Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Dovnload 0.54 Mb.

Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid



Pagina6/13
Datum28.10.2017
Grootte0.54 Mb.

Dovnload 0.54 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13
Asscher:
Als mensen hier zijn, moeten ze zich conformeren aan de Nederlandse waarden. Dat is niet alleen artikel 1, maar ook artikel 6, de vrijheid van godsdienst, en artikel 7, de vrijheid van meningsuiting. Dat zijn grondrechten die gezamenlijk de kern vormen van onze beschaving. Daarom heb ik in 2013 in de agenda integratie aangekondigd dat er een participatieverklaring zal komen. We vragen mensen niet alleen om zich aan de wet te houden, maar ook om te tekenen voor die waarden van de Nederlandse samenleving. In het wetsvoorstel dat aan de Kamer is voorgelegd, is het dan ook een verplicht onderdeel van de verplichte inburgering.

Ik had het net al over de inburgering met de heer Heerma. Toen zei ik ook dat het consequenties moet hebben voor het verblijfsrecht. Op dit moment zie je dat dat stuit op internationaalrechtelijke bezwaren, maar de norm is wel duidelijk. Dat is precies de norm die de heer Monasch aangeeft: als je je in Nederland vestigt, moet je inburgeren. En bij die inburgering hoort verplichte aanvaarding van de waarden van de Nederlandse samenleving, inclusief de vrijheden die we hier zojuist hebben genoemd. Als je dat niet doet, heeft dat consequenties: een boete, geen permanente verblijfsvergunning en waar mogelijk binnen de internationale verdragen ook geen verblijfsstatus.

De heer Monasch (Monasch):
We kunnen niet iedereen in de wereld opvangen, hoe graag we dat misschien vanuit al onze humanitaire waarden ook willen. Laten we gewoon aan de poort beginnen met te zeggen dat we alleen de mensen een plek geven die in ieder geval artikel 1 accepteren en die echt op de vlucht zijn voor oorlog en geweld. En de anderen: jammer, maar als jij op de vlucht bent en denkt dat je anderen onderdrukkende waarden kunt opleggen, dat vrouwen niet tot hun recht mogen komen en dat jouw geloof dominant hoort te zijn, dan zul je hier geen thuis vinden. Dat is dan een vluchteling voor wie er geen plek is in Nederland.

Minister Asscher:


Daarom is het kabinet voorstander van een Europese aanpak van het probleem, want dan kun je ervoor zorgen dat mensen veilig zijn in hun eigen regio. Maar Europa zal natuurlijk zijn verantwoordelijkheid moeten nemen voor de opvang van vluchtelingen. Daar kunnen we wel eisen aan stellen, eisen aan de verdeling en eisen aan wat je van mensen mag verwachten die zich hier vestigen. Dat is onderdeel van het kabinetsbeleid, maar we weten tegelijkertijd ook dat we vooralsnog in de praktijk, bijvoorbeeld bij de Nederlandse inburgering, te maken hebben met de spelregels die ons allemaal beschermen. En die zijn ons evenzeer lief. Het beleid rond vluchtelingen moet erop gericht zijn ervoor te zorgen dat mensen veilig zijn in het land waar zij vandaan komen en dat mensen veilig worden opgevangen in de regio. Ook daar moet er perspectief zijn voor meisjes en vrouwen, met onderwijs en met de mogelijkheid om te werken. Maar ook dan zal Europa altijd haar deel moeten opvangen. Dan mag je mensen echter ook vragen om zich te conformeren aan de Europese waarden.

De voorzitter:


Wij vervallen in herhaling, denk ik. De heer Marcouch.

De heer Marcouch (PvdA):


De minister is heel duidelijk over de nieuwkomers. Hij is ook duidelijk over het aanbod dat de samenleving doet. Mensen komen hier uiteindelijk omdat zij weten dat wij artikel 1 hebben. Maar in mijn inbreng heb ik ook gesproken over pedagogische wijken. Wat doen wij met onze eigen mensen die hier al generaties wonen en leven? De minister weet als geen ander hoe dat moet. Destijds zei hij naar aanleiding van een Facebookbericht: plaats nou pas een bericht nadat je het door je moeder hebt laten lezen. Dat is opvoeden. Zou de minister hierop willen reflecteren en willen aangeven hoe wij iets kunnen doen aan onverdraagzaamheid en discriminatie en aan al die uitingen die eigenlijk in strijd zijn met onze waarden en die door onze eigen kinderen in onze eigen samenleving worden gedaan?

Minister Asscher:


Ik denk dat de heer Marcouch groot gelijk heeft. Het zou onterecht zijn om te doen alsof de verharding in de samenleving, het onfatsoen en de agressie alleen te maken hebben met de komst van vluchtelingen of de komst van nieuwkomers. Die verharding zit in onze eigen samenleving. Dat kun je zien langs voetbalvelden, op schoolpleinen en op de sociale media. De reactie betekent dat wij de waarden die wij vooropstellen ook van toepassing moeten laten zijn op iedereen in dit land. Dat is een kwestie van opvoeding, van scholing en van leren omgaan met verschillen. Wij moeten onze kinderen leren om niet te geloven wat de eerste de beste Facebookpagina hen vertelt. Vooral ook moeten wij hen leren om beter naar elkaar te luisteren en minder naar elkaar te schreeuwen.

Dat vergt een enorme inspanning. Die ligt allereerst bij ouders, maar ook de samenleving moet wat doen. De voorbeelden die de heer Marcouch gisteren aanhaalde, vind ik inspirerend. Ik heb ook voorbeelden gezien waaruit bleek dat een vreedzame school leidde tot een vreedzame wijk. Ik heb voorbeelden gezien dat mensen in de praktijk leren hoe je omgaat met meningsverschil en verschil tussen elkaar. Ik ben ervan overtuigd dat de enige weg voorwaarts voor Nederland niet is: iedereen terug in zijn eigen hokje, vanuit het eigen gelijk en vanuit de zekerheid dat wat de ander doet niet deugt. Het gaat erom empathie terug te brengen en ervoor te zorgen dat je mensen weer met elkaar in gesprek brengt, ook als dat soms ongemakkelijk is, ook als het schuurt en ook als het pijnlijk is. Zo kunnen wij elkaar weer leren te verstaan, vanuit gedeelde waarden. Dat geldt voor iedereen, voor nieuwkomers maar ook voor de mensen die er al zijn.

De heer Marcouch (PvdA):
Een heel korte reactie. Ik geloof de minister en vertrouw erop hij er zelf zo in staat. Maar de vraag is natuurlijk wat hij vanuit zijn verantwoordelijkheid kan doen om initiatieven vanuit de samenleving te stimuleren en te ondersteunen. Ik noem bijvoorbeeld een initiatief als het Huis van Vrede in Almere, waarover ik vertelde. Ik noem de docent die achter de voordeur komt om de ouders te ondersteunen bij de opvoeding.

Minister Asscher:


Ik denk dat het de moeite waard is om de initiatieven die er zijn in gemeenten en bij scholen te ondersteunen. Hetzelfde geldt voor de ideeën om mensen bij het verkrijgen van het stemrecht, als zij 18 jaar worden, erop te wijzen wat een voorrecht het is om in een vrije, democratische samenleving te leven. Het is de moeite waard om zulke initiatieven te bundelen en te versterken. Daar heeft de Kamer al recht op, want dat moet het uitvloeisel zijn van de motie van Martijn van Dam om de samenleving weerbaar te maken en die waarden te laten uitdragen. Ik vind dat wij daar in de komende jaren in woord en daad aan moeten werken, juist om de vrije en saamhorige samenleving te beschermen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):


De Kamer heeft een tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen ingediende motie van mijn fractievoorzitter Segers en de heer Zijlstra van de VVD aangenomen over de wederkerigheid als criterium bij ongewenste buitenlandse financiering. De minister stond afgelopen week met een ronkende tekst in De Telegraaf: ik ga de ongewenste buitenlandse financiering aanpakken. Wij hebben de vraag gesteld hoe dat dan gaat gebeuren. In het antwoord daarop staat te lezen: "Het kabinet acht het van belang dat wordt nagegaan of het geld komt van de overheid of van private organisaties en welk doel die financiering heeft alvorens de afweging te maken of het gaat om onwenselijke financiering." Dat zijn heel veel mitsen en maren. Mijn eerste vraag is: welke doelen zijn volgens het kabinet dan wel en niet gewenst? Mijn tweede vraag is: waarom wordt het punt van de wederkerigheid niet gewoon gevolgd, terwijl er daarover een Kameruitspraak ligt waarmee een meerderheid heeft ingestemd?

Minister Asscher:


Omdat we hier met inachtneming van de vrijheid van godsdienst een oplossing moeten vinden voor een ongewenst fenomeen, namelijk het met oliegeld kopen van extremistische invloed. Daar gaat het ons, en volgens mij ook mevrouw Schouten, om. Wederkerigheid kan een middel zijn, zoals het in Noorwegen wordt gebruikt, maar het gaat natuurlijk om het doel. Om dat doel te bereiken, zetten we drie stappen. Ik vind het mooi dat wij dat samen met de moslimgemeenschap in Nederland doen, want die heeft ook last van mensen die opeens met een zak oliedollars invloed kopen en invloed willen uitoefenen op Nederlandse jongeren.

De eerste stap is het maken van afspraken met de moslimgemeenschap: welke financiering acht je wel acceptabel, welke niet en hoe houd je dat tegen? De tweede stap, ook naar aanleiding van de casus in Rotterdam, is meer transparantie: zorg ervoor dat je weet waar stichtingen hun geld vandaan halen. Daartoe zal minister Van der Steur het oude wetsvoorstel inzake transparantie van stichtingen afstoffen en verbeteren. Niet iedere postzegelclub hoeft een jaarverslag te maken, maar grotere stichtingen waarbij dat relevant is wel, zodat je transparantie verkrijgt. De derde stap is het ongewenst kunnen verklaren van sommige vormen van financiering. Op dit moment kan dat alleen als financiering direct aan terreur te relateren is. In het kader van het FEC-project wordt gekeken naar die geldstromen. Wij zullen die criteria in de wet moeten opnemen. Men weet dan van tevoren dat financiering die leidt tot het uitdragen van extremistisch en onverdraagzaam gedachtegoed dat in strijd is met de Nederlandse rechtsstaat, wordt beschouwd als ongewenste financiering, die we dus willen tegenhouden.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
De minister heeft heel veel woorden nodig om aan te geven waar je tot doelen komt. Dat snap ik ook, want dat luistert nogal nauw. Er kan heel veel interpretatieverschil in zitten en het zal ook heel lang duren voordat we het allemaal hebben vastgesteld. Het punt van de wederkerigheid is heel objectief. Je kunt gewoon vaststellen of het wel of niet bestaat. In Noorwegen wordt dit criterium gehanteerd. Het kabinet kan dit nu al invoeren. Waarom is de minister dat niet van plan?

Minister Asscher:


Omdat het zo sec uitvoeren van de motie op de manier waarop mevrouw Schouten dat geïnstrumentaliseerd heeft, volgens onze juristen in strijd is met de Grondwet en de rechtsstaat. Het is onze taak om de Nederlandse samenleving te beschermen tegen ongewenste financiering en ongewenste beïnvloeding, maar wel in overeenstemming met de rechtsstaat. Dat vergt dat je zorgvuldig en precies bent over de doelen en de criteria. Daarom zijn daarvoor meer woorden nodig dan alleen "wederkerigheid".

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):


De minister heeft in zijn bijdrage gezegd dat jongeren zich moeten kunnen ontplooien, maar op dit moment worden jongeren belemmerd in hun ontplooiing. Dat is de schuld van deze minister en zijn beleid. Hij heeft een onderzoek van Motivaction naar buiten gebracht waarin Turks-Nederlandse en Marokkaans-Nederlandse jongeren als IS/Daesh-aanhanger werden gezien. Die jongeren hebben geen stageplek of baan kunnen vinden. Wij hebben deze minister gevraagd om excuses, want later bleek dat dat onderzoek een flutonderzoek was en niet klopte. De minister heeft een wet overtreden en dat weet hij ook. Is hij bereid om vandaag, na twee jaar, eindelijk excuses aan te bieden aan die jongeren en al die mensen?

Minister Asscher:


De heer Öztürk verwijst naar de discussie over een onderzoek dat is gedaan door Motivaction, een onafhankelijk bureau, waarvan later kon worden gezegd dat de onderzoeksmethodiek voor discussie vatbaar was. Ik heb toen al gezegd dat het aan de onderzoekers zelf is om te beoordelen of zij daarvoor excuses aanbieden. Als ik een onderzoek krijg, ook als de uitkomsten daarvan mij onwelgevallig zijn, dan mag van mij verwacht worden dat ik dat niet onder de pet houd en niet verborgen houd, ook vanwege mijn actieve informatieplicht.

De heer Öztürk spreekt over de wet. Ik meen mij te herinneren dat de Kamer verschillende keren geïnformeerd is over de manier waarop we omgaan met de ingewikkelde en gevoelige kwestie van AOW-betaling aan Holocaustslachtoffers en dat een heel grote meerderheid van de Kamer het eens is met de lijn van de regering. Veel meer heb ik daarover niet te zeggen.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):
De minister is zelf onderzoeker geweest. Hij wist dat het onderzoek niet deugde. Hij heeft het misbruikt voor zijn eigen politieke doelen. Hij heeft weken van tevoren met anderen daarover gesproken. Ook de directeur van Motivaction heeft gezegd dat hij dat niet moest doen. Willens en wetens heeft hij jongeren beschadigd. U kunt toch na twee jaar zeggen dat u dat niet naar buiten had moeten brengen en dat u daar uw excuses voor aanbiedt? Diederik Samsom is een man met ballen. Hij heeft gewoon gezegd dat hij zijn excuses aanbiedt omdat hij zijn fractie heeft verwaarloosd. U bent kandidaat-lijsttrekker. U kunt toch ook eerlijk zeggen dat u dat niet naar buiten had moeten brengen? Dan mijn belangrijkste vraag. Als de minister weigert om toe te geven dat hij iets heeft gedaan wat achteraf niet bleek te kunnen, moeten we helaas in de tweede termijn een motie van wantrouwen indienen.

Minister Asscher:


De heer Öztürk maakt er een gewoonte van om zijn vragen in te leiden met allerlei leugenachtige en lasterlijke beweringen. Ik vind dat veel zeggen over zijn integriteit en niet over de mijne. Dat betekent dat ik er verder niet op inga.

De heer Azmani (VVD):


Ik wil het toch nog even hebben over ongewenste buitenlandse financiering. Het gaat niet alleen om financiering om terrorisme te bevorderen, maar ook — de minister gaf het zal al aan — om het stimuleren van onverdraagzaamheid. Volgens mij kunnen we het beestje gewoon bij de naam noemen: het zijn vooral salafistische organisaties en gemeenschappen die de waarden waar wij pal voor staan niet accepteren. De motie-Segers/Zijlstra over de wederkerigheid is aangenomen door Kamer. Ik hoorde de minister in reactie op een interruptie van mevrouw Schouten zeggen dat het niet kan op basis van onze rechtsstaat, dat dat uit een juridische analyse blijkt. Is de minister bereid om die juridische analyse aan de Kamer te doen toekomen? Als een land als Noorwegen het wel kan, vraag ik mij af waar dan de beperkingen en belemmeringen zitten in onze rechtsstaat.

Minister Asscher:


Die vraag lijkt mij volkomen terecht en legitiem. Noorwegen en bijvoorbeeld ook Oostenrijk hebben een andere omgang met Kerk en Staat dan Nederland. Dat heeft verstrekkende gevolgen. De aanwezigheid van staatsgodsdiensten maakt dat je je makkelijker kunt bemoeien met de financiering en de inhoud van godsdienst. Nederland kent een ander stelsel. Over de brief van 4 december zal ongetwijfeld een nader debat gevoerd worden. Ik zal delen wat wij hebben uitgezocht tot nu toe over de juridische mogelijkheden en onmogelijkheden. Laat echter één ding duidelijk zijn: het doel van de Kamer, namelijk ongewenste financiering tegengaan, juist om de rechtsstaat te beschermen, neemt het kabinet over. Vandaar dat wij hebben aangekondigd om met wetgeving te komen. Dat is op zichzelf een majeure stap. Dat is ingewikkeld, zo zeg ik tegen mevrouw Schouten. We gaan niet over één nacht ijs, want het is een belangrijke stap.

Mevrouw Karabulut (SP):


Ik was vorige week in Enschede bij een inburgeringscursus en het was ontzettend leuk. De docente vroeg de cursisten op een leuke manier wat, als zij een aantal waarden en norm op een rijtje moesten zetten, bovenaan zou komen in de Nederlandse maatschappij. Zonder uitzondering zetten de cursisten taal op nummer één. Taal is natuurlijk een belangrijk instrument voor het samenleven, om elkaar te kunnen verstaan, om elkaar te ontmoeten en om elkaar te leren kennen, ook op het werk. Deelt de minister mijn mening dat wanneer werkgevers tienduizenden mensen uit andere landen naar Nederland halen om hier werk te verrichten, zij ook de verplichting zouden moeten krijgen om hen te taal te leren om niet te vervreemden van elkaar op de werkvloer en ook vanuit het oogpunt van veiligheid?

Minister Asscher:


Het zijn twee legitieme doelen waarover mevrouw Karabulut spreekt. Vanuit het oogpunt van veiligheid mogen we eisen stellen aan werkgevers en dat doen we ook. Vanuit het oogpunt van integratie kunnen we geen eisen stellen aan de werkgevers. Ik ben het echter wel eens met het doel. We moeten bevorderen dat werkgevers dat doen. Inmiddels hebben we met een groot aantal werkgevers taalakkoorden gesloten. Bijvoorbeeld de schoonmaakbranche is hier heel actief in. Er zijn veel werknemers die de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn en daar wordt nu flink in geïnvesteerd. Dat is goed voor het bedrijf, goed voor de sfeer in het bedrijf, maar ook goed voor de werknemers, die daarna meer kansen hebben op de arbeidsmarkt. Ja, ik ben het er zeer mee eens dat het cruciaal is dat mensen de taal leren en dat zij mee kunnen doen. We kunnen het echter niet als verplichting aan werkgevers opleggen. We kunnen het wel verplichten daar waar het direct raakt aan veiligheid en we kunnen het bevorderen via die taalakkoorden, wat we dus ook doen.

Mevrouw Karabulut (SP):


Wacht even. Terecht stellen we met zijn allen dat de Nederlandse taal een belangrijke waarde is. We leggen plichten op aan mensen en vervolgens organiseren we het. Als het op werkgevers aankomt, zeggen we echter dat zij vrijstelling krijgen: u mag van ons wel tienduizenden mensen hierheen halen omdat ze goedkoper zijn en die op de werkvloer laten werken, maar we verplichten u niet om hen de taal te leren. Dat is toch geen houding? Ik verzoek de minister vriendelijk om als het hem en dit kabinet menens is, als hij ook van mening is dat taal belangrijk is voor ons allemaal — dat vind ik — te gaan zoeken naar oplossingen. Ofwel hij sluit een akkoord met alle werkgevers, ofwel hij zoekt naar mogelijkheden om hen wel te verplichten, want dit is geen doen.

Minister Asscher:


Ik wil toch een lans breken voor de Nederlandse werkgevers, die op dit terrein juist zeer actief zijn, die er ook geld voor over hebben, die investeren in taalakkoorden en bij wie ik zelfs enthousiasme zie om hier meer aan te doen. Dat andere beeld wil ik plaatsen naast het beeld dat mevrouw Karabulut schetst. Ja, verplichtingen kunnen worden opgelegd waar het gaat om veiligheid. Dat doen we ook al. Arbeidsomstandighedenrecht is dwingen. Daar kan door de inspectie op worden toegezien. Nee, je kunt niet opeens een algemene verplichting aan alle werkgevers opleggen om alle werknemers taal te leren. Maar ik proef bij de werkgevers grote bereidheid om daar wat aan te doen. Daar maken we dus ook al gebruik van.

De voorzitter:


Dank u wel. Nee, mijnheer Van Meenen. Jullie zijn allemaal geweest op dit onderdeel. Ik wil eigenlijk nu overgaan naar de staatssecretaris. Het spijt me. Een puntje van orde? Ja hoor.

De heer Van Meenen (D66):


Een heel lang betoog van de minister. Ik heb er welgeteld één vraag over gesteld.

De voorzitter:


Ja.

De heer Van Meenen (D66):


Ja. Nou, ik wilde er eigenlijk nog een stellen.

De voorzitter:


U bent niet afgesplitst toch?

De heer Van Meenen (D66):


Nog niet, voorzitter, maar als dat helpt …

De voorzitter:


De heer Van Weyenberg heeft ook de nodige interrupties gepleegd en die tellen ook mee.

De heer Van Meenen (D66):


Als het helpt om af te splitsen, dan …

De voorzitter:


Nee hoor, het spijt me.

Minister Asscher:


Er is vandaag nog geen nieuwe partij verschenen, dacht ik.

De heer Van Meenen (D66):


Nee daarom, dus het wordt weer hoog tijd.

De voorzitter:


U hoort bij uw fractie.

De heer Van Meenen (D66):


"De Nieuwe Orde". Ik noem haar "De Nieuwe Orde".

De voorzitter:


Ik begrijp het. Ik dank de minister en geef de staatssecretaris het woord.

De heer Van Weyenberg (D66):


Voorzitter, ik weet niet helemaal wat de reden is waarom u dit debat zo kort wenst te houden.

De voorzitter:


Helemaal niet.

De heer Van Weyenberg (D66):


We zijn bezig met de begroting SZW. Het gaat om heel veel geld. Mijn collega Van Meenen wil zijn tweede interruptie doen. Met alle respect, het is half zes. Normaal gesproken is in deze fase met de minister de klok al uren verder. Dus ik begrijp eerlijk gezegd niet waarom het aantal interrupties beperkt wordt. Ik vind dat iedereen zich buitengewoon inhoudt. Wat is het probleem? Dit is een belangrijk debat, het laatste met deze minister. Ik begrijp oprecht niet waarom u het op deze manier strak wenst te houden. Ik vind dat dit het debat niet ten goede komt.

De voorzitter:


Dank u wel. We hebben het hierover gehad. Er zijn genoeg interrupties geweest. Er is alle ruimte geweest om vragen te stellen. We kunnen niet eindeloos blijven interrumperen. Het spijt me. Ik weet dat het vervelend is. Al zou het nu vier uur zijn, het gaat ook om de kwaliteit van het debat, en dat dingen niet steeds worden herhaald. Daar houd ik het bij.

De heer Van Weyenberg (D66):


De kwaliteit van het debat? Dit is een debat over de begroting; een groot, belangrijk onderwerp. We zijn tweeënhalf uur bezig. Ik snap echt niet wat het probleem is, nogmaals. Ik begrijp niet helemaal wat de reden is voor deze stijl. Die is ook heel anders dan ik de afgelopen begrotingsdebatten gewend ben, ook met u, maar goed.

De voorzitter:


Ik zie dat er twee uur en twintig minuten interrupties zijn geweest en dat de minister 45 minuten van zijn spreektijd gesproken heeft.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):


Voorzitter, u hebt het over de kwaliteit van het debat. De heer Van Meenen zou toch aan die kwaliteit iets toevoegen? Ik zou het jammer vinden als Kamerleden tijdens de laatste begroting van deze minister niet zouden kunnen vragen wat ze willen vragen. Ik zou toch willen vragen, al is het tien minuten, om door te gaan.

De voorzitter:


Nee, dat ga ik niet doen. Bovendien, mijnheer Öztürk, met alle respect, u hebt het hele debat niet bijgewoond. U kwam om vijf uur binnen en u hebt één interruptie gepleegd. Dat is uw goed recht …

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):


Maar dat is ook niet aan u.

De voorzitter:


Nee, maar dat is een constatering.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):


U hoeft dat niet te constateren. Dat is uw taak niet. We zijn een kleine fractie. Ik moet meerdere dingen tegelijk doen. Ik heb mijn vraag kunnen stellen, maar ik kom ook voor mijn collega's op.

De voorzitter:


Dat is heel fijn.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):


U hoeft dat niet te constateren.

De voorzitter:


Ik constateer uw afwezigheid tijdens de termijn van de minister. De heer Heerma.

De heer Pieter Heerma (CDA):


Voorzitter, ik wil toch ook heel expliciet steun uitspreken voor het ordevoorstel dat net gedaan is. Er zijn door de meeste fracties in dit debat twee woordvoerders afgevaardigd. Vrijwel alle fracties hebben als tweede woordvoerder de woordvoerder integratie afgevaardigd. Het is een heel groot deel geweest van de inbreng van de Kamer gisteren. En het is een redelijk beperkt deel geweest van de totale spreektijd, omdat wij allemaal netjes gewacht hebben met interrupties tot het einde van het blok. Ik zou een beroep op u willen doen om de heer Van Meenen die ruimte te geven.

De voorzitter:


Nou. Mijnheer Van Meenen, ik ga over mijn hart strijken. Weet u nog welke vraag u wilde stellen?

De heer De Graaf (PVV):


Voorzitter?

De voorzitter:


Ja, mijnheer De Graaf?

De heer De Graaf (PVV):


Eerst mevrouw Schouten, volgens mij.

De voorzitter:


Wat zijn jullie vriendelijk voor elkaar als het gaat om het aantal interrupties!

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):


Ik gun de heer Van Meenen zeker zijn interruptie.

De

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13

  • Van Meenen
  • Öztürk

  • Dovnload 0.54 Mb.