Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Dovnload 0.54 Mb.

Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid



Pagina9/13
Datum28.10.2017
Grootte0.54 Mb.

Dovnload 0.54 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13
Pieter Heerma (CDA):
Gisteren zijn er door heel veel oppositiepartijen en ook door beide coalitiepartijen opmerkingen gemaakt over de overbruggingsregeling en over het feit dat het gebruik ervan veel lager is dan alle ramingen voorspelden, terwijl het aantal klachten toeneemt. Dat heeft iets paradoxaals. Volgens mij hebben ook beide coalitiepartijen aangegeven dat die overbruggingsregeling zelf, de kaders ervan — hoe zit het met de vermogenseis en hoe wordt er omgegaan met het feit dat mensen die eerst iets regelen en dan aanspraak erop maken? — ook tegen het licht gehouden moet worden. De staatssecretaris antwoordt dat zij nog een keer wil onderzoeken of het gebruik ervan bevorderd kan worden. Bedoelt zij daarmee dat alleen wordt gekeken naar de regeling zoals zij nu is en hoe die gebruikt kan worden of gaat zij, conform wat alle fracties hier gisteren gevraagd hebben, ook naar de aard van de regeling zelf kijken? Dat was de wens die hier werd geuit door een heel brede Kamermeerderheid.

Staatssecretaris Klijnsma:


Ik wil sowieso — ik heb net gemeld dat ik daar al mee doende ben — het gebruik van de overbruggingsregeling bevorderen. Daar blijf ik, ook samen met de Sociale Verzekeringsbank, enorm mee doende. Ik merk dat dat al helpt. Hoe langer termijn wordt die overbrugd moet worden, hoe meer mensen toch gebruik gaan maken van de regeling. Dan is de vraag of ik ook de kaders tegen het licht wil houden en echt naar de aard van regeling wil kijken. Ik wil het nog wel een keer gaan doen, met dien verstande dat ik de Kamer wel wil voorhouden dat als ik dat ga doen en als mocht blijken dat daar iets uit zou kunnen komen — ik zeg het allemaal heel voorzichtig — we ons dan wel moeten realiseren dat terugwerkende kracht heel erg lastig zal zijn. Ik wil die winstwaarschuwing wel nu alvast afgeven. Dat houd ik de Kamer voor. Ook ik vind dat het gebruik laag is. We hadden het oorspronkelijk hoger ingeschat. Als ik het gebruik kan stimuleren, zal ik het zeker niet laten.

De heer Pieter Heerma (CDA):


Volgens mij komen we hiermee al een eindje verder. Nu het gebruik van de overbruggingsregeling zo laag is, kan het beeld niet zijn dat er kennelijk geen problemen zijn, want we krijgen allemaal te veel signalen dat er problemen zijn. Wat al dan niet de problemen zijn met terugwerkende kracht en hoeveel geld er nodig is, kunnen we bekijken nadat het bekeken is. Maar nogmaals, is de staatssecretaris bereid om voor 1 maart niet alleen te onderzoeken hoe het gebruik bevorderd kan worden, maar om ook heel nadrukkelijk te kijken of de regeling, of de kaders van de regeling, de problemen die er zijn voldoende adresseren?

De voorzitter:


Het antwoord kan kort zijn.

Staatssecretaris Klijnsma:


Het antwoord is ja.

De heer Van Weyenberg (D66):


Ik miste de antwoorden op twee vragen. Ik zag die ook niet in de schriftelijke set. De eerste is of de staatssecretaris toch nog een keer wil laten doorrekenen door het Centraal Planbureau wat het nu al inboeken van een rekenrente van 2% of 4% zou betekenen. De tweede is of zij nog binnen deze kabinetsperiode meer uitgewerkte scenario's en nadere informatie naar de Kamer kan sturen rondom de afschaffing van de doorsneepremiesystematiek en of dat nog korter kan dan 25 jaar.

Staatssecretaris Klijnsma:


Dat laatste laat ik u schriftelijk weten. Ik wil dat echt even verifiëren met het CPB. Over het doorrekenen van de rekenrente heb ik natuurlijk al vaker nagedacht. Je kunt allerlei percentages laten doorrekenen, maar dat krijgt natuurlijk in zichzelf ook weer een dynamiek. Ik heb net niet voor niets gezegd dat als je een fictieve rekenrente beetpakt, op welke hoogte dan ook, dit per definitie ook zal leiden tot een fictief impact op ons stelsel. Dat blijf ik zeggen. Daarom kies ik er ook niet voor om de rekenrentes zodanig door te laten rekenen dat we daarmee zouden kunnen spelen, want dit is niet iets waarmee je gaat spelen.

De heer Van Weyenberg (D66):


Nee, en dat is natuurlijk ook precies wat ik wil voorkomen. Daarom wil ik graag laten zien dat dit, naar mijn overtuiging, qua generaties niet evenwichtig uitvalt. Mag ik de staatssecretaris het volgende vragen? Zij zegde toe schriftelijk terug te komen op mijn eerste vraag. We hebben binnenkort een VAO Pensioenen. Dat is een vervolgoverleg waarbij moties kunnen worden ingediend. Ik zou het waarderen als de brief er voor dat AO kan zijn. Ik zou het ook fijn vinden als de staatssecretaris er nog een keer naar kan kijken. Ik snap wat zij niet wil, namelijk iets wat bijna als een blauwdruk kan worden ervaren. Dat is totaal niet mijn bedoeling. Dat weet de staatssecretaris. Maar misschien kan het CPB, misschien nog iets uitgebreider dan in zijn recente notitie, ingaan op de generatie-effecten van een kleine, of heel serieuze, verhoging van de rekenrente.

Staatssecretaris Klijnsma:


Daar heeft het CPB natuurlijk al behartigenswaardige dingen over gezegd en overigens ook de Nederlandsche Bank. Ik sta dus niet onmiddellijk te popelen. Ik wil wel voor het VAO het antwoord op de tweede vraag bij de Kamer doen landen.

De heer De Graaf (PVV):


Ik heb even de beantwoording van de schriftelijke vragen erbij gepakt en dan natuurlijk vooral de antwoorden in onze richting. En wat ziet mijn oog? Dat ziet dat de staatssecretaris niet rekent met de opgebouwde reserves. Ik heb het over die meer dan 1.200 miljard euro. De staatssecretaris doet in haar beantwoording voorkomen alsof het indexeren van pensioenen van mensen die nu een uitkering krijgen, afhankelijk zou zijn van de jongeren die nu pensioen opbouwen. Waarom weigert de staatssecretaris te erkennen dat die 1.200-1.250 miljard juist door die oudere is opgebouwd en dat je daar best een klein stukje van kunt gebruiken om te indexeren? Van die 1.250 miljard is maar een heel klein deel van die jongere groep. Dat heb ik gisteren uitgebreid staan betogen, maar de staatssecretaris laat dat feit gewoon weg. Waarom?

Staatssecretaris Klijnsma:


Ons pensioenstelsel is gebaseerd op collectiviteit, solidariteit en verplichtstelling, en dat vind ik een groot goed. Dat betekent dat die pot van 1.200 of 1.300 miljard —- dat klinkt als heel veel en dat is ook heel veel — van ons allemaal is. Die is van mensen die samen met hun werkgever dat geld hebben gespaard. De verplichtingen die de fondsen hebben naar al die deelnemers — gepensioneerden en mensen die nu nog premie aan het inleggen zijn — zijn groter dan dat bedrag. Dat weten wij doordat de dekkingsgraad van het fonds gewoon te wensen overlaat. Wij kunnen dus niet zomaar zeggen tegen een groep in de samenleving: oké, nou krijgen jullie behoorlijk wat geld en voor die andere groep moeten wij later maar eens bekijken of dat nog gaat lukken. Daarom zei ik wat ik zei, namelijk dat ik mijzelf mateloos populair zou kunnen maken — de heer De Graaf doet dat met zo veel woorden, denk ik — door te zeggen: weet je wat, laten wij een bepaalde groep in de samenleving alvast flink wat uit die pot geven en wat er dan met de rest van de groepen gebeurt, zien we dan wel weer. Daar ben ik dus niet van. Het spijt me.

De heer De Graaf (PVV):


Het gaat hier niet om populariteit maar om rechtvaardigheid. Het gaat om rechtvaardigheid voor de ouderen die nu hun pensioen verdienen en dat ook verdiend hebben door hard te werken. En waarom gaat de solidariteit — dat woord heeft de staatssecretaris ook in de mond genomen — maar één richting op? Waarom moet die alleen maar gaan van oud naar jong? Waarom gaat die niet van jong naar oud? De staatssecretaris waarschuwt voor alleen maar solidariteit van jong naar oud. Dat zou een probleem moeten oplossen dat er niet is, maar als die solidariteit van jong naar oud echt nodig is, dan staat de staatssecretaris niet klaar!

De voorzitter:


Ja.

De heer De Graaf (PVV):


Ik ben bijna klaar, voorzitter, maar ik word een beetje kriebelig van de haast die ons wordt opgelegd. Voorzitter, excuus, maar ik kan bijna niet de rust bewaren om te redeneren. Ik heb het gevoel alsof er een sneltrein door de Tweede Kamer moet, terwijl het een begroting is.

De voorzitter:


Ja. U hebt alle ruimte.

De heer De Graaf (PVV):


Ik weet niet of er mensen vroeg weg moeten, of zo.

Om terug te komen bij mijn vraag: die rekenrente heeft de staatssecretaris ook benoemd en daar zit precies het probleem. Al die jaren dat de rente hoger was, werd die lager vastgesteld. Waarom kan de rente, nu die wat lager is, niet wat hoger worden vastgesteld? Dan ben je stabiel door de jaren heen en is er niets aan de hand, want er komt nog steeds ieder jaar, ook met de lage rentes van nu, meer binnen dan eruit gaat, omdat de rendementen nog steeds hoog zijn. Het verhaal van de staatssecretaris is niet te verkopen aan mensen die nuchter nadenken.

De voorzitter:
Mijnheer De Graaf, de haast komt door het feit dat interrupties echt kort moeten zijn. Dat weet u ook.

Staatssecretaris Klijnsma:


Ik heb uitgelegd waarom ik het zo belangrijk vind dat wij van een onafhankelijke rekenrente uitgaan en dat wij onszelf als politiek niet die rekenrenteknop laten beroeren, juist omdat het voor alle generaties heel erg wezenlijk is dat er pensioen is, gewoon voor iedereen. En ouderen helpen wij ook, want stel je voor dat er kortingen aan de orde zouden zijn, dan komen die niet "pats boem!", maar dan kunnen die over tien jaar gespreid worden. Ook dat moet je hier eerlijk vertellen. Er zit echt een balans in het stelsel op dat punt.

Mevrouw Karabulut (SP):


De verhoging van de AOW-leeftijd is niet alleen door de staatssecretaris aan haar achterban verkocht op basis van verkeerde aannames, namelijk dat wij nu gigantische tekorten zouden hebben op de arbeidsmarkt, maar de versnelde verhoging pakt ook heel erg onrechtvaardig uit voor lager opgeleiden. Die verhoging van de AOW-leeftijd is immers gekoppeld aan de gemiddelde levensverwachting en daar komt-ie: gemiddelden bestaan niet. Lager opgeleiden leven gemiddeld zes tot zeven jaar korter en zestien tot zeventien jaar korter in gezondheid dan hoger opgeleiden. Is de staatssecretaris bereid om de koppeling aan de gemiddelde levensverwachting los te laten? Is zij bereid om hiermee rekening te houden en ervoor te zorgen dat iedereen kan genieten van zijn of haar oude dag, dus ook lager opgeleiden?

Staatssecretaris Klijnsma:


We hebben niet voor niets de overbruggingsregeling naar voren gebracht. Daar maken veel mensen gebruik van. We hebben afgesproken dat we de AOW-gerechtigde leeftijd op basis van de levensverwachting zullen inrichten, omdat de gemiddelde Nederlander ouder wordt. Daarom is die overbruggingsregeling ook gemaakt.

Mevrouw Karabulut (SP):


Die overbruggingsregeling schiet zwaar tekort, maar deze hele systematiek gaat gewoon door. De koppeling van de gemiddelde levensverwachting aan de hele groep klopt niet. Dat probleem wordt alleen maar erger en het gat wordt steeds groter. De staatssecretaris zal iedere keer weer met nieuwe maatregelen moeten komen, omdat het uitgangspunt verkeerd is. Waarom kiest zij ervoor om de lager opgeleiden op deze manier te straffen? Is zij bereid om een nieuwe regeling te bekijken, waarbij je niet alleen kijkt naar gemiddeldes en het uitgangspunt dat mensen langer kunnen en willen werken — want daar is niets mis mee — maar ook naar de mensen die achterblijven, zodat we niet zorgen voor een nog grotere kloof?

Staatssecretaris Klijnsma:


Daarom was het ook zo belangrijk dat bij het sluiten van het sociaal akkoord het percentage werd opgehoogd naar 200% van het wettelijk minimumloon voor alleenstaanden en 300% van het wettelijk minimumloon voor gehuwden. Op die manier heb je natuurlijk wel het een en ander afgevangen. Dat was een heel belangrijk punt bij de overbruggingsregeling.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):


Ik wil graag nog even ingaan op mijn vraag over de AOW voor mensen met zware beroepen. Daarop is een schriftelijk antwoord gekomen. Ik stelde voor om met een regeling te komen voor de specifieke groep mensen die zich niet heeft kunnen voorbereiden op de AOW-leeftijdsverhoging en die dus ook niet heeft kunnen werken aan duurzame inzetbaarheid. Mijn suggestie was om de RVU-heffing te bekijken, om te zien of die wellicht een oplossing biedt. Zou de staatssecretaris daar toch nog wat meer op willen reflecteren dan zij in de schriftelijke beantwoording heeft gedaan?

Staatssecretaris Klijnsma:


Ik zie de RVU-heffing niet onmiddellijk als de panacee. Ik vind het wel van groot belang — daarom heb ik ook zojuist gezegd dat ik de sociale partners een grote rol wil geven — dat sociale partners steeds per sector bekijken hoe het met de duurzame inzetbaarheid gaat. Wat betekent dat aan het eind van de rit voor mensen die bij ons aan de slag zijn? Het appel hoort echt bij de sociale partners te liggen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):


Wat betreft de duurzame inzetbaarheid van mensen die bijvoorbeeld nu 40 jaar oud zijn, ben ik het met de staatssecretaris eens. Maar als je nu 55 jaar oud bent, kon je niet weten dat de AOW-leeftijdsverhoging eraan kwam. Je kon dan ook niet inzetten op duurzame inzetbaarheid. Bij het besluit over de verhoging van de AOW-leeftijd zeiden we al: we moeten iets regelen voor mensen met zware beroepen. Het zou toch mogelijk moeten zijn om te bekijken of we voor die specifieke groep een oplossing kunnen vinden?

Staatssecretaris Klijnsma:


Ik begrijp de gedachtegang over duurzame inzetbaarheid in de context van zware beroepen. Maar we hebben net ook al met de heer Heerma en met een aantal andere mensen dat bij de interruptiemicrofoon stond, van gedachten gewisseld over het feit dat het overbruggingspunt richting de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd nog een punt van aandacht is. We hebben een overbruggingsregeling, maar er werd net niet voor niets gevraagd om de kaders en de aard van die regeling nog eens ten principale te bekijken. Ik vind dat zeer de moeite waard. Maar duurzame inzetbaarheid en de vraag welk beroep al dan niet zwaar of extra zwaar is, vind ik echt iets voor de sociale partners. Laat ik daar heel helder over zijn. In 2009 was ik ook staatssecretaris en toen hebben we voor het eerst over de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd gesproken. Destijds probeerden we het fenomeen "zwaar beroep" te labelen. Dat is echt heel lastig. Dat hoort echt thuis op de cao-tafel bij sociale partners. Die laag zou ik er dus wel af willen pellen. Ik heb al toegezegd dat ik zeker naar de aard van de OBR wil gaan kijken.

De voorzitter:


Ik wil even weten of de minister en de staatssecretaris nog voor de dinerpauze willen reageren op de ingediende amendementen. Het woord is als eerste aan de minister. Toch de staatssecretaris? Ook goed.

Staatssecretaris Klijnsma:


Qua logistiek zou dat fijn zijn.

De voorzitter:


Dat begrijp ik.

Staatssecretaris Klijnsma:


Voorzitter. Er ligt een amendement van de leden Van 't Wout en Kerstens op stuk nr. 17. Dat strekt ertoe werklozen en werkzoekenden over de grens met Duitsland en België beter aan de slag te kunnen helpen. Dat amendement laten wij aan het oordeel van de Kamer.

Het amendement op stuk nr. 20 over matchen willen wij ook aan het oordeel van de Kamer laten.

De voorzitter:
Dat gaat snel. Dank u wel.

Minister Asscher:


Voorzitter. Ik begin met het amendement op stuk nr. 18 van de leden Van 't Wout en Kerstens over de scholingsvouchers. Ik ben blij met de grote vraag naar scholingsvouchers. Ook ben ik blij dat de Kamer dit ook als een succes ziet. Scholing is heel belangrijk voor het verkrijgen of behouden van een baan nu en in de toekomst. Ik laat het oordeel over dit amendement dan ook aan de Kamer.

De heer Van Weyenberg (D66):


Ik constateer dat heel veel amendementen worden gedekt omdat er weer vrijval is bij de sectorplanmiddelen. Dat hebben wij niet uit de begroting kunnen halen, maar blijkbaar is dat het geval. Dat voordeeltje hebben coalitiepartijen. Ik zou het waarderen als de minister de geactualiseerde tabel met het kasritme van de sectorplannen naar de Kamer wil sturen. Blijkbaar is er nieuwe vrijval, die nu op een aantal plekken wordt ingezet. Ik probeer een beetje bij te houden wat er met die oorspronkelijke 600 miljoen is gebeurd. Als wij na dit debat nog een keer een aangepaste tabel kunnen krijgen, dan zou ik dat waarderen.

Minister Asscher:


Zeker. Dit was zichtbaar in de brief die ik gisteren of eergisteren aan de Kamer heb gestuurd. Excuses daarvoor, want ik weet dat de Kamer tot de lippen vol met brieven en stukken zat om de begroting voor te bereiden. Daarnaast zal ik die tabel produceren waar de heer Van Weyenberg om vraagt.

De heer Van Weyenberg (D66):


Dat er nog middelen voor amendementen beschikbaar zijn, haal je daar als oppositiepartij niet in één keer uit. Het is overigens prima, want ik vind het mooie amendementen. Dat is helemaal helder en ik wacht dat briefje met belangstelling af.

Minister Asscher:


Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 19 van de leden Tanamal, Schut-Welkzijn en Van Weyenberg. Gezien de ernstige gezondheidsschade die kan volgen uit een te hoge blootstelling aan gevaarlijke stoffen, wil ik een programma starten om beroepsziektes door gevaarlijke stoffen aan te pakken. Met deze bijdrage is het mogelijk om in 2017 te starten met voorbereidende activiteiten. Ik laat het amendement dan ook oordeel Kamer.

Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 21 van de leden Van Weyenberg en Karabulut over de inspectie. Bij de huidige stand van zaken kan de inspectie jaarlijks 200 bedrijven bezoeken. Uit die bezoeken blijkt dat veel bedrijven het beleid nog niet op orde hebben, vaak niet uit onwil maar uit onkunde en handelingsverlegenheid ten aanzien van het thema. Een effectieve aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie vergt meer focus op voorlichting, waarmee we ook preventief meer bedrijven kunnen bereiken dan met de inspectiebezoeken zelf, in combinatie met meer inspecties op basis van risicoselectie. Een extra inzet van twee keer een half miljoen in de komende twee jaar kan daaraan een extra impuls geven. Ik laat het oordeel dan ook aan de Kamer.

De heer Van Weyenberg (D66):
Ik vind het wel zo chic om even collega Vermeij van de Partij van de Arbeid te noemen. Zij heeft met ons meegedacht over de dekking, waardoor er nu een gewijzigd amendement is dat — ik dank de minister voor het oordeel — op brede steun in de Kamer kan rekenen, denk ik.

De voorzitter:


Dank u wel.

Minister Asscher:


Dat was het, voorzitter.

De voorzitter:


Met de laatste interruptie van de heer Van Weyenberg … Nee, ik zie mevrouw Karabulut bij de interruptiemicrofoon staan.

Mevrouw Karabulut (SP):


Daar ben ik weer; deze ronde voor de laatste keer. Ik heb gisteren aan de bewindspersonen zes of zeven pagina's gegeven met vragen, gesteld door allerlei mensen in het land. Ik zou daar graag een antwoord op willen zien. Is dat nog mogelijk? Is dat vergeten? Komt het op een later moment?

De voorzitter:


U mag er ook later op terugkomen, in de tweede termijn.

Minister Asscher:


Daar moeten we later op terugkomen. We hebben de nacht gebruikt om de directe Kamervragen te beantwoorden, maar we zullen daarop terugkomen.

De voorzitter:


Goed, de minister komt erop terug.

Mevrouw Karabulut (SP):


Het zou heel fijn zijn als dat later schriftelijk kan.

De heer Monasch (Monasch):


Mijn excuus, voorzitter, ik moest heel even weg. Ik heb de staatssecretaris gevraagd om te reflecteren op de vraag hoelang een mens kan doorwerken. Moet er niet een termijn van 45 jaar worden ingesteld? De vraag mag ook in tweede termijn beantwoord worden, maar ik heb de vraag expliciet gesteld.

De voorzitter:


Ik geef het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Klijnsma:


Ik vertelde net in mijn betoog dat wij al in 2009 hebben gekeken naar de vraag hoe we kunnen omgaan met de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. Een van de onderleggers was toen: zou je niet kunnen labelen hoelang mensen gewerkt hebben en op basis daarvan mensen met AOW laten gaan? Toen bleek dat we dat in ons land never nooit hebben bijgehouden. Dat is één. Twee. Wanneer heb je een jaar gewerkt? Dat is zo lastig om te labelen, dat is eigenlijk gewoon ondoenlijk. Denk aan een sabbatical van een halfjaar en dergelijke. Kortom, het is ontzettend ingewikkeld. Deze onderlegger kan dus helaas niet gaan vliegen.

De voorzitter:


Dank u wel. Met de laatste interruptie zijn er tot nu toe in de eerste termijn van de zijde van de Kamer en in de eerste termijn van de zijde van de regering 100 interrupties gepleegd. Bovendien waren ze lang. Diegenen die gaan klagen dat er geen ruimte was voor een debat, worden straks dus … Nee, ik zeg niet wat ik ga doen. Ik stel voor om te schorsen tot 20.00 uur.

De vergadering wordt van 19.01 uur tot 20.03 uur geschorst.

Mevrouw Karabulut (SP):
Voorzitter. Ik dien een aantal moties in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat invoering van de kostendelersnorm in de AOW is uitgesteld tot 1 januari 2019;

verzoekt de regering, de invoering van de kostendelersnorm in de AOW definitief te schrappen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Karabulut en Ulenbelt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 23 (34550-XV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de kostendelersnorm ertoe kan leiden dat mensen met een uitkering in ernstige financiële problemen raken;

verzoekt de regering, de kostendelersnorm voor alle doelgroepen voor 2017 af te schaffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:


Deze motie is voorgesteld door de leden Karabulut en Ulenbelt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 24 (34550-XV).

Mevrouw Karabulut (SP):
Mensen die voor elkaar zorgen, moet je niet beboeten maar ondersteunen.

Ik kom nu met een voorstel om 25.000 echt betaalde banen voor volgend jaar te realiseren.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om structureel 254 miljoen euro uit de integratie-uitkering Sociaal domein beschikbaar te stellen voor gemeenten voor nieuwe banen voor langdurig bijstandsgerechtigden, op voorwaarde dat de beloning plaatsvindt op basis van 110% van het minimumloon of daarboven, en dat de betreffende banen worden gerealiseerd binnen de gemeentelijke organisatie of organisaties waarmee de betreffende gemeente een subsidierelatie heeft,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Karabulut en Ulenbelt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 25 (34550-XV).

Mevrouw Karabulut (SP):
We hadden het er in het debat ook al over: de staatssecretaris heeft niet veel goeds gedaan. Dat blijkt maar weer. Door de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd hebben heel veel mensen een inkomensprobleem. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Overbruggingsregeling AOW voor een deel van de mensen geen oplossing is en dit nog steeds tot ernstige financiële problemen kan leiden bij mensen met een AOW-gat;

verzoekt de regering, de overbruggingsregeling aan te passen zodat mensen die al niet werkten voordat ze 65 werden en geen uitkering hebben die doorloopt tot de AOW-leeftijd, een uitkering krijgen ter hoogte van de AOW,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Karabulut en Ulenbelt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 26 (34550-XV).

Mevrouw

1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13

  • Klijnsma : Qua logistiek zou dat fijn zijn. De voorzitter : Dat begrijp ik. Staatssecretaris Klijnsma

  • Dovnload 0.54 Mb.