Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Belastingdienst

Dovnload 2.98 Mb.

Belastingdienst



Pagina14/55
Datum04.04.2017
Grootte2.98 Mb.

Dovnload 2.98 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   55

Hoe kiest u de goede kolom?

De witte en de groene tabellen zijn ingedeeld in kolommen.

Welke kolom u moet gebruiken, is afhankelijk van de leeftijd

van de werknemer en van de vraag of u de loonheffingskorting

toepast.

Werknemer wordt 65 jaar

De kolom voor werknemers van 65 jaar en ouder geldt al

vanaf de eerste dag van de maand waarin uw werknemer

65 wordt. Zie ook paragraaf 15.21.



Loonheffingskorting toepassen

De loonbelasting/premie volksverzekeringen kent zes heffingskortingen

(zie ook hoofdstuk 21). Deze heffingskortingen

vormen samen de zogenoemde loonheffingskorting.

De loonheffingskorting past u toe op verzoek van uw werknemer

of uitkeringsgerechtigde (zie paragraaf

2.3).

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 7 Stap 7 Loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen | 71

Een aantal heffingskortingen is verwerkt in de loonbelastingtabellen

en een aantal berekent u zelf en trekt u af

van het bedrag dat u volgens de tabel moet inhouden.

De heffingskortingen zijn:

• algemene heffingskorting

Deze korting is verwerkt in de witte en groene tabellen.

• ouderenkorting

Deze korting is verwerkt in de witte en groene tabellen.

• arbeidskorting

Deze korting is verwerkt in de witte tabellen.

alleenstaande-ouderenkorting

Deze korting is verwerkt in een tabel speciaal

voor de Sociale Verzekeringsbank.

• jonggehandicaptenkorting

Deze korting berekent u zelf en trekt u af van

het tabelbedrag.

• levensloopverlofkorting

Deze korting berekent u zelf en trekt u af van

het tabelbedrag.

Voor verrekening van de eerste vier heffingskortingen bepaalt

u dus alleen welke kleur tabel, welke tijdvaktabel en welke

kolom ‘met loonheffingskorting’ u moet gebruiken. Dat doet

u aan de hand van de gegevens die u al hebt: de leeftijd van

de werknemer en het soort loon (uit tegenwoordige of uit

vroegere dienstbetrekking). De alleenstaande-ouderenkorting

past alleen de Sociale Verzekeringsbank toe bij aow-uitkeringen

voor alleenstaanden en voor alleenstaande ouders.

De jonggehandicaptenkorting en de levensloopverlofkorting

zijn niet in de tabellen verwerkt. U moet deze kortingen

zelf per loontijdvak berekenen en aftrekken van het bedrag

dat u volgens de tabel moet inhouden. De jonggehandicaptenkorting

is in 2011 € 696 per jaar (zie paragraaf

21.6).


De levensloopverlofkorting is in 2011 € 201 per gespaard kalenderjaar

(zie paragraaf

21.7). Gebruikt u de maandtabel, de vierwekentabel,

de weektabel, de dagtabel of de kwartaaltabel,

dan is de korting 1/12, 1/13, 1/52, 1/260, respectievelijk 1/4 deel.

Heeft uw werknemer of uitkeringsgerechtigde een loontijdvak

waarvoor geen tabel bestaat? Dan gebruikt u voor het berekenen

van de korting de herleidingsregels die u ook gebruikt

voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen

(zie paragraaf

7.3.5 onder ‘Uw werknemer heeft een

loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat’).



Let op!

U mag de alleenstaande-ouderenkorting en de levensloopverlofkorting

alleen toepassen als de werknemer of de uitkeringsgerechtigde u

schriftelijk heeft verzocht de loonheffingskorting

toe te passen

(zie paragraaf

2.3). Voor de jonggehandicaptenkorting geldt een

uitzondering (zie paragraaf 21.6).

7.3.2 Witte tabellen

De witte tabellen voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen

gebruikt u voor:

• loon uit tegenwoordige dienstbetrekking

• loon op grond van arbeidsongeschiktheid gedurende

maximaal twee jaar na het begin van de arbeidsongeschiktheid

Als dit loon alleen bestaat uit wao/wia-, Wet Wajongof

Waz-uitkeringen of soortgelijke buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen,

moet u de groene tabel

gebruiken.

• uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg,

bijvoorbeeld

zwangerschaps-, bevallings- en

calamiteitenverlof,

en uw eventuele aanvullingen hierop

• loon dat uwv doorbetaalt, als gevolg van uw betalingsonmacht

(artikel 61 ww)

• loondoorbetaling tijdens verlof op grond van de levensloopregeling,

als de werknemer bij het begin van het

kalenderjaar nog geen 61 jaar is (en dus is geboren in

1950 of later)

Als de werknemer is geboren vóór 1950, moet u

de groene

tabel gebruiken.

• uitkeringen bij overlijden, ter compensatie van

aanspraken

op grond van een levensloopregeling

• uitkeringen voor de financiering van loopbaanonderbreking

(Wet arbeid en zorg) en uw eventuele

aanvullingen

hierop

• socialeverzekeringsuitkeringen van uwv die u uitbetaalt



samen met het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking

Arbeidskorting

In de witte tabellen staat in de kolom ‘met loonheffingskorting’

met welk bedrag aan arbeidskorting rekening is

gehouden bij het bepalen van de loonbelasting/premie

volksverzekeringen: de ‘verrekende arbeidskorting’. Dit

bedrag moet u apart in uw loonadministratie vastleggen,

omdat u dit in de aangifte loonheffingen en op de jaaropgaaf

van uw werknemer moet vermelden. Voor uw werknemer

is dit bedrag van belang voor zijn aangifte inkomstenbelasting/

premie volksverzekeringen.



7.3.3 Groene tabellen

De groene tabellen voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen

gebruikt u voor:

• loon uit vroegere dienstbetrekking en daarmee gelijkgestelde

uitkeringen, bijvoorbeeld uitkeringen op grond

van de aow, Anw, ioaw, ioaz, wao/wia, Waz, Wet Wajong,

ww en soortgelijke buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

Bij samenloop van een ww-uitkering met een zwuitkering

moet u de groene tabel gebruiken.

• pensioenen, daarmee gelijk te stellen uitkeringen uit

pensioenfondsen en afkoopsommen en schadeloosstellingen

die daarvoor in de plaats komen

• loon op grond van arbeidsongeschiktheid vanaf het

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 7 Stap 7 Loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen | 72

derde jaar na het begin van de arbeidsongeschiktheid

• uitkeringen op grond van een vut-regeling

• studie-uitkeringen aan een kind van een werknemer

die is overleden tijdens zijn dienstbetrekking bij u

• lijfrentetermijnen waarvoor u loonbelasting/premie

volksverzekeringen moet betalen

• loondoorbetaling tijdens verlof op grond van de levensloopregeling,

als de werknemer bij het begin van het

kalenderjaar 61 jaar of ouder is (en dus is geboren

vóór 1950)

Als de werknemer is geboren in 1950 of later, moet u

de witte tabel gebruiken.

• een afkoopsom bij ontslag, ter compensatie van de

aanspraken

op grond van een levensloopregeling

• het levenslooptegoed als de levensloopregeling niet meer

aan de voorwaarden voldoet of als de werknemer het

levenslooptegoed afkoopt of vervreemdt

• uitkeringen op grond van de Toeslagenwet die niet

samenlopen met uitkeringen op grond van de zw

• uitkeringen van de Stichting 1940-1945, de Stichting

Friesland 1940-1945 en de Stichting Sneek 1940-1945

• uitkeringen op grond van de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers

1940-1945 en de Wet uitkeringen burgerslachtoffers

1940-1945

• onverplichte uitkeringen, bijvoorbeeld uitkeringen die een

studerend kind van een van uw werknemers van u krijgt

• uitkeringen op grond van de Wwik

7.3.4 Loontijdvak en tijdvaktabellen

Het tijdvak waarover een werknemer loon geniet, heet loontijdvak,

bijvoorbeeld een dag, een week, een maand, vier

weken of een kwartaal. Voor deze verschillende loontijdvakken

bestaan tabellen. Er zijn witte en groene tabellen voor

dagloon, weekloon, maandloon en kwartaalloon. Verder

zijn er witte tabellen voor vierwekenloon. En er bestaan

voor elke tijdvaktabel varianten met en zonder vakantiebonnen,

behalve voor de tabellen voor kwartaalloon.

Hoofdregel: tijdvaktabel gebruiken die overeenkomt met

loontijdvak

De hoofdregel is: u gebruikt de tijdvaktabel die overeenkomt

met het loontijdvak. Als u bijvoorbeeld met uw werknemer

een loon per maand hebt afgesproken, gebruikt u de witte

maandtabel. Als hij vakantiebonnen van u krijgt, gebruikt

u de bijbehorende witte maandtabel voor werknemers met

vakantiebonnen. Keert u pensioenen per kwartaal uit, dan

gebruikt u de groene kwartaaltabel. Op deze hoofdregel

gelden

uitzonderingen in de volgende twee situaties:



• Het loontijdvak wordt onderbroken, of uw werknemer

treedt in het loontijdvak in of uit dienst.

• U hebt parttimewerknemers.

Uitzondering 1: onderbroken loontijdvak of inof

uitdiensttreding

in het loontijdvak

Als u in een loontijdvak van bijvoorbeeld een maand een of

meer dagen geen loon betaalt aan een fulltimewerknemer,

mag u de maandtabel niet gebruiken. Want dan zou u rekenen

met een te hoog bedrag aan algemene heffingskorting

en arbeidskorting. U gebruikt de week- en/of dagtabel voor

de dagen waarover u wél loon betaalt, ook al is het loontijdvak

van de werknemer geen week of dag. Voor elke volle

werkweek gebruikt u de weektabel en voor de resterende

werkdagen de dagtabel.

In de volgende gevallen gebruikt u de week- en/of dagtabel,

ook al is er sprake van een ander loontijdvak:

• Een werknemer treedt in de loop van een loontijdvak in

of uit dienst waardoor hij in het loontijdvak een aantal

dagen geen loon krijgt.

• Een werknemer krijgt in het loontijdvak een aantal dagen

geen loon van u, maar rechtstreeks van uwv een

arbeidsongeschiktheidsuitkering.

• Een werknemer krijgt een aantal dagen geen loon,

omdat bij onbetaald verlof opneemt.

• Een werknemer die recht heeft op vakantiebonnen,

neemt vakantie op. De werknemer krijgt die vakantiedag(



en) dus geen loon.

Voorbeeld 1

Uw werknemer treedt op 14 maart 2011 in dienst. Voor die eerste niet-volle

maand betaalt u hem € 1.400. Bij volle maanden gebruikt u de witte maandtabel,

maar in maart, de maand van indiensttreding, moet u ‘knippen’.

Dat

wil zeggen dat u vanaf 14 maart 2011 twee keer de witte weektabel moet

gebruiken (de eerste werkweek loopt van 14 tot en met 18 maart en de

tweede van 21 tot en met 25 maart) en daarna vier keer de witte dagtabel,

voor 28, 29, 30 en 31 maart.

De periode van 14 tot en met 31 maart heeft veertien werkdagen. U berekent

twee keer de witte weektabel over € 500 (= (€ 1.400 : 14) x 5) en vier keer de

witte dagtabel over € 100 (= € 1.400 : 14).

Voorbeeld 2

Een werknemer heeft een maandloon van € 2.100 en vakantiebonnen voor

25 vakantiedagen. Hij neemt in de derde week van maart 2011 op maandag

en dinsdag onbetaald verlof. U gebruikt dan voor de tweede en de vierde

werkweek

(volle weken) de witte weektabel met vakantiebonnen voor 20 of

meer vakantiedagen per jaar. Voor de niet-volle werkweken gebruikt u voor

de gewerkte dagen de witte dagtabel met vakantiebonnen voor 20 of meer

vakantiedagen per jaar, dat wil zeggen voor de werkdagen van de eerste week

(dinsdag tot en met vrijdag), de derde week (woensdag, donderdag en vrijdag)

en voor de laatste werkdagen van de maand (maandag tot en met donderdag).

Maart 2011 heeft 23 werkdagen, waarvan 2 dagen onbetaald verlof. U hebt

dus 21 loondagen. U berekent 2 keer de witte weektabel met vakantiebonnen

voor 20 of meer vakantiedagen per jaar over € 500 (= (€ 2.100 : 21) x 5)

en 11 keer de witte dagtabel met vakantiebonnen voor 20 of meer vakantiedagen

per jaar over € 100 (€ 2.100 : 21).

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 7 Stap 7 Loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen | 73

Voorbeeld 3

Een werknemer zonder vakantiebonnen heeft een maandloon van € 1.800.

Hij neemt de derde week van maart 2011 onbetaald verlof. Voor de volledige

werkweken binnen deze maand (tweede en vierde week) gebruikt u de witte

weektabel. Voor de andere werkdagen (1, 2, 3, 4, 28, 29, 30 en 31 maart)

gebruikt u de witte dagtabel.

Maart 2011 heeft 23 werkdagen, waarvan 5 onbetaald verlof. U hebt dus

18 loondagen. U berekent 2 keer de witte weektabel over € 500

(= (€ 1.800 : 18) x 5) en 8 keer de witte dagtabel over € 100 (= € 1.800 : 18).

Uitzondering 2: parttimewerknemers

De hoofdregel en uitzondering 1 voor het gebruik van de

tijdvaktabellen gelden niet voor parttimewerknemers (werknemers

die gewoonlijk op minder dan vijf dagen per week

werken). Voor deze werknemers gebruikt u de tijdvaktabel

die overeenkomt met het uitbetalingstijdvak. U kijkt dus

naar de frequentie waarmee u het loon uitbetaalt en niet

naar het werkelijke loontijdvak.

Het doet er niet toe of de parttimewerknemer binnen het

loontijdvak regelmatig of onregelmatig werkt, bijvoorbeeld

de ene week drie en de andere week vier dagen. Of als de

parttimewerknemer – met of zonder vakantiebonnen –

onbetaald verlof opneemt.

Let op!

Bij parttimewerknemers mag u niet de kwartaaltabel gebruiken.

Voorbeeld 4

Een parttimewerknemer werkt drie dagen per week. Het loontijdvak is dan

drie dagen. U betaalt het loon per maand uit. U gebruikt nu niet de tabel

die hoort bij het loontijdvak (de witte dagtabel), maar de witte maandtabel.

Voorbeeld 5

U maakt gebruik van een oproepkracht zonder verschijningsplicht

(zie ook paragraaf 7.3.5 onder ‘U hebt oproepkrachten in dienst’). U roept

hem telkens

voor één dag op. U betaalt hem per week uit. U gebruikt nu

niet de witte dagtabel, maar de witte weektabel.

Voorbeeld 6

Een parttimewerknemer treedt op 14 maart 2011 bij u in dienst. Hij werkt

twee dagen per week, op maandag en dinsdag. U betaalt zijn loon per

maand uit. In maart werkt hij zes dagen. Dan moet u over maart de witte

maandtabel gebruiken. U mag dus niet zes keer de witte dagtabel gebruiken.

Dit is een andere systematiek dan bij de fulltimewerknemer van voorbeeld 1.

Voorbeeld 7

Een parttimewerknemer met vakantiebonnen voor 18 vakantiedagen werkt

meestal 24 uur per week: drie dagen van acht uur. U betaalt zijn loon per

maand uit. Deze werknemer neemt in een maand twee dagen onbetaald

verlof.

U gebruikt dan toch de witte maandtabel met vakantiebonnen voor

19 of minder vakantiedagen per jaar, net zoals in de maanden waarin de

werknemer

geen onbetaald verlof neemt. Dit is een andere systematiek

dan bij de fulltimewerknemer van voorbeeld 2.

Voorbeeld 8

Een parttimewerknemer zonder vakantiebonnen neemt een week onbetaald

verlof. U betaalt zijn loon per maand uit. U gebruikt de witte maandtabel,

net als in de maanden waarin de werknemer geen onbetaald verlof neemt.

Dit is een andere systematiek dan bij de fulltimewerknemer

van voorbeeld 3.

7.3.5 Tijdvaktabellen: bijzondere situaties

Voor de volgende bijzondere situaties gelden speciale regels

voor het gebruik van de tijdvaktabellen:

• Uw werknemer heeft een loontijdvak van zes of

zeven dagen.

• Uw werknemer heeft een loontijdvak van korter dan een dag.

• Uw werknemer heeft een loontijdvak waarvoor geen

tabel bestaat.

Uw werknemer heeft verschillende loontijdvakken.

• U doet nabetalingen (vertraagd uitbetaald loon).

• Het kalenderjaar heeft 53 weken en uw werknemer heeft

een loontijdvak van een week of vier weken.

• U hebt studenten of scholieren in dienst.

• U hebt oproepkrachten in dienst.



Uw werknemer heeft een loontijdvak van zes of zeven dagen

Als het loontijdvak zes of zeven dagen is, gebruikt u de

weektabel alsof uw werknemer vijf dagen heeft gewerkt.

Uw werknemer heeft een loontijdvak van korter dan een dag

Als het loontijdvak korter is dan een dag, gebruikt u de

dagtabel alsof uw werknemer een volle dag heeft gewerkt.

Uw werknemer heeft een loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat

Als uw werknemer een loontijdvak heeft waarvoor geen tabel

bestaat, moet u herleiden. Daarbij knipt u het loon op in

delen waarvoor wél een tijdvaktabel bestaat. Bijvoorbeeld

bij een loontijdvak van vier maanden deelt u het loon door

vier. U gebruikt voor dat vierde deel de maandtabel en de

gevonden bedragen vermenigvuldigt u met vier.

Voorbeeld 1

Het loontijdvak is zes maanden. Het loon per zes maanden is € 6.000.

U bepaalt de loonbelasting/premie volksverzekeringen als volgt:

1. Herleid het loon tot loon voor een tijdvak waarvoor wel een tabel

bestaat. In dit geval is herleiding tot een maandloon handig.

2. Bepaal met de maandtabel de loonbelasting/premie volksverzekeringen

en de arbeidskorting voor 1/6 deel van het loon (€ 1.000).

3. Vermenigvuldig de loonbelasting/premie volksverzekeringen en

de arbeidskorting met 6.

U hebt nu de juiste loonbelasting/premie volksverzekeringen en arbeidskorting

voor het loontijdvak van zes maanden.

Voorbeeld 2

Het loontijdvak is 3,5 dag. Het loon voor dat loontijdvak is € 350.

U bepaalt de loonbelasting/premie volksverzekeringen als volgt:

1. Herleid het loon tot loon voor een tijdvak waarvoor wel een tabel

bestaat. In dit geval is herleiding tot een dagloon handig.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 7 Stap 7 Loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen | 74

2. Bepaal met de dagtabel de loonbelasting/premie volksverzekeringen

en de arbeidskorting voor 1/4 deel van het loon (€ 87,50). Een halve dag

is bij het gebruik van de dagtabel ook een dag.

3. Vermenigvuldig de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de

arbeidskorting met 4.

U hebt nu de juiste loonbelasting/premie volksverzekeringen en arbeidskorting

voor het loontijdvak van 3,5 dag.

Uw werknemer heeft verschillende loontijdvakken

Het kan voorkomen dat u uw werknemer naast zijn periodieke

loon nog een beloning (geen nabetaling) betaalt over een

ander loontijdvak. U betaalt bijvoorbeeld loon over een

maand plus provisie over drie maanden die al voorbij zijn.

U mag kiezen uit twee manieren om de loonbelasting/

premie volksverzekeringen

over het andere loontijdvak

te berekenen:

• U gebruikt de tabel voor bijzondere beloningen

(zie paragraaf

7.3.6).


• U voert een herberekening uit (zie hierna onder

‘Herberekeningsmethode’).

De uitkomsten van de twee berekeningen kunnen verschillen.

U mag zelf kiezen welke manier u gebruikt.



Let op!

Bij twee of meer lonen uit vroegere dienstbetrekking, zoals pensioenen

of lijfrenten, met verschillende loontijdvakken moet u altijd de

herberekeningsmethode gebruiken.

Herberekeningsmethode

Als de werknemer beloningen over verschillende tijdvakken

krijgt, kunt u – in plaats van de tabel voor bijzondere

beloningen

te gebruiken – de loonbelasting/premie volksverzekeringen

over het langste tijdvak bepalen door een

herberekening. Bij een herberekening neemt u de volgende

stappen:


1. Tel het loon van het langste tijdvak op bij alle andere lonen

die in dat tijdvak belast zijn of nog belast moeten worden.

2. Bepaal met de tabel die geldt voor het langste tijdvak, de

loonbelasting/premie volksverzekeringen over dit totale

loon, en de bijbehorende arbeidskorting. U gebruikt de

tabel die geldt op het moment dat u het loon over het

langste tijdvak uitbetaalt. En u gaat uit van het loon van

kolom 14 van de loonstaat (het tabelloon).

3. Bepaal met diezelfde tabel de loonbelasting/premie

volksverzekeringen over het totaal van het andere loon,

en de bijbehorende arbeidskorting, dus zonder rekening

te houden met het loon over het langste tijdvak.

Dit bedrag kan afwijken van wat u daadwerkelijk op het

eerdere loon hebt ingehouden en van wat u eerder aan

arbeidskorting hebt bepaald.

4. Trek de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u

hebt berekend bij stap 3 af van de loonbelasting/premie

volksverzekeringen die u hebt berekend bij stap 2.

Doe hetzelfde met de arbeidskorting. Het verschil is het

bedrag dat u moet inhouden op het loon over het langste

tijdvak, en het bijbehorende bedrag aan arbeidskorting.

Voorbeeld 1

Een werknemer, geboren in 1962, voor wie u de loonheffingskorting toepast,

heeft elke maand een regulier loon van € 1.000. In april betaalt u ook de

provisie over januari, februari en maart uit. Deze provisie is € 800.

Het langste loontijdvak is hier de periode januari tot en met maart, de periode

waar de provisie betrekking op heeft. Het totale loon (tabelloon) van dat tijdvak

(een kwartaal) is 3 x € 1.000 + € 800 = € 3.800. Voor dit tijdvak is een

tabel beschikbaar. U gebruikt de tabel die geldt op het moment dat u de provisie

uitbetaalt, dus de witte kwartaaltabel die geldig is in april. Volgens de

witte kwartaaltabel 2011 is de loonbelasting/premie volksverzekeringen over

dit loon € 497,50. De arbeidskorting die hierbij hoort, is € 257,50.

U bepaalt wat u op het totaal van het reguliere loon van januari, februari en

maart (€ 3.000) zou moeten inhouden. Daarbij gebruikt u de witte kwartaaltabel

die geldig is in april. De loonbelasting/premie volksverzekeringen over

3.000 is € 339,25. De arbeidskorting die hierbij hoort, is € 153,00.



Op de provisie van € 800 houdt u in: € 497,50 - € 339,25 = € 158,25.

De bijbehorende arbeidskorting is: € 257,50 - € 153,00 = € 104,50.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   55

  • Belastingdienst
  • 7.3.4 Loontijdvak en tijdvaktabellen
  • Hoofdregel: tijdvaktabel gebruiken die overeenkomt met loontijdvak
  • Uitzondering 1: onderbroken loontijdvak of inof uitdiensttreding in het loontijdvak
  • Uitzondering 2: parttimewerknemers
  • Let op! Bij parttimewerknemers mag u niet de kwartaaltabel gebruiken. Voorbeeld 4
  • 7.3.5 Tijdvaktabellen: bijzondere situaties
  • Uw werknemer heeft een loontijdvak van zes of zeven dagen
  • Uw werknemer heeft een loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat
  • Uw werknemer heeft verschillende loontijdvakken

  • Dovnload 2.98 Mb.