinatie van de beginletters van voor – en achternamen. De letters worden met elkaar vervlochten of samengevoegd tot één teken. Vaak gebruikt als handtekening of signeren.


Beeldende begrippen hoofdstuk 5 vanaf blz. 133

Initiaal: De eerste letter van een naam. In de middeleeuwen waren initialen kunstwerkjes op zich.

Kalligrafie: het op een extra mooie manier schrijven van letters.

Beeldmerk, logo vignet: het teken waarmee instellingen, bedrijven etc. door het publiek herkend willen worden.

Icoontje: tekentjes op het beeldscherm van een computer die een bepaalde functie hebben.

Opmaak, lay-out: hoe de opbouw van een (grafisch) ontwerp er visueel uit ziet.

Bladspiegel: verdeelt de ruimte van een pagina in een deel waar de letters staan en de witruimte of marge naast de tekst.

Interlinie: de witruimte tussen regels in een tekst.

DTP, opmaakprogramma’s: de grafische vormgeving van drukwerk met behulp van de computer

Papyrus: De oudst bekende papiersoort die bewaard is gebleven. (komt uit Egypte) Gemaakt van platgeslagen rietstengel.

Papier/karton: verschillende functies van papier: bedrukking, constructies, doorzichtigheid, verpakking en het wordt gebruikt in de wereld van de beeldende kunsten.

Grafisch papier: Grafisch papier wordt gebruikt in de grafische industrie. Het papier is speciaal behandel om voor een goede hechting van de drukinkt op het papier te zorgen.
  1   2   3   4


Dovnload 165.67 Kb.