Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Dovnload 280.47 Kb.

Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking



Pagina4/8
Datum25.10.2017
Grootte280.47 Kb.

Dovnload 280.47 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8
voorzitter:
Mag ik u verzoeken om te proberen wat korter te antwoorden? Ik geef mevrouw Mulder het woord voor haar interruptie.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):


Dit blokje gaat over vrouwenrechten, die ook deel uitmaken van de Sustainable Development Goals. Daarover gaat mijn vraag. In de heldere beantwoording van de minister, waarvoor dank, geeft zij aan dat zij een aantal zaken aankaart in Europa. Dat lukt even niet met de vrouwenrechten, helaas, maar zij heeft toegelicht waarom. Zij geeft aan dat zij dat op een coherente manier wil doen in Europa. Hoe gaat zij dat in Nederland doen met haar collegaministers?

Minister Ploumen:


Heel kort. We hebben een aantal terreinen geïdentificeerd waarop wij de beleidscoherentie willen versterken. Ik noem belastingen en ook heel specifiek toegang tot goedkope medicijnen. Op dat terrein zal ik samen met collega Schippers aan de slag gaan, in het kader van het EU-voorzitterschap, maar ook om de global goals te bereiken. We werken nu interdepartementaal aan een analyse van waar Nederland is, als het gaat om die global goals. Mijn departement heeft hierbij een licht coördinerende taak, zoals dat heet. Ik kom met een brief aan de Kamer over waar we staan en over wat we samen willen doen in Nederland, waar nodig, en in en met andere landen.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):


Wanneer mogen we die brief verwachten?

Minister Ploumen:


Volgens mij gaat dat niet al te lang meer duren. Ik denk begin februari.

De heer Bosma (PVV):


Ik hoor de minister zeggen dat er ook een wet is veranderd in Ethiopië. Heeft Nederland zich daarvoor ingezet? Hoe gaat zoiets? Hoe wijzig je wetten in andere landen?

Minister Ploumen:


Het klopt dat er inzet is geweest om een wet te veranderen. Nederland financiert Nederlandse, maar ook internationale en vooral lokale maatschappelijke organisaties die hun eigen inzet definiëren. Ik noem een organisatie die in Uganda werkt om daar de rechten voor homo's veilig te stellen of die probeert te voorkomen dat homo's vervolgd worden. Nederland geeft financiële steun, maar niet aan alles. In dit voorbeeld doen we dat via een Nederlandse organisatie. In Uganda heeft lokale mobilisatie door organisaties ter plekke erin geresulteerd dat een vreselijke wet van tafel is. Ik kan er veel woorden aan wijden, maar dit is via lokale maatschappelijke organisaties die hun inzet definiëren en daarbij steun van internationale partners vragen.

De heer Bosma (PVV):


De minister heeft het nu over Uganda, maar ik dacht dat het over Ethiopië ging en dat het een abortuswet betrof. Ik begrijp uit haar woorden dat er een abortuswet in Ethiopië veranderd is, zodat abortus makkelijker is. Hoe werkt dat? Hoe slaagt dit ministerie erin om wetten in andere landen te veranderen? En subsidiair: wat zou de minister ervan vinden als Ethiopië gaat proberen om in Nederland wetten te veranderen?

Minister Ploumen:


Ik heb door middel van het voorbeeld uit Uganda willen aangeven hoe het werkt. Zo werkt het ook in Ethiopië. Het gaat er overigens niet om de toegang tot meer abortus mogelijk te maken, of om de toegang tot abortus gemakkelijker te maken. Het gaat erom dat vrouwen die tegen hun wens zwanger zijn geraakt, toegang hebben tot veilige abortus, liefst legaal. Dat is gewoon een mensenrecht. Er was een lange weg te gaan en er is hard aan gewerkt. Vrouwenorganisaties in Ethiopië hebben dit onderwerp geagendeerd. Ze zien het leed dat vrouwen wordt aangedaan door gebrek aan voorzieningen voor een veilige abortus. Deze organisaties vragen internationale steun om betere voorzieningen mogelijk te maken. Dat is zoals het werkt.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):


In de schriftelijke beantwoording las ik dat de minister mijn punt over de antiterrorismemaatregelen zal agenderen in verschillende fora. Ik vraag de minister om toch een tandje bij te zetten. Alleen het agenderen van het probleem betekent dat nog steeds heel veel ngo's, die moeilijk werk doen onder moeilijke omstandigheden, de dupe zijn. Kunnen we niet iets verder gaan? Kan de minister geen gesprek aangaan met Nederlandse banken die vestigingen hebben in die landen? Op die manier kunnen zij welllicht, als er een aanvraag komt, via de Nederlandse ambassade checken of dit zo'n kwetsbare ngo is en of zij die moeten helpen om betere toegang te krijgen tot financiële diensten. Nu doen ze het uit onzekerheid maar liever niet. Kunnen we actief hulp bieden via de banken die de minister goed kent?

Minister Ploumen:


Agenderen is heel erg belangrijk, want het probleem treft niet alleen deze organisaties. Het is een breder probleem. Waar mogelijk zet ik graag onze ambassades in om te faciliteren.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):


Ik ben heel blij met dit deel van de toezegging. Wil de minister ook expliciet toezeggen dat zij met Nederlandse banken die in het buitenland heel actief zijn, het gesprek hierover zal aangaan? Wil zij het probleem bij hen nadrukkelijk onder de aandacht brengen, en hen er, samen met de ambassades, voor laten zorgen dat deze organisaties toegang krijgen tot de financiële diensten die zij zo hard nodig hebben?

Minister Ploumen:


Dat zeg ik graag toe.

De heer Taverne (VVD):


Voor de verslaglegging van het debat wil ik kort ingaan op het voorbeeld dat de minister gaf over de wetgeving in Uganda en hoe het door Nederlands gefinancierde maatschappelijke middenveld daar een stokje voor heeft gestoken. Ik vat het even ondiplomatiek samen. Het treft, want de commissie BHOS was afgelopen augustus op bezoek in Uganda en heeft toen zeer uitvoerig gesproken met de premier van Uganda. Hij vertelde dat de wet om binnenlandspolitieke redenen allang van tafel was, voordat er enig maatschappelijk middenveld aan te pas kwam. Hoe verklaart de minister dat?

Minister Ploumen:


Ik geloof onmiddellijk de weergave van het gesprek van de heer Taverne. Er zijn verschillende lezingen over de levensduur en de levensloop van de wet. Vaststaat dat het belangrijk is dat de homo-organisaties in Uganda hebben kunnen werken aan het verzet tegen de wet. De term "binnenlandspolitieke redenen" is natuurlijk heel breed op te vatten. Ik kan die niet duiden. "Binnenlandspolitiek" kan ook betekenen dat er geen steun voor te krijgen was. Het zou goed kunnen dat dit ingegeven is door de opvattingen van maatschappelijke bewegingen.

De heer Taverne (VVD):


Het zijn precies dit soort activiteiten die de komende vier jaar worden gefinancierd vanuit de kleine miljard voor Samenspraak en Tegenspraak. Het beïnvloeden van het een en ander, het financieren van wat clubjes: het zijn bij uitstek dingen die niet of nauwelijks meetbaar zijn. Iedereen heeft er immers een andere opvatting over. De minister geeft daar ook eerlijk antwoord op. Je kunt je afvragen of het niet heel erg veel geld is, 200 miljoen per jaar. Wat zou de minister er andersom van vinden? Stel dat Uganda de euthanasiewet in Nederland heel raar vindt en dat ze Nederlandse clubjes geld geeft om bijvoorbeeld een heel grote pagina in de Telegraaf te kopen. Hoe zou de minister dat vinden?

Minister Ploumen:


Het maatschappelijk middenveld is in Nederland heel actief. Het doet wel eens uitingen waar ik als lid van het kabinet niet blij mee ben. Dat hoort in een open samenleving. Ik weet dat de heer Taverne dat ook vindt. Homorechten zijn mensenrechten. Als er lokaal in landen de behoefte is om die mensenrechten veilig te stellen en men daarbij de hulp inroept van partners, vind ik dat legitiem. Tegen de heer Taverne zeg ik dat dat natuurlijk wel eens zal schuren. En natuurlijk heb ik daar wel gesprekken over met mijn counterparts, maar in een open en vrije samenleving moet je als burger de mogelijkheid hebben om je te organiseren. Soms schuurt het, soms is het ronduit vervelend, maar het biedt altijd de mogelijkheid tot een gesprek.

Over het klimaat zijn een of twee opmerkingen gemaakt, waar ik graag kort op inga. Mevrouw Van Veldhoven vroeg of klimaatfinanciering additioneel is. Zij refereerde aan het rapport van de Wereldbank. Ik heb daar op 20 november in mijn brief aan de Kamer een reactie op gegeven. Klimaatfinanciering is een onderdeel van de OS-begroting. Dat hebben wij in het regeerakkoord zo afgesproken. In die brief staat de meer specifieke inzet op klimaat, inclusief de financiering: deels privaat en deels publiek.

De heer Klaver vroeg me om vooruit te kijken en om te plannen hoe we de gevolgen van klimaatverandering in de toekomst kunnen opvangen. De hoofdlijnen van mijn inhoudelijke en financiële inzet staan in Wat de wereld verdient. Het is goed om te zeggen dat mijn beleidsterrein zich vooral richt op de allerarmsten. Mijn beleid is gefocust op de mensen die het toch al niet heel gemakkelijk hebben; dat zijn vaak degenen die het hardst worden getroffen door klimaatverandering. Dat zijn bijvoorbeeld kleine boeren, die worden begeleid bij het omzetten van hun productiemethoden of het leveren van zaden die tegen een verzilte ondergrond kunnen. Wij doen dat op die manier. Wij werken samen met het bedrijfsleven en er is specifieke aandacht voor vrouwen en meisjes. De route is dus uitgezet en wij hebben een paar specifieke activiteiten ingezet. De heer Vos en mevrouw Mulder vroegen daarnaar.

In de schriftelijke beantwoording ben ik ingegaan op de twee investeringsfondsen. Het is misschien goed om tegen de heer Vos te zeggen dat ook de Britten en Duitsers reeds hebben toegezegd om bij te dragen aan het klimaatfonds van FMO. Wij hopen natuurlijk dat meer landen dat zullen gaan doen.

De heer Vos vroeg ook of ik het eens ben met prins Charles' analyse van de klimaatverandering. Ik zou daarop willen zeggen: het enige wat ik met prins Charles gemeen heb, is die analyse. Ik denk dat hij daar hetzelfde over denkt. Anyway, wij besteedden daar al aandacht aan voordat prins Charles dat interview gaf. Een paar weken geleden organiseerden wij de Planetary Security Conference, waarin de vraag centraal stond hoe klimaatverandering impact heeft op de hedendaagse crises, en andersom. Daarbij gaat het natuurlijk om de toegang tot water, tot voedsel, tot veiligheid. In Syrië, maar ook in Mali heeft de structureel toenemende droogte geleid tot veel verlies van vee en daardoor tot het verlies van het levensonderhoud van vele bewoners in het noorden, wat zeker een rol heeft gespeeld in het ontstaan en het voortduren van de conflicten. Dit was het einde van dit blokje.

De heer Jan Vos (PvdA):


U hebt verteld over het Deense model. Ik had daarnaar gevraagd. Dat fonds is heel succesvol, omdat er een heel grote leverage is tussen de euro's die de overheid inlegt ten opzichte van die van het bedrijfsleven: ik meen 1 op 5. Het is mij niet helemaal bekend hoe dat met het Nederlandse fonds zit. De minister zegt dat andere landen hebben toegezegd. Wat is die leverage bij ons nu?

Minister Ploumen:


Sorry voor de verwarring. Er zijn twee fondsen. Het ene is het Climate Investor One fonds van FMO. Daar sprak ik net over. Daar doen onder anderen de Britten en de Duitsers aan mee. Het andere is het fonds dat we willen gaan opzetten samen met de Nederlandse institutionele beleggers naar voorbeeld van het Deense model. Het voornemen is er. We zijn in gesprek met de institutionele beleggers. Het is overduidelijk dat de inleg van zowel de publieke als de private middelen tot leverage moet leiden. Wat de verhouding zal zijn, is onderwerp van gesprek. Dat ligt ook aan het type programma of project dat gefinancierd kan worden, maar het is vanzelfsprekend de bedoeling dat één euro niet één euro blijft.

De heer Jan Vos (PvdA):


In dat Nederlandse fonds zit nu 50 miljoen van de Staat. 200 miljoen is de target. Hoeveel is er dan door die andere landen bijgelegd? Dat wil ik graag weten zodat ik kan berekenen wat de leverage is. Is er ook sprake van garanties en achtergestelde leningen? In hoeverre is de minister van plan om garanties en achtergestelde leningen aan dat andere fonds met institutionele beleggers ter beschikking te stellen? Dat waren de meer specifieke vragen die ik gisteren heb gesteld.

Minister Ploumen:


De Britse premier Cameron heeft een bijdrage van 50 miljoen pond toegezegd. Duitsland draagt 10 miljoen bij. Met de Nederlandse bijdrage van 50 miljoen zijn we dus een eind op weg naar de 200 miljoen. Doel is een CO2-reductie van 1,7 gigaton. Dat is hetzelfde als de uitstoot van een half miljoen auto's minder op de weg. Ik zal in tweede termijn terugkomen op de leverage; dat gegeven heb ik nu even niet paraat. Ik kom daar op terug. Ik meen dat het 1 miljard moet worden.

De heer Jan Vos (PvdA):


Ongeveer een-op-een is de huidige …

De voorzitter:


Interrupties gaan in tweeën. Dit is uw derde interruptie.

Minister Ploumen:


Het zal meer moeten zijn dan een-op-een, want het gaat om de inzet van FMO op bankable projects. Nogmaals, dan zou er een steviger multiplier moeten zijn.

De heer Klaver (GroenLinks):


Ik had nog een vraag over de klimaatfinanciering. Ik had gevraagd om een plan tot 2020. De minister heeft gezegd wat haar visie en ambitie is. Zij heeft aangegeven waar we op welke gebieden ongeveer aan moeten denken. Ik vraag eigenlijk om een verdere concretisering. Waar wil Nederland zijn geld uitzetten? Hoeveel geld gaat het in welk jaar wegzetten? Dat kunnen we vastleggen in een meerjarenplan tot in ieder geval 2020, zodat we echt zekerheid kunnen geven.

Minister Ploumen:


Wij hebben ervoor gekozen om het in de nota Wat de wereld verdient tot 2017 vast te leggen. De horizon gaat tot deze regeerperiode. Ik wil de heer Klaver graag tegemoetkomen, maar ik kan geen commitment geven voor de periode daarna. Laat ik het zo zeggen: ik hoop in de periode tot 2017 zowel publieke als private middelen met zo veel succes te mobiliseren, dat het voor het volgende kabinet bijna onvermijdbaar wordt om die koers voort te zetten.

De heer Klaver (GroenLinks):


Ik ben mij er volledig van bewust dat er een keuze is gemaakt voor deze kabinetsperiode, maar daar richt zich nu juist mijn kritiek op, als ik het zo mag zeggen. Klimaatverandering is een probleem van de langere termijn. Voor investeringen in infrastructuur regeert het kabinet ook over zijn zittingstermijn heen, want er worden verplichtingen tot 2028 vastgelegd. Wat ik vraag, is eigenlijk heel bescheiden, want ik vraag om een plan tot 2020. Maar goed, ik begrijp de positie waarin de minister verkeert. Ik zal in tweede termijn een motie indienen. Als een meerderheid van de Kamer vindt dat het toch tot na 2017 kan worden vastgelegd, wordt de minister er door de Kamer toe opgeroepen om dat te doen. Ik denk echt dat we erbij gebaat zijn om zekerheid te geven over hetgeen Nederland op het gebied van klimaatfinanciering wil.

Minister Ploumen:


Ik wacht de motie af.

Ik moet ook nog even reageren op de opmerking van de heer Bosma over de situatie in Afrika. Hij gaf een bepaalde interpretatie van de geschiedenis. Misschien is het goed om de vader van Afrika te citeren in antwoord op deze opmerkingen. Nelson Mandela zei dat Afrika lang de dwanggedachte heeft gekoesterd dat het de schuld van alles wat er in het verleden is gebeurd, op anderen kon schuiven. Ik houd mij aan de lezing van de geschiedenis van Afrika zoals Mandela die had. Ik wil graag in partnerschap met landen werken aan vrijheid en economische voorspoed voor iedereen daar.

De heer Bosma (PVV):
Zei de minister nu dat zij wil samenwerken met iedereen die voor vrijheid is? Dat is nu net het punt dat ik gisteren gemaakt heb, namelijk dat de afdeling Ontwikkelingssamenwerking van dit ministerie in het verleden allerlei clubs heeft gefinancierd die genocide hebben gepleegd. Ik heb over het Frelimo gesproken met 80.000 tot 250.000 doden, de NPLA in Angola in 1977 met 25.000 doden, het ANC heeft in de Volksoorlog 20.000 mensen vermoord — de grootste anti-apartheidsbeweging van het land is nagenoeg uitgeroeid — Inkatha heeft 20.000 mensen vermoord, Zoeloes, onschuldige mensen, burgers vermoord in hun bed en vermoord op straat. ZANU-PF van Mugabe heeft 80.000 doden veroorzaakt en de enige reden waarom ze vermoord zijn, was omdat ze van het verkeerde volk, de Matabeles, waren. Al die vier organisaties zijn gefinancierd door minister Pronk en door dit ministerie. Ik heb gisteren nogal wat gezegd in mijn eerste bijdrage, namelijk dat dit ministerie genocides heeft gefinancierd. Dat is niet zomaar een kreet; dat heb ik goed uitgezocht. Vier genocides zijn gefinancierd door dit ministerie. Wat vindt de minister daarvan?

Minister Ploumen:


Ik deel de analyse van de geschiedenis, zoals de heer Bosma die geeft, niet. Ik zie ook niet dat wij nader tot elkaar zullen komen hierover. De heer Pronk en ik zitten samen op Venus en de heer Bosma zit op Mars and never the twain shall meet.

De heer Bosma (PVV):


Dat de minister op een andere planeet zat dan de rest van Nederland, wist ik al, maar ik wil toch vragen wat er dan niet klopt aan mijn lezing van de geschiedenis. Dan moeten we het gewoon even afpellen. Ontkent de minister die vier genocides die ik noemde? Is dat het hem? Ontkent zij die vier genocides?

Minister Ploumen:


Ik heb geen enkele behoefte om met de heer Bosma in debat te gaan over de lezing van de geschiedenis zoals hij die ziet. Het is genoegzaam bekend wat de strijd is geweest die geleverd is in Afrika. Ook is genoegzaam bekend wie daarin welke rol heeft gespeeld. Ik deel de visie van de heer Bosma op de geschiedenis niet en ik geloof ook niet dat wij nader tot elkaar komen. Ik zie hem namelijk ook niet mijn kant op bewegen.

Een heel ander onderwerp is internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen.

De voorzitter:
Ik zie dat de heer Smaling nog een vraag heeft. Het is een begrotingsbehandeling en dus ga ik niet knijpen op de interrupties, maar het is wel al half tien. De tijd vliegt en ik wil de leden vragen zich een klein beetje te beperken.

De heer Smaling (SP):


Ik wil hier toch nog even op doorgaan. De heer Bosma gebruikte heel grote woorden. Hij is ook historicus. Ik heb een boek van hem gelezen, waarin hij zich wel goed documenteert. Ik deel zijn conclusies niet, maar ik zou het toch wel wat vinden als de minister de tijd nam om uitgebreid schriftelijk te reageren op de analyse die de heer Bosma met ons gedeeld heeft. Dat hoeft niet vanavond, maar dat kan in de komende weken. Het is voor haar ook belangrijk om een weerwoord te bieden dat de heer Bosma misschien op andere gedachten kan brengen. Als we hier alleen maar zeggen dat de een van Venus komt en de ander van Mars, blijft het wel hangen.

Minister Ploumen:


Volgens mij blijft er met die constatering helemaal niets hangen. Daarmee is duidelijk wat de posities zijn. Tegen de heer Smaling zeg ik dat veel onderzoek is gedaan naar de geschiedenis van bevrijdingsbewegingen en van de onafhankelijkheidsstrijd. Dat onderzoek is voor iedereen beschikbaar. We leven in een vrij land, dus ieder mag daar ook zijn eigen conclusies uit trekken. Ik deel de conclusies van de heer Bosma niet. Daar zou ik toch bij willen laten. Er is ruim voldoende materiaal voorhanden. Er zijn ook evaluatieonderzoeken gedaan, ook al in eerdere jaren, naar de steun van Nederland in het kader van Ontwikkelingssamenwerking. Ook vroeger werd er al geëvalueerd en dat lijkt mij een mooie bron om uit te putten.

De heer Smaling (SP):


Ik deel de conclusies van de heer Bosma ook helemaal niet, maar ik vind wel dat ieder Kamerlid hier rechtgedaan moet worden. Ik vind dat zo'n analyse, hoe oneens je het daar ook mee zou kunnen zijn, wel van een weerwoord van dezelfde substantie moet worden voorzien. Ik wil de minister toch vragen om erover na te denken om daar aandacht aan te besteden. Oude rapporten en dergelijke weerleggen immers niet datgene waar de heer Bosma ons gisteren mee heeft verrast.

Minister Ploumen:


Er is een uitgebreide geschiedschrijving over de periode waarover is gesproken. Er zijn ook verschillende invalshoeken. Die zijn voor iedereen ter beschikking. Ik meen ook dat er ruim gereflecteerd is op 50 jaar praktijk ontwikkelingssamenwerking waarin kritische en minder kritische noten worden gekraakt. Het lijkt me dat ik dat niet over zou moeten doen in een brief.

Ik kom te spreken over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ik ga eerst even in op een opmerking van de heer Voordewind. Hij vroeg of er kan worden gekeken naar het btw-tarief voor duurzame producten, met het doel om de afname van die producten te stimuleren. Ik sta daar positief tegenover. In de EU is de btw-wetgeving sterk geharmoniseerd. Die wetgeving staat de lidstaten niet toe om alleen een verlaagd btw-tarief toe te passen op de duurzame varianten van een product. De commissie beziet op dit moment wel de mogelijkheden om die tariefbepalingen te moderniseren. Tot nu toe was er bij de lidstaten weinig animo voor een wijziging van de tariefbepaling van de richtlijn met betrekking tot duurzame producten, maar ik voel zeer aangemoedigd door de heer Voordewind en zeg graag toe dat ik in overleg ga met de staatssecretaris van Financiën om te bezien wat onze ruimte hier is. Ik hoop hem dus over niet al te lange tijd met een positief bericht te mogen verblijden. Ik ga me daarvoor inzetten.

De heer Vos vond dat de missies te veel handelsmissies waren. Ik parafraseer nu even. Ik zou dat willen tegenspreken. Dat lukt mij heel gemakkelijk, ook al omdat we er in de afgelopen periode een goede gewoonte van hebben gemaakt om te rapporteren over de inhoud en de reikwijdte van de missies. Dat gebeurt overigens op verzoek van de Kamer. Waarvoor dank! Door die rapportages wordt duidelijk dat de missies een heel breed palet aan onderwerpen bestrijken. Het gaat zeker om handelsbevordering, het gaat zeker om het bevorderen van investeringen, maar het gaat in alle gevallen om het aanmoedigen van bedrijven om dat duurzaam te doen en om ervoor te zorgen dat die investeringen ook inclusief zijn. En het gaat in een heel aantal missies ook over mensenrechten.

Ik wijs op de missie naar Colombia, waar de heer Vos zelf aan heeft deelgenomen. We hebben daar met een aantal bedrijven gesproken over de problematiek rondom de steenkolen. Voorts heeft een ander deel van de delegatie, met deels dezelfde mensen, gekeken naar de handels- en investeringsmogelijkheden. Ik voel me in die zin aangemoedigd door de heer Vos om door te gaan op de ingeslagen weg. Dat geldt niet alleen voor mij. Mijn college Schippers heeft bijvoorbeeld in Rusland de problematiek rondom de homorechten aangekaart. Wij maken er dus allemaal een goede gewoonte van om die missies ook aan te grijpen om bijvoorbeeld kwesties op het gebied van mensenrechten aan de orde te stellen.

De heer Jan Vos (PvdA):
De minister noemt het voorbeeld van Colombia. We gingen natuurlijk op bezoek bij steenkolenbedrijven. Die steenkolen werden door Nederlandse bedrijven geïmporteerd. Dat was natuurlijk ook weer een handelselement. We hebben daar goed werk gedaan. Ik zeg ook zeker niet dat de minister geen goed werk doet op het gebied van handelsbevordering en dat thema's als maatschappelijk verantwoord ondernemen en duurzaamheden daar niet bij worden meegenomen. Ik vind ook dat het heel goed is dat het kabinet zo internationaal georiënteerd is. Ik vind het ook heel goed dat deze minister de minister van hulp en handel is. Maar ik zie en lees wel heel veel over alle ministers van dit kabinet — ik heb het dan niet alleen over deze minister, maar zij is de minister van buitenlandse handel ...

De voorzitter:


Wat is uw vraag?

De heer Jan Vos (PvdA):


Dit is de enige andere interruptie die ik vanavond pleeg, maar het vraagt even om een inleiding, want ik wil het wel specifiek maken.

De voorzitter:


Dat kan vast kort en krachtig.

De heer Jan Vos (PvdA):


Nu ben ik helemaal van mijn à propos en duurt het nog langer, voorzitter. Ik vind het goed dat er veel handelsmissies zijn, maar ik lees alleen maar over handel. Als ik googel op "minister Ploumen" en "handel", krijgt ik twee keer zo veel hits als wanneer ik googel op "minister Ploumen" en "hulp". Ik zou heel graag willen zien dat het omgekeerd is, niet alleen op Google, maar ook in de beleving van deze Kamer. Ik wil u dat toch eens meegeven. Ik werd daarvan nog eens overtuigd door het feit dat de burgemeester van Rotterdam, ook lid van de Partij van de Arbeid, weer naar Saudi-Arabië is, terwijl minister Kamp daar nog geen vier dagen geleden was. Wat moeten wij in dat olieproducerende land met precies die sujetten waarvan ik zeg: dat zijn plutocraten? Zij combineren hun politieke macht met economische macht en daar heeft de Partij van de Arbeid weinig mee op, nog los van alle andere zaken waar dat oliegeld naartoe gaat. Daar zal ik maar niet over uitweiden, want dan krijg ik weer een berisping van de voorzitter.

Minister

1   2   3   4   5   6   7   8

  • Agnes Mulder
  • Van Veldhoven
  • Ploumen : Dat zeg ik graag toe. De heer Taverne
  • Jan Vos

  • Dovnload 280.47 Kb.