Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Dovnload 0.54 Mb.

Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid



Pagina7/13
Datum28.10.2017
Grootte0.54 Mb.

Dovnload 0.54 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   13
voorzitter:
Maar …

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):


Maar het is iets breder. Ik steun ook het ordepunt, want wij gedragen ons best netjes vandaag. Wij rebelleren wel vaker hier, maar dat is op dit moment niet het geval. Dit is zo'n groot onderwerp dat ik denk dat er iets meer interrupties moeten mogen.

De voorzitter:


Goed. Ik laat één interruptie toe. U bent het ermee eens, mijnheer De Graaf. Dat kan ik aan u zien.

De heer De Graaf (PVV):


Ik zou nog expliciet mijn steun willen uitspreken. Al praten de minister, de staatssecretaris en wij samen tot half zes de plantjes dood; wij voeren een debat. En het is een belangrijk debat, dus dat moet vooral voortgang kunnen vinden.

De voorzitter:


U had alle ruimte om te interrumperen, mijnheer De Graaf. U zat erbij.

De heer De Graaf (PVV):


Ja, en ik bepaal zelf wanneer ik dat doe, maar ik vind ook dat mijn collega's de ruimte moeten krijgen.

De voorzitter:


Maar ik ga over de interrupties; even voor de helderheid.

De heer De Graaf (PVV):


Dat weet ik, maar ik wil wel mijn collega's steunen.

De voorzitter:


Dat is heel fijn. Mijnheer Van Meenen, wat hebt u allemaal losgemaakt? U hebt heel veel fans ineens. Hoe gaat u daarmee om?

De heer Van Meenen (D66):


Overigens mijn enorme waardering voor de collega's. De verwachtingen zijn nu natuurlijk erg hoog gespannen.

De voorzitter:


Ja. Wij zijn een en al oor.

De heer Van Meenen (D66):


Dus laat ik een beetje hoogdravend beginnen.

Ik wil even terugkomen op het onderscheid, waar ik gisteren ook aandacht voor heb gevraagd, tussen normen, waarden en tradities. Die lopen in dit debat dwars door elkaar heen. De minister spreekt over waarden, waar hij vervolgens zegt: dat is artikel 1, dat is artikel 6 van de Grondwet. Volgens mij zijn dat normen. Dat zijn gewoon wetten. Daar moet iedereen zich aan houden. Als je het hebt over waarden, kom je al in een situatie waarin mensen verschillend denken. Dat wil ik graag illustreren …

De voorzitter:
Met?

De heer Van Meenen (D66):


… met een vraag uit het inburgeringsexamen. Die luidt als volgt. Ik vraag wat het goede antwoord is.

Yasmines moeder is zo vergeetachtig dat ze niet meer voor zichzelf kan zorgen. Wat doet Yasmine?

A) Ze geeft haar moeder haar logeerkamer.

B) Ze probeert een plaats voor haar moeder te vinden in een verzorgingshuis.

C) Ze probeert haar moeder op te laten nemen in het ziekenhuis.

Nou ga ik er even voor het gemak van uit dat het laatste fout is, want dat kost zo veel geld. En een van onze normen, waarden, tradities is: het moet altijd zuinig.

De voorzitter:
Wat is het goede antwoord?

De heer Van Meenen (D66):


Ik wed dat het goede antwoord — ik heb nog niet op mijn telefoon gedrukt — is: ze gaat proberen haar moeder in een verzorgingshuis te plaatsen. Mijn vraag is: wat zijn wij hier nu eigenlijk aan het doen? Zijn wij bezig om Yasmine Nederlandse waarden op te leggen? Zeggen wij tegen haar: nee, niet je logeerkamer aanbieden, nee, niet die participatie, welnee, naar het verzorgingshuis? Wat is de bedoeling van deze vraag, zo vraag ik de minister. Hoe past die in het beeld van …

De voorzitter:


Helder, mijnheer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):


1) Wat is het goede antwoord? En 2) Waarom? Waarom zijn wij hiermee bezig?

Minister Asscher:


Ik ben blij dat u de groep Van Meenen in de gelegenheid hebt gesteld om deze vraag te stellen namens De Nieuwe Orde.

Maar ik moet wel bezwaar maken tegen het door elkaar husselen van waarden en normen, want dat doet de heer Van Meenen hier zelf. Het is niet zo dat wat in onze Grondwet staat maar normen zijn. Dat zijn werkelijk gestolde waarden van de Nederlandse samenleving, waarden waar mensen voor gestorven zijn: de vrijheid van godsdienst en meningsuiting, het recht niet gediscrimineerd te worden, het recht om zelf te bepalen van wie je houdt. Dat zijn geen normen. Dat zijn geen gewoontes. Dat zijn de waarden van de Nederlandse samenleving.

Ieder keer als de heer Van Meenen zegt, zoals hij gisteren deed, "ja, jouw waarden, mijn waarden; dat moeten wij nog maar bekijken", dan vergist hij zich. Dat zijn gedeelde waarden van de Nederlandse samenleving die niet onderhandelbaar zijn. Daarom staan ze in de Grondwet. In het verleden zijn wij daar veel te vaak verlegen over geweest. Toen zeiden wij: daar komen mensen vanzelf wel achter, kijk maar, shop maar een beetje. Dat is verkeerd. Mensen hebben het recht om te weten in wat voor land ze komen en wat daar de geldende waarden zijn, zodat ze ook weten hoe ze daar echt onderdeel van kunnen zijn en hun kinderen daarin kunnen opvoeden.

Het voorbeeld dat de heer Van Meenen geeft, gaat niet over de waarden. Dat gaat over een onderdeel van het inburgeringsexamen dat heet: kennis van de Nederlandse samenleving. Dat is dus iets totaal anders. Hoe werkt het hier? Hoe loopt het hier? Daar zitten veel meer vragen in die niet het niveau hebben van fundamentele waarden, maar die wel toetsen of mensen een beetje weten hoe Nederland in elkaar zit. Dat onderscheid kun je wel degelijk maken. Ik heb de participatieverklaring meegenomen voor de heer Van Meenen, ook al heb ik die net weer in mijn stapel papier zien verdwijnen. Daarin staan onze waarden. We vragen daar bij iedereen naar. Dat is een grote verbetering. D66 deed daar in het begin lacherig over, maar ik vind het juist belangrijk dat je die waarden met elkaar uitdraagt. Het zijn net zozeer de waarden van de heer Van Meenen als die van mij. Die gelden voor iedereen in de Nederlandse samenleving.

De heer Van Meenen (D66):
Ik neem daar echt afstand van. Als ik ergens niet lacherig over wil doen, is dat wel over onze Grondwet. Ik ben het eens met de minister dat die waarden uiteindelijk terechtgekomen zijn in onze belangrijkste wet. Daarmee zijn het ook normen geworden. Maar ik waarschuw voor die mêlee van onze waarden, onze joods-christelijke waarden, onze waarden dit en onze waarden dat, en onze tradities. Ik heb daar gisteren ook aandacht voor gevraagd. In het VVD-verkiezingsprogramma staat letterlijk dat docenten in Nederland de Nederlandse tradities actief moeten overbrengen. Dan bevinden we ons op een hellend vlak. Als we dat allemaal aan de nieuwkomer willen overbrengen, maak ik mij daarover grote zorgen. Moeten we het niet eenvoudiger maken voor de nieuwkomer, zodat men zich echt richt op de fundamentele waarden en niet op allerlei aangenomen …

De voorzitter:


De minister.

De heer Van Meenen (D66):


… waarden en tradities die we in Nederland heel verschillend bekijken?

De voorzitter:


Mijnheer Van Meenen …

De heer Van Meenen (D66):


Mijn waarden, behoudens wat in de Grondwet staat, zijn vast niet dezelfde als die van …

De voorzitter:


Dat hebt u in uw inbreng al uitgebreid aan de orde gesteld.

Minister Asscher:


Dat hebben we nu juist gedaan! Zonder steun van D66, maar we hebben het wel gedaan. Er is een participatieverklaring gekomen met daarin de waarden die wij hier delen. Daar is geen discussie over. Dat zijn de waarden die wij gemeen hebben. Daar ben ik verantwoordelijk voor. Ik ben er verantwoordelijk voor dat we explicieter omgaan met de waarden van Nederland voor nieuwkomers.

De voorzitter:


Dank.

Minister Asscher:


We moeten niet meer zeggen: als u wilt weten hoe hard u moet rijden, kijkt u maar naar het snelheidsbord. Dat snelheidsbord zetten we na iedere 100 meter, maar we vertellen niet wat onze waarden zijn. Als de heer Van Meenen zijn afgedwongen interruptie eindigt door mij te vragen verantwoordelijkheid te nemen voor het VVD-verkiezingsprogramma, zijn we ver van huis. Ik ben voor veel dingen verantwoordelijk, maar expliciet niet voor het VVD-verkiezingsprogramma. Ik wens dat ook niet te zijn. Ik sta voor het kabinetsbeleid, expliciet wat betreft de Nederlandse waarden, zodat we mensen hier welkom heten en hen vertellen in wat voor land ze hun toekomst kunnen vinden.

De voorzitter:


Dank u wel. Ik geef nu het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Klijnsma:


Voorzitter. Ik ben met plezier even blijven staan, want deze laatste interruptie hadden we geenszins mogen missen. De uitswinger van de minister spreekt ook voor zich.

Ik dank allereerst de leden heel hartelijk voor hun inbreng in de eerste termijn. De minister heeft onze ondersteuners bedankt en ik wil dat bij dezen ook graag doen. Laat dat even heel helder zijn. Voorzitter, met uw welnemen zal ik in mijn beantwoording ook met blokken werken. Ik zal eerst enige algemene zaken melden, waarna ik drie blokken zal behandelen: de Participatiewet en de banenafspraak, de armoede en de schulden, en de oudedagsvoorziening. We hebben een aantal vragen schriftelijk reeds beantwoord.

Net als alle leden van het kabinet, wil ik eerst stilstaan bij het feit dat dit natuurlijk een bijzonder moment is. Het is de laatste begrotingsbehandeling. We hebben in de laatste vier jaar een aantal zaken zien gebeuren. Er was sprake van een stevige economische crisis, die vrijwel alle Nederlanders heeft geraakt en er zijn ingrijpende hervormingen in gang gezet. Er waren natuurlijk ook bezuinigingen aan de orde. Daarmee win je niet onmiddellijk de populariteitsprijs, maar we moeten natuurlijk wel gewoon onze verantwoordelijkheid nemen.

Mijn bijzondere aandacht was en is gericht op de kwetsbaarste groepen. Zij krijgen het natuurlijk extra voor de kiezen als het economisch niet goed gaat. Door armoede en schulden aan te pakken, hebben we ervoor gezorgd dat er voor deze groepen ook perspectief is gebleven. We hebben ook plaats geboden aan mensen met een arbeidsbeperking door van werkgevers te vergen dat zij op hun werkvloer meer plaats maken voor deze mensen. Verder hebben we ervoor gezorgd dat de AOW recht overeind is gebleven. Die is ieder jaar geïndexeerd, zodat iedereen later kan rekenen op een basispensioen.

We hebben dit alles natuurlijk niet in een soort splendid isolation gedaan. We hebben heel grote stappen kunnen zetten dankzij de inzet en de steun van heel veel mensen en organisaties. Het regeerakkoord werd gevolgd door het sociaal akkoord met de sociale partners. Ook hebben we in de Kamer steeds gezocht naar een zo breed mogelijk draagvlak. Want het was zaak om niet alleen in de Eerste Kamer maar ook in de Tweede Kamer met een zo breed mogelijk draagvlak heel fundamentele wetgeving tot een goed eind te brengen. We hebben nadrukkelijk gezocht naar de dialoog met de samenleving. Een voorbeeld daarvan is natuurlijk de Nationale Pensioendialoog. Zonder die dialoog, ook met uw Kamer, komt er niets tot stand. Dat is eigenlijk altijd al zo geweest.

60 jaar geleden, op 23 maart 1956, werd in uw Kamer de Algemene Ouderdomswet aangenomen. De indiener van het wetsvoorstel was niet Willem Drees, zoals veel mensen altijd denken, maar zijn en mijn partijgenoot Ko Suurhoff. Bij de behandeling van het wetsvoorstel zei hij in de Tweede Kamer dat het niet aangaat dat één partij de AOW voor zich annexeert. Daarmee sloeg hij bescheiden de spijker op zijn kop, want de AOW was en is meer dan het succes van een minister of een politieke partij. Hij was en is het succes van onze parlementaire democratie en onze verzorgingsstaat. Met elkaar hebben we de AOW ingevoerd, steeds verder verbeterd en uiteindelijk ook aangepast aan de gestegen levensverwachting.

Dat geldt niet alleen voor de AOW maar ook voor de Participatiewet en al die andere wetten en maatregelen die we hier de afgelopen vier jaar met elkaar hebben behandeld. Het is echt het werk van ons allen. We hebben de afgelopen jaren veel met elkaar gesproken — soms ging het er heel pittig en stevig aan toe — maar we hebben heel veel met elkaar bereikt om ons sociale stelsel solide en solidair te houden en om mensen met een arbeidsbeperking volop en volwaardig mee te laten doen.

We zijn natuurlijk nog niet klaar — een behoorlijk aantal interrupties ging daarover — maar we zijn goed op weg. Dankzij de inzet van alle partners in het land, die letterlijk en figuurlijk betrokken zijn bij de uitvoering, en natuurlijk ook dankzij de inzet van de Kamer, zijn we stappen voorwaarts aan het maken.

We krijgen heel veel brieven en reacties binnen. Ook op werkbezoeken horen en zien we wat er leeft. Het gaat erom dat we de zaken die daar aan de orde zijn, vandaag hier bespreken. Laten we er dus met elkaar naar kijken hoe we de zorgen van mensen zo veel mogelijk kunnen wegnemen en hoe we mensen perspectief kunnen bieden.

Voorzitter, ik wil graag met het eerste blokje beginnen.

Mevrouw Karabulut (SP):
Ik zou graag willen weten op welke wijze de staatssecretaris perspectief gaat bieden aan die bijna 500.000 mensen in de bijstand. Het zal haar vast niet zijn ontgaan dat er bijna 80.000 mensen in de bijstand zijn beland door het beleid.

Staatssecretaris Klijnsma:


De mensen zijn natuurlijk ook in de bijstand beland omdat zij hun baan hebben verloren of om een andere reden. Dat heeft uiteraard alles te maken met de economische crisis. Er komen nu ook mensen in de bijstand terecht die als vluchteling naar ons land zijn gekomen. Mevrouw Karabulut heeft echter een punt, want al die mensen in de bijstand moeten wel perspectief hebben en houden. Ik weet dat wij hier, evenals gemeentebestuurders, enorm ons best doen om die mensen te schragen. Je ziet daar ook heel goede voorbeelden van in Nederland. Op basis van onze wetgeving doen wij er alles aan om de instrumenten te fourneren voor de uitvoerders, zodat zij de mensen die het betreft kunnen ruggensteunen.

Mevrouw Karabulut (SP):


Ik ben hier wel een beetje klaar mee. Zo gaat het al jarenlang. Arbeidsgehandicapten zouden een eerlijke baan krijgen en een eerlijk loon. Er zijn er 250.000 aan de kant komen te staan. Een groot deel van de jonggehandicapten is niet begeleid naar werk, maar is in de bijstand terechtgekomen. Als ik vraag naar oplossingen en de staatssecretaris erop wijs dat dit beleid, deze politiek, heeft geleid tot meer werkloosheid en een beleid dat werklozen straft, dan wijst zij naar gemeenten. Erkent zij op z'n minst, aan het einde van de rit, dat de Participatiewet en de aanscherpingen tot heel pijnlijke sociale situaties hebben geleid? Mensen hebben tientallen jaren gewerkt en worden vervolgens vernederd. Ze moeten gedwongen werken zonder loon in een fabriekshal. Erkent de staatssecretaris op z'n minst dat de werkloosheid als gevolg van dit beleid is gegroeid?

Staatssecretaris Klijnsma:


Zoals ik al zei, hebben we op basis van de Participatiewet ervoor gezorgd dat op gemeentelijk niveau de mensen die geen werk hebben, worden begeleid naar de arbeidsmarkt en goed geëquipeerd zijn. Uw Kamer heeft er nog niet zo lang geleden mee ingestemd dat er bijvoorbeeld een no-riskpolis voor onbepaalde tijd is gekomen voor mensen die naar garantiebanen kunnen gaan, zodat die mensen ook voor onbepaalde tijd op de loonlijst van de desbetreffende werkgever kunnen komen, hetgeen een groot goed is. Kortom, we hebben heel veel zaken — dit is maar één voorbeeld — binnen de Participatiewet geregeld, zodat mensen veel sneller aan het werk kunnen komen.

Ik kom op mijn eerste blokje. Dat gaat over de Participatiewet. De hervormingen zijn er natuurlijk op gericht om drempels te slechten, waardoor mensen met een arbeidsbeperking toegang krijgen tot de werkvloer bij reguliere werkgevers. Ze hebben lang aan de zijlijn gestaan. Steeds meer werkgevers staan open voor het feit dat deze medewerkers een plek verdienen. Bij het sociaal akkoord zijn 125.000 banen afgesproken. De werkvloer wordt steeds toegankelijker voor mensen die tot de doelgroep behoren. Natuurlijk blijft het niet bij praten en nadenken. Ik constateer echt een cultuuromslag bij werkgevers. Steeds meer werkgevers zien wat mensen met een beperking kunnen bijdragen in plaats van dat ze gefocust zijn op wat deze mensen niet zouden kunnen. In het eerste jaar van de Participatiewet werden al 21.000 plekken ingericht, bestemd voor mensen uit de doelgroep van de banenafspraak. Dat is een mooie eerste stap, maar er moeten er nog veel volgen willen we die inclusieve arbeidsmarkt echt gestalte geven. Als er zich knelpunten voordoen, doen we er alles aan om die in overleg met de betrokken partijen weg te nemen. Ik krijg vanuit de Werkkamer, waar sociale partners, gemeenten en UWV nauw samenwerken, gelukkig goede aanbevelingen. De Kamer is met mij doende om indien nodig deze te vervatten in wetgeving.

De beide aanjagers, de heer Van der Gaag, die namens VNO-NCW de banenafspraken in de gaten houdt, en de heer Spigt, die dit namens de overheden doet, geven aan dat het echt zaak is om erbij te blijven voor het goede resultaat. Immers, 21.000 banen in de eerste jaarschijf is op zichzelf natuurlijk fantastisch, maar het moet wel recht overeind blijven. Het gaat erom dat we iedere keer opnieuw ervoor zorgen dat deze banen niet voor bepaalde maar voor onbepaalde tijd aan de orde zijn. Daarom is die no-riskpolis ook zo ongelofelijk belangrijk. We hebben die uniforme no-riskpolis en we hebben een uniforme premiekorting geïntroduceerd. Leerlingen van het speciaal onderwijs en van het praktijkonderwijs kunnen direct worden opgenomen in het doelgroepenregister. Om mensen nog sneller met loonkostensubsidie aan het werk te helpen, hebben we vanaf 1 januari 2017 verdere maatregelen genomen. Die zijn erop gericht om de werkgevers te ontlasten bij het aannemen van mensen met een arbeidsbeperking en de financiële risico's en bureaucratische belemmeringen zo veel mogelijk weg te nemen.

Vorige week heeft de Kamer een wetsvoorstel aangenomen waarmee de toegang tot het doelgroepregister van mensen uit de gemeentelijke doelgroep die niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen, aanzienlijk kan worden vereenvoudigd via de praktijkroute. Als ik goed geïnformeerd ben, zal de Eerste Kamer daar volgende week een klap op geven. Dan kan met ingang van 1 januari deze praktijkroute gestalte krijgen. Dan kan ook nieuw beschut werk, dat niet was verankerd in de wet, alsnog in de wet worden verankerd. Dat is, denk ik, helemaal prima. Immers, zo zeg ik heel regelmatig, een wet is geen doel op zich maar een instrument. Als dat instrument kan worden verbeterd, dan moet je dat zeker niet laten.

In de onlangs gelanceerde kandidatenverkenner zitten nu 60.000 geanonimiseerde cv's van mensen uit de doelgroep die staan te popelen om aan de slag te gaan. Ze willen heel graag meedoen. De heer Kerstens — ik weet dat het ook voor de VVD-fractie geldt — heeft mij gevraagd om te bekijken hoe we de kandidatenverkenner verder gevuld kunnen krijgen. Het is namelijk wezenlijk dat ook de gemeenten, en dan ook nog veel enthousiaster, die kandidatenverkenner met de cv's van potentiële werknemers gaan vullen.

Natuurlijk hebben gemeenten en het UWV ervoor te zorgen dat er in ruime mate profielen van kandidaten aanwezig zijn, zodat mensen vindbaar zijn en geselecteerd kunnen worden en zodat werkgevers goed in de kandidatenverkenner kunnen kijken. Om dat te promoten, zijn we nu bezig met verschillende acties. De Programmaraad ondersteunt gemeenten en arbeidsmarktregio's met een vliegende brigade. Het UWV verkent met enkele gemeenten of ze gemeentelijke profielen kunnen inlezen, om hiermee dubbel registreren te voorkomen. Het UWV verkent ook of het per 1 januari gemeenten kan ondersteunen met het handmatig invullen van klantprofielen. Verder stelt het UWV met ingang van 1 februari een kwartaalrapportage transparantie per arbeidsmarktregio beschikbaar. Ik denk dat dit heel wezenlijk is, want op die manier kunnen alle partners in de arbeidsmarktregio's zien hoever een en ander gevorderd is. Gezien het beperkte aantal gemeentelijke profielen dat op dit moment in de kandidatenverkenner staat, vind ik het een goed idee — ik heb het amendement gezien — om een eenmalige impuls aan de arbeidsmarktregio's te doen toekomen, zodat zij een inhaalslag kunnen maken met het vullen van de kandidatenverkenner.

De werkgeversservicepunten moeten stevig in de regio's worden verankerd. Ook dat is belangrijk.

De inrichting van de arbeidsmarktinfrastructuur is een vraagstuk dat verder reikt dan de Participatiewet. Als het systeem voor bemiddeling van werkzoekenden goed functioneert, profiteren alle doelgroepen daarvan, niet alleen mensen met een arbeidsbeperking, maar ook jongeren, 50-plussers, nuggers en vergunninghouders. Met de juiste ondersteuning kunnen zij allemaal aan de slag. Daarmee kun je natuurlijk ook het instrument SW-bedrijf heel goed benutten. De expertise met bijbehorende infrastructuur die door de jaren heen binnen de SW-bedrijven is opgebouwd, is onontbeerlijk voor een succesvolle uitvoering van de Participatiewet, dus niet alleen maar voor het organiseren van beschut werk maar ook voor het realiseren van de banenafspraak. Ik wil dan ook echt afstand nemen van de opvatting dat de SW-bedrijven hun langste tijd hebben gehad. Dat is geenszins het geval. SW-bedrijven blijven wat mij betreft een heel belangrijke rol spelen. Ik zie gemeenten er gelukkig ook volop gebruik van maken. Ik zag dat bijvoorbeeld in Apeldoorn en Leiden, maar ook in Helmond en in West-Friesland. SW-bedrijven vormen zich om naar bedrijven van de eenentwintigste eeuw. Om de transitie van de sociale werkvoorziening goed te laten verlopen — de Kamer heeft daar mede geld voor beschikbaar gesteld — is extra geld, 30 miljoen, uitgetrokken. Ik heb besloten om begin 2017 de Kamer te informeren over de resultaten van de inzet van deze middelen. Ik vertelde net dat we nieuw beschut werk bij wet hebben geregeld. Daarin heeft het SW-bedrijf natuurlijk ook een belangrijke rol te vervullen. Verder is voor de mensen die onder de WSW vielen, is een nieuwe cao afgesloten.

De heer Van Weyenberg heeft gevraagd waarom een bijstandsgerechtigde niet tijdelijk 50% van de bijverdiensten zou mogen houden. Met de experimenten in de Participatiewet maakt het kabinet het mogelijk om te onderzoeken of een ruimere inkomensvrijlating leidt tot meer uitstroom naar werk uit de uitkering. Het kabinet wil experimenten mogelijk maken met een vrijlating van 50% van de inkomsten gedurende 24 maanden. De maximale vrijlating is €199 per maand voor alleenstaanden en €142 voor gehuwden gezamenlijk. Een ruimere vrijlating dan dat, zoals de heer Van Weyenberg naar voren bracht, past niet bij het tijdelijkvangnetkarakter van de wet. Ook om te voorkomen dat er een armoedeval ontstaat, die belemmerend kan werken voor de uitstroom uit de bijstand, kiezen we hier dus niet voor in het experiment. Er zit echter wel flink veel ruimte in het experiment. Het ontwerpbesluit ligt momenteel voor advies bij de Raad van State. Ik verwacht dat dit spoedig terug zal komen en we het ontwerpbesluit begin 2017 in werking kunnen zien treden.

Voorzitter, ik denk dat ik hiermee, en met de schriftelijke beantwoording, ben ingegaan op de onderdelen die de Kamerleden naar voren hebben gebracht rond de Participatiewet en de Wet banenafspraak.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):
De staatssecretaris geeft aan dat zij vindt dat de huidige AMvB heel veel ruimte biedt. Gemeentes vinden dat niet en een Kamermeerderheid ook niet. Zij vinden dat we hieraan juist meer ruimte moeten geven en dat we die strenge intensiveringsgroep moeten loslaten. Ik zou daar dus graag een reactie op willen hebben, en ook op het punt van de tegenprestatie. Er zijn nu gemeentes die, als het aan de staatssecretaris ligt, worden uitgesloten van dit experiment omdat ze geen tegenprestatie vergen. Waarom is dat voor de staatssecretaris zo belangrijk?

Staatssecretaris Klijnsma:


Ik begin bij dat laatste. In de Participatiewet wordt van bijstandsgerechtigden een tegenprestatie gevraagd. Op basis van artikel 18 van de Participatiewet staat het gemeenten vrij om per bijstandsgerechtigde te bekijken wat het beste bij de man of vrouw in kwestie past. De tegenprestatie hoort echt thuis in de Participatiewet. Als gemeenten de tegenprestatie dus niet in hun verordening hebben opgenomen, kunnen zij ook niet van die verordening afwijken in de zin dat ze vrijheid bieden binnen het experiment. Dat geldt voor een aantal gemeenten; we hebben de inspectie daarnaar laten kijken. Daarom vergen we van gemeenten die mee willen doen met het experiment wel dat ze de hele Participatiewet hebben vertaald in hun verordening.

De eerste vraag van mevrouw Voortman was: vind je nou dat er voldoende ruimte zit in de AMvB? Ja, dat vind ik. We hebben daar natuurlijk ook over gedebatteerd in ons algemeen overleg. De Kamer heeft daar ook het een en ander van gevonden. Ik vind dat we in het experiment een mooie balans hebben gevonden door aan de ene kant vrijheid te bieden en aan de andere kant mensen steviger te kunnen begeleiden, zodat we heel goed kunnen zien wat aan het end van de rit zou kunnen werken. Ik vind dus dat die vrijheid, die ruimte, er goed in zit.

Mevrouw

1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   13


Dovnload 0.54 Mb.