Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Dovnload 0.54 Mb.

Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid



Pagina4/13
Datum28.10.2017
Grootte0.54 Mb.

Dovnload 0.54 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13
voorzitter:
Voordat u verdergaat, geef ik eerst de heer Marcouch het woord, want die heb ik net weggestuurd.

De heer Marcouch (PvdA):


Ik slik eventjes.

Ik wil even terug naar de discriminatie op de arbeidsmarkt. De minister is, ondanks de verschillende zienswijzen op het principe, buitengewoon positief over het anoniem solliciteren. Wij hebben nu kleine pilots gehad. De eerste signalen daarvan waren heel positief. Daarom heb ik de minister gevraagd om een grotere pilot bij de rijksoverheid te starten, juist omdat dat mensen die personeel werven, helpt om het bewustzijn te vergroten. Het helpt ook jongeren om zich binnen de overheid een baan te verwerven. Kan de minister toezeggen dat hij zich gaat inspannen om zo'n grote pilot te organiseren? Ik overweeg een motie in te dienen, maar als hij mij toezegt dat zijn inspanning meer is dan een en ander onder de aandacht brengen, dan kan ik daar misschien van afzien. Het lijkt mij belangrijk dat een minister van Integratie, die belast is met het bestrijden van discriminatie, zich intensiever inzet om dat ook bij de rijksoverheid te doorbreken.

Minister Asscher:
Ja, de rijksoverheid moet ook laten zien dat er diversiteitsbeleid is, dat zij een afspiegeling van de samenleving is en dat ook hier vooroordelen bestreden worden. Ik heb een aantal voordelen van anoniem solliciteren genoemd en benoemd, maar ook een aantal nadelen en zorgen daarover. Dus ja, ik zal vragen of mijn collega voor Wonen en Rijksdienst, met inachtneming van al die dingen, bereid is om een dergelijk experiment te doen. Ik kan dat niet toezeggen. Het is zijn portefeuille. Hij is de werkgever van alle rijksambtenaren. Als de heer Marcouch daar een motie over zou indienen, moet ik hem adviseren om die even aan te houden. Dan kan mijn collega beoordelen of dit, alles afwegende, de voor- en nadelen en de principiële bezwaren, een instrument is dat hij wil toevoegen om het overheidspersoneel diverser te maken. Dat dat nodig is, dat dat een doel is; daarover zijn wij het zeer eens.

De heer Marcouch (PvdA):


Ik vraag niet dat de minister iets toezegt waar hij niet over gaat, hoewel deze minister altijd zegt: ik ga altijd over alles. Ik zal hem afrekenen op zijn strijdbaarheid en inspanningen. Dat hoor ik nog niet scherp genoeg in zijn reactie. Daar zou ik graag een wat scherpere reactie op willen hebben.

Een andere groep is de 50-plussers. Er is een programma voor 50-plussers. Die groep zit veel te lang thuis. Die heeft een heel andere benadering nodig dan de benadering die wij nu hebben voor mensen die net werkloos zijn geworden en die wij inderdaad van werk naar werk zouden moeten begeleiden. Zou de minister willen reageren op mijn opmerkingen over die groep, die te lang geïsoleerd thuis zit, die allerlei competenties ontbeert, zoals taal en andere vaardigheden? Hoe denkt de minister in die groepen te investeren?

Minister Asscher:
Wat de eerste vraag betreft: zeker, ik zal Blok aansporen om te laten zien dat hij er, met gebruikmaking van alle instrumenten die er zijn, alles aan gaat doen om ook vooroordelen binnen de rijksoverheid te bestrijden. Ik zal de Kamer op de hoogte brengen van wat dat oplevert.

De voorzitter:


En "Blok" is de minister voor Wonen en Rijksdienst.

Minister Asscher:


Sorry. Ja, dat bedoelde ik: de collega voor Wonen en Rijksdienst.

Ik kom op de tweede vraag. Wat betreft de groep mensen die al langdurig thuiszit, kun je een onderscheid maken tussen mensen die in de WW zitten en mensen die in de bijstand zitten. Er moet voor iedereen plek zijn op de arbeidsmarkt. Ik vind dat het kabinet daarvoor moet staan. Maar we weten ook dat de weg terug vaak langer is voor mensen die al langdurig in de bijstand zitten. Dit punt vergt samenwerking met de gemeenten. We moeten gemeenten de ruimte geven om die groep te geven wat nodig is. Ik denk dat dat juist van belang is. Een programma zoals Tel mee met Taal moet niet alleen door de rijksoverheid uitgevoerd worden, maar samen met de gemeenten. Als een gebrek aan taalvaardigheid alfabetisering in de weg zit — dat geldt voor een deel van deze groep — is dat een enorme handicap. Schaamte speelt daarbij een rol en daar zullen we doorheen moeten.

Mevrouw Karabulut (SP):
Het is heel verdrietig dat er in Nederland een steeds grotere groep ontstaat van mensen zoals Eric. Hij heeft lang gewerkt, is op 59-jarige leeftijd werkloos geraakt en heeft zijn inkomen zien dalen van €2.100 naar €1.400 in de WW en naar €900 in de bijstand een paar jaar later. Hij moet naar de voedselbank voor zijn eten en hij moet zijn kleren verkopen — ja, hij moet zijn kleren verkopen — om überhaupt rond te kunnen komen. Deze man is geen uitkeringstrekker. Deze man heeft hard gewerkt en premies afgedragen. Hij verdient een sociale zekerheid waarvan hij kan rondkomen. Is de minister het met ons eens dat we juist de mensen met de laagste inkomens en het wettelijk minimumloon — al die harde werkers die toch arm blijven — er 10% loon bij moeten geven? Gewoon €100. Is hij het mij eens dat het geld eindelijk eens keer toe moet naar de mensen die het nodig hebben?

Minister Asscher:


Ik ben het voor honderd procent eens met mevrouw Karabulut als zij de situatie van Eric beschrijft. Natuurlijk zou je hem iets anders gunnen. Ik heb de afgelopen jaren heel veel mensen ontmoet die de klap hebben gevoeld van de economische crisis en die soms van de ene op de andere dag hun werk en inkomen zijn kwijtgeraakt. Dat geldt ook voor mensen die op het verkeerde moment zelfstandige zijn geworden en die helemaal niet meer in de WW terechtkwamen, maar in één keer in de bijstand terugvielen. Volgens mij delen we het doel en de motivatie om ervoor te zorgen dat al die mensen aan het werk blijven. Dat is deels een van doelen geweest van de sectorplannen en daar ben ik juist trots op. Er zijn veel mensen aan het werk gebleven met hulp van die sectorplannen, juist om te voorkomen dat zij in die situatie terecht zouden komen.

Is de beste oplossing het verhogen van het minimumloon? Mijn zorg op dit punt heb ik ook in de schriftelijke set vragen aangegeven. Juist die werkgelegenheid staat nu heel erg onder druk. We komen niet voor niets met het lage-inkomensvoordeel om werkgevers te prikkelen mensen in dienst te houden. Als je het minimumloon nu in één klap met 10% verhoogt, zou dat heel veel mensen hun baan kosten. Ik weet voor honderd procent zeker dat dat niet is wat mevrouw Karabulut en ik willen.

Mevrouw Karabulut (SP):
Ik begin de standaardpraatjes, de ingestudeerde praatjes, van deze bewindspersoon een beetje zat te raken. Waarom zeg ik dat? Eric staat niet alleen. Er zijn in Nederland inmiddels honderdduizenden gezinnen die hun stinkende best doen, maar een overheid tegenover zich vinden die hen straft, terwijl zij hun inkomen alleen maar hebben zien dalen. Wat heb ik dan aan die CPB-cijfers? Wat heb ik dan aan die rapporten? Waarom komen deze minister en zijn staatssecretaris niet voor één keer op voor de mensen met de allerlaagste inkomens die gewoon hun stinkende best doen?

Minister Asscher:


Ik bestrijd helemaal niet dat mensen hun stinkende best doen. Ik ben daar juist serieus op ingegaan. Ik vind het zelf nogal onheus om te zeggen dat dat ingestudeerde praatjes zijn. Ik zou hetzelfde commentaar kunnen geven op de manier waarop mevrouw Karabulut reageert op mijn antwoorden. Ik probeer serieus te antwoorden door te vertellen wat wij doen voor mensen in het nauw, maar ook door te vertellen dat je mensen blij maakt met een dooie mus als je zegt dat je 10% boven op hun loon doet, want dat betekent in de praktijk dat heel veel mensen hun werk zullen kwijtraken. Dat is geen CPB-fabel. Ik denk dat dat een eerlijk antwoord is op de wens die wij met z'n tweeën hebben. Als ik niet zeg wat mevrouw Karabulut wil, is het heel onheus om daarna te zeggen dat dat ingestudeerd is. Ik zal dat bij haar niet doen. Ik zal serieus in blijven gaan op haar vragen, omdat wij hetzelfde doel delen, namelijk opkomen voor de kwetsbare mensen in onze samenleving.

De heer Pieter Heerma (CDA):


Ik begrijp dat de minister wil overgaan naar het blok "integratie" en dat we het sociaal-economische blok afronden. Ik twijfelde een beetje in welk blok ik de volgende vraag zou stellen, maar ik heb besloten om dat nu te doen in plaats van helemaal aan het eind.

De minister heeft net verdedigd wat hij heeft bereikt op het terrein van de arbeidsmarkt. Er is ook veel kritiek uit de Kamer gekomen; dat heeft de minister erkend. Ik heb hem gevraagd of bij het echt adresseren van de problemen op de arbeidsmarkt de taboes binnen de coalitie niet een te dominante rol hebben gespeeld. Ook heb ik hem gevraagd naar zijn ambities voor de komende jaren. Welke zaken, die in de afgelopen vier jaar nog niet zijn gerealiseerd, moeten in de komende jaren op de arbeidsmarkt tot stand worden gebracht?

De voorzitter:
Minister, komt u daar nog op terug? Of kunt u dat nu …

Minister Asscher:


Nee, dat kan ik beter nu doen.

Ik denk dat je de coalitiepartners onrecht doet door te zeggen dat er veel taboes waren. Als je ziet wat er veranderd is, wat pijn heeft gedaan aan beide kanten — het gaat om veranderingen die soms tientallen jaren zijn uitgesteld — dan verzet ik me tegen zo'n beeld. Maar natuurlijk is het zo dat je op een gegeven moment — dat zie je nu ook — niet meer op alles tot vergaande wijzigingen komt. Dat moeten we ook erkennen. Dat zie je rond het vraagstuk zzp en payrolling. Ik zou het gek vinden om de coalitiepartners, die in een ingewikkelde constellatie zo veel met andere partijen in de polder hebben bereikt, nu in de schoenen te schuiven dat ze zo veel taboes hebben waardoor er te weinig is gebeurd. Er is heel veel gebeurd, maar iedereen ziet ook dat het niet af is. In alle verkiezingsprogramma's staat ook dat partijen nog wel wat willen wijzigen. De verschillen daarin zijn echter heel groot. Er zijn partijen die het zoeken in minder bescherming, vanuit de hoop en de verwachting dat dat leidt tot meer banen. Ook zijn er partijen die het zoeken in evenveel bescherming, maar juist proberen een prikkel in te bouwen zodat men meer mensen vast in dienst neemt. Je kunt niet verwachten dat al die verschillen nu, in deze fase van het kabinet, worden overbrugd.

Wat moet er dan gebeuren? Ten eerste is het heel duidelijk dat de kostenverschillen tussen werknemers en flexibele arbeid onder ogen moeten worden gezien. Ook moet zelfstandigheid worden vorm gegeven, niet zijnde de zelfstandigheid van de ICT-professional maar de zelfstandigheid die soms gebruikt wordt in het economische verkeer voor werk dat ook door werknemers gedaan zou kunnen worden.

Het tweede punt is risicoverdeling. Ik denk dat risico's, die je beter collectief kunt dragen, soms te veel bij de werkgevers belanden. Soms belanden ze ook te veel bij de werknemer terwijl ze beter bij de werkgever zouden kunnen liggen. Die risicoverdeling spreekt natuurlijk een rol bij keuzes van werkgevers. Neem je iemand wel of niet in dienst? Volgens mij hebben we dat onder ogen gezien rond loondoorbetaling bij ziekte. Daar ligt een heel grote opgave.

Ten derde zullen we de arbeidsmarkt als geheel moeten veranderen. Dat laat zich minder makkelijk vatten in een hervorming of een wet. Dat zullen we moeten doen zodat juist die transities, die overgangen naar ander werk en die veranderingen in het werk makkelijker en sneller gaan plaatsvinden. Want de veranderingen in de economie gaan sneller in plaats van langzamer. We hebben daarin stappen gezet, maar we weten allemaal ook dat bijscholing, zeker voor mensen met een niet hoge opleiding, een beroepsopleiding, niet vanzelfsprekend is. Daar moet veel meer aan gebeuren, willen we voorkomen dat een grote groep werknemers kwetsbaar wordt vanwege die veranderingen op de arbeidsmarkt. Volgens mij is dat de opgave en je ziet dat er politiek heel verschillende recepten worden geserveerd die passen bij die diagnose.

De heer Pieter Heerma (CDA):


Het is goed dat de minister aangeeft welke onderwerpen de komende jaren geadresseerd moeten worden. Ik kom terug op het eerste deel van zijn antwoord. Ik begrijp dat de minister de coalitiepartners beschermt, maar het dossier loonbetaling lag er al in 2012. Het dossier payrolling lag er zelfs al in de vorige periode. Zzp heeft jarenlang op het bordje van de coalitie gelegen. Heeft de minister toch niet het gevoel dat een aantal van deze dossiers onterecht te lang zijn blijven liggen, waardoor ze op het bordje van een volgende coalitie terechtkomen?

Minister Asscher:


Gelet op de thema's ontslag, WW, ketenbepaling, de aanpak van schijnconstructies en jeugdlonen, en de manier waarop we omgaan met de arbeidsmarkt, denk ik oprecht dat er zo veel meer bereikt is dan in alle jaren daarvoor. Het zou unfair zijn om dan alleen het licht te zetten op de dingen die niet gelukt zijn. Tegelijk ben ik het eens met de heer Heerma dat er nog vraagstukken liggen die ook om een oplossing schreeuwen. In het voorjaarspakket van april hebben we een aantal dingen kunnen doen rond de loondoorbetaling bij ziekte. Echter, niemand hoeft erover van mening te verschillen dat er meer nodig is de komende periode om ook die punten op te lossen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):


De minister doet het nu voorkomen alsof hij stappen vooruit heeft gezet maar net niet alles heeft bereikt. Het punt is natuurlijk dat hij ook keuzes heeft gemaakt die de tweedeling juist groter hebben gemaakt. Ik had het net al over het verschil tussen werkenden en niet-werkenden. Kijk ook naar flex en vast. De Wet werk en zekerheid heeft mensen met onzekere contracten alleen maar onzekerder gemaakt. De regeling dat je na een tijdelijk contract zogenaamd eerder een vast contract moet krijgen, leidt ertoe dat mensen eerder op straat komen. Wij hebben dan ook gezegd: zorg ervoor dat mensen vanaf dag één die transitievergoeding kunnen krijgen en dat er een mogelijkheid komt voor dat tweede, langere tijdelijke contract. Ik zou graag van de minister willen horen of hij daar toch nog naar wil kijken.

Minister Asscher:


Op het eerste punt: ja, werkenden zijn er meer op vooruitgegaan, ook omdat we willen dat werken loont. Voorheen was het zo dat je, als je vanuit een uitkeringssituatie aan het werk ging, er in sommige gevallen op achteruitging. Dat moet je niet willen. Dat kun je oplossen op twee manieren: door de uitkering te verlagen — dat hebben we niet gedaan — of door de inkomens van mensen die werken bij een laag inkomen te verhogen. Dat hebben we wel gedaan en dat is een bewuste keuze. Je kunt niet zeggen dat dit ongelijkheid is. Nee, we willen graag dat mensen vanuit een uitkering werk vinden en daarvan ook profiteren. Ik denk dat dat beter is voor mensen en ook voor Nederland.

Op het tweede punt: zeker, je kunt kijken naar een tweede contract van tijdelijke aard. Echter, in de varianten waarover wij ons hebben gebogen, was dit een tussentijds opzegbaar contract. Dat is voor werknemers buitengewoon ongunstig, want dat zorgt alleen maar voor meer onzekerheid. Een tussentijds niet-opzegbaar contract zal geen werkgever aanbieden. Dat vind ik niet alleen, ik heb dit juist op verzoek van GroenLinks en het CDA verschillende keren met werkgevers en werknemers besproken. Zij geven aan: dit is niet de oplossing voor ons probleem.

Op het derde punt: ja, transitievergoeding vanaf dag één. Er zijn partijen die daarvoor zijn en dat kan ik me voorstellen. Het kan een extra prikkel zijn. Ik denk niet dat het hele probleem daarmee is opgelost, maar het kan zeker helpen. Echter, dat past natuurlijk niet in de afspraken die ik heb gemaakt met werkgevers en werknemers. Ik houd ze aan hun afspraken: doe wat je hebt beloofd. Dan kan ik niet eenzijdig zeggen: we gaan die last van de transitievergoeding vanaf dag één opleggen. Dat zou niet fair zijn.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):


Ik ben blij dat de minister nu wel toegeeft dat de tweedeling tussen werkenden en niet-werkenden groter is geworden en dat juist mensen in een uitkeringssituatie — dat was een bewuste keuze van dit kabinet en ik ben blij dat de minister dit nu toegeeft — er niet op vooruit zijn gegaan. Wat die Wet werk en zekerheid betreft: mensen zitten nu in een tijdelijk contract, ze krijgen door deze wet niet sneller een vast contract. Sterker nog, ze komen door deze wet sneller op straat te staan. Dan zeggen wij: het is beter om een langer tijdelijk contract te hebben dan geen contract. De minister zegt: het is beter om een fictief vast contract te hebben dan een tijdelijk contract. Dat is precies het verschil.

Minister Asscher:


Wat het eerste punt betreft: mensen met een uitkering zijn er wel op vooruitgegaan — in het eerdere blok over koopkracht heb ik dat ook laten zien — namelijk 2%. Het is echter een bewuste keuze geweest dat mensen die werken en een laag inkomen hebben, er meer op vooruit zijn gegaan. Als je dat niet wilt, wil je dus niet dat het loont om vanuit een uitkeringssituatie te gaan werken. De enige sociale manier om dat te doen is door ervoor te zorgen dat mensen die werken er meer op vooruitgaan in plaats van de uitkering te verlagen. Daarvoor hebben we gekozen. Ja, dat is een bewuste keuze. Het is niet zo dat mensen met een uitkering er op achteruit zijn gegaan. Zij zijn er ook op vooruitgegaan, maar minder.

Mevrouw Voortman zegt te weten dat mensen dat vaste contract niet krijgen, maar ik stel vast dat er meer vaste contracten zijn, voor het eerst sinds 2009, en dat het verschilt. Net zoals het vroeger verschilde, toen je vier keer een tijdelijk contract kon geven of drie jaar lang of vijf jaar lang. Een deel van de mensen krijgt aan het einde, als werkgevers gedwongen worden tot een keuze, een vast contract en een deel niet. De opgave is nu om die verhouding te verbeteren, maar daarvoor is een tweede tijdelijk contract geen panacee.

De heer Van Weyenberg (D66):
Ik heb een vraag aan de minister in zijn rol als vicepremier. Veel partijen willen wat veranderen in de Wet werk en zekerheid, hebben we gezien. Ze zijn een stuk minder positief dan de minister. Terecht zegt de minister: je moet compromissen sluiten, dat is de kern van de politiek, zeker met meerdere partijen. Is het dan niet heel onverstandig om in interviews — recentelijk nog op Nu.nl — te benadrukken dat de verschillen ten opzichte van bijvoorbeeld de VVD en in mindere mate mijn partij onoverbrugbaar zijn en te zeggen: het is niet onderhandelbaar? Is het in de huidige politieke situatie handig om dan zelf met breekpunten te komen?

De voorzitter:


Korte reactie van de minister.

Minister Asscher:


Ik ben altijd zeer geïnteresseerd in wat de heer Van Weyenberg wel en niet verstandig vindt, maar volgens mij hebben we nu een debat over de begroting voor volgend jaar. Ja, politiek is niet iets neutraals. Het is niet iets van "ga maar zitten macrameeën". Ik denk dat het een waarde is dat werknemers beschermd worden. Ik denk dat het een waarde is dat je niet willekeurig kunt worden ontslagen. Ik stel vast dat het in de afgelopen jaren is gelukt om in ingewikkelde constellaties afspraken te maken en veranderingen en verbeteringen door te voeren. Ik weet zeker dat dat ook in de toekomst zal kunnen.

De heer Van Weyenberg (D66):


Ja, daar kun je een goede balans in zoeken. Mijn fractie heeft daar voorstellen voor. De minister heeft daar ideeën over. Maar mijn vraag was: is het, op basis van de ervaringen die de minister in de afgelopen jaren als vicepremier heeft gehad, ook in de onderhandelingen met bijvoorbeeld mijn partij, niet onverstandig om nu, in dit politieke klimaat en enkele maanden voor de verkiezingen, zelf met breekpunten te komen? Dat is toch niet de weg om samen het land regeerbaar te houden?

De voorzitter:


Een korte reactie.

Minister Asscher:


Ik heb aangegeven wat de waarden zijn die voor mij belangrijk zijn. D66 vindt andere waarden belangrijk. Ik denk dat bescherming elementair is, juist in een onzekere tijd vol veranderingen. D66 heeft daar andere opvattingen over. Dat respecteer ik. Dat zijn politieke verschillen van mening. Ik denk dat het ook belangrijk is dat we die verschillen laten zien, zodat ook kiezers weten dat het heel wat uitmaakt of D66 of een andere partij groot wordt. Dat hoort net zozeer bij onze democratie als het sluiten van compromissen. Mijn ervaring is dat je een compromis beter sluit als je weet wat je wilt.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):


De minister gaf net aan: ik heb een deel van mijn ambities gerealiseerd, maar we zijn er nog niet helemaal. Wil hij aangeven wat hij in het nieuwe jaar — waarschijnlijk zal hij voor een groot deel van dat jaar nog minister zijn — wil gaan doen met bijvoorbeeld de zzp-problematiek of met loondoorbetaling bij ziekte? Wat moet er volgens hem op deze twee concrete punten gebeuren?

Minister Asscher:


In de eerste plaats hoop ik wat betreft loondoorbetaling bij ziekte nog dit kalenderjaar met een uitwerking te komen van de afspraken die we hebben gemaakt over het tweede spoor, over vermindering van de administratieve lasten voor bedrijven en over het wegnemen van de risico's die bedrijven soms ervaren bij re-integratie. Verder werk ik de in het voorjaar gemaakte afspraken uit over de toegang tot de IVA, die nu soms te lang wordt uitgesteld voor een deel van de werknemers. Ik praat daarover met de sociale partners. Ik hoop die nog dit kalenderjaar aan de Kamer te kunnen aanbieden en die vervolgens uit te werken en verder te brengen. Dat is heel belangrijk, omdat we weten dat dat voor veel werkgevers nu een belemmering is.

In de tweede plaats ligt het wetsvoorstel over de transitievergoeding na twee jaar ziekte er al. In de derde plaats hebben we in het ibo, het interdepartementaal beleidsonderzoek, met elkaar vastgesteld dat er voor de zelfstandigen meer nodig is. Ik heb echter op dit punt wel kunnen constateren dat de verschillen tussen de politieke partijen dusdanig groot zijn dat er eerst een nieuw regeerakkoord zal moeten komen voordat we ingrijpende wijzigingen kunnen aanbrengen. Dat is een politieke constatering waar we niet omheen kunnen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Als de minister aangeeft dat hij er nog niet is en dat er nog meer moet gebeuren, dan heeft de Kamer er toch recht op om te weten wat er dan volgens hem moet gebeuren? Kennelijk heeft de minister een soort plaatje in zijn hoofd dat we er nog niet zijn. Het zal best een tour de force zijn om hier meerderheden te krijgen. Misschien is het wel iets wat bij een nieuw regeerakkoord komt, omdat dit kabinet met bijvoorbeeld het ibo zzp vrijwel niets heeft gedaan behalve komen met een wet die ervoor zorgt dat een aantal zzp'ers geen opdrachten meer heeft, maar dat terzijde. Als de minister zegt dat hij er nog niet is en dat er nog stappen moeten worden gezet, dan wil ik graag van hem horen waar hij dan op doelt. Dan wil ik niet horen dat het in een nieuw regeerakkoord beslecht moet worden.

Minister Asscher:


Ik heb dat net in antwoord op de vraag van de heer Heerma al aangegeven. Er zijn kostenverschillen, die voor werkgevers een belemmering vormen om mensen gewoon in dienst te nemen die ze in dienst zouden willen nemen of om zelfstandigen in te huren die ze als zelfstandige zouden willen inhuren. Naar mijn overtuiging zul je wat aan die kostenverschillen moeten doen. Dat kun je op verschillende manieren doen. Meer rechts georiënteerde partijen zullen zeggen: de kosten van het vaste contract moeten aanzienlijk omlaag. Meer links georiënteerde partijen zullen zeggen: je moet een eerlijke prijs betalen voor die flexibiliteit. Ik stel vast dat daarover in de Kamer op dit moment geen compromis in zicht is. Ik stel ook vast dat de sociale partners daar nu over praten en hebben aangegeven in het voorjaar met hun advies te komen. Ik las een inderdaad ontroerende lofzang op de sociale partners van de hand van mevrouw Schouten en haar collega Heerma. Ik denk dat we het daarover eens zijn. Het is belangrijk dat niet alleen politieke partijen maar ook sociale partners elkaar vinden op dat punt, want dat raakt aan de manier waarop de instituties op de arbeidsmarkt met elkaar samenhangen.

De

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13

  • Pieter Heerma
  • Van Weyenberg

  • Dovnload 0.54 Mb.