Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Dovnload 280.47 Kb.

Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking



Pagina1/8
Datum25.10.2017
Grootte280.47 Kb.

Dovnload 280.47 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8

Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII) voor het jaar 2016 (34300-XVII).

De voorzitter:


Ik heet de minister van harte welkom, evenals de Kamerleden en de mensen die dit debat op enigerlei wijze volgen.

Minister Ploumen:


Voorzitter. Ik dank de leden voor hun vragen en opmerkingen. Ik wil mijn eerste termijn als volgt inrichten. Ik begin met wat inleidende woorden om de begroting in een nadere context te plaatsen. Vervolgens zal ik ingaan op een aantal onderwerpen die gisteren door de woordvoerders naar voren zijn gebracht.

Vooraleer ik dat allemaal doe, wil ik zeggen dat ik mij graag aan de orde van de Kamer houd. Gisteren, in de eerste termijn van de Kamer, heeft de heer Voordewind een punt van orde gemaakt over een deel van mijn begroting. Ook anderen hebben daarnaar gevraagd. In de schriftelijke beantwoording heb ik al een aantal zaken uiteengezet, maar ik hecht eraan om het nog even hier te zeggen. Het punt dat de heer Voordewind maakte, ging over de gestegen instroom van asielzoekers en de gestegen kostenramingen hiervoor voor 2015 en 2016. De vraag was wat deze zullen betekenen voor de begroting voor 2016. Dit punt werd gemaakt naar aanleiding van een brief van de ministers van V en J en Financiën. Verschillende Kamerleden hebben naar voren gebracht dat zij graag wat meer inzicht willen in de methodiek van de financiering van de eerstejaarsopvang. Sinds 1992 worden de kosten van eerstejaarsopvang van asielzoekers gefinancierd uit het ODA-budget. Dat is een internationale afspraak, gemaakt in OESO-DAC-verband.

De fluctuaties in de asielinstroom van de afgelopen jaren tonen aan dat het moeilijk is om een planning te maken van de te verwachten kosten. Vandaar dat we de afgelopen jaren steeds bij de Voorjaarsnota en de Najaarsnota eventuele fluctuaties hebben verwerkt. Dat wil ik nu ook weer doen. Het moge duidelijk zijn dat de oplopende kosten voor de eerstejaarsopvang een zware wissel op het ODA-budget trekken. Daar is ook een motie over ingediend bij de Algemene Politieke Beschouwingen, de motie-Slob c.s. (34300, nr. 23). Morgen spreekt het kabinet over de Najaarsnota. Ik kan daar niet op vooruitlopen — die bespreking moet nog plaatsvinden — maar in de Najaarsnota zal meer inzicht ontstaan. Naar ik begrijp, wordt de Najaarsnota snel naar de Kamer gestuurd. Dan heeft zij natuurlijk nog de gelegenheid om daarop te reageren.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):


Mijn interruptie heeft met dit onderwerp te maken. Ik roep mijn collega's ertoe op om hierover volgende week toch weer kort met elkaar te spreken. Die opening biedt de minister. De CDA-fractie heeft daar in ieder geval behoefte aan. Anders weten we echt niet hoe het nu zit met de totale besteding van de middelen. We hebben hier vanavond een begroting aan de orde waarbij het juist gaat om de totale besteding van de middelen. Dat lijkt mij dus heel zinvol.

De heer Bosma (PVV):


Het is nogal wat, van 27.000 naar 58.000 asielzoekers; dat is een verdubbeling. Volgens mij zorgen die 27.000 asielzoekers voor een kostenpost in de koers van 350 miljoen euro. Er zit ook een paniekelement in, want je moet op stel en sprong dingen zoeken. Het gaat om heel veel geld. We bespreken vandaag de begroting voor het jaar 2016. Daarom zijn we vandaag hier. De minister zou toch op zijn minst bij benadering moeten kunnen aangeven waar dan die extra 300, 400 of 500 miljoen euro straks vandaan komt. Anders kunnen we toch niet serieus over een begroting spreken hier?

Minister Ploumen:


Ik waardeer de zorg die de heer Bosma uitspreekt over mijn begroting en de houdbaarheid daarvan. Zoals ik al zei, liggen de voorstellen morgen voor in het kabinetsberaad over de Najaarsnota. Daar zal erover worden gesproken en daar kan ik helaas niet op vooruitlopen. Ik ben natuurlijk zeer gaarne bereid om er elk moment na het verschijnen van de Najaarsnota met de Kamer over te debatteren.

De voorzitter:


Vervolgt u uw betoog.

Minister Ploumen:


Dan ga ik nu verder met mijn korte inleiding. Internationale samenwerking is voor Nederland eigenlijk onderdeel van onze identiteit. Gegeven de situatie in de wereld ambieert dit kabinet eerder een grotere dan een minder grote rol in die internationale samenwerking. Er is meer en niet minder politieke sturing nodig om onevenwichtige en oneerlijke ontwikkeling om te buigen, ongelijkheid te bestrijden en achteruitgang op herwonnen terrein te voorkomen. De crisis die wij de afgelopen jaren zagen, de huidige migratiestromen en de recente geweldsuitbarstingen, niet alleen in het Midden-Oosten, maar ook in Burundi en de Centraal-Afrikaanse Republiek, sterken het kabinet in die opvattingen. De scheidslijnen van vroeger zijn steeds minder relevant — iedereen kan dat merken — want hier is daar en daar is hier. De strijd in Syrië heeft impact in de straten van Parijs, op een paar uur rijden van onze grenzen. Vluchtelingen die ik ontmoette in Libanon en Jordanië ontmoet ik nu in de sporthal bij mij om de hoek. Ontwikkelingen in landen die vroeger ver weg waren, laten zich nu voelen tot in de kleinste dorpen van ons land. Dat is niet alles. Wij zien het ook in de verwevenheid van internationale handelsstromen en in productieketens die zich niet langer in één land afspelen, maar over de hele wereld. Ook daarvan kunnen wij constateren dat er eerder meer dan minder internationale samenwerking en sturing nodig is. Voor Nederland is dat niet heel veel anders dan vroeger, want wij verdienen al honderden jaren ons inkomen goeddeels elders.

Internationale samenwerking, ik zei het al, is onlosmakelijk verbonden met onze nationale identiteit. Als klein land bestaan wij bij de gratie van een hele grote buitenwereld. Wij verdienen een derde van ons inkomen met handel en investeringen buiten onze grens. Dit levert ons ook een derde van onze werkgelegenheid op, ongeveer 2,2 miljoen banen. Wij blijven de gateway to Europe, zoals dat zo mooi heet, met onze havens en onze logistieke voorzieningen. In de nieuw "doing business ranking" van de Wereldbank scoort Nederland bovenaan de lijst als het gaat om laagdrempeligheid van internationaal handelen voor bedrijven. Dit is goed voor onze concurrentiekracht, onze banen en onze burgers. Gelukkig heeft de globalisering die verwevenheid ook in andere delen van de wereld voorspoed gebracht. Ik heb het al vaak gezegd: extreme armoede is gehalveerd, ongelijkheid tussen landen is afgenomen, voormalige ontwikkelingslanden geven nu zelf hulp aan andere en zijn gewaardeerde handelspartners geworden. Het allermooiste is dat het binnen ons bereik ligt om ervoor te zorgen dat deze generatie — u allen in deze zaal — gaat meemaken dat honger iets is van onze ouders en grootouders. Wij kunnen de honger uitbannen in 2030. Wij hebben daar een extra inspanning voor nodig, want globalisering is niet vanzelf goed voor iedereen. Wij moeten ervoor zorgen dat de allerarmsten en de achtergestelde groepen betrokken worden en dat ook zij toegang krijgen tot banen, onderwijs en zorg, en dat zij zelf kunnen beslissen over de zaken die hen aangaan.

Globalisering heeft veel goede kanten, maar het kan ook een ontketend beest zijn. Zij vraagt om regulering en inzet om een gelijk speelveld voor iedereen te creëren. Het goede nieuws is dat wij dit kunnen doen. De recente resultatenrapportage van het werkveld Ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse handel toont nog maar eens aan wat de resultaten zijn die wij hebben bereikt met die sturing op middelen en via de politiek en diplomatie. Dit is allemaal na te lezen op de website rijksoverheid.nl: Kamerbrief inzake Ontwikkelingsresultaten in beeld, editie 2015. Het einde van het tijdperk dat er uit Afrika meer belastinggeld weglekt dan er aan ontwikkelingshulp binnenkomt, is nu echt en onomkeerbaar nabij. Ik zeg het speciaal tegen de heer Smaling, maar het gaat ons allemaal aan.

Nederland heeft vernieuwd in deze kabinetsperiode door de portefeuilles voor Buitenlandse Handel en voor Ontwikkelingssamenwerking samen te voegen. Dat blijkt maatwerk voor dit tijdsgewricht te zijn. Het vindt ook breed navolging, bijvoorbeeld bij de Europese Unie. Die ent haar handels- en investeringsstrategie op het Nederlandse voorbeeld. Investeringen in stabiliteit sorteren immers sterkere katalyserende effecten. Afgelopen maand maakten de wereldleiders afspraken over de nieuwe globals goals, de nieuwe wereldwijde agenda. Die ambities kunnen wij alleen waarmaken als wij niet alleen investeren in ontwikkelingshulp, maar ook een veelvoud aan nieuwe investeringen losmaken. Overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties burgers, allemaal moeten wij samen optrekken. Om die goals te halen, moet wel iedereen kunnen meedoen. Dit is een morele opdracht, maar het levert ook economische groei en welvaart op.

De meest effectieve investering zou weleens kunnen zijn ervoor zorgen dat vrouwen optimaal kunnen meedoen op de arbeidsmarkt en in politieke processen. Als vrouwen op hetzelfde niveau kunnen en mogen ambiëren … Nee, ik ga het anders zeggen, want dat kunnen ze vanzelfsprekend, zo zeg ik ook even tegen de heer Bert Wagendorp. Als vrouwen op hetzelfde niveau mogen participeren, zou de wereld daar 26% bruto product mee kunnen winnen; in India zelfs 60%. Wij hebben dus een mooie taak.

De wereld is aan het veranderen en ook de verhoudingen veranderen. Ik zal daar zo nog iets meer over zeggen. Je zag dat bijvoorbeeld bij de topontmoeting in Valletta over migratie.

De voorzitter:
Ik zie dat mevrouw Mulder een vraag heeft.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):


Dank voor de uitgebreide schriftelijke beantwoording. We hebben die nog net even kunnen lezen voorafgaand aan dit debat. De minister heeft in haar beantwoording een heel duidelijke tabel opgenomen over het kanaal van het maatschappelijk middenveld; dank daarvoor. Zij gaf net in haar betoog aan — daarom reageer ik daar nu even op — dat alle partijen nodig zijn, ook maatschappelijke organisaties. De minister heeft zelf tegen de Kamer gezegd dat zij het belangrijk vindt dat gemiddeld 25% van de middelen via dit kanaal effectief wordt besteed. Wij zien in de tabel de cijfers tot en met 2014. Mogen wij ook de cijfers over 2015 en 2016 ontvangen? Zo ja, op welke termijn ongeveer kan dat dan?

Minister Ploumen:


Ik ben mevrouw Mulder heel graag ter wille, maar dit wordt een beetje lastig. Ik zal haar ook vertellen waarom, want het is geen onwil. Zoals mevrouw Mulder weet, stuur ik niet op kanalen maar op effectiviteit. In de begroting ligt dan ook slechts een beperkt deel vast voor maatschappelijke organisaties. Daarvan weten wij dus zeker dat de middelen naar die organisaties toegaan. Het is voor 2016 een gemankeerd beeld en datzelfde geldt ook een beetje voor 2015. De cijfers zijn op dit moment simpelweg niet beschikbaar. Ik zeg mevrouw Mulder toe dat ik graag op een rijtje zet welke tenders al zijn uitgezet, zodat wij daarover op een later moment kunnen debatteren. Het beeld is dus nog niet compleet en dat heeft er alles mee te maken dat ik niet stuur op kanalen maar op effectiviteit.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):


Dank voor deze toezegging. Mogelijk kunnen wij dit bij de Voorjaarsnota betrekken. Daar zullen wij immers ook de zaken rondom migratie bij betrekken; de eerstejaarsopvang. Dan zijn wij toch al bezig met het in de goede volgorde krijgen van de cijfers. Dat zou het CDA heel fijn vinden.

Minister Ploumen:


Zeker voor 2015 zou dat in die cyclus kunnen. Voor 2016 is het nog steeds moeilijk, maar voor 2015 lijkt het me mogelijk.

De heer Voordewind (ChristenUnie):


Dank aan de minister voor het feit dat zij dit overzicht wil geven voor 2015. Dan hebben wij in ieder geval een inschatting. De minister schrijft in de beantwoording dat het lastig is, ook in verband met de doorrekening van de eerstejaarsopvang van asielzoekers. In de schriftelijke beantwoording schrijft zij dat het percentage naar beneden zal gaan. Dat is natuurlijk mijn vraag: in hoeverre heeft dat in 2016 weer invloed op het percentage en hoe gaat de minister dat voorkomen?

Minister Ploumen:


De heer Voordewind zegt het correct. Een groeiend deel van het budget in 2015 is naar de eerstejaarsopvang van asielzoekers gegaan. Dat doen we nu eenmaal niet via maatschappelijke organisaties. Hoewel die organisaties daarbij wel een belangrijke rol spelen, gebeurt dat niet via een financieringsrelatie met mijn ministerie. Door dat groeiende deel van het budget veranderen de verhoudingen op de begroting. De heer Voordewind ziet het scherp: dit betekent dat de 25% verder uit het zicht raakt dan zonder die component in de begroting. Ik herhaal graag wat ik mevrouw Mulder toezegde: ik kom er rond de Voorjaarsnota nog even op terug wat betreft 2015. Dan kan ik misschien ook iets meer inzicht geven in 2016. Het gaat niet om de absolute bedragen, maar echt om het percentage.

De heer Voordewind (ChristenUnie):


Ik vraag hiernaar omdat de Partij van de Arbeid, maar ook de minister zelf, eerder heeft aangegeven de 25%-norm echt te willen blijven halen. Daarom is nu even de vraag of zij dat voor 2016 gaat halen. Is dat haar inzet? Als je de stijgende lijn hebt met die eerstejaarskosten, dan gaat het naar beneden, zoals de minister zelf al zei. Wil zij ondanks het feit dat die kosten er zijn, toch proberen vast te houden aan die 25%? Dat vind ik wel een belangrijk punt.

Minister Ploumen:


Ik moet reëel zijn. De kans dat we precies op die 25% of daarboven uitkomen, is natuurlijk afgenomen; laten we daar helder over zijn. Ik heb het percentage wel nog steeds als een soort streefwaarde op mijn bureau liggen en probeer daar wel naartoe te gaan. Ik heb ook steeds gezegd dat het het ene jaar eens wat meer kan zijn en het andere jaar wat minder. Zo sta ik er nu in.

Voorzitter. Voordat ik aan de blokjes toekom, wil ik iets zeggen over de veranderende verhoudingen in de wereld en de reden waarom die hulp-, handels- en investeringsagenda daar zo goed in past. Voormalige ontwikkelingslanden zijn handelspartners geworden en geven nu zelf hulp aan andere landen. Op de Vallettatop, die een paar weken geleden plaatsvond, zie je die schuivende panelen. Het was een goede top. Een aantal woordvoerders zei gisteren dat zij die top niet zo positief waardeerden, maar dat is echt een heel andere waarneming dan ik heb meegekregen van de mensen die daar waren. Het gaat dan niet alleen om mijn collega Koenders en de minister-president, maar juist collega-ministers uit Afrika waarderen het zeer dat we op die top hebben gepraat over een breed palet aan onderwerpen en dat het op basis van gelijkwaardigheid gaat. Duidelijk is dat er een gezamenlijke en gedeelde verantwoordelijkheid is voor de problemen en de uitdagingen waarvoor we staan.

Kortom. Meer internationale samenwerking, in plaats van minder. Meer politieke sturing en controle. Betere regels voor een gelijk speelveld. Modernere handelsverdragen. Scherper toezicht. Corruptie en wantrouwen bestrijden met transparantie. Armoede, ongelijkheid, agressie, geweld en conflict aanpakken door nog beter samen te werken met de krachten die net als wij willen werken aan een betere wereld.

Ik maak het bruggetje naar de interventie van de heer Smaling, die zich afvroeg hoe het eruit zou zien als we opnieuw zouden moeten beginnen. Ik zie het aardige ervan in. Het is altijd goed om je die vraag te stellen, maar ik zou tegen de heer Smaling willen zeggen dat we dit nu juist hebben gedaan in de afgelopen jaren. Het beleid is juist op een heel nieuwe leest geschoeid. Handel, hulp en investeringen zitten in één portefeuille. Arme landen willen een andere relatie met ons, niet alleen maar hulp. Op basis van het WRR-rapport "Minder pretentie, meer ambitie" hebben we meer focus aangebracht. Er volgden daaruit vier speerpunten. Er wordt gekeken naar de toegevoegde waarde. We stellen niet alleen maar ODA centraal, maar bekijken ook hoe we de andere 80% van de kapitaalstromen richting ontwikkelingslanden kunnen gebruiken voor die inclusieve ontwikkeling. Beleidscoherentie stellen we centraal. Verder gaat het om belastingen, om toegang tot medicijnen, om arbeidsomstandigheden in onder andere textiel en om handelsverdragen. Daarnaast gaat het niet alleen om overheid tot overheid, maar ook om partnerschappen met een diversiteit aan spelers. Ik zou tegen de heer Smaling willen zeggen: we hebben dat gedaan en dat past ook zeer in het tijdsbeeld.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):
Ik heb nog een vraag over de Vallettatop, waarover de minister net sprak. Ik had daar ook vragen over gesteld. Dank voor de heel uitgebreide beantwoording. Een van de vragen is uit welke pot het bedrag van 1,8 miljard van de Europese Unie komt. Is dat uit de algemene begrotingssteun of komt het ergens anders vandaan?

Minister Ploumen:


Dat is een heel goede vraag. Die EU-bijdrage komt niet uit de begrotingssteun, maar ergens anders vandaan. Als mevrouw Mulder het goed vindt, zal ik dat even nazoeken en die vraag in tweede termijn beantwoorden.

De voorzitter:


Ik zie dat mevrouw Mulder dat goed vindt.

Minister Ploumen:


Ik ga nog wel uitvoerig in op de bijdrage van Nederland en waaraan die wordt besteed.

De heer Smaling (SP):


Het is leuk dat de minister zo op dit punt ingaat, maar het is volgens mijn fractie nog iets fundamenteler dan zoals de minister het brengt. Als je terugkijkt, is het beleid steeds aangepast, maar toch kun je stellen: Pronk had zijn prioriteiten, Herfkens had haar prioriteiten, Van Ardenne had haar prioriteiten, Koenders had zijn prioriteiten, Knapen had zijn prioriteiten en nu heeft deze minister haar prioriteiten. Maar je kunt ook zeggen: we doen vijftig jaar ontwikkelingshulp en na vijftig jaar doe je je kinderen de deur uit. Dat is de fundamentele vraag.

Minister Ploumen:


Doorgaans is de heer Smaling er zeer op gericht om mij tegemoet te komen en andersom. Hier is ook weer alle reden om dat te doen, want wij hebben ook de relatie met landen veranderd. Vroeger hadden we alleen maar een hulprelatie, maar nu hebben we met sommige landen een hulprelatie, met andere landen een overgangsrelatie en met weer andere landen een handelsrelatie. Bij een aantal partnerlanden is het uitdrukkelijk de bedoeling, bijvoorbeeld van Ghana, om in 2020 hulponafhankelijk te zijn. Wij spreken daarover met Ghana. Hoe zien zij dat voor zich? Wat is de rol van Nederland in de aanloop van 2020? Volgens mij doen we wat de heer Smaling vraagt, en dat is ook heel verstandig. De wereld staat niet stil. Het is niet zo dat alleen wij zeggen: we gaan het eens zo doen. Juist door deze nieuwe agenda ervaar ik een veel gelijkwaardigere relatie. We spreken ook over hoe die relatie zich ontwikkelt. Het gaat niet alleen om het hier en nu, maar ook bijvoorbeeld om 2020.

De voorzitter:


Nee, de interrupties gaan in tweeën. Dat hebben we altijd met elkaar afgesproken, dus ook nu.

De heer Smaling (SP):


Dit wordt de tweede.

De voorzitter:


U gaat naar uw tweede interruptie achter elkaar. Oh nee, het is uw tweede opmerking. Gaat uw gang. Excuus.

De heer Smaling (SP):


Dat geeft niet hoor.

Wat de minister zegt, dat is wel zo. Mijn punt is dat we er ooit door Indonesië en door India uit zijn geschoven, en nu door Ghana. Dat is goed, want dat is een volwassenwordingsproces. De minister is enthousiast over de Top van Malta, maar ik hoor en lees daar minder enthousiaste dingen over. Dan zie je dat het Trust Fund van de EU en wat wij daaraan hebben bijgedragen, in allerlei dingen wordt uitgezet die grotendeels in algemene termen worden verwoord. Bij die beantwoording denk ik dan: is dit nu de toekomst?

Minister Ploumen:
Ik heb net al gezegd dat ik nog nader inga op de bijdrage van Nederland en hoe die besteed zal worden. Een van de bijdragen van Nederland betreft een programma in de Hoorn van Afrika, samen met Ethiopië. De Ethiopische premier heeft met onze premier over dat programma gesproken. Er is wederzijdse waardering uitgesproken over de invulling daarvan. Ik weet niet zo goed waar de heer Smaling naar op zoek is, want volgens mij zijn wij het eens. Het is niet meer zoals vroeger en dat is maar goed ook. Ik wil ook niet zo zijn als vroeger, want die tijd is echt voorbij.

Voordat ik bij mijn blokjes kom, wil ik een gelijksoortige vraag van de heer Taverne beantwoorden. Hij had het over aanbodsturing. Ik kan me zo voorstellen dat hij al half overtuigd is door de antwoorden die ik de heer Smaling heb gegeven, maar ik ga er toch nog twee voorbeelden bij geven. Die aanbodsturing was echt iets van vroeger. Nu hebben wij een gesprek met landen waarmee wij samenwerken. Op basis van wat Nederland te bieden heeft, bekijken wij samen met die landen wat zij volgens hen nodig hebben en of wij daarvoor wel de aangewezen partner zijn; soms moet je immers gewoon nee tegen elkaar zeggen. In de afgelopen anderhalf à twee jaar heeft Nederland bijvoorbeeld op uitnodiging van milieuorganisaties in Nigeria bemiddeld in een conflict tussen bewoners van de deel van de Nigerdelta en Shell. Dat is gebeurd op verzoek. Het was een succesvolle bemiddeling in een heel complexe omgeving. Ik zal daar nu niet verder op ingaan; ik heb er wel vaker over gesproken. Ik sprak daar met die milieuorganisaties. Een journalist was daarbij. Hij zei tegen die organisaties: hoe kijkt u aan tegen dat nieuwe adagium van Nederland, "hulp en handel"? En: ik kan me voorstellen dat u het jammer vindt dat de hulp wat minder wordt. De vertegenwoordiger van die organisaties zei: nee, ik heb net gehoord van het Dutch Good Growth Fund, en dat is wat wij nodig hebben, investeringen. Een land als Nigeria heeft dus investeringen nodig. Het heeft steun nodig om die dingen verantwoord te doen. Hij verwelkomde de inzet van Nederland. Ik heb een hele lijst met goede voorbeelden, maar die ga ik niet voorlezen. Ik wilde hiermee maar zeggen dat de tijden wat dat betreft echt heel erg zijn veranderd. Natuurlijk kijkt Nederland naar de vier prioriteiten; wij willen namelijk iets aanbieden waarin wij zelf een toegevoegde waarde hebben. Wij zijn echter niet de enige partij die samenwerkt met landen. Er is volgens mij sprake van een mooie balans tussen wat wij te bieden hebben en wat andere landen vragen.

De heer Bosma (PVV):
Deze minister wil allerlei Nederlandse bedrijven naar Nigeria lokken. Heel veel bedrijven gaan daar gillend weg! Een voorbeeld is Brunel, een heel groot bedrijf. Ik lees de kop voor: "We hebben in Nigeria de verschrikkelijkste dingen meegemaakt". En verder: "Wat gaf de doorslag?" "Ik kan niet in detail treden (...) van het dichttimmeren van onze vestigingen tot en met zware fysieke bedreigingen van medewerkers aan toe". Het zijn verhalen over enorme corruptie. Mensen krijgen op de gang te horen dat als ze een bepaalde bobo omkopen, hun rekeningen wél worden betaald. De minister lokt die bedrijven naar Nigeria, maar daar gebeuren de meest verschrikkelijke dingen met ze. Hoe ethisch is het wat de minister doet?

Minister Ploumen:


Wederom waardering voor wat de heer Bosma te berde brengt. Ten eerste zijn de mensen van bedrijven zelf mans en vrouws genoeg om hun eigen besluiten te nemen. Ten tweede weet ik dat er problemen zijn in Nigeria, daar heb ik de heer Bosma en zijn artikel over Brunel in Nigeria niet voor nodig. Wij hebben daar namelijk een ambassade en wij spreken er regelmatig met bedrijven. Er is daar gewoon een probleem. Dat wil niet zeggen dat dit probleem altijd zal voortduren en dat je je er niet tegen teweer kunt stellen. Uiteraard hebben wij daarover gesprekken gevoerd met de Nigeriaanse regering. Daar is net een nieuw kabinet aangetreden. De president is gekozen, de ministers zijn twee weken geleden bekendgemaakt. De nieuwe president heeft rigoureus gebroken met een aantal praktijken. Dat valt wat mij betreft zeer te waarderen. Ik zou dus willen zeggen dat Nigeria op de goede weg is. Deze kwestie bespreken wij met bedrijven en zij kunnen dan hun eigen afwegingen maken.

De heer

  1   2   3   4   5   6   7   8

  • Ploumen : Zeker voor 2015 zou dat in die cyclus kunnen. Voor 2016 is het nog steeds moeilijk, maar voor 2015 lijkt het me mogelijk. De heer Voordewind

  • Dovnload 280.47 Kb.